Genesis,Van wege de engelen. Deel 13

17-05-2021 door Dr. K.D. Goverts

«Vanwege de engelen»

Die engelen zijn hier uiteraard de boze engelen. En dan is er een ver­bin­­ding te leggen met Genesis 6. «Zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen»  Gen.6:2. Het gaat hier over de engelvorsten met hun bezitsdrang, waardoor de men­­sen worden ingepalmd. Zij namen, wie ze maar verkozen. Heel de mensheid wordt in hun invloedssfeer gebracht. Paulus pakt die grondgedachte op en zegt: het vrouw-zijn moet be­schermd worden, dat is haar recht. Uiteraard moet de man evenzo te­­gen die engelvorsten worden beschermd. In de gemeente van Ko­rinte waren er dus getrouwde vrouwen, die hun sluier aflegden.

De ‘vrijheid in Christus’ werd daarmee misbruikt. Dat ging dwars te­gen de heersende zeden in. De boze engelen maakten daar ook mis­bruik van. Zo’n vrouw raakt in opspraak; prostitués droegen immers ook geen slui­er. In zo’n situatie kunnen daardoor de goede engelen ook minder goed bescherming bieden.

* Het vrouw-zijn moet beschermd worden

Dat recht van de vrouw, die vrijwarende macht, wordt dan gesymbo­li­seerd door de sluier. Wat dat betreft is 1 Korinte 11 ook een stuk maatschappijleer. Een maatschappij, waar het vrouw-zijn niet beschermd wordt, wordt prijs­­­gegeven aan hardheid, aan afstomping, aan willekeur. De vrouw wordt dan een object, tot een ding. Vaak een reclameobject. Je kunt dan zeggen: dan verdwijnt het huis. En met dat beeld uit Spreuken kun je zeggen: als de waardigheid van de vrouw verdwijnt, heb je al­leen nog het ruwe materiaal. Je krijgt dan een maatschappij, waar al­­leen maar de productie is. Industrie en techniek. Een aarde, die on­­b­e­woonbaar wordt. Er worden dan nog wel allerlei uitvindingen ge­­­daan, maar juist door die uitvindingen raakt de mens steeds meer ver­­vreemd van zichzelf. Het le­ven van de geest verdwijnt. De wereld is niet meer bewoonbaar en wordt hard en koud. Een onpersoon­lijke maat­­­schappij met fabriekshallen en industriesteden. Je krijgt een ont­­­menselijking. Daarom is ook een grondgedachte in de Tenach, in heel de Schrift, dat het vrouw-zijn beschermd moet worden.

* Het hoofd van iedere man

«Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God» 1 Kor.11:3

Die vrijwarende macht wordt dus in verband gebracht met het hoofd. Het woord hoofd (rosj) heeft bij ons soms een wat negatieve klank: chef, baas, autoritair doen. Dat woord rosj hangt ook samen met resjit, begin. Het woord baas in autoritaire zin is in het Hebreeuws: Baäl. In bijbelse zin heeft een hoofd veel meer een beschermende functie.

Verantwoordelijk zijn vóór. In deze tekst wordt de man dus vooral uitgebeeld als het hoofd, hij is ver­­­ant­woordelijk voor, dus de man is dan naar God gekeerd. Het ging in deze tekst immers om gebed en eredienst. Daarom ont­vangt híj dat licht, hij mag dat licht weerspiegelen. Als je zegt: ‘Christus is die vrij­wa­rende macht’, dan klinkt dat wat te ge­­mak­kelijk. Je kunt dat niet af­schuiven. God heeft altijd weer men­sen nodig.

Neher zegt: God heeft bij de schepping bewust besloten Zich te be­per­­ken. Daarom is de vraag of God almachtig is, niet ter zake. Als God al­machtig zou zijn in de zin waarin dat vaak wordt uitge­spro­ken, zou Hij steeds zijn bondgenoten voor de voeten lopen. God wil juist, dat de mens als partner wordt ingeschakeld. Vergelijk in dit verband ook:

«Mannen, leef verstandig met uw vrouwen, als met brozer vaatwerk… opdat uw gebeden niet be­lemmerd worden»  1 Petr.3:7. «Is evenmin de vrouw zonder de man iets, als de man zonder vrouw» 1 Kor.11:11

Met andere woorden: niet alléén, maar alles samen. Samen vorm je zo die eenheid, ook als gemeente. Zo wisselen steeds die beeld­spra­ken. We bestaan in het licht van de ander. Er is een wederkerigheid.

* De vrouw is uit de man

Een gangbare gedachte is: wij mannen zijn geboren uit moeders; en dat blijft ons het hele leven bij. Wij verlangen terug naar de ge­bor­gen­­heid. In vers 12 staat echter een waarheid, die dieper peilt. «Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is ech­ter uit God» 1 Kor.11:12. Bij allerlei volken vind je een mythe, die zegt: alles komt uit een oer-een­­heid. En die oer-eenheid was moederlijk. In moderne vorm vind je dat tegenwoordig weer terug: Moeder Gaya en in het New-Age den­ken. Maar Paulus zegt: de vrouw is uit de man. Of liever: de vrouw is uit de mens. Uit de menselijke onbepaaldheid apart gezet. Om de man tot man te maken en tegenover (als partner) die man te staan. ‘De vrouw is uit de man’. Je kunt ook zeggen: De gemeente is uit de Messias. Niet an­dersom.

* De man is door de vrouw

De tweede kant is: de man is door de vrouw. En dat wordt aan elkaar gekoppeld door een gelijk. Gelijkerwijs…     Alles wat de man is, wordt hij door de vrouw. En in het zinsverband van de Korintebrief is dat vooral ook: door de Ge­­meen­te, de jonkvrouwe, de bruid van het Lam. Dat mannelijke, dat pries­terlijke, kan geen voortgang vinden, als de Ge­meente er niet is om dat vrouwelijke gestalte te geven. Dus: geen ambt zon­der gemeente, geen heil zonder gemeente.

* Door de gemeente

Nie­mand kan zeggen: ik ben mannelijk genoeg om op mijn eentje te ge­lo­ven. Je hebt altijd weer de gemeente nodig om te kunnen leven en te kun­­nen overleven. En dan gaat het natuurlijk om de plaat­se­lij­ke ge­meen­­te. Al is dat voor sommigen natuurlijk wel eens moeilijk. Sommige mensen lijden aan de gemeente. En toch gaat het om de plaat­­­selijke ge­meente. Ook in al zijn beperkingen en verbrokenheid, die daaraan soms verbonden is. Spreken over ‘een universele ge­meen­­te’ kan een zweverig aspect inhouden. Het Hebreeuwse denken is, ook in dit opzicht, veel meer concreet.

Soms wordt er gezegd: ik had het in mijn hart (bijvoorbeeld) om van­a­vond hierheen te gaan. Maar ook dat kan een vorm zijn om de naam des Heren ijdel te gebruiken; zeker als je er dan bij zegt: de Heer gaf het in mijn hart. Als je je afvraagt, wat de kenmerken zijn van de ware gemeente, dan kun je bijvoorbeeld beginnen met te kijken naar:

«En zij bleven volharden bij het onderwijs der aposte­len en de ge­meen­schap, het breken van het brood en de gebeden»  Hand.2:42.

Hier worden dus een paar belangrijke kenmerken genoemd. En dan denk ik, dat volharden een belangrijk punt is. De tabernakel was ook een teken van Gods geduld. Zo is ook de gemeente een teken van Gods geduld. Je ziet in de praktijk, dat als iemand een keer ver­an­derd is van gemeente, hij dat èen eventuele volgende keer makkelijker doet. Je krijgt een soort drempelverlaging. Je moet dus oppassen om, als bij­­voorbeeld één van de vier bovengenoemde kenmerken in een ge­meen­te min of meer ontbreken, te zeggen: dat is geen goede ge­meen­te. De tragiek van de kerkgeschiedenis is juist, dat als men meende er­gens een aspect van het kerk- of gemeente-zijn te missen, er dan prompt een nieuwe kerk werd gesticht. Zo kwamen er steeds meer. Je krijgt dus steeds een gemeente erbij, die dan iets zou moeten heb­­­ben, wat die vo­rige gemeente niet had. En bij dit alles kun je je af­­vragen: waar liggen de grenzen. Hoe lang houd je het vol met el­kaar. Een van de kenmerken van een gemeente is de volharding; het vol­har­den met elkaar. Die tabernakel was een symbool van Gods ge­duld. Zo is de gemeente bedoeld als teken van Gods trouw.

Sion be­te­kent ook gemeente. De rabbijnen kunnen van mening met elkaar ver­schillen, terwijl ze el­kaar toch vast­hou­den. Daar kunnen we wel­licht nog van leren.

* De ‘Ent­deckungs­freu­de’

Dan heb je in dit verband ook nog het aspect van de Ent­deckungs­freu­de. Men meent iets gevonden te hebben, dat de oplossing van veel pro­blemen zou kunnen betekenen. Vaak wordt die deelwaarheid dan ver­ab­soluteerd. Dan wordt een sleutel tot ‘dè sleutel’. Er wordt soms iets nieuws ontdekt en dat is dan het geneesmiddel voor alle kwalen. Mensen, we hèbben het!

De volgende stap is: wij heb­­ben het. Zo was op een gegeven ogenblik de lofprijzing hèt middel voor alle kwa­len. Je moet elkaar herkennen, omdat je de weg van de Messias wilt gaan. Je her­kent elkaar aan het verhaal. Meningsverschillen kunnen soms een po­si­tieve functie hebben: er wordt dan iets wakker geroe­pen.

Zoals Spreuken zegt; «Zoals men ijzer met ijzer scherpt, zo scherpt de ene mens de ander»  Spr.27:17.

* Meningsverschillen met een scheppende functie

Er wordt iets opgeroepen, waar je alleen nooit opgekomen was. Dat me­­nings­verschil kan dus een scheppende functie hebben. Menings­ver­­­schil wordt helaas dikwijls opgevat als ketterij. En dan krijg je al gauw de si­tuatie: jíj eruit of ík eruit. De ander wordt eerst gemeten met de meetlat van de zuivere leer en vervolgens krijgt hij daarmee de genadeslag. En vaak wordt dat nog getrokken ook in de sfeer van: als jij dat tegenstaat, blokkeer jij het Koninkrijk. Dan wordt een be­paald leerstuk belangrijker dan de mens. Je zit dan met allerlei din­gen maar je hebt geen mensen meer. Dat is een negatieve vrucht.

* Het mannelijke is het bewaren

In verband met dat mannelijk en vrouwelijk moeten we toch weer die basispunten gaan bezien. Het mannelijke aspect was dus voor­al het pries­terlijke leven, zie 1 Koningen 2. We zijn hier aan het eind van Davids regering; Salomo moet nog be­gin­nen. Hierbij te bedenken, dat dit een profetisch oek is.

«Toen de dagen van Davids sterven naderden, gebood hij zijn zoon Sa­lo­­mo: Ik sta op het punt de weg der gehele aarde te gaan, wees gij nu sterk en toon u een man;en neem uw plicht jegens de HERE, uw God, in acht»  1 Kon.2:1-3. (letterlijk: gij zult be­waren de bewaring van de HERE uw God……). Wat is nu een man?

Het mannelijke is dus het bewaren, het priesterlijke, het bewaren wat God bewaart. Je ziet dus, dat je het mannelijke en het vrou­we­lij­ke niet waterdicht van elkaar kunt scheiden. Bewaren wat God be­waart; en God bewaart zijn Torah. De rabbijnen zeg­gen: de Torah bestond al, voordat God hemel en aarde had ge­scha­pen. ­En toen die schepping van hemel en aarde be­gon, stond dat dus he­le­maal in het teken van de Torah. De schep­ping was dus niet zozeer een stuk natuur. Het Hebreeuws heeft trou­wens geen woord voor natuur. De natuur, hoe mooi vaak ook, kun je niet altijd als voor­beeld voor Gods liefde en handelen nemen.

Er heerst vaak de wet van de jungle.

* Ter wille van de Torah werd de wereld ge­scha­pen.

Als God gaat scheppen, doet Hij dat aan de hand van de Torah. Met het doel, dat die Torah gerealiseerd wordt. Er wordt dus gezegd: ter wille van de Torah werd de wereld ge­scha­pen. Er wordt gezegd: ter wil­le van Mozes werd de wereld gescha­pen. Ter wille van Israël is de wereld ge­scha­pen. Je kunt zelfs zeggen: Ter wille van míj is de we­­reld ge­schapen. God had dus al een bepaalde planning op het oog. Niet zodanig, dat de toe­komst vastligt; dat is een onbijbelse gedachte. De Torah moest gere­a­­­liseerd worden; de vijf boeken van Mozes met al die verhalen. V­er­ha­­len van barmhartigheid en ontferming. Heel die wet van bond­ge­noot­­schap tussen God en mens.

God had dat verbond al voor ogen. En daarom is God gaan scheppen. Het was niet zo, dat God bezig was die schitterende natuur te schep­pen en dat toen ook nog eens een keer de mens te voorschijn kwam. De bij­bel spreekt menselijk over de kosmos en kosmisch over de mens. De kosmos is als een huis: de hemel als dak boven je hoofd en de aarde als grond onder je voeten. Hemel en aarde vormen als het wa­­re het decor, waarin de Torah gestalte kan krijgen. Gods doel was niet om een prachtig plaatje te cre­eren, een liefelijk stilleven.

Gods doel was: geschiedenis. Buber spreekt van ‘Geschehende Geschich­te, geschiedende geschiedenis’.

* De zondeval was niet voorbestemd

Uit het bovenstaande kun je niet de conclusie trekken, dat de zon­de­val al vastlag. De geschiedenis ligt open. Anders maak je er weer te gauw een systeem van. En dan krijg je die kwestie van oorzaak en ge­volg. De rabbijnen werken niet zozeer met oorzaak en gevolg; meer met asso­ciaties. Alles gaat verhalenderwijs. Het is niet zo, dat de zon­­deval móest plaatsvinden. Dan zou de zon­de­­val als het ware van tevoren zijn ge­pland. Je kunt dat vergelijken met een architect, die een bouwtekening heeft.

In de Torah wordt reeds van tevoren het bondgenootschap tus­sen God en mens getekend. Die architect heeft niet in zijn teke­ning op­ge­no­men: er zal iemand van de steigers vallen. Het risico zit er­in, maar hij heeft het niet gepland. Wel kan die architect vang­net­ten doen on­der de stei­gers of andere veiligheidsmaatregelen nemen. Als God gaat scheppen, zit daar een risico in. Als God het schepsel gaat creëren, geeft Hij het ook vrijheid. Anders zou er ook geen ge­schie­­denis mogelijk zijn. Op het moment, dat God het schepsel vrij­heid geeft, be­perkt Hij Zichzelf. En op het mo­ment, dat God Zichzelf be­perkt, komt er ook een factor van onze­ker­heid bij.

God besluit dus, om niet continu bij alles in te grijpen. De Torah wordt ‘vooruit geworpen’. God zendt het licht vooruit, want de Torah is het licht. Uw woord is een lamp voor mijn voet. Het licht wordt vooruit geworpen, geprojecteerd. En dan zou je misschien de conclusie trekken: als de Torah er al was, dan was Genesis 3, dan was de zondeval er ook al in de hemel, vóórdat de aarde er was. Maar als je zegt: dat was al voorbestemd, dan ga je het beeld overbelas­ten. Dan ga je er iets in leggen, wat de rab­­bijnen er ook niet mee bedoeld hebben.

* Voor de grondlegging der wereld

Er staat, dat het Lam al vóór de grondlegging der wereld was ge­slacht. Dat was, kun je zeggen, voor het geval dat het mis zou lopen. Je zou het met een vangnet kunnen vergelijken. Je kunt zeggen: God is op alles be­rekend. God wil het kwaad niet. God heeft het kwaad ook niet gepland. Want anders ga je de bron van het kwaad bij God leggen. De mogelijkheid tot herstel zit in een menselijk lichaam al inge­bouwd. En zo is het geestelijk ook. In het bijbelse denken is God niet tijdloos, Hij is wel eeuwig. God is ook niet de ‘Onbewogen Beweger’, zoals Aristoteles heeft ge­zegd. God zegt niet: Ik weet van tevoren precies wat er vandaag ge­beurt, en ook niet, dat het al is vastgesteld. Anders zou het alleen maar het af­wer­ken van een draaiboek zijn.

* God had er verdriet van

In Genesis 6 staat, dat God er verdriet van had, dat Hij de mens gemaakt had. Het ging God aan zijn hart. Dat is iets anders dan als God zegt: Ik had het ook wel verwacht, of: Ik wist het van tevoren al. God heeft de geschiedenis van tevoren niet vastgelegd. Dat is juist het Babylonische en Egyptische denken: daar is het allemaal het nood­lot. In dit verband krijg je ook de leer van de uitverkiezing: van tevoren ligt al vast wie be­houden wordt of verloren gaat. De Remon­stranten zei­­den: je wordt be­houden door vooruitgezien geloof. God kan ver­driet hebben, berouw, als het fout gaat. Dat is uniek, dat vind je ver­der bij geen enkele gods­dienst. De goden hebben geen verdriet om de men­sen. God kan tegelijk blij zijn en verdriet hebben. Zo is het ook in de men­­­se­lijke samenleving: je kunt blij zijn op een feest, maar tegelijk ver­­­­driet, om­dat er iemand niet bij kan zijn.

Ook in de Paasnacht: je gedenkt de uittocht, de bevrijding, maar ook zijn daar de bittere kruiden, beeld van het verdriet.

In het Griekse denken, dat van grote invloed is geweest op het Wes­ter­­se denken, ligt het godsbeeld aan de ene kant vast: het noodlot; aan de an­dere kant is daar de gedachte: goden kunnen alleen maar blij zijn, die zijn tè verheven om verdriet te kunnen hebben. In Openbaring 8 staat, dat er in de hemel een half uur stilte zal zijn. «Kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang»  Op.8:1. De engelen houden op met zingen. De hemel is ten zeerste betrokken met de geschiedenis. De engelen zingen maar niet gewoon door…

* God doorwandelt de eeu­wen

God neemt het risico, dat Hij in het oog van de mensheid de neder­laag lijdt. Zoals T.Naastepad zegt: “Gij zijt het, die het langst Uw ne­der­­laag verduurt….” Het lijkt wel, of God het al eeuwen lang niet win­­nen kan. God zegt tegen Mozes, nog voor het volk Israël één voet in het Be­loof­de Land heeft gezet: zij zullen Mij verlaten. En dan wordt er al over bal­­ling­schap gesproken, terwijl de intocht nog moet beginnen. M­isschien kun je in dit verband zeggen: God doorwandelt de eeu­wen, de geschiedenis. Hij weet dan wat er al gebeurd ís. God ziet als het ware àchter de ge­schiedenis. Als je zegt: God neemt een risico, dan zou je de gedachte kun­nen krij­­gen, dat er misschien iets gebeurt, dat God niet had voor­zien.

* De Torah is het boek van de hoop

In de Torah wordt die ontsporing al gezien, wordt al gesproken van de ballingschap. Mozes zegt al: jullie gaan het land in, maar je gaat er ook weer uit. De Torah is een troostboek. Zelfs als het mis gaat, kun je je weg weer terugvinden in de Torah. God heeft er over ge­spro­­ken, niet als iets, dat móest gebeuren, maar als iets dat zou kún­­nen gebeuren. God kan wandelen met een mens in het verbond. Maar God kan zelfs wandelen met de mens in het toeval. Zelfs in het toeval is God nog bíj de mens.

Het voornaamste blijft: de Torah is ook het boek van de hoop en de troost. God blijft hopen; ondanks alles.

   Toch overwint eens de genade,

   en maakt een einde aan de nacht.

   Dan onderwerpt de Heer het kwade,

   dan is de strijd des doods volbracht.

   De wereld treedt in ‘s Vaders licht,

   verheerlijkt voor zijn aangezicht.

God roept de mens toch weer tevoorschijn. God ‘gelóóft de mens als het ware weer te voorschijn’. Iemand zei: God zal later de mens één vraag stellen: Heb je ge­hoopt? Petrus zegt zo mooi: «We zijn wedergeboren tot een le­ven­­de hoop». En om­dat God blijft hopen op zijn mensen, kómen ze er. Die hoop van God is de grootste kracht, waardoor het ook tot stand komt. Het woord hoop heeft in het dagelijks spraakgebruik een an­de­re waar­de: ‘t kan vriezen en het kan dooien. Maar in de Bijbel is hoop een ze­kere verwachting. Zeker in de zin van: het staat vast.

Het woord tiqu’ah is het woord voor hoop. Je zou het ook kunnen ver­­­talen met: verwachting. Dat woord tiqu’ah kan ook koord be­te­ke­nen. Dat koord, dat Rachab uit het raam hangt, wordt ook tiqu’ah ge­­noemd. Dat scharlaken koord is het teken van de hoop. Hoop is eigenlijk geloof met betrekking tot de toekomst. Zowel de hoop als het geloof zijn een vaste grond. Vergelijk daarmee: «Haar (de hoop) hebben wij als anker der ziel»  Hebr.6:19.  Er bestaat een mooi gezegde: “Onderwijzen is hoop uitspreken”. Pre­ken is ook ‘alleen maar’: hoop uitspreken. De gemeente is een broedplaats van de hoop, een broedplaats van de verwachting.

* De vrouw van kwaliteit

Nog even terug naar Spreuken 31:10. Niet: ‘de degelijke huisvrouw’, maar “De vrouw van kwaliteit”. Het is een alfabetisch lied. Elk vers be­gint weer met een volgende let­ter van het alfabet.

Esjel (= vrouw) begint met een aleph.

«Op haar vertrouwt»  Spr.31:11.

En vertrouwen begint dan met een beth. Dit lied is schitterend gecomponeerd, met in het midden de verzen 19 en 20, waar het over die handen gaat. «Zij grijpt met haar handen het spinrokken»  Spr.31:19. Hier staat het woord jadèha. Het Hebreeuws heeft twee woorden voor hand: jat (hier dus het meerv.), en kaph.

«En haar handen (kaph) houden de weefspoel»  Spr.31:19. Het woord jat is de hand in actieve zin en kaph de hand in pas­sie­ve zin, de ontvangende hand. Kaph is eigenlijk handpalm, de holte van de hand. Het is veel meer het ontvankelijke.

«Haar hand (kaph) breidt zij uit naar de ellendige, haar handen (jat) strekt zij uit naar de nooddruftige»  Spr.31:20.

Die woorden kaph en jat staan dus in een kruisstelling: jat – kaph – kaph – jat. De handen staan dus aan de buitenkant, de daad. En de bin­nen­kant wordt omsloten door de daad. Binnenin dus de ont­vanke­lijk­heid. Je ziet hier dus prachtig uitgebeeld, hoe die ware vrouw is.

Die vrouw uit Spreuken 31 is niet alleen het individu, maar zij is ook de ge­meen­­te. Er is sprake van spinrokken en weefgetouw. Zij maakt dus de dingen. Het vlas maakt zij tot linnen. Het ruwe ma­teriaal wordt ge­­trans­formeerd tot iets waarin je weer kunt leven. Spreuken 31 is dus hele­maal het lied van de vrouw, die overleven moge­lijk maakt. Aan de andere kant zie je in Spreuken 31:20 de ellendige en de arme. Dat is een vaste uitdrukking. Dat is helemaal de Torah in praktijk. In de To­rah gaat het steeds over de arme, de mens die geen kansen heeft; die overal buiten valt. Aan het eind van Spreuken komt die arme dus ook weer in het middel­punt te staan.

Aan het slot van Spreuken 31:18 zie je ook de symboliek van de nacht. «Des nachts gaat haar lamp niet uit»  Spr.31:18.

Gods volk doorstaat de nacht. De lamp is ook symbool voor de Torah. Zoals W.Barnard zegt: “Dit is de dag waarvoor wij overnachten…”

«Zint zij op een akker, dan verwerft zij die, van de verdiensten van haar handen plant zij een wijngaard»  Spr.31:16.

Je ziet hier, dat die bezigheden voor de man en voor de vrouw niet zo wor­den opgedeeld. Heel frappant is het dat er staat:

«Met wijsheid opent zij haar mond, vriendelijke onderwijzing ligt op haar tong»  Spr.31:26. Ze mag dus ook wel het een en ander zeggen. Vriendelijke onderwijzing: torah chèsed. Torah is onderwijzing. Ten onrechte vaak vertaald met wet.

Chèsed is goedertierenheid of verbondstrouw. Letterlijk staat er dus: onderwijzing van verbondstrouw.

In Spreuken zie je steeds het motief terugkomen van de tegenstelling tus­sen Vrouwe Wijs­­­heid en Vrouwe Dwaasheid. Zie bijvoorbeeld Spreuken 7 en 8. Vrou­we Dwaas­heid is de afgoderij, de verleiding. Dan eindigt Spreuken 31 met: «De vrucht harer handen».

«Geeft haar van de vrucht harer handen dat haar daden haar roemen in de poorten!»  Spr.31:31. Dat woord poorten zie je ook steeds terugkomen in dit lied. De poort is juist de plaats, waar recht wordt verschaft aan de ont-­rechten.

Steeds wordt in het boek Spreuken dus gesproken over het contrast tus­sen wijsheid en dwaasheid. Zo eindigt Spreuken dus met het hoofd­­stuk over de esjet chajil. Je vindt dat ook weer terug in het boek Ruth: Ruth wordt ook ge­noemd: De vrouw van kwaliteit. Uitgerekend Ruth, een vrouw uit de hei­denen.

* Een vrijwarende macht voor de vrouw

Wat die vrijwarende macht betreft, die de vrouw kreeg: dat is een vrij­wa­ring tegen de aantasting, tegen de bedreiging. Wat Paulus hier in 1 Korinte 11 zegt, heeft toch te maken met heel die ge­schiedenis. De vrouw is de gestalte van Jeruzalem. Dat is tegelijk: alles wat kost­baar is, alles wat bewaard moet worden. En Jeruzalem wordt op al­­­ler­lei ma­nie­ren bedreigd, aangetast of ver­treden. Jeruzalem moet juist de stad van de sjalom zijn, van de vrede. Vergelijk in dit ver­­band Psalm 122. Jeruzalem is de stad die ook model staat voor heel de aarde, waar hèt geheim van het leven bewaard wordt. Alle aan­vallen van de duis­ter­nis spitsen zich dus daarop toe.

* Het achtste huis

God heeft ook steeds een huis gehad: eerst de tabernakel, dan krijg je het heiligdom in Gilgal, het heiligdom in Silo, tenslotte de tent die Da­vid neerzet in Sion, de tempel van Salomo… Steeds wordt dat weer afgebroken. Steeds krijg je dat huis dat komt en dat gaat. Samson Rafael Hirsch zegt: Dat is tot zevenmaal toe gebeurd. Wij le­ven toe naar het achtste huis. En acht is het getal van de nieuwe schep­ping. Dat huis is een teken van de bewoonbaarheid van de aar­de.

* Het heiligdom vóór de schepping

En van die zeven dingen, die er voor de schepping al waren, daarbij hoor­­­de ook het heiligdom. Verder hoorde daarbij: de troon der heer­lijk­heid, de Torah, Israël, de aartsvaders, de naam van de Messias en de omkeer. Het heiligdom wordt dus genoemd bij de dingen, die in de gedachten van God opkwamen om geschapen te worden. Het is de plaats van de ontmoeting tussen God en mens. God heeft ook een heiligdom nodig om de schepping in stand te houden.

Je zou haast zeggen: zonder heiligdom geen schepping. «Wie heeft al de einden der aarde vastgesteld (Letterlijk: opgericht)» Spr.30:4.    

* Het heiligdom wordt opgericht

En dan zeggen de rabbijnen: dat is het heiligdom, dat Mozes heeft ge­­­bouwd. De rabbijnen koppelen dit dan aan Numeri 7:1, waar het­zelfde woord voorkomt. «En het geschiedde op de dag, dat Mozes voleindigde de woning……»  Num.7:1. Hier staat ook weer dat woord oprichten.

Als Mozes het heiligdom op­richt, dan wordt in feite de wéreld op­ge­richt. Dat heiligdom is de we­reld in een notedop. Het is het klokhuis van heel de schepping. Er staat ook niet een woning, maar dé woning. (het NBG vertaalt: tabernakel). Je kunt ook vertalen: «En het geschiedde op de dag, dat Mozes eindigde met de woning op te rich­ten». Mozes richt de wereld op mèt de woning. Dat oprichten van de tabernakel is dus een daad van wereldomvat­ten­­de betekenis. Vóórdat dat heiligdom was opgericht, wankelde de we­­reld. Op het moment, dat Mozes daar die tabernakel opricht, wor­den de ein­den der aarde vastgesteld. De tegenactie van het rijk der duis­­ternis was het oprichten van het gou­den kalf. Als de tempel wordt gebouwd en afgebroken, dan wordt ook de we­­­reld gebouwd en afgebroken.

Elie Wiesel zegt:

“Als de volken geweten hadden, wat het betekende, dan hadden ze ook nooit die tempel verwoest”.

Dat is hetzelfde als wat Paulus zegt: «Als ze het geweten hadden, hadden ze de Heer der Heer­lijkheid nooit gekrui­sigd» Jezus zegt: Ik ben die tempel. Breek Mij maar af; over drie dagen wordt het huis weer opgebouwd. Met Pasen wordt die tempel weer op­­­gericht. En dan kun je zeggen:

«Vast staat nu de wereld, zodat zij niet wankelt»  Ps.96:10.

Als God een tentje heeft, dan heeft Hij de hele wereld.

Pas met het oprichten van de tabernakel is het scheppingsverhaal af­­ge­sloten.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

Anneke van der Ree,

 jh.ree@kpnmail.nl

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Hoe ver kan liefde gaan?

Op 4 mei herdenkt Nederland alle Nederlandse slachtoffers sinds de Tweede Wereldoorlog. Dit zijn militairen en burgers die stierven in oorlogssituaties en bij vredesoperaties. Intussen zijn er weer militairen en burgers omgekomen in de Russische / Oekraïense oorlog. “Dit nooit weer” is weer niet gelukt. De vraag dringt hier en daar op of God Poetin zal straffen […]

601654 bezoekers sinds 07-06-2010