Genesis, man en vrouw zijn uit de méns genomen. Deel 9

02-04-2021 door Dr. K.D. Goverts

* Man en vrouw zijn uit de mèns genomen

Je kunt dus niet zeggen: de vrouw is uit de man genomen. Van Rijssel vertaalt in die Transcriptie-vertaling het woord rib met com­­ponent. Dat is toch ook een minder gelukkige vertaling. Een com­­­ponent doet denken aan een ontbrekend deel. Adam was geen on­d­erdeel kwijt. We moeten niet in componenten gaan denken, want man en vrouw zijn com­plete wezens. Het zijn geen componenten, maar partners. Het sleu­tel­woord basar duidt vooral op de mens in zijn begrensdheid en zijn af­hankelijkheid. Man en vrouw zijn dus tegelijk geschapen uit de mens. Dat gebeurde in die diepe slaap. Het was dus niet zo, dat de man lag te slapen en God er toen een vrouw uit maakte. De één gaat dus niet vooraf aan de ander.

* God bouwde de rib tot een vrouw

«En God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens»  Gen.2:22.

Pas in Genesis 2:23 wordt er over de man gesproken. Volgens de tekst gaat de vrouw er dus aan vooraf. Voor rib in Genesis 2:22 staat in het Hebreeuws het woord tsèla’, wat rib en zijde kan betekenen. Dit moet je niet anatomisch gaan ver­staan. De bijbel is geen biologieboek. Het is frappant, dat hetzelfde woord (tsèla’) wordt gebruikt voor de zij­­den van de tabernakel (Ex.26). Die vrouw wordt hier uitgebeeld als een tabernakel. En tabernakel betekent woning (misjkan). God bouwt dus een woning. Merkwaardigerwijs bouwde men over de tabernakel negen maanden; juist de wordingstijd van een mensenkind. De bouw van de taber­na­kel is net als een geboorte.

«Want Gij hebt mijn nieren gevormd,

  mij in de schoot van mijn moeder geweven.

  Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid» Ps.139:13,14.          

Ook de tabernakel was kunstig geweven en wonderbaar toebereid. Vrouw en tabernakel loopt dus parallel.

* God bouwde

«En God bouwde (banah’) de rib, die Hij uit de mens genomen had»  Gen.2:22. Voor het eerst wordt het woord bouwen gebruikt. Dat woord bouwen wordt dus gebruikt in verband met de vrouw. Hier zien we God als het ware als architect. Bouwen duidt ook op een proces. God als ont­­­werper en bouwmeester. Van de man wordt dus níet gezegd, dat hij gebouwd wordt. Van de mens wordt gezegd, dat hij gevormd werd. Let ook op de parallel:

* Hij bracht haar tot de mens

«Ook bracht Hij het (de dieren) tot de mens, om…»  Gen.2:19.

«En Hij bracht haar (de vrouw) tot de mens»  Gen.2:22.

In Genesis 2:19 wordt een doelstelling aangeduid (om….). In vers 22 zien we die doelstelling niet. Bewust wordt dit open gelaten. Die vrouw wordt dus niet tot de mens gebracht opdat hij over haar zou heersen, of opdat hij haar zou benoemen zoals bij de dieren. De vrouw gaat dus niet op in een functie. Die dieren hebben een functie ten opzichte van de mens; van de vrouw kun je dat niet zeggen.

* De mens zingt zijn lied

«Toen zeide de mens…»  Gen.2:23 De mens reageert heel poëtisch. Die gaat om zo te zeggen zijn lied zin­­gen. Het is het eerste lied in de bijbel. Al kun je van Genesis 1 na­tuur­­lijk wel zeggen, dat het het scheppingslied is.

«Deze is nu eindelijk….»

Hier moet je natuurlijk de vrouwelijke vorm nemen en niet het woord dit, zoals het NBG heeft. Het wordt zelfs een motiefwoord.

«Deze is nu ditmaal….deze zal ‘mannin‘ heten, want uit de man ge­no­­men is deze»  Gen.2:23.

«Toen zeide de mens»  Gen.2:23.

Je kunt hier nog niet vertalen adam, er staat hier nog een lid­woord voor. De mens functioneert van hieraf aan vaak als aanduiding van de man.

«Tot deze zal geroepen worden isja (mannin), want uit de man is ge­no­men deze»  Gen.2:23.   Steeds komt dus dat woord deze terug.

«Omdat zij uit de man genomen is»  Gen.2:23.

Je zou zeggen, dat er moest staan: uit de mens. Zij is dus genomen uit de mens; hier in de poëzie, omraamd door dat deze, zie je, dat die adam nu tot twee wordt, man en vrouw zijn tege­lijk geschapen. En dan roept hij poëtisch uit: ‘uit de man genomen’.

* Been en vlees

«Been van mijn been, vlees van mijn vlees»  Gen.2:23. De term been en vlees is een vaststaande uitdrukking.

‘Etsem en basar. Zeven keer komt deze uitdrukking in de bijbel voor. Been en vlees duidt op identiteit. Hierbij kun je vier aspecten on­der­schei­­­­den: eenheid, solidariteit, wederzijdsheid en gelijkheid. Je zou kun­­nen zeggen: solidariteit tot op het bot; tot in merg en been. Wij ken­­nen nog de uitdrukking: ‘Je bent uit hetzelfde hout gesneden’. In het Hebreeuws zouden we zeggen: je bent uit hetzelfde been en vlees gebouwd. Je gebeente (verg.gebindte) is in de bijbel je per­soons­­­struc­tuur, je diepste wezen.

Bijbels gezien moet dus je ge­been­te vol­le­dig hersteld worden. God zou dan in de volledige zin tegen de mens kunnen zeggen: Je bent been van mijn gebeente! In de na­tuur­­­lijke we­reld kun je zeggen: doordat je gebeen­te hebt, heb je ge­stal­­te; je ge­been­te bepáált ook je gestalte en je bewegen.

Vergelijk daarmee ook wat van de tsaddiq wordt gezegd:

«Hij behoedt al zijn beenderen,

  niet één daarvan wordt gebroken»  Ps.34:21.

«Al mijn beenderen zeggen: HERE, wie is als Gij»  Ps.35:10.

Daarom gold ook voor het bokje, dat op Pascha werd gegeten:

«Geen been zult gij ervan breken»  Ex.12:46.

Daarom werd er van de beenderen van Jezus aan het kruis ook niet één gebroken (Joh.19:36). De persoonskern van de tsaddiq bij uit­stek: Jezus Christus, gaat niet ten onder. Daarom zegt Jozef ook:

«Dan zult gij mijn gebeente van hier mee­voe­ren»  Gen.50:25.      

«Door het geloof heeft Jozef voorschriften gegeven over zijn gebeente»

H­ebr.11:20.    

Veertig jaar hebben de Israëlieten dus met het gebeente van Jozef door de woestijn gelopen. Vergelijk ook nog:

«Een goede tijding verkwikt het gebeente»  Spr.15:30.

«Uw gebeente zal gedijen als het jonge groen»  Jes.66:14.

Zeven keer komt die combinatie been en vlees dus voor. Bijvoor­beeld: «Waarlijk, gij zijt mijn eigen been en vlees»  Gen.29:14.

* Vlees en bloed

‘Waarlijk, gij zijt mijn eigen been en vlees’, zo spreekt Laban tegen Jakob. Het NBG spreekt van vlees en bloed, maar dat is heel iets anders. Vlees en bloed duidt veel meer op het na­­tuur­lijke, aardsgerichte leven zonder geestelijk niveau. Vandaar dat er staat:

«Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven»  1 Kor.15:50. Dat is de mens in zijn beperking, in zijn begrensdheid……. Vergelijk ook: «Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees»  Ef.6:12. De oudsten komen bij David om hem tot koning te zalven. Alle stam­men komen naar Hebron en dan wordt er gezegd:

«Zie, wij zijn uw eigen been en vlees»  2 Sam.5:1. Het NBG maakt er helaas weer vlees en bloed van. In feite zeggen de oud­sten dus: wij zijn het lichaam van David. Zo mo­gen wij zeggen: wij zijn het lichaam van Christus, wij zijn zíjn been en vlees.

* Been van mijn gebeente

«Been van mijn gebeente»  Gen. 2:23. Man en vrouw worden dus niet tegenover elkaar gezet, zijn niet el­kaars opponent, niet elkaars contrast, maar er is: eenheid, soli­da­ri­teit, gelijk­heid en wederkerigheid.

* Deze zal isja geroepen worden

«Deze zal isja geroepen worden (‘mannin’)»  Gen.2:23. Er staat niet: haar naam zal geroepen worden. Bij al die dieren was dat wèl zo. ’Mannin’ was ze al in Genesis 2:22. Ze wordt dus niet ‘mannin’, doordat hij dat zegt, hij bevestigt dat al­leen. Ze wàs al isja, ze was al mannin.

* Genomen

«Want uit de man is deze genomen»  Gen.2:23.

Dat woord nemen komt hier nogal vaak voor.

Genesis 2:21: Hij nam één van zijn ribben.

Genesis 2:22: de rib die Hij genomen had.

Genesis 2:23: uit de man genomen.

Dus één keer in de poëzie (v.23) en twee keer in het proza. In het proza actief en in de poëzie passief.

«Zij is uit ‘man’ genomen»  Gen.2:23.

Zo staat het er letterlijk. (dus niet: man). In het proza (Gen.2:21,22) is niet de vrouw genomen, maar het ‘ruwe materiaal’, de rib. En die wordt gebouwd tot een vrouw. Dus het ru­we materiaal wordt genomen uit de mens. Niet de vrouw uit de man. De poëzie (Gen.2:23) geeft niet een stuk nieuwe informatie, dat is niet het doel van poëzie. Die poëzie geeft in emotionele taal aan, wat ge­­beurd is. Poëzie geeft een woordspeling. Daarom staat er: uit man genomen…. Uit iesj genomen en daarom isja, mannin. De poëzie heeft niet tot doel om informatie te geven, heeft ook niet tot doel om het creatieve proces te beschrijven en heeft ook niet tot doel om taalkundig iets uit te leggen.

* Isja – iesj – enosj

Het is ook niet zo dat het woord isja afgeleid zou zijn van het woord iesj, dat klopt helemaal niet, al lijkt dat oppervlakkig gezien wèl zo. Isja komt van anasj (zich aansluiten, zich verenigen). Enosj = mens, mensje. De mens in zijn zwakheid en begrensdheid. In Genesis 2:23 is dus sprake van een woordspel. Een woordspel heeft ten doel iets te onderstrepen, namelijk de gelijkheid van man en vrouw: uit de iesj genomen de isja en dus niet een on­dergeschikt-zijn.

* Heersen of ondergeschikt zijn

In Genesis 2:7 was de adam genomen uit de adamah. De mens was ge­no­­men uit de akker. De akker is ondergeschikt aan de man. Vaak trekt men dan de conclusie: De vrouw is uit de man genomen, dus ana­loog: De vrouw is ondergeschikt aan de man. Echter, die laatste ‘analoge gevolgtrekking’ zou dan juist andersom moe­­­ten zijn: de man is ondergeschikt aan de vrouw. ­Of, als je om­gekeerd rede­neert: de man is ondergeschikt aan de akker. Toch mag de mens heersen over de akker. Consequent doorge­re­de­neerd zou je dan moeten zeggen: De vrouw mag heersen over de man.

* Heersen of dienen

«Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem»  G­en.2:7.

«Totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt» 

Gen.3:19 (poëzie).

«Om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was»  Gen.3:23 (proza). De mens krijgt dus de opdracht de adamah te dienen, waaruit hij ge­­no­­men is. Dienen dus, niet heersen.

Heersen is het sleutelwoord uit het eerste verhaal – Genesis 1.

Dienen is het sleutelwoord uit het tweede verhaal.

* De wording van de vrouw

Opvallend is dus, dat de mens niet actief betrokken is bij de wording van de vrouw. Hij is zelfs geen toeschouwer. Bovendien is er niet met hem over gesproken; hij is niet geraadpleegd. God heeft niet tegen de mens gezegd: “Laat Ons vrouw maken…” Verder valt op, dat dit gebeuren een complete verrassing voor de mens is. Vandaar ook zijn poëtische reactie in vers 23. Dat woord bouwen in verband met de wording van de vrouw wijst ook op een aanzienlijke moeite. Het woord wijst op het verkrijgen van so­li­de resultaten. Puur taal­kun­ig kun je zeggen: de vrouw werd ge­bouwd uit een rib. Je kunt dat woord dus ook vertalen met zijde. Het accent valt in het ver­haal echter niet op het technische of anatomische. Het gaat er dus om: het was uit de zijde van de mens. Het staat dus parallel met: stof uit de adamah – rib, selah uit de adam. Als je het puur ana­tomisch gaat verklaren, wordt het verhaal gere­duceerd.

Vergelijk in dit verband ook:

* Sloot haar plaats toe met vlees

«En sloot haar plaats toe met vlees»  Gen.2:21.

Letterlijk: «Hij sloot vlees toe onder haar» Hier heb je weer het motiefwoord vlees. Daar zit ook die symboliek in: uit die zijde wordt genomen en vlees wordt gesloten.

De rabbijnen zeggen:

“De vrouw is niet genomen uit het hoofd van de mens, opdat hij niet over haar zou heersen; zij is niet genomen uit zijn voeten, opdat zij hem niet als voetveeg zou zijn, maar

* Man en vrouw zijn uit de mèns genomen

Je kunt dus niet zeggen: de vrouw is uit de man genomen. Van Rijssel vertaalt in die Transcriptie-vertaling het woord rib met com­­ponent. Dat is toch ook een minder gelukkige vertaling. Een com­­­ponent doet denken aan een ontbrekend deel. Adam was geen on­d­erdeel kwijt. We moeten niet in componenten gaan denken, want man en vrouw zijn com­plete wezens. Het zijn geen componenten, maar partners. Het sleu­tel­woord basar duidt vooral op de mens in zijn begrensdheid en zijn af­hankelijkheid. Man en vrouw zijn dus tegelijk geschapen uit de mens. Dat gebeurde in die diepe slaap. Het was dus niet zo, dat de man lag te slapen en God er toen een vrouw uit maakte. De één gaat dus niet vooraf aan de ander.

* God bouwde de rib tot een vrouw

«En God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens»  Gen.2:22. Pas in Genesis 2:23 wordt er over de man gesproken. Volgens de tekst gaat de vrouw er dus aan vooraf. Voor rib in Genesis 2:22 staat in het Hebreeuws het woord tsèla’, wat rib en zijde kan betekenen. Dit moet je niet anatomisch gaan ver­staan. De bijbel is geen biologieboek.

Het is frappant, dat hetzelfde woord (tsèla’) wordt gebruikt voor de zij­­den van de tabernakel (Ex.26). Die vrouw wordt hier uitgebeeld als een tabernakel. En tabernakel betekent woning (misjkan). God bouwt dus een woning. Merkwaardigerwijs bouwde men over de tabernakel negen maanden; juist de wordingstijd van een mensenkind. De bouw van de taber­na­kel is net als een geboorte.

«Want Gij hebt mijn nieren gevormd,

  mij in de schoot van mijn moeder geweven.

  Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid» Ps.139:13,14.          

Ook de tabernakel was kunstig geweven en wonderbaar toebereid. Vrouw en tabernakel loopt dus parallel.

* God bouwde

«En God bouwde (banah’) de rib, die Hij uit de mens genomen had»  Gen.2:22.

Voor het eerst wordt het woord bouwen gebruikt. Dat woord bouwen wordt dus gebruikt in verband met de vrouw. Hier zien we God als het ware als architect. Bouwen duidt ook op een proces. God als ont­­­werper en bouwmeester. Van de man wordt dus níet gezegd, dat hij gebouwd wordt. Van de mens wordt gezegd, dat hij gevormd werd. Let ook op de parallel:

* Hij bracht haar tot de mens

«Ook bracht Hij het (de dieren) tot de mens, om…»  Gen.2:19.

«En Hij bracht haar (de vrouw) tot de mens»  Gen.2:22. In Genesis 2:19 wordt een doelstelling aangeduid (om….). In vers 22 zien we die doelstelling niet. Bewust wordt dit open gelaten. Die vrouw wordt dus niet tot de mens gebracht opdat hij over haar zou heersen, of opdat hij haar zou benoemen zoals bij de dieren. De vrouw gaat dus niet op in een functie. Die dieren hebben een functie ten opzichte van de mens; van de vrouw kun je dat niet zeggen.

* De mens zingt zijn lied

«Toen zeide de mens…»  Gen.2:23

De mens reageert heel poëtisch. Die gaat om zo te zeggen zijn lied zin­­gen. Het is het eerste lied in de bijbel. Al kun je van Genesis 1 na­tuur­­lijk wel zeggen, dat het het scheppingslied is.

«Deze is nu eindelijk….»

Hier moet je natuurlijk de vrouwelijke vorm nemen en niet het woord dit, zoals het NBG heeft. Het wordt zelfs een motiefwoord.

«Deze is nu ditmaal….deze zal ‘mannin‘ heten, want uit de man ge­no­­men is deze»  Gen.2:23.

«Toen zeide de mens»  Gen.2:23.

Je kunt hier nog niet vertalen adam, er staat hier nog een lid­woord voor. De mens functioneert van hieraf aan vaak als aanduiding van de man.

«Tot deze zal geroepen worden isja (mannin), want uit de man is ge­no­men deze»  Gen.2:23.  

Steeds komt dus dat woord deze terug.

«Omdat zij uit de man genomen is»  Gen.2:23.

Je zou zeggen, dat er moest staan: uit de mens. Zij is dus genomen uit de mens; hier in de poëzie, omraamd door dat deze, zie je, dat die adam nu tot twee wordt, man en vrouw zijn tege­lijk geschapen. En dan roept hij poëtisch uit: ‘uit de man genomen’.

* Been en vlees

«Been van mijn been, vlees van mijn vlees»  Gen.2:23.      

De term been en vlees is een vaststaande uitdrukking. ‘Etsem en basar. Zeven keer komt deze uitdrukking in de bijbel voor. Been en vlees duidt op identiteit. Hierbij kun je vier aspecten on­der­schei­­­­den: eenheid, solidariteit, wederzijdsheid en gelijkheid. Je zou kun­­nen zeggen: solidariteit tot op het bot; tot in merg en been. Wij ken­­nen nog de uitdrukking: ‘Je bent uit hetzelfde hout gesneden’.

In het Hebreeuws zouden we zeggen: je bent uit hetzelfde been en vlees gebouwd. Je gebeente (verg.gebindte) is in de bijbel je per­soons­­­struc­tuur, je diepste wezen. Bijbels gezien moet dus je ge­been­te vol­le­dig hersteld worden. God zou dan in de volledige zin tegen de mens kunnen zeggen: Je bent been van mijn gebeente! In de na­tuur­­­lijke we­reld kun je zeggen: doordat je gebeen­te hebt, heb je ge­stal­­te; je ge­been­te bepáált ook je gestalte en je bewegen.

Vergelijk daarmee ook wat van de tsaddiq wordt gezegd:

«Hij behoedt al zijn beenderen,

  niet één daarvan wordt gebroken»  Ps.34:21.

«Al mijn beenderen zeggen: HERE, wie is als Gij»  Ps.35:10.

Daarom gold ook voor het bokje, dat op Pascha werd gegeten:

«Geen been zult gij ervan breken»  Ex.12:46.

Daarom werd er van de beenderen van Jezus aan het kruis ook niet één gebroken (Joh.19:36). De persoonskern van de tsaddiq bij uit­stek: Jezus Christus, gaat niet ten onder. Daarom zegt Jozef ook:

«Dan zult gij mijn gebeente van hier mee­voe­ren»  Gen.50:25.      

«Door het geloof heeft Jozef voorschriften gegeven over zijn gebeente»

H­ebr.11:20.    

Veertig jaar hebben de Israëlieten dus met het gebeente van Jozef door de woestijn gelopen. Vergelijk ook nog:

«Een goede tijding verkwikt het gebeente»  Spr.15:30.

«Uw gebeente zal gedijen als het jonge groen»  Jes.66:14. Zeven keer komt die combinatie been en vlees dus voor. Bijvoor­beeld: «Waarlijk, gij zijt mijn eigen been en vlees»  Gen.29:14.

* Vlees en bloed

‘Waarlijk, gij zijt mijn eigen been en vlees’, zo spreekt Laban tegen Jakob. Het NBG spreekt van vlees en bloed, maar dat is heel iets anders. Vlees en bloed duidt veel meer op het na­­tuur­lijke, aardsgerichte leven zonder geestelijk niveau. Vandaar dat er staat:

«Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven»  1 Kor.15:50.

Dat is de mens in zijn beperking, in zijn begrensdheid……. Vergelijk ook: «Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees»  Ef.6:12. De oudsten komen bij David om hem tot koning te zalven. Alle stam­men komen naar Hebron en dan wordt er gezegd:

«Zie, wij zijn uw eigen been en vlees»  2 Sam.5:1. Het NBG maakt er helaas weer vlees en bloed van. In feite zeggen de oud­sten dus: wij zijn het lichaam van David. Zo mo­gen wij zeggen: wij zijn het lichaam van Christus, wij zijn zíjn been en vlees.

* Been van mijn gebeente

«Been van mijn gebeente»  Gen. 2:23.

Man en vrouw worden dus niet tegenover elkaar gezet, zijn niet el­kaars opponent, niet elkaars contrast, maar er is: eenheid, soli­da­ri­teit, gelijk­heid en wederkerigheid.

* Deze zal isja geroepen worden

«Deze zal isja geroepen worden (‘mannin’)»  Gen.2:23.

Er staat niet: haar naam zal geroepen worden. Bij al die dieren was dat wèl zo. ’Mannin’ was ze al in Genesis 2:22. Ze wordt dus niet ‘mannin’, doordat hij dat zegt, hij bevestigt dat al­leen. Ze wàs al isja, ze was al mannin.

* Genomen

«Want uit de man is deze genomen»  Gen.2:23.

Dat woord nemen komt hier nogal vaak voor.

Genesis 2:21: Hij nam één van zijn ribben.

Genesis 2:22: de rib die Hij genomen had.

Genesis 2:23: uit de man genomen.

Dus één keer in de poëzie (v.23) en twee keer in het proza. In het proza actief en in de poëzie passief.

«Zij is uit ‘man’ genomen»  Gen.2:23. Zo staat het er letterlijk. (dus niet: man). In het proza (Gen.2:21,22) is niet de vrouw genomen, maar het ‘ruwe materiaal’, de rib. En die wordt gebouwd tot een vrouw. Dus het ru­we materiaal wordt genomen uit de mens. Niet de vrouw uit de man. De poëzie (Gen.2:23) geeft niet een stuk nieuwe informatie, dat is niet het doel van poëzie. Die poëzie geeft in emotionele taal aan, wat ge­­beurd is. Poëzie geeft een woordspeling.

Daarom staat er: uit man genomen….

Uit iesj genomen en daarom isja, mannin. De poëzie heeft niet tot doel om informatie te geven, heeft ook niet tot doel om het creatieve proces te beschrijven en heeft ook niet tot doel om taalkundig iets uit te leggen.

* Isja – iesj – enosj

Het is ook niet zo dat het woord isja afgeleid zou zijn van het woord iesj, dat klopt helemaal niet, al lijkt dat oppervlakkig gezien wèl zo.

Isja komt van anasj (zich aansluiten, zich verenigen).

Enosj = mens, mensje. De mens in zijn zwakheid en begrensdheid. In Genesis 2:23 is dus sprake van een woordspel. Een woordspel heeft ten doel iets te onderstrepen, namelijk de gelijkheid van man en vrouw: uit de iesj genomen de isja en dus niet een on­dergeschikt-zijn.

* Heersen of ondergeschikt zijn

In Genesis 2:7 was de adam genomen uit de adamah. De mens was ge­no­­men uit de akker. De akker is ondergeschikt aan de man. Vaak trekt men dan de conclusie: De vrouw is uit de man genomen, dus ana­loog: De vrouw is ondergeschikt aan de man. Echter, die laatste ‘analoge gevolgtrekking’ zou dan juist andersom moe­­­ten zijn: de man is ondergeschikt aan de vrouw. ­Of, als je om­gekeerd rede­neert: de man is ondergeschikt aan de akker. Toch mag de mens heersen over de akker. Consequent doorge­re­de­neerd zou je dan moeten zeggen: De vrouw mag heersen over de man.

* Heersen of dienen

«Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem»  G­en.2:7.

«Totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt» 

Gen.3:19 (poëzie).

«Om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was»  Gen.3:23 (proza). De mens krijgt dus de opdracht de adamah te dienen, waaruit hij ge­­no­­men is. Dienen dus, niet heersen.

Heersen is het sleutelwoord uit het eerste verhaal – Genesis 1.

Dienen is het sleutelwoord uit het tweede verhaal.

* De wording van de vrouw

Opvallend is dus, dat de mens niet actief betrokken is bij de wording van de vrouw. Hij is zelfs geen toeschouwer. Bovendien is er niet met hem over gesproken; hij is niet geraadpleegd. God heeft niet tegen de mens gezegd: “Laat Ons vrouw maken…” Verder valt op, dat dit gebeuren een complete verrassing voor de mens is. Vandaar ook zijn poëtische reactie in vers 23.

Dat woord bouwen in verband met de wording van de vrouw wijst ook op een aanzienlijke moeite. Het woord wijst op het verkrijgen van so­li­de resultaten. Puur taal­kun­ig kun je zeggen: de vrouw werd ge­bouwd uit een rib. Je kunt dat woord dus ook vertalen met zijde. Het accent valt in het ver­haal echter niet op het technische of anatomische. Het gaat er dus om: het was uit de zijde van de mens. Het staat dus parallel met: stof uit de adamah – rib, selah uit de adam. Als je het puur ana­tomisch gaat verklaren, wordt het verhaal gere­duceerd.

Vergelijk in dit verband ook:

* Sloot haar plaats toe met vlees

«En sloot haar plaats toe met vlees»  Gen.2:21.

Letterlijk: «Hij sloot vlees toe onder haar» Hier heb je weer het motiefwoord vlees. Daar zit ook die symboliek in: uit die zijde wordt genomen en vlees wordt gesloten.

De rabbijnen zeggen:

“De vrouw is niet genomen uit het hoofd van de mens, opdat hij niet over haar zou heersen; zij is niet genomen uit zijn voeten, opdat zij hem niet als voetveeg zou zijn, maar uit zijn zij­de, opdat zij hem terzijde zou gaan en terzijde zou staan”.

Zij aan zij. Ook de symboliek van de nabijheid van het hart zit hierin.

Een commentaar zegt:

“Deze keer is de vrouw uit de zijde van de mens geboren, maar van nu af zal het omgekeerd zijn, dan wordt de man geboren uit het lichaam van de vrouw”.

* ‘Het zwak­ke geslacht’

Wanneer je het verhaal dus gaat reduceren tot een rib van de adam, sla je het verhaal in feite plat. De hoogten en de diepten zijn er dan uit. Van­uit het verhaal is het ook onzin om te spreken van ‘het zwak­ke geslacht’. Als je het puur vanuit het woordgebruik bekijkt, is de man dan zwak­ker: hij wordt gebouwd uit stof en de vrouw uit een rib. De plaats wordt toegesloten met vlees. Vlees is ook zwakker dan een rib. Petrus spreekt wel van broos vaatwerk, maar dat is een heel ander verband. In dit verhaal van Genesis staan niet in de eerste plaats technisch-­ana­­to­mische bijzonderheden over het ontstaan van de mens. Net zo min als Genesis 1 bedoeld is om ons het ontstaan van het heelal dui­de­lijk te ma­ken. Maar het gaat om verbondsgeschiedenis. In Genesis 1 krijg je dus het verbond tussen God en mens en in Genesis 2 krijg je dan het ver­bond tussen man en vrouw. Hoe worden ze partners.

* Tabernakel en priester

Man en vrouw ontstaan dus tegelijk uit de mens. De vrouw ontstaat door gebouwd te worden. De man ontstaat – zou je haast zeggen – door een offer te brengen. Dat hangt weer samen met dat gedenken en dat priesterlijke aspect. We hebben gezien: de vrouw werd gebouwd zoals de tabernakel werd ge­bouwd. Tabernakel (tempel) en priester horen bij elkaar. De vrouw is het bouwwerk en de man is de priester, die een offer brengt. Dat zie je weer terug in Jezus Christus. Hij wordt gestoken in zijn zij­de, Hij wordt doorboord. En uit de Messias wordt de vrouw ge­bouwd. De vrouw van God, de gemeente.

* Zij zullen één vlees zijn

«Zij zullen één vlees zijn»  Gen.2:24. Dat omvat inderdaad het aspect van de gemeenschap, het sexuele. Het duidt echter ook op die heelheid, dat verbond, het samengaan. Het is opmerkelijk, dat er in deze teksten in het geheel niet ge­spro­ken wordt over kinderen. Het aspect van de voortplanting wordt er dus he­le­maal niet bij genoemd.

* Van één naar velen

«Viel een diepe slaap op Abraham»  Gen.15:12.

Hier staat ook dat woord tardemah. Hetzelfde zagen we bij die diepe slaap over Adam. Ook bij Abraham gaat het in dit hoofdstuk over het ver­­­bond. Het gaat over dat volk, dat er nog helemaal niet is. Ook hier heb je die overgang van één naar velen.

* Vader en moeder verlaten

«Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aan­kle­ven»  Gen.2:24.  Het is opmerkelijk, dat hier alleen de mán genoemd wordt in ver­band met het verlaten van vader en moeder. Dit vers vormt een soort af­­slui­ting, nog een klein stukje commentaar. Er blijkt hier een stuk onafhan­kelijkheid uit voor de vrouw.

* Parallellen en overeenkomsten

Genesis 2:18-20 loopt parallel met Genesis 2:21-24. Genesis 2:18-20 kun je weer in twee gedeelten bezien. In het eerste gedeelte is de Here God actief en in het tweede gedeelte trekt Hij Zich als het ware terug.

«En de HERE God zeide»  Gen.2:18.

«En de HERE God formeerde…»

«Ook bracht Hij het tot de mens»  Gen.2:19. In Genesis 2:20 verdwijnt God als het ware uit het beeld en wordt de mens subject. Ook Genesis 2:21-24 kun je weer in twee gedeelten split­sen.

«Toen deed de HERE God»  Gen.2:21.

«En de HERE God bouwde»  Gen.2:22.

In Genesis 2:21-22 is de HERE God weer actief. In Genesis 2:23 is het weer de mens, die subject wordt. Genesis 2:24 is dus een verhalende kanttekening.

 * Zijn vrouw aankleven

«Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aan­kleven (dabaq)»  Gen.2:24. Dat woord dabaq speelt ook een belangrijke rol in het boek Ruth. De vrouw speelt in het boek Ruth trouwens toch een belangrijke rol.

«Maar Ruth klemde zich aan haar (Naomi) vast»  Ruth.1:14.

«Mijn ziel is aan U verkleefd»  Ps.63:9.

«Ik klem mij vast aan Uw getuigenissen»  Ps.119:31.

«Want zoals de gordel kleeft aan de heupen van een man»  Jer.13:11. Zo is ook de verbinding tussen God en Israël. Dat woord wordt dus ook gebruikt om de verbinding tussen God en mens aan te duiden. «Hem zult gij dienen, Hem aanhangen»  Deut.10:20.

«Sluit u aan bij mijn arbeidsters»  Ruth 2:8. Hier wordt het zelfs een motiefwoord. Het komt terug in:

«Sluit u aan bij mijn knechten»  Ruth 2:21.

«Zo sloot zij zich aan»  Ruth 2:23.   

«En zij zullen worden (letterlijk) tot één vlees».  Gen.2:24 Het gaat hier om de totale mens. Niet alleen lichamelijk, maar ook in­­­ner­lijk. Kinderen worden hier niet genoemd, maar wel die eenheid. Basar (vlees) is het totale menszijn. Dit was dus de vierde episode.

* Hoofddeel 3

We krijgen nu Hoofddeel 3.

Genesis 2:25 – 3:7 (episode 1).

* Zij waren naakt

Dit gedeelte wordt omsloten door twee teksten, die je een inclusio zou kunnen noemen. «En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaam­den zich voor elkander niet»  Gen.2:25.

«En zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aan­een en maak­ten zich schorten»  Gen. 3:7. Dat naakt staat als een kader om dit gedeelte heen. Eerst is daar de onbevangenheid ten aanzien van de naaktheid en daar­na de schande. Letterlijk staat er: «Zij bekenden, dat ze naakt waren» Dan wordt het dus onderkend. Tussen die beide omsluitende teksten staat dus het verhaal van de slang.

* De slang spreekt

Let op de compositie:

Genesis 3:1:     de slang begint te spreken.

Genesis 3:2:     de vrouw geeft antwoord.

Genesis 3:4,5:  de slang spreekt weer.

De vrouw wordt letterlijk omsingeld door het spreken van de slang. De slang begint te spreken en dit gedeelte eindigt ook met het spre­ken van de slang. Zo wordt de vrouw omstrengeld. Omstrengelen is typisch een slan­gen­metho­de. De slang neemt de vrouw mee in de slangentaal.

* Listig en naakt

«En zij beiden waren naakt» Gen.2:25. 

Naakt = arummim

«De slang nu was het listigste van alle dieren des velds» Gen.3:1. 

Listig = ’arum.

«En zij bemerkten, dat zij naakt waren»  Gen.3:7. 

Naakt = ’erummim.

In die laatste tekst dus een iets andere vorm voor naakt dan in v.25. Het woord listig is wat moeilijk vertaalbaar. Het is meteen zo negatief ge­­­kleurd. Je zou kunnen zeggen (Gen.2:25): man en vrouw waren on­schuldig, on­be­dekt. Van die slang wordt letterlijk ook gezegd: hij was on­­schul­dig. Het blijft in het Nederlands een moeilijk punt om dat woord­spel weer te geven. De slang knoopt dus aan bij die arum­mim, bij die kwetsbaarheid. Wat ook opvalt is, dat de slang in meervoudsvormen spreekt.

«…en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof?»  Gen.3:1.

“Gij’ heeft hier de betekenis: jullie. Hij spreekt dus man en vrouw te­za­men aan.

* En hij at

«Zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij (of: met) haar was, en hij at»  Gen.3:6. 

Dus de man heeft er de hele tijd bij gestaan. Die man is dus ook me­de­­­­plichtig. Hij heeft dus ook niet ingegrepen in het gesprek. Je kunt je af­vragen: waarom richt de slang zich juist tot de vrouw. Is zij mis­schien meer ontvankelijk geweest voor de geestelijke wereld. De slang heeft ken­nelijk gemerkt, dat hij bij de vrouw meer intuïtie aan­trof. En daar heeft hij dus bij aangeknoopt. Misschien zou je ook de con­clusie kunnen trekken: misschien heeft de man die stem niet eens gehoord. En dan zie je toch, en daar valt dan de breuk, in vers 6, dat hij neemt en eet. Uit de tekst krijg je de indruk dat hij eet en dat hij ook ten volle beseft wàt hij eet. Later blijkt dan toch wel, dat hij wist wat er gebeurde. Ook wordt wel gezegd, dat toen Adam zag wat er met Eva gebeurde, toen ze at, hij welbewust óók mee heeft ge­ge­ten, om bij haar te kun­nen blijven. Dat is dus wel een lijn die erin zit. In zoverre is de man dus so­lidair. Als hij ziet, dat zijn vrouw gegeten heeft, dan gaat hij ook mee in de duisternis. Om haar maar niet alleen te laten. In zekere zin zit daar iets Messiaans in. In dat verband zou je de woorden kunnen ac­cen­tue­ren: de man, die met haar was. Je zou dat als een klein licht­­puntje in dit donkere verhaal kunnen zien. Daar zit ook die lijn in: samen gaan ze straks in ballingschap.

* Hoofddeel 4

Dan krijgen we hoofddeel 4:  Genesis 3:8-24.

Episode 1:  Genesis 3:8-13

Episode 2:  Genesis 3:14-19

Episode 3:  Genesis 3:20-24

Je krijgt hier het verhaal van de desintegratie. Of: het verhaal van de dood en de ballingschap.

* Waar zijt gij!?

In het gedeelte van Genesis 3:1-6 zagen we: eerst spreekt de slang, dan krijg je de rol van de vrouw en dan de man. In Genesis 3:8-14 wordt eerst de man aangesproken, dan de vrouw en dan de slang.Die volgorde is dus net andersom.

«Waar zijt gij?!»  Gen.3:9.

God wandelt door het verloren paradijs. God wandelt door èlk verlo­ren paradijs. God wandelt daar om de mens terug te vinden. Niet om hem te veroordelen, want dat wàs hij al. De slang spreekt ook niet van de HERE God, maar gewoon God. Prompt gaat Eva ook praten over God. Of beter gezegd: de vrouw, want de vrouw is nog geen Eva. De verbondsnaam verdwijnt dus. Maar in Ge­ne­sis 3:8 komt die verbondsnaam weer terug: de HERE God. Ze heb­ben gefaald, maar tóch, Hij is nog de Verbondsgod.

«Toen zij de stem van de HERE God hoorden»  Gen.3:8.

Stem is beter vertaald dan geluid. Geluid is zo vaag. God maakt geen geluid, maar heeft een stem!

«In de hof wandelde in de wind des daags»  Gen.3:8.

«Waar zijt gij?»  Gen.3:9.

Dit is geen informatieve vraag, maar een existentionele vraag. Je voelt daarin iets van het heimwee van God: Ik wil mijn mensen terug heb­ben! God verlangt weer naar zijn partner. Je zou kunnen zeggen: nu is God een­zaam. En dan krijg je het verhaal van de angst, de naakt­heid en de eenzaam­heid.

* De vrouw die Gij mij gegeven hebt

«De vrouw die Gij mij gegeven hebt»  Gen.3:12.

Letterlijk: «Die Gij gegeven hebt met mij…. die heeft mij gegeven van de boom»

Het motiefwoord is hier dus geven. De verklaring van de man klinkt zo van: daar kon ik toch ook niets aan doen. Zo zie je, dat de eenheid tot oppositie wordt. De man gaat zich stel­len tegenóver de vrouw. Er komt een beschuldiging. De een­heid wordt gebroken. In Genesis 3:13 richt God zich tot de vrouw.

* Het antwoord van de vrouw

Het antwoord van de vrouw verschilt op vier punten met dat van de man.

1. De vrouw gaat niet de schuld geven aan God.

    Ze zegt: de slang heeft mij verleid.

2. De vrouw laat de man erbuiten. Zij blameert haar levensgezel niet.

    Ze zegt: de slang heeft mij verleid. Ze zegt niet: ons.

3. Ze noemt de slang als misleider, maar het woord geven gebruikt ze

    niet. Ze zegt niet: de slang heeft mij gegeven. De man had het steeds

    over geven. De vrouw laat op dit punt God er dus ook buiten.

4. De vrouw bekent sneller haar verantwoordelijkheid

In Genesis 3:12 zegt de man:

«De vrouw, die gij mij gegeven hebt met mij»

In het Hebreeuws zijn dat zeven woorden.

Eerst zegt de man zeven woorden, pas daarna bekent hij zijn schuld en zegt: Ik at.

De vrouw zegt twee woorden en daarna zegt ze: Ik at.

* En ik at

«En de HERE God riep de mens tot Zich»  Gen.3:9.           

‘De mens’ wordt gezegd, adam; de mens is vaak aanduiding van de man. Eerst wendt God Zich tot de man. In Genesis 3:13 wendt God Zich tot de vrouw. Zowel de man als de vrouw eindigen met de woorden: En ik at. Ze zijn dus één in de gebrokenheid van het bestaan.

* Slang – vrouw – man

Episode 2  – Genesis 3:14-19

Hier krijgen we eerst de slang, dan de vrouw en dan de man.

We hebben hier dus de omgekeerde volgorde als in het voorgaande.

In deze gedeelten wordt aan de slang dus niets gevraagd.

* Zijt gij vervloekt

«Zijt gij vervloekt»  Gen.3:14.

De slang wordt vervloekt, niet de mens.

De slang was arum (listig) en nu wordt hij arur (vervloekt).

«Hij was listig boven alle dieren van het veld»  Gen.3:1 (letterlijk). 

«Zijt gij vervloekt boven alle dieren van het veld»  Gen.3:14 (letterlijk).

Vervloeken is buitensluiten, buiten de geschiedenis, excommu­ni­ce­ren. Bij vervloeken word je buiten het veld van de genade geplaatst. Verdoe­men is in het Hebreeuws een ander woord en heeft ook een wat andere betekenis. uit zijn zij­de, opdat zij hem terzijde zou gaan en terzijde zou staan”. Zij aan zij. Ook de symboliek van de nabijheid van het hart zit hierin. Een commentaar zegt:

“Deze keer is de vrouw uit de zijde van de mens geboren, maar van nu af zal het omgekeerd zijn, dan wordt de man geboren uit het lichaam van de vrouw”.

* ‘Het zwak­ke geslacht’

Wanneer je het verhaal dus gaat reduceren tot een rib van de adam, sla je het verhaal in feite plat. De hoogten en de diepten zijn er dan uit. Van­uit het verhaal is het ook onzin om te spreken van ‘het zwak­ke geslacht’. Als je het puur vanuit het woordgebruik bekijkt, is de man dan zwak­ker: hij wordt gebouwd uit stof en de vrouw uit een rib. De plaats wordt toegesloten met vlees. Vlees is ook zwakker dan een rib. Petrus spreekt wel van broos vaatwerk, maar dat is een heel ander verband. In dit verhaal van Genesis staan niet in de eerste plaats technisch-­ana­­to­mische bijzonderheden over het ontstaan van de mens. Net zo min als Genesis 1 bedoeld is om ons het ontstaan van het heelal dui­de­lijk te ma­ken. Maar het gaat om verbondsgeschiedenis. In Genesis 1 krijg je dus het verbond tussen God en mens en in Genesis 2 krijg je dan het ver­bond tussen man en vrouw. Hoe worden ze partners.

* Tabernakel en priester

Man en vrouw ontstaan dus tegelijk uit de mens. De vrouw ontstaat door gebouwd te worden. De man ontstaat – zou je haast zeggen – door een offer te brengen. Dat hangt weer samen met dat gedenken en dat priesterlijke aspect. We hebben gezien: de vrouw werd gebouwd zoals de tabernakel werd ge­bouwd. Tabernakel (tempel) en priester horen bij elkaar. De vrouw is het bouwwerk en de man is de priester, die een offer brengt. Dat zie je weer terug in Jezus Christus. Hij wordt gestoken in zijn zij­de, Hij wordt doorboord. En uit de Messias wordt de vrouw ge­bouwd. De vrouw van God, de gemeente.

* Zij zullen één vlees zijn

«Zij zullen één vlees zijn»  Gen.2:24.

Dat omvat inderdaad het aspect van de gemeenschap, het sexuele. Het duidt echter ook op die heelheid, dat verbond, het samengaan. Het is opmerkelijk, dat er in deze teksten in het geheel niet ge­spro­ken wordt over kinderen. Het aspect van de voortplanting wordt er dus he­le­maal niet bij genoemd.

* Van één naar velen

«Viel een diepe slaap op Abraham»  Gen.15:12.

Hier staat ook dat woord tardemah. Hetzelfde zagen we bij die diepe slaap over Adam. Ook bij Abraham gaat het in dit hoofdstuk over het ver­­­bond. Het gaat over dat volk, dat er nog helemaal niet is. Ook hier heb je die overgang van één naar velen.

* Vader en moeder verlaten

«Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aan­kle­ven»  Gen.2:24.  Het is opmerkelijk, dat hier alleen de mán genoemd wordt in ver­band met het verlaten van vader en moeder. Dit vers vormt een soort af­­slui­ting, nog een klein stukje commentaar. Er blijkt hier een stuk onafhan­kelijkheid uit voor de vrouw.

* Parallellen en overeenkomsten

Genesis 2:18-20 loopt parallel met Genesis 2:21-24.

Genesis 2:18-20 kun je weer in twee gedeelten bezien. In het eerste gedeelte is de Here God actief en in het tweede gedeelte trekt Hij Zich als het ware terug.

«En de HERE God zeide»  Gen.2:18.

«En de HERE God formeerde…»

«Ook bracht Hij het tot de mens»  Gen.2:19.

In Genesis 2:20 verdwijnt God als het ware uit het beeld en wordt de mens subject.

Ook Genesis 2:21-24 kun je weer in twee gedeelten split­sen.

«Toen deed de HERE God»  Gen.2:21.

«En de HERE God bouwde»  Gen.2:22.

In Genesis 2:21-22 is de HERE God weer actief. In Genesis 2:23 is het weer de mens, die subject wordt. Genesis 2:24 is dus een verhalende kanttekening.

 * Zijn vrouw aankleven

«Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aan­kleven (dabaq)»  Gen.2:24. Dat woord dabaq speelt ook een belangrijke rol in het boek Ruth. De vrouw speelt in het boek Ruth trouwens toch een belangrijke rol.

«Maar Ruth klemde zich aan haar (Naomi) vast»  Ruth.1:14.

«Mijn ziel is aan U verkleefd»  Ps.63:9.

«Ik klem mij vast aan Uw getuigenissen»  Ps.119:31.

«Want zoals de gordel kleeft aan de heupen van een man»  Jer.13:11.

Zo is ook de verbinding tussen God en Israël. Dat woord wordt dus ook gebruikt om de verbinding tussen God en mens aan te duiden. «Hem zult gij dienen, Hem aanhangen»  Deut.10:20.

«Sluit u aan bij mijn arbeidsters»  Ruth 2:8.

Hier wordt het zelfs een motiefwoord. Het komt terug in:

«Sluit u aan bij mijn knechten»  Ruth 2:21.

«Zo sloot zij zich aan»  Ruth 2:23.   

«En zij zullen worden (letterlijk) tot één vlees».  Gen.2:24

Het gaat hier om de totale mens. Niet alleen lichamelijk, maar ook in­­­ner­lijk. Kinderen worden hier niet genoemd, maar wel die eenheid. Basar (vlees) is het totale menszijn. Dit was dus de vierde episode.

* Hoofddeel 3

We krijgen nu Hoofddeel 3. Genesis 2:25 – 3:7 (episode 1).

* Zij waren naakt

Dit gedeelte wordt omsloten door twee teksten, die je een inclusio zou kunnen noemen.

«En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaam­den zich voor elkander niet»  Gen.2:25.

«En zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aan­een en maak­ten zich schorten»  Gen. 3:7. Dat naakt staat als een kader om dit gedeelte heen. Eerst is daar de onbevangenheid ten aanzien van de naaktheid en daar­na de schande. Letterlijk staat er: «Zij bekenden, dat ze naakt waren» Dan wordt het dus onderkend. Tussen die beide omsluitende teksten staat dus het verhaal van de slang.

* De slang spreekt

Let op de compositie:

Genesis 3:1:     de slang begint te spreken.

Genesis 3:2:     de vrouw geeft antwoord.

Genesis 3:4,5:  de slang spreekt weer.

De vrouw wordt letterlijk omsingeld door het spreken van de slang. De slang begint te spreken en dit gedeelte eindigt ook met het spre­ken van de slang. Zo wordt de vrouw omstrengeld. Omstrengelen is typisch een slan­gen­metho­de. De slang neemt de vrouw mee in de slangentaal.

* Listig en naakt

«En zij beiden waren naakt» Gen.2:25. 

Naakt = arummim

«De slang nu was het listigste van alle dieren des velds» Gen.3:1. 

Listig = ’arum.

«En zij bemerkten, dat zij naakt waren»  Gen.3:7. 

Naakt = ’erummim.

In die laatste tekst dus een iets andere vorm voor naakt dan in v.25. Het woord listig is wat moeilijk vertaalbaar. Het is meteen zo negatief ge­­­kleurd. Je zou kunnen zeggen (Gen.2:25): man en vrouw waren on­schuldig, on­be­dekt. Van die slang wordt letterlijk ook gezegd: hij was on­­schul­dig. Het blijft in het Nederlands een moeilijk punt om dat woord­spel weer te geven. De slang knoopt dus aan bij die arum­mim, bij die kwetsbaarheid. Wat ook opvalt is, dat de slang in meervoudsvormen spreekt.

«…en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof?»  Gen.3:1.

‘Gij’ heeft hier de betekenis: jullie. Hij spreekt dus man en vrouw te­za­men aan.

* En hij at

«Zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij (of: met) haar was, en hij at»  Gen.3:6. 

Dus de man heeft er de hele tijd bij gestaan. Die man is dus ook me­de­­­­plichtig. Hij heeft dus ook niet ingegrepen in het gesprek. Je kunt je af­vragen: waarom richt de slang zich juist tot de vrouw. Is zij mis­schien meer ontvankelijk geweest voor de geestelijke wereld. De slang heeft ken­nelijk gemerkt, dat hij bij de vrouw meer intuïtie aan­trof. En daar heeft hij dus bij aangeknoopt. Misschien zou je ook de con­clusie kunnen trekken: misschien heeft de man die stem niet eens gehoord. En dan zie je toch, en daar valt dan de breuk, in vers 6, dat hij neemt en eet. Uit de tekst krijg je de indruk dat hij eet en dat hij ook ten volle beseft wàt hij eet. Later blijkt dan toch wel, dat hij wist wat er gebeurde.

Ook wordt wel gezegd, dat toen Adam zag wat er met Eva gebeurde, toen ze at, hij welbewust óók mee heeft ge­ge­ten, om bij haar te kun­nen blijven. Dat is dus wel een lijn die erin zit. In zoverre is de man dus so­lidair. Als hij ziet, dat zijn vrouw gegeten heeft, dan gaat hij ook mee in de duisternis. Om haar maar niet alleen te laten. In zekere zin zit daar iets Messiaans in. In dat verband zou je de woorden kunnen ac­cen­tue­ren: de man, die met haar was. Je zou dat als een klein licht­­puntje in dit donkere verhaal kunnen zien. Daar zit ook die lijn in: samen gaan ze straks in ballingschap.

* Hoofddeel 4

Dan krijgen we hoofddeel 4:  Genesis 3:8-24.

Episode 1:  Genesis 3:8-13

Episode 2:  Genesis 3:14-19

Episode 3:  Genesis 3:20-24

Je krijgt hier het verhaal van de desintegratie. Of: het verhaal van de dood en de ballingschap.

* Waar zijt gij!?

In het gedeelte van Genesis 3:1-6 zagen we: eerst spreekt de slang, dan krijg je de rol van de vrouw en dan de man. In Genesis 3:8-14 wordt eerst de man aangesproken, dan de vrouw en dan de slang. Die volgorde is dus net andersom.

«Waar zijt gij?!»  Gen.3:9.

God wandelt door het verloren paradijs. God wandelt door èlk verlo­ren paradijs. God wandelt daar om de mens terug te vinden. Niet om hem te veroordelen, want dat wàs hij al. De slang spreekt ook niet van de HERE God, maar gewoon God. Prompt gaat Eva ook praten over God. Of beter gezegd: de vrouw, want de vrouw is nog geen Eva. De verbondsnaam verdwijnt dus. Maar in Ge­ne­sis 3:8 komt die verbondsnaam weer terug: de HERE God. Ze heb­ben gefaald, maar tóch, Hij is nog de Verbondsgod.

«Toen zij de stem van de HERE God hoorden»  Gen.3:8.

Stem is beter vertaald dan geluid. Geluid is zo vaag. God maakt geen geluid, maar heeft een stem!

«In de hof wandelde in de wind des daags»  Gen.3:8.

«Waar zijt gij?»  Gen.3:9.

Dit is geen informatieve vraag, maar een existentionele vraag. Je voelt daarin iets van het heimwee van God: Ik wil mijn mensen terug heb­ben! God verlangt weer naar zijn partner. Je zou kunnen zeggen: nu is God een­zaam. En dan krijg je het verhaal van de angst, de naakt­heid en de eenzaam­heid.

* De vrouw die Gij mij gegeven hebt

«De vrouw die Gij mij gegeven hebt»  Gen.3:12.

Letterlijk: «Die Gij gegeven hebt met mij…. die heeft mij gegeven van de boom»

Het motiefwoord is hier dus geven. De verklaring van de man klinkt zo van: daar kon ik toch ook niets aan doen. Zo zie je, dat de eenheid tot oppositie wordt. De man gaat zich stel­len tegenóver de vrouw. Er komt een beschuldiging. De een­heid wordt gebroken. In Genesis 3:13 richt God zich tot de vrouw.

* Het antwoord van de vrouw

Het antwoord van de vrouw verschilt op vier punten met dat van de man.

1. De vrouw gaat niet de schuld geven aan God.

    Ze zegt: de slang heeft mij verleid.

2. De vrouw laat de man erbuiten. Zij blameert haar levensgezel niet.

    Ze zegt: de slang heeft mij verleid. Ze zegt niet: ons.

3. Ze noemt de slang als misleider, maar het woord geven gebruikt ze

    niet. Ze zegt niet: de slang heeft mij gegeven. De man had het steeds

    over geven. De vrouw laat op dit punt God er dus ook buiten.

4. De vrouw bekent sneller haar verantwoordelijkheid

In Genesis 3:12 zegt de man:

«De vrouw, die gij mij gegeven hebt met mij»

In het Hebreeuws zijn dat zeven woorden.

Eerst zegt de man zeven woorden, pas daarna bekent hij zijn schuld en zegt: Ik at.

De vrouw zegt twee woorden en daarna zegt ze: Ik at.

* En ik at

«En de HERE God riep de mens tot Zich»  Gen.3:9.  ‘De mens’ wordt gezegd, adam; de mens is vaak aanduiding van de man. Eerst wendt God Zich tot de man. In Genesis 3:13 wendt God Zich tot de vrouw. Zowel de man als de vrouw eindigen met de woorden: En ik at. Ze zijn dus één in de gebrokenheid van het bestaan.

* Slang – vrouw – man

Episode 2  – Genesis 3:14-19

Hier krijgen we eerst de slang, dan de vrouw en dan de man. We hebben hier dus de omgekeerde volgorde als in het voorgaande. In deze gedeelten wordt aan de slang dus niets gevraagd.

* Zijt gij vervloekt

«Zijt gij vervloekt»  Gen.3:14.

De slang wordt vervloekt, niet de mens. De slang was arum (listig

* Man en vrouw zijn uit de mèns genomen

Je kunt dus niet zeggen: de vrouw is uit de man genomen. Van Rijssel vertaalt in die Transcriptie-vertaling het woord rib met com­­ponent. Dat is toch ook een minder gelukkige vertaling. Een com­­­ponent doet denken aan een ontbrekend deel. Adam was geen on­d­erdeel kwijt. We moeten niet in componenten gaan denken, want man en vrouw zijn com­plete wezens. Het zijn geen componenten, maar partners. Het sleu­tel­woord basar duidt vooral op de mens in zijn begrensdheid en zijn af­hankelijkheid.

Man en vrouw zijn dus tegelijk geschapen uit de mens. Dat gebeurde in die diepe slaap. Het was dus niet zo, dat de man lag te slapen en God er toen een vrouw uit maakte. De één gaat dus niet vooraf aan de ander.

* God bouwde de rib tot een vrouw

«En God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens»  Gen.2:22.

Pas in Genesis 2:23 wordt er over de man gesproken. Volgens de tekst gaat de vrouw er dus aan vooraf. Voor rib in Genesis 2:22 staat in het Hebreeuws het woord tsèla’, wat rib en zijde kan betekenen. Dit moet je niet anatomisch gaan ver­staan. De bijbel is geen biologieboek. Het is frappant, dat hetzelfde woord (tsèla’) wordt gebruikt voor de zij­­den van de tabernakel (Ex.26). Die vrouw wordt hier uitgebeeld als een tabernakel. En tabernakel betekent woning (misjkan). God bouwt dus een woning. Merkwaardigerwijs bouwde men over de tabernakel negen maanden; juist de wordingstijd van een mensenkind. De bouw van de taber­na­kel is net als een geboorte.

«Want Gij hebt mijn nieren gevormd,

  mij in de schoot van mijn moeder geweven.

  Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid» Ps.139:13,14.          

Ook de tabernakel was kunstig geweven en wonderbaar toebereid.

Vrouw en tabernakel loopt dus parallel.

* God bouwde

«En God bouwde (banah’) de rib, die Hij uit de mens genomen had»  Gen.2:22.

Voor het eerst wordt het woord bouwen gebruikt. Dat woord bouwen wordt dus gebruikt in verband met de vrouw. Hier zien we God als het ware als architect. Bouwen duidt ook op een proces. God als ont­­­werper en bouwmeester. Van de man wordt dus níet gezegd, dat hij gebouwd wordt. Van de mens wordt gezegd, dat hij gevormd werd. Let ook op de parallel:

* Hij bracht haar tot de mens

«Ook bracht Hij het (de dieren) tot de mens, om…»  Gen.2:19.

«En Hij bracht haar (de vrouw) tot de mens»  Gen.2:22.

In Genesis 2:19 wordt een doelstelling aangeduid (om….). In vers 22 zien we die doelstelling niet. Bewust wordt dit open gelaten. Die vrouw wordt dus niet tot de mens gebracht opdat hij over haar zou heersen, of opdat hij haar zou benoemen zoals bij de dieren. De vrouw gaat dus niet op in een functie. Die dieren hebben een functie ten opzichte van de mens; van de vrouw kun je dat niet zeggen.

* De mens zingt zijn lied

«Toen zeide de mens…»  Gen.2:23

De mens reageert heel poëtisch. Die gaat om zo te zeggen zijn lied zin­­gen. Het is het eerste lied in de bijbel. Al kun je van Genesis 1 na­tuur­­lijk wel zeggen, dat het het scheppingslied is.

«Deze is nu eindelijk….»

Hier moet je natuurlijk de vrouwelijke vorm nemen en niet het woord dit, zoals het NBG heeft. Het wordt zelfs een motiefwoord.

«Deze is nu ditmaal….deze zal ‘mannin‘ heten, want uit de man ge­no­­men is deze»  Gen.2:23.

«Toen zeide de mens»  Gen.2:23.

Je kunt hier nog niet vertalen adam, er staat hier nog een lid­woord voor. De mens functioneert van hieraf aan vaak als aanduiding van de man.

«Tot deze zal geroepen worden isja (mannin), want uit de man is ge­no­men deze»  Gen.2:23.  

Steeds komt dus dat woord deze terug.

«Omdat zij uit de man genomen is»  Gen.2:23.

Je zou zeggen, dat er moest staan: uit de mens. Zij is dus genomen uit de mens; hier in de poëzie, omraamd door dat deze, zie je, dat die adam nu tot twee wordt, man en vrouw zijn tege­lijk geschapen. En dan roept hij poëtisch uit: ‘uit de man genomen’.

* Been en vlees

«Been van mijn been, vlees van mijn vlees»  Gen.2:23.

De term been en vlees is een vaststaande uitdrukking. ‘Etsem en basar. Zeven keer komt deze uitdrukking in de bijbel voor. Been en vlees duidt op identiteit. Hierbij kun je vier aspecten on­der­schei­­­­den: eenheid, solidariteit, wederzijdsheid en gelijkheid. Je zou kun­­nen zeggen: solidariteit tot op het bot; tot in merg en been. Wij ken­­nen nog de uitdrukking: ‘Je bent uit hetzelfde hout gesneden’. In het Hebreeuws zouden we zeggen: je bent uit hetzelfde been en vlees gebouwd. Je gebeente (verg.gebindte) is in de bijbel je per­soons­­­struc­tuur, je diepste wezen.

Bijbels gezien moet dus je ge­been­te vol­le­dig hersteld worden. God zou dan in de volledige zin tegen de mens kunnen zeggen: Je bent been van mijn gebeente! In de na­tuur­­­lijke we­reld kun je zeggen: doordat je gebeen­te hebt, heb je ge­stal­­te; je ge­been­te bepáált ook je gestalte en je bewegen.

Vergelijk daarmee ook wat van de tsaddiq wordt gezegd:

«Hij behoedt al zijn beenderen,

  niet één daarvan wordt gebroken»  Ps.34:21.

«Al mijn beenderen zeggen: HERE, wie is als Gij»  Ps.35:10.

Daarom gold ook voor het bokje, dat op Pascha werd gegeten:

«Geen been zult gij ervan breken»  Ex.12:46.

Daarom werd er van de beenderen van Jezus aan het kruis ook niet één gebroken (Joh.19:36). De persoonskern van de tsaddiq bij uit­stek: Jezus Christus, gaat niet ten onder.

Daarom zegt Jozef ook: «Dan zult gij mijn gebeente van hier mee­voe­ren»  Gen.50:25.      

«Door het geloof heeft Jozef voorschriften gegeven over zijn gebeente»

H­ebr.11:20.    

Veertig jaar hebben de Israëlieten dus met het gebeente van Jozef door de woestijn gelopen. Vergelijk ook nog:

«Een goede tijding verkwikt het gebeente»  Spr.15:30.

«Uw gebeente zal gedijen als het jonge groen»  Jes.66:14.

Zeven keer komt die combinatie been en vlees dus voor. Bijvoor­beeld: «Waarlijk, gij zijt mijn eigen been en vlees»  Gen.29:14.

* Vlees en bloed

‘Waarlijk, gij zijt mijn eigen been en vlees’, zo spreekt Laban tegen Jakob. Het NBG spreekt van vlees en bloed, maar dat is heel iets anders. Vlees en bloed duidt veel meer op het na­­tuur­lijke, aardsgerichte leven zonder geestelijk niveau. Vandaar dat er staat:

«Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven»  1 Kor.15:50.

Dat is de mens in zijn beperking, in zijn begrensdheid……. Vergelijk ook: «Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees»  Ef.6:12.

De oudsten komen bij David om hem tot koning te zalven. Alle stam­men komen naar Hebron en dan wordt er gezegd:

«Zie, wij zijn uw eigen been en vlees»  2 Sam.5:1. Het NBG maakt er helaas weer vlees en bloed van. In feite zeggen de oud­sten dus: wij zijn het lichaam van David. Zo mo­gen wij zeggen: wij zijn het lichaam van Christus, wij zijn zíjn been en vlees.

* Been van mijn gebeente

«Been van mijn gebeente»  Gen. 2:23.

Man en vrouw worden dus niet tegenover elkaar gezet, zijn niet el­kaars opponent, niet elkaars contrast, maar er is: eenheid, soli­da­ri­teit, gelijk­heid en wederkerigheid.

* Deze zal isja geroepen worden

«Deze zal isja geroepen worden (‘mannin’)»  Gen.2:23. Er staat niet: haar naam zal geroepen worden. Bij al die dieren was dat wèl zo. ’Mannin’ was ze al in Genesis 2:22. Ze wordt dus niet ‘mannin’, doordat hij dat zegt, hij bevestigt dat al­leen. Ze wàs al isja, ze was al mannin.

* Genomen

«Want uit de man is deze genomen»  Gen.2:23.

Dat woord nemen komt hier nogal vaak voor.

Genesis 2:21: Hij nam één van zijn ribben.

Genesis 2:22: de rib die Hij genomen had.

Genesis 2:23: uit de man genomen.

Dus één keer in de poëzie (v.23) en twee keer in het proza. In het proza actief en in de poëzie passief.

«Zij is uit ‘man’ genomen»  Gen.2:23.

Zo staat het er letterlijk. (dus niet: man).

In het proza (Gen.2:21,22) is niet de vrouw genomen, maar het ‘ruwe materiaal’, de rib. En die wordt gebouwd tot een vrouw. Dus het ru­we materiaal wordt genomen uit de mens. Niet de vrouw uit de man.

De poëzie (Gen.2:23) geeft niet een stuk nieuwe informatie, dat is niet het doel van poëzie. Die poëzie geeft in emotionele taal aan, wat ge­­beurd is. Poëzie geeft een woordspeling.

Daarom staat er: uit man genomen….

Uit iesj genomen en daarom isja, mannin.

De poëzie heeft niet tot doel om informatie te geven, heeft ook niet tot doel om het creatieve proces te beschrijven en heeft ook niet tot doel om taalkundig iets uit te leggen.

* Isja – iesj – enosj

Het is ook niet zo dat het woord isja afgeleid zou zijn van het woord iesj, dat klopt helemaal niet, al lijkt dat oppervlakkig gezien wèl zo.

Isja komt van anasj (zich aansluiten, zich verenigen).

Enosj = mens, mensje. De mens in zijn zwakheid en begrensdheid.

In Genesis 2:23 is dus sprake van een woordspel. Een woordspel heeft ten doel iets te onderstrepen, namelijk de gelijkheid van man en vrouw: uit de iesj genomen de isja en dus niet een on­dergeschikt-zijn.

* Heersen of ondergeschikt zijn

In Genesis 2:7 was de adam genomen uit de adamah. De mens was ge­no­­men uit de akker. De akker is ondergeschikt aan de man. Vaak trekt men dan de conclusie: De vrouw is uit de man genomen, dus ana­loog: De vrouw is ondergeschikt aan de man.

Echter, die laatste ‘analoge gevolgtrekking’ zou dan juist andersom moe­­­ten zijn: de man is ondergeschikt aan de vrouw. ­Of, als je om­gekeerd rede­neert: de man is ondergeschikt aan de akker. Toch mag de mens heersen over de akker. Consequent doorge­re­de­neerd zou je dan moeten zeggen: De vrouw mag heersen over de man.

* Heersen of dienen

«Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem»  G­en.2:7.

«Totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt» 

Gen.3:19 (poëzie).

«Om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was»  Gen.3:23 (proza). De mens krijgt dus de opdracht de adamah te dienen, waaruit hij ge­­no­­men is. Dienen dus, niet heersen.

Heersen is het sleutelwoord uit het eerste verhaal – Genesis 1.

Dienen is het sleutelwoord uit het tweede verhaal.

* De wording van de vrouw

Opvallend is dus, dat de mens niet actief betrokken is bij de wording van de vrouw. Hij is zelfs geen toeschouwer. Bovendien is er niet met hem over gesproken; hij is niet geraadpleegd. God heeft niet tegen de mens gezegd: “Laat Ons vrouw maken…” Verder valt op, dat dit gebeuren een complete verrassing voor de mens is. Vandaar ook zijn poëtische reactie in vers 23. Dat woord bouwen in verband met de wording van de vrouw wijst ook op een aanzienlijke moeite. Het woord wijst op het verkrijgen van so­li­de resultaten. Puur taal­kun­ig kun je zeggen: de vrouw werd ge­bouwd uit een rib. Je kunt dat woord dus ook vertalen met zijde. Het accent valt in het ver­haal echter niet op het technische of anatomische. Het gaat er dus om: het was uit de zijde van de mens. Het staat dus parallel met: stof uit de adamah – rib, selah uit de adam.

Als je het puur ana­tomisch gaat verklaren, wordt het verhaal gere­duceerd.

Vergelijk in dit verband ook:

* Sloot haar plaats toe met vlees

«En sloot haar plaats toe met vlees»  Gen.2:21.

Letterlijk: «Hij sloot vlees toe onder haar» Hier heb je weer het motiefwoord vlees. Daar zit ook die symboliek in: uit die zijde wordt genomen en vlees wordt gesloten.

De rabbijnen zeggen:

“De vrouw is niet genomen uit het hoofd van de mens, opdat hij niet over haar zou heersen; zij is niet genomen uit zijn voeten, opdat zij hem niet als voetveeg zou zijn, maar uit zijn zij­de, opdat zij hem terzijde zou gaan en terzijde zou staan”.

Zij aan zij. Ook de symboliek van de nabijheid van het hart zit hierin.

Een commentaar zegt:

“Deze keer is de vrouw uit de zijde van de mens geboren, maar van nu af zal het omgekeerd zijn, dan wordt de man geboren uit het lichaam van de vrouw”.

* ‘Het zwak­ke geslacht’

Wanneer je het verhaal dus gaat reduceren tot een rib van de adam, sla je het verhaal in feite plat. De hoogten en de diepten zijn er dan uit. Van­uit het verhaal is het ook onzin om te spreken van ‘het zwak­ke geslacht’. Als je het puur vanuit het woordgebruik bekijkt, is de man dan zwak­ker: hij wordt gebouwd uit stof en de vrouw uit een rib. De plaats wordt toegesloten met vlees. Vlees is ook zwakker dan een rib. Petrus spreekt wel van broos vaatwerk, maar dat is een heel ander verband.

In dit verhaal van Genesis staan niet in de eerste plaats technisch-­ana­­to­mische bijzonderheden over het ontstaan van de mens. Net zo min als Genesis 1 bedoeld is om ons het ontstaan van het heelal dui­de­lijk te ma­ken. Maar het gaat om verbondsgeschiedenis. In Genesis 1 krijg je dus het verbond tussen God en mens en in Genesis 2 krijg je dan het ver­bond tussen man en vrouw. Hoe worden ze partners.

* Tabernakel en priester

Man en vrouw ontstaan dus tegelijk uit de mens. De vrouw ontstaat door gebouwd te worden. De man ontstaat – zou je haast zeggen – door een offer te brengen. Dat hangt weer samen met dat gedenken en dat priesterlijke aspect.

We hebben gezien: de vrouw werd gebouwd zoals de tabernakel werd ge­bouwd. Tabernakel (tempel) en priester horen bij elkaar. De vrouw is het bouwwerk en de man is de priester, die een offer brengt. Dat zie je weer terug in Jezus Christus. Hij wordt gestoken in zijn zij­de, Hij wordt doorboord. En uit de Messias wordt de vrouw ge­bouwd. De vrouw van God, de gemeente.

* Zij zullen één vlees zijn

«Zij zullen één vlees zijn»  Gen.2:24.

Dat omvat inderdaad het aspect van de gemeenschap, het sexuele. Het duidt echter ook op die heelheid, dat verbond, het samengaan. Het is opmerkelijk, dat er in deze teksten in het geheel niet ge­spro­ken wordt over kinderen. Het aspect van de voortplanting wordt er dus he­le­maal niet bij genoemd.

* Van één naar velen

«Viel een diepe slaap op Abraham»  Gen.15:12.

Hier staat ook dat woord tardemah. Hetzelfde zagen we bij die diepe slaap over Adam. Ook bij Abraham gaat het in dit hoofdstuk over het ver­­­bond. Het gaat over dat volk, dat er nog helemaal niet is. Ook hier heb je die overgang van één naar velen.

* Vader en moeder verlaten

«Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aan­kle­ven»  Gen.2:24. 

Het is opmerkelijk, dat hier alleen de mán genoemd wordt in ver­band met het verlaten van vader en moeder. Dit vers vormt een soort af­­slui­ting, nog een klein stukje commentaar. Er blijkt hier een stuk onafhan­kelijkheid uit voor de vrouw.

* Parallellen en overeenkomsten

Genesis 2:18-20 loopt parallel met Genesis 2:21-24.

Genesis 2:18-20 kun je weer in twee gedeelten bezien.

In het eerste gedeelte is de Here God actief en in het tweede gedeelte trekt Hij Zich als het ware terug.

«En de HERE God zeide»  Gen.2:18.

«En de HERE God formeerde…»

«Ook bracht Hij het tot de mens»  Gen.2:19.

In Genesis 2:20 verdwijnt God als het ware uit het beeld en wordt de mens subject.

Ook Genesis 2:21-24 kun je weer in twee gedeelten split­sen.

«Toen deed de HERE God»  Gen.2:21.

«En de HERE God bouwde»  Gen.2:22.

In Genesis 2:21-22 is de HERE God weer actief.

In Genesis 2:23 is het weer de mens, die subject wordt.

Genesis 2:24 is dus een verhalende kanttekening.

 * Zijn vrouw aankleven

«Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aan­kleven (dabaq)»  Gen.2:24.

Dat woord dabaq speelt ook een belangrijke rol in het boek Ruth. De vrouw speelt in het boek Ruth trouwens toch een belangrijke rol.

«Maar Ruth klemde zich aan haar (Naomi) vast»  Ruth.1:14.

«Mijn ziel is aan U verkleefd»  Ps.63:9.

«Ik klem mij vast aan Uw getuigenissen»  Ps.119:31.

«Want zoals de gordel kleeft aan de heupen van een man»  Jer.13:11.

Zo is ook de verbinding tussen God en Israël. Dat woord wordt dus ook gebruikt om de verbinding tussen God en mens aan te duiden. «Hem zult gij dienen, Hem aanhangen»  Deut.10:20.

«Sluit u aan bij mijn arbeidsters»  Ruth 2:8.

Hier wordt het zelfs een motiefwoord. Het komt terug in:

«Sluit u aan bij mijn knechten»  Ruth 2:21.

«Zo sloot zij zich aan»  Ruth 2:23.   

«En zij zullen worden (letterlijk) tot één vlees».  Gen.2:24

Het gaat hier om de totale mens. Niet alleen lichamelijk, maar ook in­­­ner­lijk. Kinderen worden hier niet genoemd, maar wel die eenheid. Basar (vlees) is het totale menszijn.

Dit was dus de vierde episode.

* Hoofddeel 3

We krijgen nu Hoofddeel 3.

Genesis 2:25 – 3:7 (episode 1).

* Zij waren naakt

Dit gedeelte wordt omsloten door twee teksten, die je een inclusio zou kunnen noemen.

«En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaam­den zich voor elkander niet»  Gen.2:25.

«En zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aan­een en maak­ten zich schorten»  Gen. 3:7.

Dat naakt staat als een kader om dit gedeelte heen. Eerst is daar de onbevangenheid ten aanzien van de naaktheid en daar­na de schande. Letterlijk staat er: «Zij bekenden, dat ze naakt waren» Dan wordt het dus onderkend. Tussen die beide omsluitende teksten staat dus het verhaal van de slang.

* De slang spreekt

Let op de compositie:

Genesis 3:1:     de slang begint te spreken.

Genesis 3:2:     de vrouw geeft antwoord.

Genesis 3:4,5:  de slang spreekt weer.

De vrouw wordt letterlijk omsingeld door het spreken van de slang. De slang begint te spreken en dit gedeelte eindigt ook met het spre­ken van de slang. Zo wordt de vrouw omstrengeld. Omstrengelen is typisch een slan­gen­metho­de. De slang neemt de vrouw mee in de slangentaal.

* Listig en naakt

«En zij beiden waren naakt» Gen.2:25. 

Naakt = arummim

«De slang nu was het listigste van alle dieren des velds» Gen.3:1. 

Listig = ’arum.

«En zij bemerkten, dat zij naakt waren»  Gen.3:7. 

Naakt = ’erummim.

In die laatste tekst dus een iets andere vorm voor naakt dan in v.25. Het woord listig is wat moeilijk vertaalbaar. Het is meteen zo negatief ge­­­kleurd. Je zou kunnen zeggen (Gen.2:25): man en vrouw waren on­schuldig, on­be­dekt. Van die slang wordt letterlijk ook gezegd: hij was on­­schul­dig. Het blijft in het Nederlands een moeilijk punt om dat woord­spel weer te geven. De slang knoopt dus aan bij die arum­mim, bij die kwetsbaarheid. Wat ook opvalt is, dat de slang in meervoudsvormen spreekt.

«…en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof?»  Gen.3:1.

‘Gij’ heeft hier de betekenis: jullie. Hij spreekt dus man en vrouw te­za­men aan.

* En hij at

«Zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij (of: met) haar was, en hij at»  Gen.3:6. 

Dus de man heeft er de hele tijd bij gestaan. Die man is dus ook me­de­­­­plichtig. Hij heeft dus ook niet ingegrepen in het gesprek. Je kunt je af­vragen: waarom richt de slang zich juist tot de vrouw. Is zij mis­schien meer ontvankelijk geweest voor de geestelijke wereld. De slang heeft ken­nelijk gemerkt, dat hij bij de vrouw meer intuïtie aan­trof. En daar heeft hij dus bij aangeknoopt. Misschien zou je ook de con­clusie kunnen trekken: misschien heeft de man die stem niet eens gehoord. En dan zie je toch, en daar valt dan de breuk, in vers 6, dat hij neemt en eet. Uit de tekst krijg je de indruk dat hij eet en dat hij ook ten volle beseft wàt hij eet. Later blijkt dan toch wel, dat hij wist wat er gebeurde.

Ook wordt wel gezegd, dat toen Adam zag wat er met Eva gebeurde, toen ze at, hij welbewust óók mee heeft ge­ge­ten, om bij haar te kun­nen blijven. Dat is dus wel een lijn die erin zit. In zoverre is de man dus so­lidair. Als hij ziet, dat zijn vrouw gegeten heeft, dan gaat hij ook mee in de duisternis. Om haar maar niet alleen te laten. In zekere zin zit daar iets Messiaans in. In dat verband zou je de woorden kunnen ac­cen­tue­ren: de man, die met haar was. Je zou dat als een klein licht­­puntje in dit donkere verhaal kunnen zien. Daar zit ook die lijn in: samen gaan ze straks in ballingschap.

* Hoofddeel 4

Dan krijgen we hoofddeel 4:  Genesis 3:8-24.

Episode 1:  Genesis 3:8-13

Episode 2:  Genesis 3:14-19

Episode 3:  Genesis 3:20-24

Je krijgt hier het verhaal van de desintegratie. Of: het verhaal van de dood en de ballingschap.

* Waar zijt gij!?

In het gedeelte van Genesis 3:1-6 zagen we: eerst spreekt de slang, dan krijg je de rol van de vrouw en dan de man. In Genesis 3:8-14 wordt eerst de man aangesproken, dan de vrouw en dan de slang. Die volgorde is dus net andersom.

«Waar zijt gij?!»  Gen.3:9.

God wandelt door het verloren paradijs. God wandelt door èlk verlo­ren paradijs. God wandelt daar om de mens terug te vinden. Niet om hem te veroordelen, want dat wàs hij al. De slang spreekt ook niet van de HERE God, maar gewoon God. Prompt gaat Eva ook praten over God. Of beter gezegd: de vrouw, want de vrouw is nog geen Eva. De verbondsnaam verdwijnt dus. Maar in Ge­ne­sis 3:8 komt die verbondsnaam weer terug: de HERE God. Ze heb­ben gefaald, maar tóch, Hij is nog de Verbondsgod.

«Toen zij de stem van de HERE God hoorden»  Gen.3:8.

Stem is beter vertaald dan geluid. Geluid is zo vaag. God maakt geen geluid, maar heeft een stem!

«In de hof wandelde in de wind des daags»  Gen.3:8.

«Waar zijt gij?»  Gen.3:9.

Dit is geen informatieve vraag, maar een existentionele vraag. Je voelt daarin iets van het heimwee van God: Ik wil mijn mensen terug heb­ben! God verlangt weer naar zijn partner. Je zou kunnen zeggen: nu is God een­zaam. En dan krijg je het verhaal van de angst, de naakt­heid en de eenzaam­heid.

* De vrouw die Gij mij gegeven hebt

«De vrouw die Gij mij gegeven hebt»  Gen.3:12.

Letterlijk: «Die Gij gegeven hebt met mij…. die heeft mij gegeven van de boom»

Het motiefwoord is hier dus geven. De verklaring van de man klinkt zo van: daar kon ik toch ook niets aan doen. Zo zie je, dat de eenheid tot oppositie wordt. De man gaat zich stel­len tegenóver de vrouw. Er komt een beschuldiging. De een­heid wordt gebroken. In Genesis 3:13 richt God zich tot de vrouw.

* Het antwoord van de vrouw

Het antwoord van de vrouw verschilt op vier punten met dat van de man.

1. De vrouw gaat niet de schuld geven aan God.

    Ze zegt: de slang heeft mij verleid.

2. De vrouw laat de man erbuiten. Zij blameert haar levensgezel niet.

    Ze zegt: de slang heeft mij verleid. Ze zegt niet: ons.

3. Ze noemt de slang als misleider, maar het woord geven gebruikt ze

    niet. Ze zegt niet: de slang heeft mij gegeven. De man had het steeds

    over geven. De vrouw laat op dit punt God er dus ook buiten.

4. De vrouw bekent sneller haar verantwoordelijkheid

In Genesis 3:12 zegt de man:

«De vrouw, die gij mij gegeven hebt met mij»

In het Hebreeuws zijn dat zeven woorden. Eerst zegt de man zeven woorden, pas daarna bekent hij zijn schuld en zegt: Ik at. De vrouw zegt twee woorden en daarna zegt ze: Ik at.

* En ik at

«En de HERE God riep de mens tot Zich»  Gen.3:9.           

‘De mens’ wordt gezegd, adam; de mens is vaak aanduiding van de man. Eerst wendt God Zich tot de man. In Genesis 3:13 wendt God Zich tot de vrouw. Zowel de man als de vrouw eindigen met de woorden: En ik at. Ze zijn dus één in de gebrokenheid van het bestaan.

* Slang – vrouw – man

Episode 2  – Genesis 3:14-19

Hier krijgen we eerst de slang, dan de vrouw en dan de man. We hebben hier dus de omgekeerde volgorde als in het voorgaande. In deze gedeelten wordt aan de slang dus niets gevraagd.

* Zijt gij vervloekt

«Zijt gij vervloekt»  Gen.3:14.

De slang wordt vervloekt, niet de mens.

De slang was arum (listig) en nu wordt hij arur (vervloekt).

«Hij was listig boven alle dieren van het veld»  Gen.3:1 (letterlijk). 

«Zijt gij vervloekt boven alle dieren van het veld»  Gen.3:14 (letterlijk).

Vervloeken is buitensluiten, buiten de geschiedenis, excommu­ni­ce­ren. Bij vervloeken word je buiten het veld van de genade geplaatst. Verdoe­men is in het Hebreeuws een ander woord en heeft ook een wat andere betekenis.

en nu wordt hij arur (vervloekt).

«Hij was listig boven alle dieren van het veld»  Gen.3:1 (letterlijk). 

«Zijt gij vervloekt boven alle dieren van het veld»  Gen.3:14 (letterlijk).

Vervloeken is buitensluiten, buiten de geschiedenis, excommu­ni­ce­ren. Bij vervloeken word je buiten het veld van de genade geplaatst. Verdoe­men is in het Hebreeuws een ander woord en heeft ook een wat andere betekenis.

Deze studie is in gebonden vorm te verkrijgen bij:

E.Mail: jh.ree@kpnmail.nl

Onder de naam “Genesis”

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Sagrada Familía in Barcelona

Enige tijd geleden zijn we enige dagen in Barcelona geweest. Een prachtige stad. De prachtige kathedraal de Sagrada Família was voor mijn vrouw en ik het absolute hoogtepunt. In 1883 begon de architect Gaudí zijn levenswerk. Nu 138 jaar later genieten miljoenen mensen per jaar van deze nog steeds onvoltooide kerk. Indrukwekkend is de schitterende […]

573945 bezoekers sinds 07-06-2010