Genesis. De derde dag. Deel 6

24-03-2021 door Dr. K.D. Goverts

* De derde dag

Dan is de zee weg, dan heb je land gekregen. Dat is ook die derde dag: grond onder je voeten. De derde dag is de dag van de opstanding, de dag van de beslissing. Op de derde dag staat Jezus op uit de doden; dan begint de nieuwe aar­­de. En dan heeft Hij de zee, het dodenrijk overwonnen. Dan komt Je­zus uit die doodswateren vandaan en dan staat Hij daar als de nieu­­we Adam.

Dan staat Hij daar in de hof…

«Dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien»  Gen.1:9.

De Septuagint gebruikt hier een woord, dat samenhangt met syna­go­­ge. Er komt een synagoge van wateren.

«En het droge zich late zien (letterlijk)»  Gen.1:9.

Op de eerste dag het licht.

Op de tweede dag is er sprake van dag. En dan kan op de derde dag iets zich laten zien. De aarde kan zich laten zien, omdat het licht, omdat het dag is ge­wor­den. De aarde moet dan zichtbaar worden als land des le­vens. In het licht van de dag en onder het gewelf van de hemelen kan zich nu iets la­ten zien. De wateren moeten daarom opzij. Dat is niet nog eens een schei­­ding.

­* Hoe zult Gij mij ontvangen

Als je over de schepping van de mens spreekt, kun je aan de ene kant zeg­gen: God gaat die mens ontwerpen, aan de andere kant kun je zeg­gen: God gaat die mens conceptiëren (ontvangen).

Het concept mens, de mens wordt ontvangen. Een kind wordt ontvangen. Zoals dat adventslied zegt: “Hoe zal ik U ontvangen…” Daarbij is het misschien goed er een couplet bij te maken:

Hoe zult Gij mij ont­vangen…”

God gaat de mens ontvangen. En dat ontvangen houdt tegelijk in: om­­vangen, opvangen.

«Gij hebt mij uit de moederschoot getogen,

  Gij deedt mij vertrouwend rusten aan de borst van mijn moeder

  aan U werd ik overgegeven vanaf mijn geboorte,

  van de moederschoot af zijt Gij mijn God»  Ps.22:10.

«Vertrouwend rusten»

Letterlijk: «Gij deedt mij verzekerd zijn…»

«Aan U werd ik overgegeven»

Letterlijk: «Op U werd ik geworpen…».

De pijn van de mens van vandaag is juist, dat hij zich geworpen of ver­worpen voelt, geworpen in het bestaan. De mens voelt zich als het ware in het leven ’gegooid’. Het begin van een mens is niet zomaar een lege ruimte, maar je be­gin is bij God. Zelfs als niemand je gewenst heeft, God in ieder geval wèl. God zegt: Ik heb je gewild, Ik heb je bedacht. Je bent uit Mijn ge­­­dachten voort­gekomen. Ik sta aan de wieg van je bestaan. Juist in deze zo sombere Psalm 22 komt dit lichtend naar voren.

* Dat er lichten zijn

Genesis 1 dus een anti-goden-lied.

Merkwaardig, dat de zon en de maan in heel Genesis 1 niet worden ge­­noemd. «Dat er lichten zijn (letterlijk: lichtdragers)»  Gen.1:14. Die lichten zijn er dus om te bedienen. Zon en maan zijn geen goden. Ze worden genoemd: de beide grote lich­­­ten. Hun namen worden hier dus be­wust verzwegen. Het zijn maar ‘schepsels’. Genesis 1 is een aftelrijmpje van de goden. De afgoden worden god-af. Ze komen naar beneden.

Ze komen van hun troon. Net zoals er staat in dat mooie hoofdstuk Je­saja 14, waar ook al die koningen van hun troon afkomen. Zoals de ko­ning van Babel (Jes.14), die op wou klimmen tot boven de ster­ren. En dan wordt er gezegd: je zult tot het dodenrijk afdalen. Van een opgang wordt het een neergang. En dan ziet hij beneden ook al die koningen. Een reünie van koningen, die het ook niet hebben ge­haald, een reünie in het dodenrijk. Dat is een grondgedachte in het Hebreeuwse denken: go­den worden ont­­­goddelijkt. Zon, maan en sterren zijn dus het licht niet, het zijn ‘ambtenaren’, die de verlichting moeten verzorgen.

* Laat Ons mens maken

«En God zeide: Laat Ons mens maken»  Gen.1:26.

Het kan zowel enkelvoud zijn als een collectief. De voorkeur in deze tekst is het enkelvoud. Het gaat om die ene mens, die te voorschijn wordt geroepen en zich later ontvouwt in een veelvoud van mensen.

Vanwaar dat Ons….

Daar zijn heel wat verklaringen voor.

1. Het is een majesteitsmeervoud.

2. Het gaat hier om heel die hofhouding van God.

God spreekt dit tot de engelen. Je komt dat ook tegen in Job.l:6, waar gesproken wordt van al die zonen Gods. Ook in Jesaja komt het voor:

«Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan?»  Jes. 6:8.

Vergelijk ook:

«Het ganse heer des hemels aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand stond»

1 Kon.22:19.

Hier is dus ook sprake van een hemelse hofhouding. Toch is het wat problematisch om te zeggen: dat Ons slaat op God en de engelen. Een rabbijnse kanttekening zegt: toen God zeide «Laat Ons men­sen maken», zagen de engelen dat niet zo zitten. Ze antwoordden toen met de woorden van Psalm 8: «Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt» De tweede opvatting is dus, dat God sprak tot zijn hofhouding.

3. Het woord Elohim is reeds een meervoud. Dus dan krijg je auto­ma­­tisch ‘Laat Ons’.

4. Het is een soort bewijs, manifestatie van de Drie-eenheid.

Het zou dan een soort gesprek in God Zelf zijn. Vader, Zoon en Hei­li­ge Geest. Deze opvatting is in de loop van de eeuwen ontstaan. Hier­bij heeft de gedachte een rol gespeeld, dat men bepaalde dog­ma’s graag terug wil vinden. Dat zou dan zogezegd al op de eerste blad­­zij­de van de Bijbel te vinden zijn. Men is dan verheugd, om niet al­leen aan­gewezen te zijn op die tekst uit 1 Johannes (1.Joh.5:7,8). Deze tekst staat trouwens tus­sen haken, om­dat het in bepaalde hand­schriften ontbreekt.

5. God zou tot de mens spreken, die Hij van plan is te gaan maken. Met andere woorden: die mens wordt ingeschakeld bij zijn eigen wor­ding. Voor deze visie is wel wat te zeggen. De mens wordt niet gemaakt in de zin van: buiten u, over u en zonder u. Het is ook een principe in het bij­belse denken: de mens wordt betrokken in zijn wording. De mens wordt niet gemaakt zoals je een object, een ding maakt.

Onze voorkeur zal dus naar deze laatste opvatting uitgaan. God maakt geen dingen. Dat is juist een van de problemen van de mens van van­daag, dat al­les wordt teruggebracht tot een ding. De mens wordt gede­gradeerd tot een voorwerp, zelfs een gebruiksvoorwerp. In de wegwerp­-maat­schap­pij dreigt de mens dan ook te worden wegge­wor­­pen, in ieder ge­val te worden verworpen.

In de Bijbel is de mens dus nooit object, maar altijd subject. Een mens die ontleed wordt, is geen mens meer. En als je een zin ont­­leedt, hèb je ook geen zin meer. De zin is weg. De mens heeft er dan ook meestal geen zin meer in. De dingen worden zin-loos. Het is ook het lijden van de mens van vandaag, dat hij vaak leeft met al­lemaal losse frag­menten. Hij leeft vaak ook fragmentarisch.

* Adam en adamah

«Laat Ons Adam maken»  Gen.1:26. Adam is dus één van de Hebreeuwse woorden voor mens. In de eerste plaats wordt dan woord adam verbonden met adamah (ak­ker). De mens wordt dus geformeerd uit de akker. Die mens en die ak­ker horen dus ook bij elkaar. De akker wordt ook arbeids­ter­rein van de mens. Die mens leeft niet ‘ergens’, maar hij heeft grond onder de voeten.

«De schepping wacht op het openbaar worden van de zonen Gods»  R­om.8:19. De akker, de ‘adamah wacht op het openbaar worden van de ware ‘adam. Als de mens hersteld wordt, wordt van daaruit ook de aarde her­­­steld. ‘Adam en ‘adamah horen dus in dubbele zin bij elkaar. Fo­ne­tisch kun je dat ook horen.

* Stof, bloed en gal

De tweede opvatting: de rabbijnen beschouwen dat woord adam als een letterwoord.

De a staat voor ‘aphar (stof).

De d staat voor dam (bloed)

De m staat voor mem (gal).

De mens bestaat dus uit bloed, stof en gal (lichaamsvocht).

Stof.  ‘Stof zijt gij’.

Bloed. Daar moet de mens zijn leven van hebben.

Gal.  In de gal zitten dan zogenaamd al die temperamenten.

* Ik zal gelijken op God

In de derde opvatting wordt deze tekst verbonden met Jesaja 14.

«Mij aan de Allerhoogste gelijkstellen»  Jes.14:14.

Adama Elohim…

«Ik zal gelijken op God»

Adam wordt dan geassocieerd met: éddammeh le ‘eljon.

Het wezen van het menszijn is dus het gelijken op de Allerhoogste.

A­an de ene kant is die mens dus stof, bloed en gal en aan de andere kant is hij ‘gelijkend op de Allerhoogste’.

* De droom van Jakob

Genesis 28

De rabbijnen zeggen: waarom gingen de engelen langs de ladder op en neer? Bene­den zagen ze die arme sloeber liggen met zijn hoofd op een steen. Bo­ven zien ze dat prachtige stralende beeld, dat oerbeeld, dat God van Ja­kob heeft. Als ze dat zien, rennen ze vol verbazing naar bene­den. En dan kunnen ze zich niet voorstellen, dat die twee dezelfde per­soon vertegenwoordigen en dan haasten ze zich weer naar boven.

* Scheppen, maken, formeren

«Laat Ons mens maken»  Gen.1:26.

Let op de werkwoorden. Eerst krijg je het woord maken (‘asah) en dan in vers 27 drie keer het woord scheppen (bara’). De mens wordt gemaakt en dat wordt dan nader uitgewerkt in dat schep­­­pen. God schept al makende. En dat scheppen is geen moei­te­loos creëren. Scheppen kost strijd. God moet Zich inzetten. Niet al­leen vóór zijn schepping, maar ook óm te scheppen. Vergelijk daar­mee een beeld­houwer. Anders zou het haast lijken of God er niet echt bij betrokken is.

1. Bara’ kan samenhangen met een woord, dat vormgeven betekent.

V­orm­geven wat vormeloos is.

2. Een tweede afleiding is, dat het te maken heeft met scheiden.

Schep­pen is scheiding aanbrengen.

3. Een derde woordafleiding hangt samen met een Hebreeuws woord, dat betekent: het rooien van bomen.

Dat rooien van bomen moet je in dit verband niet negatief zien. In onze tijd krijgen we in dit verband meestal een negatieve associ­a­tie. Door het rooien van bomen krijg je een open ruimte. Als God gaat scheppen, dan komt er een open ruimte. Wij kennen nog de uit­druk­­king ‘ruimte scheppen’.

* Beeld en gelijkenis

«Naar ons beeld, als onze gelijkenis»  Gen.1:26.

Wat is nu dat beeld en wat is nu die gelijkenis. God gaat ruimte scheppen voor zijn mens. En de mens mag op zíjn beurt ook ruimte scheppen voor anderen. Daarin is hij beeld, na­vol­ger van God. Het beeld Gods zijn heeft te maken met de weg die je gaat. Het beeld van God wil niet zozeer zeggen, dat je een soort por­tret van Hem bent, zoals het portret van een vader en een zoon naast el­­kaar te­gen de muur kunnen hangen. Zo’n portret dóet verder niets.

1. Het beeld-zijn blijkt dus uit de weg die je gaat.

Als je zegt: wat een vervelend portret, zeg je dat niet op grond van de vi­­­su­ele gelijkenis, maar op grond van het doen en laten van de be­doel­­de persoon. Zo mag de mens navolger zijn van God, wat nog wel wat meer inhoudt, dan imitator zijn. Zo mag je ook ruimte scheppen voor de ander, door aanmoediging, door hulp en aanvaarding. Je moet je broeders hoeder zijn. Je moet de ander ook niet in een bepaald systeem trachten te per­sen, want dan ontneem je hem juist de ruimte.

2. Een tweede punt in verband met dat beeld Gods is, dat de mens een taal-wezen is. God gebruikt in dit hoofdstuk tien scheppingswoorden. En de mens mag antwoord geven en antwoord wòrden. Vergelijk in dit verband ook:

«En God zegende ze en zeide: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en ver­vult de wa­teren in de zeeën, en het gevogelte worde talrijk op de aar­de…»  Gen.1:22.

«En God zegende hen en zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt tal­rijk; ver­vult de aarde en onderwerpt haar…»  Gen.1:28.

In vers 28 komt er dus bij tot hen. De dieren worden dus iets toege­zegd. De mens wordt aangesproken. Bij dieren verwacht je ook geen di­aloog; ze mogen alleen zingen of andere geluiden voortbrengen.

* Taal is een huis om in te wonen

Als een mens geen taal heeft, is hij daarom ook dakloos. Tegenwoordig zie je ook, dat veel ‘taalhuizen’ bouwvallig worden. Haman zei: “De mens is gaan spreken, omdat hij omringd werd door het spreken van God”. De mens moet dus thuiskomen ín de taal van God. Dit begrip vind je nog terug in de uitdrukking: ergens naar talen. Daar gaat dan je taal naar uit. In het Hebreeuws is het woord voor taal saphah, wat letterlijk lip be­te­­­kent. Daar zie je nog het levende woord in, het woord, dat ‘over de lippen’ komt.

In het Grieks is het woord voor taal of tong: glossa.

In Genesis 11:1 staat letterlijk: de gehele aarde was één van lip.

* Beeld en gelijkenis

3. Een derde punt is, dat de mens ook kan denken in de tijd.

Hij heeft tijdsbesef, herinneringen, kan gedenken. Gedenken en ver­wach­­­­ten is een oergegeven in de Tenach. Een dier heeft in dit ver­band hoog­uit een instinctieve reactie op een bepaalde prikkel.

4. Een vierde punt is: de mens is het enige schepsel, dat niet gepro­gram­­meerd is. Alleen tegen een mens kun je zeggen: Gedraag je als een mens. De mens kan zichzèlf beschouwen, kan afstand nemen van zichzelf. Een mens is altijd in wording. Bij een dier heb je op een gegeven ogenblik een afgerond geheel. Een dier is op een gegeven ogen­blik af. Wat de mens betreft is er dus een voortgaande schep­ping, een cre­­a­­tio continua.

Jesaja 42 zegt ook, dat God bézig is te scheppen.

«Zo zegt God, de HERE, die de hemelen schept….die de aarde uit­breidt ….en de adem geeft aan hen die wandelen op haar»  Jes.42:5. Deze tekst moet je dus in de tegenwoordige tijd lezen. Letterlijk kun je lezen: ‘die bezig is te scheppen, die bezig is met uitbreiden’, enzo­voort…

* Naar zijn beeld

«Naar zijn beeld»  Gen.1:27.

Hier staat het woord tsèlem. Van dat woord zijn twee soorten afleidin­gen mogelijk. Het woord tsalam kan betekenen: snijden (wat een beeld­houwer doet). De tweede betekenis is: donker zijn. Er is dan een bepaalde verwantschap met het woord tsel, wat scha­duw betekent. In het Assyrisch heb je het woord tsalmu, wat scha­duw­­­beeld betekent. Het kan ook zwart betekenen. En dat zwart en dat schaduw­beeld moet je niet meteen negatief in­ter­­­pre­teren.

Het beeld Gods is dan de schaduw van God.

In Genesis 1:26 staat dan ook letterlijk:

«Laat ons adam maken ín ons beeld»  Gen.1:26.

* In de schaduw van God

Je zou ook kunnen vertalen: «Ín onze schaduw». De mens mag leven in de schaduw, in het beeld van God. Die gedachte vind je ook terug in Egypte. Er is een tekst op de zuil van Farao Pianehi. De inwoners van een stad, die door hem wordt be­­­le­gerd, roepen hem toe: “de schaduw Gods rust op U”. En dan roe­pen ze ook nog: “Uw beeld Gods ziet ons door uw macht….” Ook hier staan beeld Gods en schaduw Gods dus parallel. Die farao zou zich dus letterlijk ín het beeld Gods bevinden, zoals in een huis. En Gods beeld is zijn wezen. En zijn wezen is zijn woord.

Zo mag de mens dus leven in het wezen van God, in het woord van God. Kohlbrugge zei: als de mens zondigt, valt hij dus uit dat beeld van God. Leven in de schaduw van God. Dat vind je ook in Psalm 91:

«Vernacht in de schaduw des Almachtigen»  Ps.91:1.

Wij kennen nog de uitdrukking: leven in de schaduw van een ander. Dat heeft dan een wat negatieve betekenis: je komt dan niet goed uit de verf. Wie vernacht in de schaduw van God, komt juist wèl uit de verf. Bij God is geen concurrentie. Het is Gods grootste vreugde, als die mens tevoorschijn komt. Philo zei: de schaduw van God is zijn woord. Het woord, waardoor de wereld werd geschapen, dat is het beeld Gods. Het beeld Gods is die eeuwige Torah. God schiep de mens in zijn scha­duw, in zijn beeld, in zijn woord, in zijn Torah. De Torah is eeuwig. Dat is één van de zeven dingen, waarvan de rabbijnen zeggen, dat die er al voor de schepping waren. De mens wordt dus geschapen bínnen de To­rah, binnen dat woord.

«De HERE is uw schaduw aan uw rechterhand»  Ps.121:5.

Kaleb zegt, als de verspieders weer terug komen:

«Hun schaduw is van hen geweken»  Num.14:9.

Dat kan dan duiden op de afgod die ze hebben.

Hun bescherming is geweken.

* Zeven dingen vóór de schepping

De zeven dingen, die er al voor de schepping waren, zijn: De Torah, de troon van God, de naam van de Messias, het paradijs, het gehennah, de omkeer (de tesjubah) en – om met W.Barnard te spre­­ken – niet het Oude Testament, maar het Testament vanouds.

* God kun je niet losmaken van zijn schaduw

De schaduw van iemand is zijn ziel, dat is zijn wézen. In het westerse denken worden lichaam, geest en ziel nogal eens bij het spreken hierover van elkaar losgekoppeld. Maar de mens is een een­­­heid. De mens kan nooit loskomen van zijn scha­duw. God kun je ook niet losmaken van zijn schaduw, van zijn woord. God kun je ook nooit losmaken van zijn beeld, van de mens.

Vergelijk daarmee ook:

«Deze, de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen» 

Hebr.1:3.

* De tesjubah

De tesjubah was er dus ook al vóór de schepping, zeggen de rab­bij­nen. Het omvat een heel diep begrip. Het is de terugkeer, de omkeer. Het punt is dus, dat de mens zich niet alleen moet bekeren, maar dat hij moet terugkeren naar zijn oorsprong. Een terugkeer uit de bal­lingschap, een terugkeer naar waar hij ei­gen­lijk thuis hoort. Het is dus een oer­principe bij God, dat de mens terug mag keren. En een­­maal zal God alles zijn in allen.

Vergelijk ook:

«En de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft»  Pred.12:7.

* God en zijn beeld

Vanouds wordt ook gezegd, onder andere in het oude Babel: de plaats, waar een godheid werkt, is tegelijk zijn beeld. De God van het heelal laat zich kennen in het heelal. De god van de vegetatie leer je kennen uit de plantengroei.

Vergelijk ook:

«Wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het ver­stand door­zien»  Rom.1:20.  

Zo kan ook de tempel een beeld zijn van de godheid. In die tempel zie je zijn wezen, zijn karakter uitgebeeld. Zoals Paulus ook zegt: jullie zijn een tempel van de levende God. Dus ook hier weer dat beeld. Nu zullen we eerst eens enkele teksten naast elkaar bezien.

In Gen. 1:26-28 wordt dus verteld over de mens als beeld van God.

In Gen. 5:1-3 zie je hetzelfde gegeven weer terugkomen.

In Gen. 9:1 ev. vind je dit gegeven ook weer.

In Gen.1:26 staat letterlijk: «In ons beeld en als (of naar) onze gelijke­nis»

En dan in Gen.1:2: «En God schiep de mens ín zijn beeld»

«Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen(lett.)»  Gen.1:27

«En God zegende hen en God zeide tot hen: Wordt vruchtbaar en wordt veel; ver­vult de aarde en onderwerpt haar, heerst…»  Gen.1:28.

Je krijgt dus de motieven: vruchtbaar worden en heersen.

Waarin zit nu dat beeld van God. We hebben al genoemd:

* De mens als gesprekspartner.

* De mens heeft een geest.

* Bovendien heeft hij tijdsbesef.

* Hij kan gedenken en ver­­­wachten.

* Hij is ook beeld Gods in het vruchtbaar zijn en het heer­sen.

«Dit is het geslachtsregister van Adam»  Gen.5:1.

Letterlijk: «van de verwekkingen van Adam» Adam is een eigenaam en een soortnaam (mens). Het boek van de verwekkingen van Adam… Bovengenoemde tekst grijpt weer terug op Genesis 2:4. Vergelijk:

«Ten tijde, dat de HERE God aarde en hemel maakte»  Gen.2:4.

«Ten dage, dat God Adam schiep»  Gen.5:1.

«In de gelijkenis Gods (lett.)»  Gen.5:1.

«Ons beeld, als onze gelijkenis»  Gen.1:26.

De woorden beeld en gelijkenis in deze tekst zijn wel als synoniem te be­­schouwen. Damut is gelijkenis en dat hangt samen met het werk­woord damah (=lijken op).

* Hij riep hun naam Adam

«Man en vrouw (lett. mannelijk en vrou­welijk) schiep Hij hen en Hij ze­gen­de hen en Hij riep hun naam Adam»  Gen.5:2.

Hier wordt de mens als het ware in functie geroepen. Een wezen is pas af, als het geroepen is. Een geboorte is pas af als de geborene ge­roe­pen is, als je een naam hebt gekregen. Geboorteverhalen in de Bijbel eindigen altijd met het roepen van de naam over het kind. Als je naam niet geroepen wordt, ben je een vondeling. In Ge­nesis 1 wordt ook alles bij name geroepen: aarde, hemel, dag, nacht, uitspansel. Je naam is de rol, die je mag spelen in de geschiedenis. Als je je naam krijgt, weet je wat je te doen staat.

Eerst scheppen, dan zegenen en dan roepen (Gen.5:2). Zegenen is: op je plaats zetten. Je krijgt dan de kracht, die je nodig hebt om te gedijen.

* God verwekt en de mens verwekt

«Toen Adam honderddertig jaar geleefd had, verwekte hij…. in zijn ge­lij­kenis»

Gen.5:3.

Een zoon, zoals het NBG eraan toevoegt, staat er dus niet. Hij verwek­te: «In zijn gelijkenis, als zijn beeld en hij riep zijn naam Set»

Hier komt naar voren: God verwekt een mens en die mens verwekt weer een mens. Het is een voortgaande verwekking, zo wordt de mens beeld­drager van God. God verwekt door te scheppen en de mens verwekt door voort te brengen.

* Noach; een nieuwe schepping

«En God zegende Noach en zijn zonen en zeide tot hen: Weest vrucht­baar, wordt talrijk en vervult de aarde»  Gen.9:1.

We zijn hier na de zondvloed. Dit gedeelte lijkt weer op Genesis 1; Genesis 1 opnieuw… Na die rampzalige vloed moet er als het ware een nieuwe schepping ko­­­men. Noach zet voet op een doorweekte aarde, maar die aarde is een soort kerkhof. In de ark bevond zich als het ware heel de schep­ping. Noach was een soort tweede Adam. De naam Noach betekent rust.

Noach brengt de schepping tot rust. Noach voer in een bovenmaatse doodskist door de doodswateren. Voor de ark wordt het woord tebah gebruikt. Dat woord betekent ook doods­­kist. Zo wordt heel de schepping door de dood heen gered. Noach be­vond zich in de ark met acht mensen. Acht is het getal van de nieuwe schepping. De besnijdenis was ook op de achtste dag. David was de achtste zoon van Isaak. David, het beeld van de Zoon van David, het begin van een nieuwe schepping.

«En God zegende»  Gen.9:1.

Je zag dat zegenen ook in Genesis 1 en Genesis 2.

* Heersen en vruchtbaar zijn

«Weest vruchtbaar en wordt veel»

Ook dat werd gezegd in Genesis 1 en 2

«En de vrees en de schrik … al het gedierte»  Gen.9:2.

Hier zien we weer dat motief van het heersen.

Hier komt ook het motief van het bloed naar voren. «Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten. En waarlijk, Ik zal uw ei­gen bloed eisen; van al het gedierte zal Ik het eisen en van de mensen onder­ling zal Ik het leven des mensen eisen. Wie des men­sen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten wor­den, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt»  Gen.9:4-6.       In vers Genesis 9:7 zien we weer de bekende motieven terugkomen.

«Weest vruchtbaar en wordt talrijk, wemelt op de aarde, ja, wordt tal­­­rijk daar­op»  Gen.9:7.     We zien dus steeds die motieven van heersen en vruchtbaar zijn. Dat geschapen zijn naar Gods beeld houdt dus ook in: heersen en vrucht­­­­­­baar zijn. In Genesis 5 komt alleen het motief van de vruchtbaarheid naar voren: Adam verwekt Set.

In Genesis 9 komt met name het heersen naar voren, omlijst door het mo­tief: wordt veel en wordt vruchtbaar. In Genesis 1 hadden we: in ons beeld; Genesis 5: in de gelijkenis, Hier: in zijn beeld (in Genesis 1). En in Genesis 5 weer: in zijn gelijkenis… We zien hier dus die woorden in Genesis 1, 5 en 9 verspringen.

* Vervult de aarde

«Vervult de aarde»  Gen.9:1.

Wat moet nu de aarde vervullen?

Dat is geen kwestie van hoeveelheid. Wat dat betreft zou die tekst in­der­daad wel aardig vervuld zijn met zes miljard mensen. Hierbij be­denken we, dat Genesis 1,5 en 9 in het boek Genesis staan. Het gaat in Genesis niet over iets algemeens, God doet niet in alge­me­ne dingen. Het is een noodlottige vergissing om Genesis in twee stuk­ken te hakken, te weten: Genesis 1 tot 11 zou dan oer-geschie­denis zijn en in Genesis 12 met de roeping van Abraham zou het ei­gen­lijk pas beginnen.

* Vanaf Genesis 1 verbondsgeschiedenis

De Bijbel is vanaf Genesis 1 verbondsgeschiedenis, die begint niet pas in Ge­nesis 12. Er is ook geen andere mens dan de verbondsmens. H­et gaat in die eerste hoofdstukken niet over algemene mensen. In Genesis be­gint het vanaf Genesis 1:1 meteen met de wording van Is­ra­­ël temidden van de volkeren. Die wording begint dus niet bij Abra­ham in hoofdstuk 12, maar in Genesis 1.

“De Tenach spreekt niet menselijk over Israël, maar Israëlitisch over de mens”. Het begint bij het bijzondere en vandaaruit ga je naar het al­­ge­mene. Niet vanuit het algemene naar het bijzondere. De Bijbel spreekt Isra­ëlitisch over de mens en hij spreekt Messiaans over Israël. Niet: Israëlitisch over de Messias. Als er gezegd wordt ‘Laat ons mens maken’, dan is dat de mens Gods. Dan is dat niet een algemene mens. Je zou haast kunnen zeggen: «Laat ons de verbondsmens maken» Het gaat dus niet om een algemeen schepsel, dat dan ook nog op de een of andere manier een keer kennis van God moet gaan krijgen, het gaat om de mens als partner van God.

* Vervuld met vervulde mensen

Een Joods denker zegt in dit verband: je hebt de isj ha-min, dat is de man naar zijn aard. Die uitdrukking: naar zijn aard wordt in Genesis l ook steeds gebruikt. De man naar zijn aard is een passief wezen. Maar dan heb je ook de isj ha-‘elohim, dat is letterlijk: de man van God. Dat is een actief en creatief wezen. Dat is de mens die beant­woordt aan het ideaal van de schepping. De mens, die een authen­tiek bestaan op­bouwt. Daarom is het ook zo belangrijk, dat de mens een naam krijgt toege­roe­­pen. De mens moet geroepen, aangesproken zijn. In dat aange­spro­­ken zijn word je mens.

Zoals W.Barnard zegt in een lied: “Wees de adem waaruit ik ontsta..” God is de adem waaruit je ontstaat. God blaast je tot leven. Een mens moet aangeblazen worden. De aarde moet dus niet vervuld wor­­den met een fikse hoeveelheid mensen, maar met mensen die ver­­vuld zijn. En dat zou je af moeten kunnen lezen aan Israël. En wat Israël is, kun je aflezen aan de Messias. Dáármee moet de aarde vervuld wor­den.

Deze studie is in gebonden vorm te verkrijgen bij: jh.ree@kpnmail.nl

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Sagrada Familía in Barcelona

Enige tijd geleden zijn we enige dagen in Barcelona geweest. Een prachtige stad. De prachtige kathedraal de Sagrada Família was voor mijn vrouw en ik het absolute hoogtepunt. In 1883 begon de architect Gaudí zijn levenswerk. Nu 138 jaar later genieten miljoenen mensen per jaar van deze nog steeds onvoltooide kerk. Indrukwekkend is de schitterende […]

573945 bezoekers sinds 07-06-2010