Exodus – Deel 2

08-02-2021 door Dr. K.D. Goverts

De komst van Jitro was een cruciaal moment in de voorbereiding voor de Mattan Torah: de Gave van de Torah bij de berg Sinai. Jitro komt als repre-sentant van de gojim, in Ex. 18 wordt de volkerenwereld in de gestalte van deze priester betrokken bij de Sinai-openbaring.

Rabbi El ‘azar verbindt hiermee de woorden van Psalm 67 : laat de volken U prijzen [of danken], o God, laat de volken altegader U danken. Het uur waarop de volken kwamen en de God van Israël erkenden, werd Zijn heerlijkheid compleet boven en beneden.

Pharao zei: ik ken de HEERE niet. Maar er kwam een moment dat hij erkende: de HEERE is rechtvaardig. Ex. 9, 27. Ook de andere koningen erkenden HEM, zie Ex. 15, 15. De vorsten van Edom stonden verwonderd, omdat de machtigste koning van de gojim, de Pharao, de God van Israël erkende. En nu komt Jitro, de verheven en hoogste priester, en hij spreekt het uit: ik weet dat HIJ de hoogste is. Gezegend zij de HEERE, Die u verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, en uit Pharao’s hand; nu weet ik dat de HEERE groter is dan alle goden, want Hij was boven hen. Ex. 18, 10-11.  Toen was gebleken dat God verheven was, de supreme God boven alle goden, en dat was het moment: HIJ was in majesteit boven en beneden, Zijn Hoogheid was gevestigd, en daarna, en vandaar uit, kon HIJ Zijn Torah geven in en vanuit de compleetheid van Zijn heerschappij.

Rabbi Shim ‘on zei tot zijn zoon, Rabbi El ‘azar: in verband hiermee staat geschreven: laten de volken U prijzen, laten de volken altemaal U prijzen [Psalm 67, 4 en 6]. Jitro had zeven namen: Re ‘uel [vriend van God רעואל ], Jeter, Jitro, Hobab, Heber, Keni, Puti’el. Hij werd Jeter genoemd, omdat hij ervoor zorgde dat er een gedeelte aan de Torah werd toegevoegd [toevoegen is: jatar יתר ], namelijk de verzen 17 – 26 van Exodus 18.

Jitro is: Jeter waw, Jeter + een waw   יתר   +  ו   Er werd een waw toegevoegd aan zijn naam en de waw heeft als getalswaarde zes. En de waw is de haak, de verbinding tussen hemel en aarde, tussen boven en beneden. De waw is Tiph-`eret en de vijf sephirot die daaromheen zijn.

Jeter betekent: residue, overblijfsel. God verbindt Zich aan dit overblijfsel van de gojim. Het is opmerkelijk dat de namen Jitro en Ruth met bijna dezelfde letters worden geschreven: רות   resp  יתרו   de beide getuigen uit de heidenwereld waarbij we bedenken dat Ruth vanouds gelezen wordt met Shavu ‘ot, het Feest van de Gave der Torah, het Feest van de Bruiloft Gods.

De gave van de Torah

In Exodus 19 en 20 wordt de Torah gegeven: Mattan Torah. Daarbij bedenken we: Torah is niet wet, maar het Trouwverbond, het Huwelijksverbond. Torah is de Ketubhah, het verbondscontract, de beloften en zegeningen die de Ḥatan, de Bruidegom geeft.

᾿Anokhi  – IK

De Tien Woorden beginnen met: IK,  ᾽ANOKHI

Oude Joodse uitleg: het is een letterwoord, en acronym. Het wil zeggen:

᾽ani naphshi ketavit jehavit  אני       נפשי     כתבית    יהבית

Ik heb [de Torah] Zelf geschreven en gegeven of nog een diepere laag : Ik heb Mijn ziel geschreven en gegeven De Eeuwige heeft Zijn ziel, Zijn diepste Wezen erin gelegd.

stemmen gezien

Er staat in Ex. 20, 18 : En al het volk zag de donderen, letterlijk: al het volk zag de stemmen. Een middeleeuwse Joodse commentaar zegt: er had toch moeten staan: al het volk hoordede stemmen. Ze kunnen toch geen stemmen zien?

Vrijwel alle vertalingen proberen de tekst acceptabel te maken; they witnessed  the thunder, they were watching and hearing the thunder, they perceived the thunder, they saw the thunderings, het volk was getuige van de donderslagen, zegt de HSV [met een voetnoot: letterlijk: zag]; de NBV heeft: was getuige van de donderslagen. Louis Segond: ze hoorden. Er staat evenwel: zij zagen. Waarom niet: hoorden?

Echter, we leren hieruit, zo zeggen de Joodse wijzen, dat deze stemmen ge-graveerd werden in de donkerheid, in de mist en in de wolk, en daar binnenin verschenen. De stemmen verschenen in een zichtbare gedaante, en zo hebben zij de hoogste vorm van verlichting ontvangen. Hier wordt gebruikt het woord: nehirin, en nehiru, dat is lichtglans; zij zagen חיזו visie, visioen

ḥejzu is ook een naam van Shekhinah. Nehiru, de glans van het Eeuwige. De woordstam NHR heeft twee betekenissen :  het is de stroom, de rivier, en het is schijnen, stralen, helder, klaar, helderheid, klaarheid. Vanuit het accadisch: nuru, dat is licht; en namaru, licht geven, schijnen. In het Aramees: nura’  of nur: נורא vuur.

Daar is alles mee begonnen: het allereerste, nog klein als een punt, primordiaal, pril, prenataal, dat is innerlijke Glans, – en er is geen weg om de maat daarvan te vatten; haar doorschijnendheid, haar dunheid, haar zuiverheid, totdat er een uit-breiding zich uitbreidde van daaruit. De expansie, de uitbreiding van dat ene punt werd een Paleis, waarin dat eerste punt [de nequdah  נקודה] zich kleedde. Dit paleis, een mantel voor dat verborgen punt, is een Glans, zonder maat, toch nog zo dun als een herfstdraad, een ragfijn weefsel, niet zo doorschijnend als dat eerste primordiale punt, verborgen en als een schat bewaard.

Dat paleis breidde zich uit in een uitbreiding: het primordiale licht. Die expansie van het primordiale licht is een Kleed voor dat Paleis, dat is als een herfstdraad, doorschijnende Glans, dieper daarbinnen. Vandaar uit, breidt dit zich uit in dat, dit is gekleed in dat, zodat dit een kleed is voor dat. Dit is de Kern, dat is de schil, de schelp, de schaal. Schelp op schelp werd gecreëerd,  om de Kern te omhullen, te verbergen, alles om zich rondom de Kern te scharen, zich daaromheen te schikken.

De verstandigen zullen stralen als de glans [zohar] van het Firmament, zegt een van de woorden van Daniël  [Dan. 12, 3]. De verstandigen: zij overpeinzen en zij schouwen het Mysterie van de Wijsheid. Stralen: schijnen en sprankelen met de schittering van de Opperste Wijsheid. Schijnen: nehiru,  נהירו en als een rivier [nahara’  נהרא ] die stroomt vanuit Eden, vanuit de Hof van de Eeuwige.

Glans: nehiru. נהירו  De woorden komen als een stroom, zo mooi en zo puur, een cadans. jazhiru ke- zohar: כזהר יזהירו ze zullen glanzen als een Glans jazhiru de – notsetsin :  דנוצצין יזהירו zij zullen glanzen, sprankelen met de glans van het Geheimenis van de Opperste Wijsheid: be – raza’de Ḥokhmeta’ ‘illa’ah

רזא     דחכמתא   עלאה

jazhiru : naharin we- notsetsin be-ziwa’ de Ḥokhmeta’

יזהירו     בזיוא דחכמתא  עלאה   נהרין  ונוצין

ke-zohar: als een Glans   כזהר

nehiru u – netsitsu : de klaarheid en de sprankeling van de Rivier die uitvloeit vanuit Eden    נהירו  ונציצו

dat is het Verhulde Geheim dat geroepen [genoemd ] wordt Firmament, want daarin zijn gelocaliseerd de sterren en de constellaties, de zon en de maan, en alle kandelaars die licht geven  we-kol  ᾽iennun buṣinin di-nehora’

וכל  אינון   בוצינין  דנהורא

Dit is de code tekst;

You who are on the road,

must have  a code

that you can live by

teach your children well

teach your parents well

Torah boven en beneden

Zo staan ze daar, onderaan de Berg, de Har Sinaj. Daar is de Verborgenheid van het Boek.

Wat is de Verborgenheid van het Boek? Mozes ging binnen in de Donkerheid waar God was, zegt Ex. 20, 21.

De Gezegende is verborgen, verhuld, ver daar voorbij. Er is niemand in de wereld, noch is er ooit iemand geweest, die Zijn Wijsheid kan verstaan of die Hem kan weerstaan. HIJ is verborgen, verhuld, transcendent, voorbij, ginds, daarginds. Niemand kan Hem begrijpen. Alles wat zij kunnen zeggen, is : Gezegend is de Aanwezigheid van YHWH in Zijn plaats.  Ezech. 3, 12

Degenen die beneden zijn, proclameren dat Hij Boven is :

Zijn Aanwezigheid is boven de hemelen   [zie Psalm 113, 4]

Degenen die boven zijn, proclameren dat Hij Beneden is:

Uw Aanwezigheid is over de gehele aarde     [zie Psalm 57, 12]

Tenslotte, zij allen, boven en beneden, verklaren:

Gezegend zij de Aanwezigheid van YHWH waar Hij ook is

want Hij is onkenbaar

Wat is de Verborgenheid van het Boek?

rabbi Shim ‘on zei :   Vijf hoofdstukken in een groot Paleis, zij vullen de gehele wereld. rabbi Judah zei :  indien dat zo is, zijn zij de beste van alle

Dit is het Geheimenis van de stemmen: zij zagen de stemmen. De stemmen, dat zijn de letters die opkomen uit de stemmen. Er staat niet: zij zagen ha-qolot, הקולת de stemmen, maar er staat: zij zagen  ᾽et ha-qolot,  את  הקולת en ᾽et is van ᾽aleph tot taw, het hele alphabet. Zij zagen de stemmen: dat wil zeggen: zij zagen al de letters, een spoor van licht dat als een handschrift staat tegen de zwartste hemel aangeschreven.

Zij zagen het hemelse alphabet voor aller ogen. Zij zagen het stralende licht van deze stemmen, gegraveerd, ingegrift in donkerheid, wolk en dichte mist. Deze qalin, deze stemmen, zijn zichtbaar, en zij zagen wat ze zagen en zij hoorden wat zij hoorden van binnen in die donkerheid, binnen in die wolk en binnen in die dichte mist. 

Van binnen in het visioen zagen zij en werden zij verlicht door de Opperste Glans en zij zagen wat toekomende geslachten niet zouden zien, en niet zouden weten, zij zagen allen panim be-panim, פנים  בפנים aangezicht tot aangezicht, zoals er staat in Deut. 5, 4: Van aangezicht tot aangezicht sprak de HEERE met u op de berg uit het midden van het vuur.  

Wat zagen zij? Rabbi José onderweest: Glans van die stemmen – want er was niet één enkele stem die niet glanzend straalde, en hen in staat stelde te schouwen naar al het Verborgene, verborgen schatten, en alle geslachten die zullen verschijnen tot Koning Messias. Al die mensen zagen de stemmen, ze zagen de qolot.

Ze zagen zwart vuur op wit vuur. Het witte vuur: dat is de Schriftelijke Torah, en het zwarte vuur, dat is de Mondelinge Torah, en dat is de Shekhinah. Zoals gezegd is in Deut. 33, 2 : aan Zijn rechterzijde was een vurige wet aan hen. Eerst was er de primordiale Torah, de Oer-Torah, die vervolgens zich gaat articuleren met behulp van medeklinkers, klinkers etc.

Het Woord Gods is als wit vuur, gekleed in een zwarte, donkere wolk: de berg brandde van vuur, tot aan het midden des hemels, en er was duisternis, wolk en donkerheid  [Deut. 4, 11 ] . Er staat eigenlijk: tot in het hart des hemels. In vers 12 staat: Zo sprak de HEERE tot ulieden uit het midden van het vuur, daar staat: midden [mi-t okh ha’esh מתוך  האש [ maar in vers 11 vertaalt SV met midden, doch er staat: hart. De Kanttekeningen zeggen wel: Hebr. tot aan het hart des hemels, dat is, midden in de lucht. Maar in de tekst schrijft de Statenvertaling: tot aan het midden des hemels.

Het hart des hemels, en de Joodse wijzen verklaren: het Hart des Hemels, dat is de Shekhinah. Dat is dus wel iets meer, iets grootser dan het midden van de lucht. En het laatste woord van Deut. 4, 11 zegt: de donkerheid. Daar staat het woord ‘araphel, ערפל en de Joodse uitleggers zeggen: dit heeft te maken met wat de propheet Ezechiël zag: de Troon van de Eeuwige, en vanuit de Ḥashmal. Dat is barnsteen of electrische stroom, en vandaar uit komt een stroom van vijf mogendheden: heiligheid, puurheid, gerechtigheid, erbarmen en gericht [recht-zetting]. Dat is de Christus, want Hij is ons geworden: Wijsheid, rechtvaardig-making,  heiligmaking en verlossing [1 Cor. 1, 30].  ‘araphel heeft te maken met de he’ in de Naam van de Eeuwige: en de eerste He’ is Binah, Inzicht, Verstaan. Die de HEERE zoeken, [biqqesh בקש ], verstaan alles,  jabhinu, יבינו  zegt de dichter van Spreuken [ Spr, 28, 5]

De Torah in de ballingschap

Torah is Genade. Schenk mij genadig Uw Torah, verleen mij genadiglijk Uw Torah, vraagt de psalmzanger in Psalm 119, 29. Hetzelfde woord: wees mij genadig,  חנני ḥanéni, dat we in de Psalmen dikwijls horen als smeekgebed.

Ontdek mijn ogen opdat ik aanschouw de wonderen vanuit Uw Torah, vers 18. Gal ‘einai,   גל  עיני als de ogen ontdekt worden, mag de mens schouwen.

De Torah is de NAAM van God, want zij is een levend patroon, een textus, een textuur, een weefwerk, in de nauwkeurige zin van het woord.

Daarin is de ene ware NAAM YHWH op een verborgen en indirecte wijze ingeweven, en daarin keert dan ook deze NAAM  als leidraad, als leidend motief,  een Goddelijk patroon, dat steeds terugkeert, aldus Joseph Gikatilla [1248 – 1305]. Voordat de wereld geschapen werd, waren God en Zijn NAAM alleen daar. Zijn Torah is in HEM, de Heilige is in Zijn Naam, zegt Menahem Recanati [1250 – 1290].

De gehele Torah is één enkele, heilige, verborgen NAAM, aldus Azri’el van Gerona [1160 – 1238] en Pseudo-Nachmanides. Gikatilla schreef: Torah  des HEEREN, Torat ᾽Adonai, wil niet zeggen alleen maar de Torah die door God gegeven is, maar de Torah als Wegwijzing en nadere uiteenzetting en onder-wijzing aangaande de NAAM YHWH.

Het is maar niet de Torah die Hij geeft: het is de Torah die HIJ is.

De berg Sinai omgeven door de Wolk; andere glorieuze namen van God zijn boven, in het licht, zegt Rabbi El ‘azar, namen omhuld door een wolk. Zij hebben Mijn Naam daar geplaatst, want het woord voor wolk komt 52 keer voor in de Torah, om aan te duiden dat een Wolk de glorieuze Naam boven omhult. Daarom zal degene die de NAAM bestudeert, die kennis wil zoeken van de NAAM, prachtige klederen dragen. De NAAM wordt niet genoemd, tenzij kleding wordt gedragen: klederen van eer, van kabhod, van heerlijkheid. Elk van de namen heeft een schitterend licht en een omhullende wolk.

Zo  R. El ‘azar van Worms  [1176 – 1238]  in het Sepher ha-Shem, het Boek van de Naam. Het aantrekken van de Naam is als een mantel van hertenleer, als een perkamenten kleed, waarin  als inscriptie de Namen van de Eeuwige zijn inge-schreven.

Dat hoort bij elkaar: het aantrekken van witte klederen door hen die de NAAM noemen. De Torah is genoemd het Kleed, malbush, komend uit Jesod, de Grond-slag, de bewaarplaats van alle verborgenheden. Dat is wat Paulus zegt in Col. 2: in Christus, Hij is het Fundament, in Wie alle schatten van Wijsheid en Kennis verborgen zijn.

En wie de Naam des HEEREN noemt, beklede zich met Christus. Zij komen in witte kleren uit de Rode Zee aan wal.

Wie de Torah binnengaat, gaat binnen in de NAAM.

En die mens gaat binnen in de genade, in de genadige ruimte van het Eeuwige, van het Eeuwige Woord. Ook andere glorieuze namen zijn daarboven, in het licht, omgeven door een wolk.

Genade in de woestijn

Jeremia 31 sprekend over een nieuwe tijd en een nieuw verbond, zegt: Zo zegt de HEERE: het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen [vers 2]. Genade in de wildernis, in het niemandsland. Gaat dit over de latere galut, of kunnen we dit ook toepassen op de eerste galut ?

Maṣa’ ḥen מצא  חן het volk vond genade

Genade te  vinden op een plek waar ge deze niet zoudt verwachten

En vers 3: De HEERE is mij verschenen van verre tijden. Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Van verre. SV voegt het woord ‘tijden’ toe; de Kanttekeningen zeggen: dat is van ouds, in lang verleden tijden.

Er staat: van verre. En van verre [me-raḥoq  מרחוק ] is in de Hebreeuwse Bijbel veelal een aanduiding van het onbereikbare. De oude Joodse wijzen zeggen: van verre, dat is de Ḥokhmah. Want de Wijsheid is ver weg, daar is het begonnen; heel ver in de wereld van het Eeuwige, van het Goddelijke. De verborgen God-delijke gedachte, dat is het zaad van alle Zijn, dat is de rivier, die is gaan stromen vanuit de Hof van Eden.

Exodus 3

Ze waren in ballingschap toen: Egypte, de eerste galut. De Shekhinah verkeerde eveneens ‘en exil’. At that time she was in exile. En toch staat er: Ik heb Mijn volk bezocht, ja bezocht [met herhaling van het werkwoord paqad פקד]  zie Exodus 3, 16. Maar het is nodig dat we hierover nadenken, mediteren, want hier hebben we een geheimenis van Wijsheid.

Als de Shekhinah in ballingschap was, hoe kon deze dan aan Mozes verschijnen en hoe zeggen: Ik heb bezocht, ja bezocht Mijn volk? Maar aldus hebben wij geleerd: wanneer de zon schijnt, is zij in de hemelen, maar haar kracht en invloed zijn voelbaar op de aarde. En zo: de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol. Toen de Tempel nog in Jerusalem stond, was de ganse aarde vol van Zijn heerlijkheid, namelijk het heilige land.

Maar nu Israël in ballingschap is, is Zij [de Shekhinah ] in de gebieden, de domeinen daarboven, maar haar kracht omgeeft Israël, om hen te beschermen, ook al zijn zij in een ander land. En kom en zie. Daar is de Shekhinah beneden, en daar is de Shekhinah boven.

De Shekhinah is boven in de twaalf regionen van de heilige wagens, en daar bevinden zich de twaalf opperste ḥajjot, de Levende Wezens; de Shekhinah beneden is te midden van de twaalf stammen van Israël.

Zo zijn de Shekhinah boven en de Shekhinah beneden tezamen omvat, om-sloten, en alles is verenigd op één en dezelfde tijd. Daarom, als Israël in galut is, in ballingschap, dan is zij in wanorde beneden, dan is de ordening van de stammen door elkaar geraakt, de rangschikking van de stammen is chaotisch. En dit is de betekenis van haar vertoeven in de galut samen met Israël: zij deelt in hun exil.

Hoe kan de Shekhinah herstel, restauratie vinden? Het kan vergeleken worden met een koning, wiens zoon is gestorven. Wat doet hij? Hij ontmantelt zijn bed, om rouw te dragen voor [over]  zijn zoon. En hij maakt zijn bed niet op, maar hij neemt dorens en distels, en hij zet ze onder zijn bed, en hij gaat erop liggen. En zo is het met de Heilige, gezegend is Hij. Toen Israël in ballingschap werd weg-gevoerd, en de Tempel ten onder ging, nam Hij dorens en distels, en Hij zette ze onder Zich. Dit is de betekenis van het vers: En de Engel des HEEREN liet zich aan hem zien in een vlam van vuur, uit het midden van een doornstruik, Exodus 3, 2 omdat Israël in ballingschap was.

We zien dat hier tijden in elkaar geschoven worden; in ieder geval is het een ontroerend beeld. Dieu en exil, zegt Neher. God in ballingschap, rouw dragend over Zijn Zoon. Over Israël, Zijn eerstgeboren zoon. Nog een laag hoger, of dieper, God die Zijn eigen Zoon ziet lijden en sterven, God die de ballingschap van Zijn geliefde Zoon in Zijn hart doorleeft en ervaart, de Zoon die de doornen-kroon draagt.

Middeleeuwse Joodse wijzen gingen wandelen. Moshe Cordovero [1522 – 1570] schreef o.a. een boek: Sepher Gerushin, ספר   גרושין

Gebed van Amanda Strydom

Vader God U ken my naam

my binnegoed en buitestaan

my grootpraat en my klein verdriet

my vashou aan als wat verskiet

U ken my vrese en my hoop

die pad wat ek so kaalvoet loop

die pad het U lankal berei

U maak die pad gelyk vir my

Alle pelgrims keer weer huis toe

elke swerver kom weer tuis

ek verdwaal steeds op U grootpad

soekend na U boardinghuis

Vader God u ken my waan

my ego en my regopstaan

die drake waarteen ek bly veg

U wijs my altyd weer die weg

U het my met U lig geseën

die lig strooi ek op iedereen

Net U weet hoe my toekoms lyk

ek het niks, U maak my ryk

het Boek van de Verbanningen. Aanknopend bij Gen. 3, 23 Ik richtte hem met uitdrijving en verbanning

Cordovero ging naar buiten, vanuit Safed, de velden in. Zo ook Isaac Luria en anderen: meester en leerlingen representeren het zwervende Godsvolk. De ballingschap is de Plaats van de Torah, zo trekken zij voort, en Cordovero ervaart het wandelen buiten de stad als een wandelen met de Shekhinah, die in ballingschap is.

Je wandelt door je trauma heen, je bent deel van de kosmische galut. Diaspora: uitgestrooid worden over de aarde, zoals Zacharja optekende: Ik zaai hen onder de volken, en in verre streken zullen ze aan Mij denken, en zij zullen terugkeren, met hun zonen.  Zach. 10, 9

They scattered their feet: zij verspreidden hun voeten, en zo zijn ze verenigd met de Shekhinah, die de Heiligheid Gods is, uitgespreid, uitgestrooid in verre streken. En dan komt er ruimte, een stroom van nieuw besef, nieuw bewust worden, dat de Eeuwige kan spreken tot je hart. Zo ben je deel van Gods ballingschap. Zo ben je deel van de reis van de Eeuwige in de tijd.

Zoals H.W.Ph.E. van den Bergh van Eysinga zei in 1916, in de jaren van de eerste wereldoorlog: vergeet niet dat er eeuwige dingen zijn, die men heeft te bedenken, die men zal aanbidden.

Het moet komen, het Godsrijk, – zooals alles uit de Godsgenade komt, al wat groot is en heerlijk, – het moet komen uit de Eeuwigheid, en we kunnen ont-sluiten de vensters die op Jeruzalem schouwen, we kunnen den God verwach-ten, en als we dat niet deden,  misschien dringt Hij dan toch wel door de ge-sloten deuren; dat heeft Hij méér gedaan en dat doet Hij dan ook nu. Zijn wij reeds Christenen?  ja, in zooverre de Christus in ons is, en dat is de Mensch der Eeuwigheid.

In de Middeleeuwen, zegt hij ergens, was er armoede, honger en nood; en dat er niet is een orde, een samenhang die draagt en conserveert, het is onveilig tussen burg en burg, op den weg loert de roover, en het gedierte plundert, en de ridder gaat op diefstal uit, en gekrenkt wordt het recht, en de ziel is een kind dat schreit om goddelijk erbarmen.

Als we dat lezen, denken we: we zijn nog niet veel verder dan toen. Maar, zegt hij dan: als maar in ons is de Liefde, dan wordt verkeerd in glorie wat onze hand heeft aangeraakt. De liefde – dat is het groot begrijpen en zij is van alle ding de meeste.

En, zegt hij ergens anders: En voor pessimisten, in wie het leed der aarde zucht en krijt, is dit dan een vertroosting: dat er niets is, in het leven, zoo duivelsch en zelfzuchtig, of het Goddelijke, het licht er door als door de bui de zon.

De wijze harten –  zij zien de harmonie der waereld.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Sagrada Familía in Barcelona

Enige tijd geleden zijn we enige dagen in Barcelona geweest. Een prachtige stad. De prachtige kathedraal de Sagrada Família was voor mijn vrouw en ik het absolute hoogtepunt. In 1883 begon de architect Gaudí zijn levenswerk. Nu 138 jaar later genieten miljoenen mensen per jaar van deze nog steeds onvoltooide kerk. Indrukwekkend is de schitterende […]

573945 bezoekers sinds 07-06-2010