Exodus – Deel 1

08-02-2021 door Dr. K.D. Goverts

Gebed

merk op wat wij [al] niet meer durven verlangen

de woorden van Genesis 1 : DE Eeuwige Schepper

ik word zo rustig van deze woorden;

ik haal ’s avonds de sterren haast naar me toe; alsof ze me toedekken

God zag dat het goed was – ik voel vertrouwen, alsof ik even op mijn plaats word gezet.

wanneer zeg ik eigenlijk: dat het goed was.

verhalen die als een boom blijven staan

ons leven is veel dieper ingebed dan wij denken

Bishop Moule zei, toen zijn echtgenote was overleden: de HEERE geeft geen verdoving, geen narcose, wel pijnstillers.

vuurkolom  ‘ammud ’esh  עמוד   אש-     

De ballingschap is de nacht. In de nacht is daar de Vuurkolom: een  Zuil van Vuur in de nacht, zegt Ex. 13, 21.

Dat Gij ons voorgaat in Wolk en Vuur.

De HEERE ging voor hun aangezicht des daags in de Wolkkolom om hen te leiden op de weg en des nachts in de Vuurkolom om voor hen te lichten, om te gaan dag en nacht.

Als het donker is buiten en donker binnen, Uw Vuurkolom, Pillar of Fire.

Van Abram wordt gezegd: hij ging op zijn reizen [Gen. 13, 3]. Rabbi Shim ‘on zei: maar Abram had toch maar één reis, van de Negev?

Zijn antwoord is: er zijn twee reizen: de reis van Abram en de reis van Shekhinah.

Spreuken 27, 8

Gelijk een vogel die omdoolt uit zijn nest, alzo is een man die omdoolt uit zijn plaats

De Joodse verklaarders zeggen: dat is de mens in ballingschap, die verlangt terug te keren naar de plaats van herkomst Een vogel: ṣippor,   צפור  omdolend, nodedah.  נודדה Er zijn twee soorten van dolen: het dolen van Kain, die uiteindelijk een stad sticht om zich te vestigen. En het dolen van de balling, zoals Psalm 107 zegt : een stad ter woning vonden zij niet. Dit ene weten wij en aan dit ene houden wij ons vast in de duistere uren er is een Woord dat eeuwiglijk  zal duren en wie ’t verstaat, die is niet meer alleen.

                                                                  [Henriëtte Roland Holst]

Dit Woord is de Werkelijkheid, te midden van alle verwarring, dit Woord van de Overzijde, van de andere kant. Een Woord dat stellig van ginds komt  [Prof. Dr. J.W. van Hulst, dit schreef hij toen hij  de leeftijd van 106 jaar had bereikt]

Deze studie is ontstaan [geboren] naar aanleiding van de parashah van shabbat 6 februari 2021 – de parashah Jitro   – dat is Ex. 18 – 20

Het verhaal van Zipporah

Exodus 2, 16

Op een dag komen de dochters van Jitro naar de bron, daar zit een onbekende man. Zeven dochters. Wie zou die man wel zijn? Een Egyptenaar, is de con-clusie.

Een man met een trauma. Hij heeft een bewaker, een commandant gedood; toen moest hij vluchten, en nu zit hij daar; twee keer het werkwoord: zitten. Hij zat in het land Midian; en hij zat bij een bron. Daar zit hij: een man die niet terug kan naar Egypte, en die ook niet terug kan naar zijn eigen mensen, de kinderen Is-raëls. Een ontheemde, een ontwortelde.

Dan staat er: een priester van Midian had zeven dochters. De priester heeft hier nog geen naam. De dochters ook niet. Dan zijn daar de herders, die zich niet vriendelijk gedragen tegen de dochters van Jitro. De Midrash vertelt: dat kwam zo: Jitro had de afgoden losgelaten en was overgegaan tot de Ene Ware God. Daarom waren de herders boos, en Jitro met zijn gezin werd in de ban gedaan, geëxcommuniceerd. Zo zegt een oude Joodse commentaar, Shemot Rabbah 1 : 32.

Net zoals Jacob eenmaal aan een bron zat, hij ontmoette toen Rachel. Bij Mozes lijkt het anders te gaan: de dochters putten water voor de schapen en gaan naar huis; ze laten de man zitten en keren met de kudde terug naar vader. Hoe komt het dat ge zo snel terug zijt? vraagt vader. Zij antwoorden: er was een Egyptische man, die heeft ons gered van de herders.

Hij vraagt: waar is hij ?  waarom hebt ge deze man achtergelaten? Roept hem, dat hij brood ete. En Mozes bewilligde bij [met] de man te zitten. Dat is het enige: er blijkt geen enkel enthousiasme, geen verlangen, geen bijzondere inter-esse. Heel laconiek en haast onderkoeld, zonder emotie wordt het verteld: hij bewilligt.

De vader geeft zijn dochter Zipporah aan Mozes tot echtgenote; er wordt niets vermeld over haar karakter, of zij zich onderscheidde van de andere zes; geen individualiteit, er is ook geen persoonlijke ontmoeting, geen speciale aandacht van Mozes voor haar.

Samen krijgen ze een zoon, Mozes roept de naam van de zoon: Gershom, גרשם want, zeide hij, ik ben een ger, een vreemdeling te gast geworden, in een ᾿erets nokhrijjah נכריה ; dat is: je zou haast vertalen: in een allochtoon land. Het kind zal de naam dragen van Mozes’ levenservaring, niet van wat de moeder [Zipporah] in háár leven ervaren heeft.

Er staat niets van een gezamenlijke beleving, die Mozes en Zipporah hebben, niets van een gezamenlijke hoop of verwachting met betrekking tot dit kind dat zij samen gekregen hebben. Niets over een hechte band tussen hen beiden, een wederzijds verstaan, een gesprek, een vertrouwelijk samengaan. Zipporah is vrijwel onzichtbaar. Zij speelt geen actieve rol, schijnt geen inbreng te hebben,  haar  stem wordt niet gehoord, nergens lezen we: en Zipporah zeide; zij lijkt geen persoonlijkheid te hebben.

Haar naam: Zipporah, צפרה betekent: vogel, specifiek een mus. Zo onopvallend, zo weinig aandacht trekkend. Wie let er op een musje? Dan denken we aan die Franse zangeres, Edith Piaf; piaf betekent: mus, straatmus. Maar de volgende keer dat Zipporah in de Bijbel voorkomt, dan is het heel anders.

Exodus 4, 24 – 26

Mozes krijgt zijn roeping, in Exodus 3 en 4, bij het brandende braambos. En dan heel frappant: dan zegt Ex. 4, 18: toen ging Mozes heen en hij keerde weder tot Jeter zijn schoonvader, en zeide tot hem: laat mij toch gaan en terugkeren tot mijn broeders die in Egypte zijn, ik wil zien of zij nog leven, en Jitro zeide tot Mozes: ga tot sjalom. Mozes vraagt toestemming aan zijn schoonvader. En de HEERE zeide tot Mozes: ga, keer terug naar Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten.

Dan neemt hij Zipporah en zijn twee zonen, voerde hen op een ezel en keerde weder naar Egypteland. En Mozes nam de staf Gods in zijn hand. God spreekt nog onderweg tot Mozes [Ex. 4, 21 – 23] . God zegt o.a.: ga naar Pharao, zeg tot hem: Israël is Mijn eerstgeboren zoon, laat Mijn zoon gaan; zo niet, dan zal Ik uw eerstgeboren zoon doden. Zo reist Mozes daar, met o.a. zijn eerstgeboren zoon, Gershom.

Maar dan is daar, terwijl ze op pad zijn, een merkwaardig incident. Ex. 4 de verzen 24 – 26. Wat gebeurt daar? In een nachtverblijf: de HEERE zocht Mozes te doden. Maar waarom?

Verklaring is er natuurlijk wel: zijn zoon moest nog besneden worden. En dat had Mozes kennelijk nagelaten. De uitleggers weten ook precies wanneer hij dat had moeten doen. Ook dat wie niet besneden is, afgesneden wordt uit het volk. Mozes moest op het fundament van Israël staan, anders kon hij Israël niet uit Egypte ontrukken; dan kon hij Israël niet representeren.

Een middeleeuwse Joodse uitleg zegt: God vraagt in feite aan Mozes: gaat gij Israël uit Egypte leiden, gaat gij een groot koning en machthebber onderwerpen, terwijl ge Mijn verbond niet in acht neemt? Want uw zoon is onbesneden. En in Gen. 17 is gezegd: wie niet besneden is, zal afgesneden worden van het volk des HEEREN. Maar Zipporah zag het en zij besneed haar zoon, en hij werd gered, zoals geschreven staat: Zipporah nam een mes [eigenlijk: een vuursteen, een stenen mes]. Een ṣor, צר zegt de tekst. En wat is een ṣor צר ?   Genezing. Want ṣor צר doet denken aan ṣori  צרי, dat is balsem, zoals Jer. 8, 22 zegt: Is er geen balsem in Gilead? En zij sneed de voorhuid van haar zoon af, want de Heilige Geest sprankelde of vonkte binnen in haar.

Dat is in ieder geval een uitgangspunt. Maar er is meer aan de hand. We gaan vers 24 lezen: En het geschiedde op de weg, in de herberg, dat de HEERE hem tegenkwam, en zocht hem te doden.

Het begint met: En het geschiedde, dus we hebben hier een markant moment, een kernpunt of een keerpunt.  Op de weg, het is de beslissende weg, de weg die moet leiden van Midian naar Egypte, de weg die Mozes bij zijn broeders, bij Israël moet brengen.  In een nachtverblijf,  malon, met als grondwoord: lin, of lun, overnachten. Er wordt wel gezegd: herbergen waren er nog niet in die tijd, dus wellicht een plek langs de route, waar gepauzeerd kon worden.

En dan: de HEERE trof hem, stuitte op hem, en Hij zocht hem te doden. De HEERE trof hem: pagash  פגש,    het woord betekent: ontmoeten. Het komt o.a. voor bij de ontmoeting tussen Jakob en Esau; en bijv. in Psalm 85: goeder-tierenheid en trouw ontmoeten elkander. En dan: Hij zocht: baqash בקש  [pi ‘el biqqesh]: zoeken, o.a. in Gen. 37, waar Joseph zegt: ik zoek mijn broeders; en Ex. 33, 7 ieder die de HEERE wilde zoeken Op zich zijn deze beide woorden pagash פגש en biqqesh  בקש termen die in diverse contexten voorkomen.

De HEERE trof hem en zocht hem te doden.

Maar is dit de juiste vertaling? De enig mogelijke?

We komen op een andere vertaling: Het geschiedde op de weg, in het nacht-verblijf, de HEERE trof hem, Hij zocht: Zijn dode ? Dan lezen we ha-  ה als vraagpartikel: en dan is het een verkorte vraag: is daar Zijn dode? God zocht Zijn dode. mi-t of mét   מית  מת kan betekenen: een dode.

Of een alternatieve lezing c.q. vertaling: dan trekken we de he’ bij biqqesh: dan wordt het: biqqesh-hu,   בקשה  Hij zocht hem, Zijn dode

God zocht Mozes. En Mozes was Zijn dode.

Net zoals in Gen. 23 steeds de uitdrukking gebruikt wordt: Abraham ging ‘zijn dode’ begraven. Het is eenzelfde zinsconstructie en grammaticale vorm als in Jesaja 53, 10 Daar zeggen de gangbare vertalingen: Het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij maakte Hem ziek.

Maar: we vertalen niet: Hem te verbrijzelen, maar met Martin Buber [die nog samen met Rosenzweig aan Jes. 53 heeft gewerkt in diens laatste levensdagen] vertalen we: SEIN Zermalmter, Zijn verbrijzelde [dakke’o  דכאו ] ; De Knecht des HEEREN, Jezus, is Gods verbrijzelde. Niet dat God Hem verbrijzeld heeft. Maar in Zijn lijden, in Zijn verbrijzeling was Hij van God.

Zo dat God kon zeggen: dit is Mijn lieve Kind, Mijn Verbrijzelde. Ook en juist in die verbrijzeling is Hij Mij dierbaar.

En niet: Hij maakte Hem ziek. Het werkwoord ḥalah חלה [hier in de causatieve vorm hiph ‘il: heḥeli,  החלי zonder object!, Hem staat er niet] betekent primair: zacht maken. Het is: sweeten, assuage, soften, zegt Jastrow.  Dus: Hij maakte zacht. Daarbij kan de Knecht het onderwerp zijn van de zin.

Of : De Vader maakte zacht [nl. door het lijden van Zijn Zoon]

De Vader maakte zoet [door de zoete toewijding van Zijn Knecht]

Of: de Zoon maakte zacht [nl. de harde zondaar]

de Zoon maakte zoet [nl. de bitterheid van de zonde, de bitterheid van het kwaad] Er zijn diverse verwijzingen die dit bevestigen. Hetzelfde werkwoord [maar dan in de pi ‘el, intensieve vorm] staat in Ex. 32, 11 waar Mozes voorbede gaat doen voor het volk dat het gouden kalf heeft gemaakt: wa-jeḥal  ויחל  en Mozes maakte het aangezicht des HEEREN zacht.

Jastrow tekent aan: het woord betekent: zoet maken wat bitter was. In een oud Joods gebed: Maak Gij zoet de bitterheid [van de zonde] van Israël. De Joodse commentaar Yalkut: Mozes bidt totdat hij de toorn des HEEREN heeft verzacht. Zacht maken, lenigen. In Deut. Rabbah [commentaar op Deut.]: Uw kinderen zijn bitter, maak Gij hen zoet. In de commentaar op Klaagl. 1, 2 [Klaagl. Rabbah]: zacht maken door berouw, door bekering

Dus Jes. 53, 10 Het behaagde de HEERE: Zijn verbrijzelde, Hij maakte zacht, en dan spreekt het vers verder over het schuldoffer. Dus: dat behaagde de Vader, dat de Heere Jezus zacht maakte door Zijn verzoenende offerande.

Jezus was Zijn  verbrijzelde.

Mozes was Zijn dode.

Waarom dan? Hoe dan? Hij leefde toch nog? ja en neen.

Mozes is in Ex. 3 geroepen, maar het komt nog niet echt binnen. Mozes komt met een lange reeks van bezwaren. Het is alsof hij niet tot leven kan komen; hij blijft in zijn doodsstaat zitten. De drempel van dood naar leven, daar kan hij niet overheen stappen. Het leven binnentreden lukt hem niet. Het gesloten boek weer openen, het gaat niet. Hij is nu een geroepene, maar hij loopt als een ter dood veroordeelde. Dus: Exodus 4, 24 – 26 is de opstanding van Mozes.

Ik vond een heel fascinerende studie, die zegt: Mozes was de man die er niet was. Zijn hele leven was een zwerftocht. Hij was wat de naam van zijn oudste zoon zegt: Ger-shom, een Vreemdeling te gast. Mozes de Balling. De zwerver.

Mozes – zijn levenspad

De ervaring van Mozes was een weg van absentie, fragmentatie, onvolledigheid. Afgescheiden, afgezonderd, afgesneden. Bruidegom des Bloeds: een naam met een dubbele zin, een naam op een tweesprong: wonderlijk en huiveringwekkend tegelijk. Mozes bevrijdt het volk, toch sterft die generatie in de wildernis. Mozes maakt deel uit van dit volk, hij hoort bij hen, en toch hoort hij er niet bij. Hij leidt hen uit, maar niet in.

Deze drie verzen vatten zijn levenspad samen, in een compacte geschiedenis, een heel leven van honderd twintig jaren samengepakt in één nacht. In deze drie verzen komt de naam Mozes niet voor. Het briljante van dit portret is dat Mozes er nergens in te vinden is. Het is alsof dit silhouet meer over hem laat zien dan enige gedetailleerde portrettering ooit zou tonen.

Ex. 4, 24 – 26  – deze verzen vertellen iets; de gebeurtenissen spelen zich af in de nacht, in de afwezigheid van licht en begrijpen, er is geen verstaan, geen Binah, alleen de Shekhinah die meegaat in de nacht, hier de Shekhinah in de gestalte van Zipporah. We zien hier hoe weinig de bevrijder zelf verstaat: het ontbreekt hem aan licht en aan waarheid, hij ziet niet en verstaat niet.

Dit kleine miniatuur-verhaal heeft twee assen. Zipporah is de as van de aanwe-zigheid, presentie; het is haar zoon, haar daad, haar spreken, haar bruidegom. Zij leidt en bestuurt, zij stuurt het verhaal. Mozes is de as van de absentie, van de afwezigheid.

Mozes: vervreemd, displaced, van zijn plaats geschoven, hij kan met de Psalmist zingen: eenzaam ben ik en verschoven, vleugellam geslagen ziel. Hij is niet thuis, heel zijn leven lang. Hij is geboren buiten Kanaän, onder de dreiging van de dood. Hij wordt gered door zijn moeder, zijn zuster, de dochter van de Pharao. Hij wordt gescheiden van de Egyptenaren, onder de dreiging van de dood.

God doorbreekt – verstoort zijn leven en zendt hem terug naar Egypte, onder de dreiging van de dood. Maar dit brengt hem niet de hereniging met de Egyptena-ren. Het brengt hem juist in conflict met de Egyptenaren, onder de dreiging van de dood.

Hij moet de relaties met zijn eigen volksgenoten, met zijn broeders herstellen, weer een band aanknopen met zijn eigen volk, maar hij is nooit helemaal in staat om dat te doen; voortdurend zijn er spanningen, niet begrijpen, morren, murmu-reren, zelfs onder dreiging van de dood.

Hij moet in de nacht van Pesach de Engel des doods afweren door het Bloed.

Als hij veertig is, vlucht hij uit Egypte onder de dreiging van de dood. Als hij het volk uit Egypte leidt, moet hij vluchten door de Rietzee, achtervolgd door de Pharao, onder de dreiging van de dood.

Veertig jaren trekt hij met het volk door de wildernis, door het doodsgebied, een omgeving vol van de dreiging  des doods. Hij nadert Kanaän, maar hij gaat er niet en nimmer binnen. Heel zijn leven lang is hij afgesneden van het land der vaderen, het land der belofte. Altijd afgesneden. Afwezigheid, dubbelheid, hier in deze drie verzen. Ex.  4. 24 vv. We weten niet waar het verhaal zich afspeelt. De voornaamwoorden: hij, hem, zijn: we weten niet wie bedoeld wordt. Wie is ‘hem’? Welke zoon wordt besneden? Er wordt geen naam vermeld. De tekst noemt Mozes niet. De tekst vertelt ook niet hoe Zipporah wist wat zij doen moest. Wat of wie gaf haar in, te reageren op de situatie zoals zij deed ?

De tekst biedt ons het onverklaarbare, wat niet te interpreteren is. Hier stokt de uitleg, want die is er niet. De niet genoemde Mozes is onderweg, de opdracht van de Eeuwige zet hem op een pad, door de nacht en brengt hem in een precaire positie. Precair; dat hangt samen met het Latijnse precare, dat is bidden. Wie in een precaire situatie verkeert, kan maar beter bidden.

Bidden is erkennen dat ge hangt tussen hemel en aarde. Bidden is onderbreken, opschorten. Zoals die mens die zei: nu hang ik aan de hemel, dat Hij het waar maakt aan mij.

Mozes is de mens bij uitnemendheid die zich bevindt tussen hemel en aarde. Verwijzend naar Hem, de Heere Jezus, die daar op Golgotha hing tussen hemel en aarde. En Die juist zo de verbinding werd tussen boven en beneden, tussen hemel en aarde. Deze drie verzen: Mozes is hier het absente middelpunt, het afwezige centrum van het verhaal.

Mozes in  zijn doodsstaat.

Zoals God Zich boog over Adam om hem leven in te ademen. Zo boog de Eeuwige Zich over Mozes. Zwerven en sterven ligt heel dicht bij elkaar in het Hebreeuwse denken; van Jezus zegt een lied: Zijn wonen was Hem zwerven. De wereld gaf Hem slechts een graf, Zijn wonen was Hem zwerven; al Zijn onschuld werd Hem straf en Zijn leven sterven. De Zoon des Mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen, zo zei Hij zelf.

God zoekt Mozes op [wiens naam in deze verzen niet vermeld wordt; Mozes wordt getekend als de grote afwezige, als degene die geen rol speelt, die alleen maar passief is, hij is daar in dat nachtverblijf [nacht als symbool van de galut, van de ballingschap] als een patiënt op de intensive care.

Dit gedeelte is heel verwarrend, maar het kan zijn dat dit juist het kernpunt is: dat deze drie verzen de kern, de hele weg van Mozes kenschetsen. Mozes, de mens wiens ganse levensweg ballingschap was. Viermaal galut: eerst in Egypte, toen in Midian, toen weer in Egypte, en toen in de Woestijn. Er is een patroon in veel culturen: de mens die zijn volk verlaat, een weg gaat van beproeving en ontheemding, en tot zijn volk terugkeert.

Mozes lijkt daarop; hij verlaat zijn volk, keert tot zijn volk terug, maar dan gaat het anders: hij blijft een vreemde voor zijn volk. Hij wordt nooit helemaal eigen. Zoals de Joodse componist Arnold Schönberg het vertolkt in zijn opera, waar Mozes laat zeggen: O Wort, du Wort, das mir fehlt.

Mozes wordt gewekt uit de dood, uit de doodsslaap, uit de lethargie, de dodelijke beklemming, en Zipporah mag daarin de sleutelrol vervullen.

Mozes beleeft, doorleeft in deze drie verzen zijn Paasnacht en zijn exodus, zijn uittocht, zijn opstanding

Zipporah, als dochter van de Kohen Midian,  כהן  מדין de priester van Midian, weet meteen wat haar te doen staat. Hier wordt zij priesteres. Zij voltrekt het ritueel dat het gevaar afwendt, dat de zoon van Mozes [welke zoon? dat wordt niet vermeld] opneemt in het verbond. Zipporah is degene die orde brengt, die orde restaureert, herstelt en die betekenis geeft, betekenis terugbrengt. Zipporah brengt hier als priesteres Torah in de nacht. Zij handelt. De kracht van het Bloed.

De man die er niet was.

En dit is tegelijk het ritueel dat Mozes doet opstaan uit zijn dood. Daarna kan Mozes zijn broeder Aharon ontmoeten [vers 27 -28] en hij kan de leiding op zich nemen. Hij wordt voor-ganger, voortrekker van de Uittocht. We zouden verwachten: nu heeft Zipporah hiermede haar plaats in de heils-geschiedenis gevestigd. Zij kan mee trekken naar Egypte, zij kan de Uittocht mee-beleven, en straks samen met Mirjam zingen en dansen bij de Rietzee, met rinkelbom en reidans.

In plaats daarvan zien we dat Zipporah uit het verhaal verdwijnt. Kennelijk terug naar Midian, stilzwijgend en spoorloos. Zipporah heeft een mes genomen [een ṣor  צר ] en ze heeft haar zoon besneden [welke? sommige verklaringen zeggen: Gershom, het zou kunnen, hij die ge-typeerd wordt als vreemdeling te gast; juist van de ger גר, de vreemdeling te gast wordt gezegd dat hij zich zal laten besnijden, als hij deel wil nemen aan het Pesach  [Ex. 12, 48].

En in het vers dat in Ex. 4 vooraf gaat, v. 23, gaat het ook over de eerstgeboren zoon [nl. van God en van de Pharao]; dus daar zou onmiddellijk op aansluiten dat nu de eerstgeboren zoon van Mozes in het geding is, dus Gershom. Het is priesterlijk ritueel, met een daad en een woord: Zipporah verricht de daad en zij spreekt daarbij een verklaring uit.

Met het bloed is nu het Verbond ingewijd. Het bloed is de redding van Mozes en van Gershom. Het bloed brengt de overgang van dood naar leven. Vanuit de kracht van het bloed kan Mozes straks opstaan uit de dood. Dit is de Paasnacht van Mozes. Bruidegom van bloed: ḥatan damim  חתן  דמים, zegt Zipporah, als zij de voeten aanraakt. Er is een verband tussen de woorden ḥatuna, besnijden, en ḥatan, bruidegom. Een pas besneden kind werd ook wel ḥatan  חתן  genoemd.

Wie bedoelt zij? Gershom?

Of bedoelt ze Mozes, in de zin dat Mozes en Zipporah nu, door deze rituele daad, samen partners zijn geworden in het Werk des HEEREN ?

Of bedoelt ze God?  Zegt ze dat zij zich hiermee bindt aan God, verbindt aan Hem, doordat zij het bloed van haar zoon aan God geeft?

ḥatan חתן : in oude Semitische culturen vond besnijdenis plaats in de puberteit, vlak voordat jongens in het huwelijk traden; vandaar bruidegom. Zo in Egypte en in Midian. In het oude accadisch betekent het werkwoord ḫatanu beschermen, to shelter, en ḫatannu is bruidegom, schoonzoon of schoonvader. Is zij hiermee ‘ingekocht’ in de relatie met de Eeuwige? In het Verbond van ᾿Adonai met Israël?

In ieder geval: er staat: en Hij liet van hem af. Het werkwoord raphah  רפה, met een he’ ה aan het slot; dat is loslaten [rapha’  רפא met een ᾿aleph א is genezen]. Mozes wordt losgelaten, vrijgelaten. Hier kan ook nog meespelen: hij had ooit een Egyptenaar gedood, nu is hij vrij van zijn schuld. Het gesloten boek kan nu heropend worden: kom, wij slaan een bladzijde om [naar het gedicht van Hans Lambertus].

Net zoals Jakob in de nacht een worsteling had, voordat hij zijn broeder ont-moette, zo heeft Mozes hier een beslissende confrontatie, voordat hij Aharon, zijn broeder ontmoet. Voor Mozes is dit de ‘rite de passage’. De donkere nacht van de ziel. Er is een uitleg die zegt: de HEERE ontmoette hem [pagash] en hij [dat is Mozes] zocht hem [zichzelf ] te doden. Al die jaren heeft hij in Midian gezegd dat hij een aanzienlijke Egyptenaar was, nooit heeft hij onthuld dat hij een moordenaar was, iemand die ontsnapt was aan zijn vonnis, en die bovendien tot een slavenvolk behoorde. Nu in deze nacht, is daar het uur der waarheid.

Dit is het uur van zijn transformatie. Zipporah raakt met het bloed de voeten van Mozes aan. Hiermee wordt Mozes gereed gemaakt, gezet op de weg van het Verbond,  op zijn voeten gezet om te gaan in de Naam des HEEREN.

Dit is de nacht van de identiteit voor Mozes. Hier staat hij op als Hebreeër. In Ex. 3 maakt God Zijn eigen identiteit bekend; nu gaat het om de identiteit van Mozes. Targum Onkelos vertaalt: Zipporah zeide: met het bloed van de besnijdenis, is de Bruidegom ons gegeven.

Maar er wordt niet verteld dat Zipporah ooit naar Egypte is gegaan; niet wordt verhaald dat zij een aandeel heeft in de uittocht of meetrekt in de exodus. Zij is absent, totdat zij in Ex. 18 opnieuw ten tonele komt. Dan wordt zij door haar vader Jitro – met haar beide zonen – naar Mozes gebracht. En Mozes begroet zijn schoonvader en gaat met hem in gesprek; er staat niets over een ontmoeting met of een begroeting van Zipporah.

Zo komen we terug bij de merkwaardige term: Bruidegom van Bloed. We zien hoe Mozes’ naam in deze pericoop niet voorkomt. Hoe Mozes hier een ervaring heeft van afwezigheid, absentie, fragmentatie.

Hij zal een Bruidegom van Bloed zijn. Die het volk verzoening brengt, die in de Paasnacht de opdracht geeft dat zij het bloed zullen aanbrengen aan de posten van hun deuren. Die het volk zal uitleiden, maar hij zal hen niet brengen in het land der belofte. De generatie die hij uitleidt, zal sterven in de wildernis. En hij zelf zal het land zien, maar er niet binnengaan.

Het is een portret van Mozes. Het briljante van dit portret is dat Mozes hier nergens te vinden is. Zijn naam ontbreekt. Het is enkel een silhouet. Maar het zegt meer dan een gedetailleerde foto. En Zipporah: een mens in de schaduw. En dan is het zo kostbaar dat Psalm 84 zingt: Zelfs vindt de mus een huis, de mus צפור  de tsippor, daarin horen we de naam van Tsipporah  צפרה terug klinken.  

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

Anneke van der Ree,

 jh.ree@kpnmail.nl

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Kharib

Carl Friedman vertelt over een jongen, hij heette Hakan en hij was zes jaar, ze zag hem buiten, op een braakliggend veldje. Hij had een bal bij zich, en hij staarde ernaar, alsof hij hoopte dat die vanzelf in beweging zou komen. Ben je aan het voetballen? vroeg zij. Ja, maar er is niemand om […]

588109 bezoekers sinds 07-06-2010