En de Geest Gods zweefde boven de wateren.

27-05-2021 door Dr. K.D. Goverts

Daar staat een geweldig stuk Evangelie in die ene zin. Genesis 1 als ge­heel zou je een Evangelie kunnen noemen. Gods Geest is bóven de wa­te­ren, dat wil zeggen, dat Hij er over heerst. Er is één autoriteit, die boven die wateren uitstijgt. De Geest van God is dus ook heel duidelijk betrokken bij het schep­pings­gebeuren. En dat is dezelfde Geest, die wij ontvangen hebben. De Geest van God, die in de mens is, wil door middel van ons gaan heersen over de wateren. Als de Geest van God samenwerkt met de menselijke geest, kunnen die wateren onderworpen worden. De mens Gods heerst over de wateren. Dat zie je ook bij Noach. Hij is een type van de mens Gods. In het zondvloedverhaal wordt hetzelfde woord voor vloed gebruikt als in Genesis 1. Bij de zondvloed breekt die oervloed als het ware weer los. Bij Noach krijg je dus eigenlijk weer de toe­stand uit Genesis 1:2. De scheiding van de wateren wordt weer opge­heven. De wateren van boven en de wateren van beneden beginnen zich weer met elkaar te vermengen.

Noach in de ark heerst dus over de vloed. Dan zie je bovendien, dat door middel van Noach, door middel van de mens, de schepping wordt behouden. Het woord scheppen in het Hebreeuws, ‘bara’ (arb), wil zeggen: vorm geven aan hetgeen vormeloos is. En in het begin van Genesis 1 wordt inderdaad gezegd, dat alles vorme­loos en ordeloos was. En God gaat aan die ordeloze toestand vorm ge­ven. Dat is iets wat God ook nu aan het doen is: God gaat vorm geven aan die tweede mens. Die tweede mens moet gestalte gaan aannemen. God gaat vorm geven aan het licht; God gaat vorm geven aan het uit­spansel. Zo zie je telkens, dat daar een stuk structuur wordt aange­bracht. Er wordt orde geschapen; dingen komen op hun plaats. En dat komt dan van dag tot dag een stuk verder.

Het woord woest, ‘tohoe’ (wht), kom je nogal wat tegen in de Bijbel. Maar de combinatie ‘woest en ledig’ dus slechts drie keer.Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet. Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en alle heuvelen schud­den. Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen. Ik zag, en zie, de gaarde was woestijn, en al zijn steden waren in puin gestort, voor de Here, voor zijn brandende toorn. (Jeremia 4:23-26) ‘Er was geen mens’. En daar ging het nu juist om. Als je dit gedeelte zo leest, dan is dat Genesis 1 achterstevoren. Het is een omgekeerd schep­pingsverhaal. De schepping wordt als het ware teruggespoeld. Jeremia grijpt hier dus heel duidelijk terug naar dat beeld van ‘woest en ledig’. Dit gedeelte in Jeremia gaat over het volk van God dat afgedwaald is:Want onverstandig is mijn volk. Mij kennen ze niet; dwaze kinderen zijn het, en inzicht hebben zij niet; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar van goed doen weten niet  (Jer. 4:22)

De aarde wordt dus woest en ledig, omdat het volk van God niet op zijn plaats is. Je ziet in deze verzen, dat hemel en aarde decor zijn van het volk van God. De hemel wordt er hier dus ook bij betrokken: Ik zag naar de hemel en zijn licht was er niet (vers 23). En ook in vers 28 wordt dat weer gezegd:

Hierom zal de aarde treuren, en de hemel boven rouw dragen.

Hier bij Jeremia zijn hemel en aarde – net als in Genesis 1 – decor van het volk van God. Het vormt de sleutel in verband met die hemel en die aarde. Als het volk van God het erbij laat zitten, wordt de hemel in rouw gedompeld. Het probleem van het volk van God is: Mij kennen ze niet. Alles staat of valt met het kennen van God. En dan staat er verder: ze hebben geen inzicht en van goed doen weten zij niet. Als de Bijbel spreekt van ‘goed doen’, heeft dat vaak een heel speciale geladenheid. Die uitdrukking ‘goed doen’ verwijst weer naar Genesis 1. Daar hadden we zevenmaal dat woord goed. Goed doen is dus schep­pen. Als het volk van God dus niet van ‘goed doen’ weet, dan volgen ze dus God niet. Dan zijn ze dus geen beeld en gelijkenis meer van Hem. Als dat beeld van God dus verdwenen is, gaat de hemel weer in rouw. Dan krijg je dus weer die duisternis. Dan wordt de aarde weer woest en ledig. Als het volk van God het erbij laat zitten, dan is in de geestelijke wereld het hek van de dam. Je zou kunnen zeggen: de mens Gods is dat hek op die dam. Dat is de inperking van de duisternis. Waar die mens Gods is, staat er nog een hek op de dam, daar wordt de duisternis terug­gedrongen. Het is het één of het ander: Of die mens Gods stelt paal en perk aan de duisternis, of de duisternis loopt die mens Gods onder de voet. Dan krijg je dus weer dat woest en ledig. Het volk van God heeft dus heel dui­delijk een taak om dat woest en ledig te verdrijven.

God is ook een God, die strijdt tegen dat woest en ledig. God strijdt te­gen de chaos. Dat zie je in Genesis 1: de Geest van God strijdt tegen de chaos.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Kharib

Carl Friedman vertelt over een jongen, hij heette Hakan en hij was zes jaar, ze zag hem buiten, op een braakliggend veldje. Hij had een bal bij zich, en hij staarde ernaar, alsof hij hoopte dat die vanzelf in beweging zou komen. Ben je aan het voetballen? vroeg zij. Ja, maar er is niemand om […]

588109 bezoekers sinds 07-06-2010