De (weer?) houder
29-04-2015 door Aren van WaardeIn Paulus’ tweede brief aan de gemeente van Thessalonica is een raadselachtig Bijbelgedeelte te vinden. In verband met de openbaring van de “mens der zonde”, de “zoon des verderfs” – een pseudo-messias die goddelijke waardigheid opeist (2 Thess.2:3-4) – merkt de apostel volgens de Statenvertaling op: “En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden” (2 Thess.2:6-7). In de Nieuwe Bijbel Vertaling is deze passage als volgt weergegeven: “Dan weet u ook wat hem nog tegenhoudt en dat hij pas zal verschijnen op de voor hem vastgestelde tijd. Hoewel in het verborgene de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt verdwijnen. Pas dan verschijnt hij…” (2 Thess.2:6-7). Talloze christenen hebben zich het hoofd gebroken over de vraag wie of wat deze pseudo-messias, de toekomstige antichrist, tegenhoudt. In vers 6 spreekt Paulus over iets onpersoonlijks (“wat”), maar in vers 7 vermeldt hij een persoon (“wie”). Uitleggers hebben uiteenlopende oplossingen aangedragen: de keizer, het Romeinse rijk, de door God aangestelde overheid, de aartsengel Michaël, de heilige Geest, de Gemeente met een hoofdletter zolang die nog niet is opgenomen, de evangelieprediking, de schriftuurlijke waarheid, de oergemeente in Jeruzalem met haar leider Jakobus. Anderen drukten zich voorzichtiger uit en schreven: de christenen in Thessalonica hadden Paulus horen spreken en konden zijn bedoeling begrijpen, maar wij leven twintig eeuwen later en tasten daarom in het duister. Het trieste van deze situatie is, dat er een oplossing wordt gezocht voor een nietbestaand probleem. In de oorspronkelijke Griekse tekst rijst de vraag niet. De moeilijkheid is geschapen door onze bijbelvertalingen. In de tekst van de Statenvertaling die we hierboven hebben weergegeven is te zien dat bepaalde woorden door de vertalers zijn ingevoegd maar in de oorspronkelijke tekst ontbreken. Zulke invoegingen zijn in de Statenvertaling scheefgedrukt. In vers 6 ontbreekt het woord “hem”, er staat dus niet: “En nu, wat hem wederhoudt, weet gij”, maar: “En nu, wat wederhoudt, weet gij”. Dat is trouwens niet de enige onnauwkeurigheid in de vertaling.
Het werkwoord katechoo waarvan het onzijdige to katechon (wat weerhoudt) in vers 6 is afgeleid, wordt binnen het Nieuwe Testament vrijwel nooit vertaald als
“tegenhouden”. In de Statenvertaling vinden we:
“behouden” (van de erfenis, door de erfgenaam te doden) in Mattheüs 21:38
“ophouden” (van een bezoeker die op doorreis is) in Lukas 4:42
“bewaren” (van het woord van het Koninkrijk) in Lukas 8:15
“houden” (van de laatste plaats, d.w.z. deze innemen) in Lukas 14:9
“bevangen” (door ziekte) in Johannes 5:4
“houden” (van de waarheid in ongerechtigheid) in Romeinen 1:18
“gehouden” (door de wet) in Romeinen 7:6
“bezitten” (van iets dat men heeft gekocht) in 1 Korinthe 7:30
“behouden” (van inzettingen) in 1 Korinthe 11:2
“behouden” (van het evangelie) in 1 Korinthe 15:2
“behouden” (in de zin van iemand bij zich houden) in Filemon:13
“behouden” (van de hoop) in Hebreeën 3:6
“behouden” (van het beginsel van de vaste grond) in Hebreeën 3:14
“vasthouden” (van de onwankelbare belijdenis der hoop) in Hebreeën 10:23.
Op de meeste plaatsen kan katechoo niet als “tegenhouden” worden weergegeven. De vertaling “vasthouden” is daarentegen bijna altijd mogelijk. Wanneer we ook in 2 Thessalonicenzen 2:6 “vasthouden” schrijven, dan geeft dit een goede zin. De tekst luidt dan: “En nu weten jullie wel wat vasthoudt [bedoeld is: grip houdt], totdat hij [d.i. de mens der zonde] zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is al in werking…” Paulus legt uit, wat hij met “wat vasthoudt” bedoelt. Uit het woordje “want” blijkt, dat de zin die volgt een verklaring geeft van het voorafgaande. De apostel spreekt over iets dat de wereld tot aan de verschijning van Christus in zijn greep houdt, en dat zich vlak voor de komst van de Messias, vanwege de openbaring van de mens der zonde, in volle hevigheid zal openbaren. De apostel duidt het aan als: “ongerechtigheid” (in vers 7 en 12), “leugen” (in vers 9), “verleiding” (in vers 10) en “dwaling” (in vers 11). Tot aan de openbaring van de mens der zonde zal leugen het mensdom in zijn greep houden, en de openbaring van de antichrist zal van deze misleiding zowel het dieptepunt als het eindpunt zijn. Dat er onechte brieven van Paulus in omloop waren die de gemeente in verwarring probeerden te brengen en haar trachtten te misleiden, was gezien deze situatie niet verbazingwekkend (vs.1-3). Alleen de waarheid die de apostel tijdens zijn verblijf in Thessalonika had doorgegeven, kon de christenen ervoor behoeden dat ze door dwaling werden meegesleept (vs.3-5).
Het vervolg van vers 7 is in de oorspronkelijke Griekse tekst korter dan in de meeste Bijbelvertalingen. Er staat niet: “alleen, die hem nu tegenhoudt, die zal hem blijven tegenhouden totdat hij uit het midden weggedaan zal worden”. Er staat: “slechts totdat de nu vasthoudende uit het midden komt”. Het is niet nodig om aan wat Paulus schreef een groot aantal woorden toe te voegen. De Bijbeltekst geeft zelf al een goede zin. Wanneer we aan de tekst niets toevoegen, dan schreef de apostel: “Want het geheimenis der wetteloosheid is al in werking, slechts totdat de nu vasthoudende uit het midden komt” Het bovenstaande is geen fraai Nederlands, maar het past uitstekend in het tekstverband. Op dit moment werkt de wetteloosheid (Statenvertaling: ongerechtigheid) in het verborgene, door middel van misleiding. Maar dat zal niet altijd zo blijven. Eens zal de satan – die de wereld ook nú al in zijn greep houdt, zij het op een verborgen manier – “uit de kast komen”. Dan komt de aap uit de mouw: via zijn stroman, de mens der zonde, zal hij zich openlijk en voor iedereen zichtbaar als god laten vereren. Degene die ook nu al vasthoudt zal dan “uit het midden komen”. De god van de eeuw (2 Korinthe 4:4) zal uiteindelijk zichtbaar worden. Vanaf dat moment zal er geen “geheimenis der wetteloosheid” meer in werking zijn, maar is er sprake van wereldwijde, openlijke satansaanbidding. Wie van de vooropgezette mening uitgaat dat katechoo “tegenhouden” betekent, moet allerlei woorden aan de bijbeltekst toevoegen om zijn mening te handhaven. Maar bij een onbevangen lezing van de tekst zijn zulke toevoegingen volstrekt onnodig. Ho katechoon betekent niet de “weerhouder” maar de “houder”. Het is geen macht die de antichrist vijandig gezind is en die zijn verschijning tegenhoudt, maar het is een macht die nu al werkt in het verborgene en die aanstuurt op het openbaar-worden van de antichrist in de toekomst. Paulus drukte zich helemaal niet geheimzinnig of onduidelijk, maar juist buitengewoon nauwkeurig uit. De verzen 7-12 zijn een verklaring van vers 6.
Voor het bovenstaande betoog heb ik veel ontleend aan de Amerikaanse pater-jezuïet Charles H.Giblin, die over dit Bijbelgedeelte een proefschrift heeft geschreven (“The Threat to Faith: An Exegetical and Theological Re-examination of 2 Thessalonians 2”, Rome: Pontifical Biblical Institute, 1967 [Analecta Biblica, Volume 31])

