Zegent de Here

04-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

Zo staat er in het lied van Deborah. Dit is een prachtig lied, waarmee je eindeloos kunt bezig zijn. Het heeft soms iets van een ballade. Het NBG heeft dit vertaald met ‘prijst’. De Nederlandse Vertalingen heb­ben vrijwel unaniem het zegenen van God wegvertaald. Op die manier is er een heel verband, dat door de hele Schrift loopt, zomaar eventjes doorgeknipt. In de Engelse vertalingen zien we het wèl:

‘­Bless the Lord’.

Bij veel Christenen zal het ook niet in hun hoofd opkomen, om te zeg­­­gen: wij zegenen God ook!! Wij zegenen Hèm, want Hij heeft ons ge­­zegend. En zegenen betekent hier: Iemand tot zijn recht laten ko­men. Populair gezegd: iemand uit de verf laten komen. Iemand de plaats geven, die hem toekomt. Toch is de wederkerigheid een van de fundamenten van het bijbelse denken. De wederkerigheid tussen God en mens is een van de axi­o­ma’s van het Hebreeuwse en evangelische denken. Als je Hebreeuws denkt, denk je evangelisch en omgekeerd. God zegent de mens, maar als ant­woord gaat de mens God zegenen. De Efezebrief zegt ook: «Gezegend is de God en Vader……die ons gezegend heeft». Paulus is zeer Joods en zeer Hebreeuws (1-19)­.

De worsteling met het kwaad.

Het kwaad is heel nadrukkelijk aanwezig als een loden last. Het slaat om zich heen en het duikt overal op. Maar het heeft geen bestand in zichzelf. Het kwaad is in wezen parasi­tair, het is een parasiet. Of, zo­als ze later gezegd hebben: het kwaad is het ontbreken van het goe­de. En dat is ook weer een van die geheimen vanuit de Tenack: Ze heb­ben nooit het kwaad ergens geplaatst, zo van: daar is het nou. Het kwaad is nergens te plaatsen. Het kan ook niet worden weggepraat, dat heeft de Schrift ook nooit gedaan, ze hebben het nooit weggere­de­neerd. Het kan ook niet gerelativeerd worden als iets wat er ook bij hoort. Zoals de noodzakelijke achterkant van het borduurwerk. Israël heeft altijd gezegd: het kwaad hoort er niet bij! Niet: elke me­dail­le heeft nu eenmaal zijn keerzijde. Ook niet: er is nou eenmaal licht en daarom is er ook don­ker. De oergedachte van de Schrift is juist de worsteling met het kwaad. Daarom vind je ook nooit in Israël berusting. Berusting is geen bij­bels woord. Je moet ook niet met het kwaad leren leven! Dat zeg­gen altijd de toeschouwers. Israël heeft het kwaad ook nooit in een sys­teem óp wil­len nemen. Duivel is dan ook een scheldwoord. Niet: ja, die per­soon is er ook, als een soort erkende figuur. ‘Diabolos’ = uiteensmijter, chaotiseur. Zo hebben ze de duivel altijd uitgescholden. Niet als een soort erkend instituut, waar het kwaad geproduceerd wordt. Maar ze hebben er altijd tegen geprotesteerd: het mag niet, en het kan niet. En eigenlijk is hij er ook niet. Daarom zegt Johannes in Openbaring: «Het beest dat gij zaagt, was en is niet….dat het beest was en niet is en er toch zal zijn» Op.17:8. Maar van God wordt dan gezegd: «Hij was en Hij is» (29B-18). Het echec in Joods perspectief

Een van de problemen, die we vaak hebben als westerse men­sen en ook als West-Europese christenen, is, dat we vaak zo gewend zijn om te denken vanuit de welvaart en vanuit het succes. Een ne­derlaag past vaak niet in onze gedachtegang. En vaak is dat ook gepredikt, ook door allerlei stromingen, die dan vanuit Amerika over kwamen waa­ien. Het zit ook helemaal in de tendens van deze tijd. En als men het had over het leven van een kind van God, werd er vaak van alles beloofd. Kom maar tot Jezus en wèg zijn alle pro­blemen, ‘een roltrap naar de hemel’. Hoe lieflijk glijdt ons bootje over het spiegelend meer van het geloof. Als je nu maar geloof hebt, dan heb je ook succes. Dan gaat het allemaal goed en dan gaat het steeds beter. Maar al die mensen in de Bijbel hadden het ook vaak niet zo roos­kleurig. Daar­om is het goed, dat André Neher eens een studie heeft geschreven over ‘het echec in het Joodse perspectief’. Hij komt dan ook op Auschwitz. Hij zegt: Auschwitz is een nederlaag, een schipbreuk. D­aar kun je niet meer omheen; als je iets gaat zeggen over de twin­tigste eeuw, kun je dat niet verzwijgen, dan kun je niet net doen alsof dat er niet geweest is. Voor mijn gevoel is dat vaak ook een probleem in het denken van­uit de Evangelische zienswijzen, de Evangelische kringen. Er is daar vaak nog nooit iets gezegd over het punt van Auschwitz en die andere 22 concentratiekampen.

De twintigste eeuw

Er wordt soms zo gemakkelijk gezegd: het is eindtijd, de zonen Gods worden binnenkort geopenbaard. Het Koninkrijk Gods gaat baanbre­ken, je ziet het om je heen. En dan denk je: nou ja, die twintigste eeuw is nou niet direct om over naar huis te schrijven. En dan denk je: wat is nou het resultaat van twin­tig eeuwen ‘Chris­telijk Europa’! En het verbijsterende is dan: hoe heeft dat kunnen ge­beuren! Vaak wordt dan de vraag gesteld: waar was God in Ausch­witz. En om nog een keer Elie Wiesel te citeren, hij zegt: “Ik denk dat je een andere vraag moet stellen: waar was de mèns in Auschwitz. En dan denk ik: soms was Hij er, soms was Hij er niet”. (29A-26)

Toenadering en offer

In het boek Leviticus gaat het steeds om het naderen. Het naderen door die offers. En het centrale woord voor offer is ‘korban’ (= toena­de­ring). «Als iemand een offer wil offeren» Letterlijk: «Als iemand een toenadering wil doen naderen» Lev.1:1. Het gaat in het Hebreeuwse denken niet zozeer om het offer, maar om die toenadering. Daar ligt dus een heel andere gedachtewereld ach­­­ter. God verlangt naar die toenadering. Leviticus begint dus met die toenadering en dan schept God ook zelf die toenadering. (3-16,17)

Denkprocessen

In het Hebreeuws zijn denkprocessen uitwendig. Je doet alles hard­op, extern. Het Hebreeuws heeft ook geen woord voor denken. Als je wilt zeggen: ‘ik dacht’, zeg je ‘ik zei bij mezelf’. Soms vertaalt het NBG ‘ik dacht’ en dan staat er in het Hebreeuws: ‘ik zei’. (3-19)

De Bijbel denkt vanuit het midden.

De Bijbel denkt altijd vanuit het midden. Midden in de ruimte, daar is die tent in Salem en dus ook het midden van de tijd, dat is de komst van de Messias. Je kunt dat ook de volheid van de tijd noe­men. Vanuit dat midden kun je naar voren en naar achteren. Zo wordt de ruimte bewoonbaar. Het Hebreeuwse denken kent ook geen ‘einde’. Er is geen einde van de tijd. Daarom moet je oppassen met die uitdrukking ‘eindtijd’. Van­uit het midden ga je zicht krijgen op wat er voor en op wat er achter is. Zonder midden weet je niet waar je heen moet. Dat is ook het probleem van de moderne mens. Een oneindige ruim­te, een uitdijend heelal. Er is geen middelpunt meer. Je vindt jezelf niet meer terug. Daarom staat er zo mooi: «In Salem geschiedde zijn tent». (Psalm 76)   (3-92)

De ‘natuur’ van de dingen

Er is een groot verschil tussen het Hebreeuwse en het Griekse den­ken. De Griekse cultuur is geïnteresseerd in de natuur van de din­gen, in de phusis. Het Hebreeuws heeft zelfs geen woord voor ‘phu­sis’. In het Hebreeuws gaat het niet om het ‘so-sein’ maar om het ‘da-sein’, het ‘er-zijn’ van de dingen. «Ik ben die Ik ben» Dat betekent niet ‘Ik besta’ (de duivel bestaat ook), maar: Ik zal erbij zijn. De duivel bestaat ook, maar je kunt niet zeggen, dat hij er is. Op een keer kun je wel zeggen, dat hij er geweest is. De Grieken vragen dus: waarom zijn de dingen zoals ze zijn. De He­breeuwse mens vraagt naar de relaties, waarin de wezens existeren. En existeren betekent letterlijk: naar buiten treden. De Hebreeuwse mens vraagt niet: bestaat God, maar wat doet Hij, wat voor rol speelt God. (8-24,25)

Stof uit de akker

«Toen formeerde de Here God de mens van stof» Gen.2:7. Maar dat staat er niet. Daar zijn heel wat misverstanden van in de wereld gekomen. Je krijgt dan het idee dat God een soort potten­bak­ker is, die poppetjes van klei aan het maken is. Het woordje van is door de vertaler ingevoegd. Letterlijk staat er: «De Here God formeerde de mens, stof uit de akker» Gen 2:7. Een kernpunt is, dat de Hebreeuwse mens niét geïnteresseerd is in het materiaal waarvan de mens zou zijn gemaakt. Stof…. En dan krijg je al die misverstanden over ‘stoffelijk omhulsel’ en ‘stoffelijk overschot’. En dan zegt men: wel, het stof is dus je li­chaam. Men zegt: het lichaam is ‘maar stof’, maar gelukkig heb je ook nog een ziel. Dat is echter geen bijbels denken, maar Grieks den­ken. Plato zei ook al: het lichaam is een kerker. En als je dat lichaam nou maar kwijt bent, dan kun je pas goed hogerop. Dat lichaam is maar een blok aan je been. De Hebreeuwse mens is niet geïnte­res­seerd om dat lichaam in verschil­lende begrippen op te delen, zodat je zegt: je hebt een lichaam, dat is maar stof, je hebt een ziel, dat is dan een stuk beter. En dan heb je ook nog een geest, dat is dan natuur­lijk helemaal je van het. De Hebreeuwse mens denkt niet analytisch, maar meer synthetisch. Die zegt: je kunt de mens bezien van twee kanten, maar niet vanuit twee onderdelen, waaruit die mens is sa­men­gesteld.

Twee aspecten van het hele mens-zijn.

Als je hem van de ene kant bekijkt dan zeg je: hij is stof. Niet alleen zijn lichaam, maar de hele mens. Stof is totale afhankelijkheid. Die mens is afhankelijk van God. Want met stof op zich kun je niets doen, daar kan zelfs een potten­bakker niets mee beginnen. Met leem kun je nog wel iets doen. Hier gaat het om dat rode, pulverachtige stof, dat je op een oosterse akker vindt. «Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig dat wij stof zijn» Ps.103:14. Hier staat dus niet, dat wij van stof zijn. Het gaat er niet om, waarvan je gemaakt bent. De mens zonder God is stof. En stof is de sfeer van het dodenrijk. Het stof op zich kan niets. (8-49,50)

Een schepsel is ‘een tegenover’ van God

Toen God ging scheppen beperkte Hij als het ware zijn machtsgebied. In feite deed God een stap terug. Want eerst was God alles en er was niets buiten Hem. Hij neemt wat minder plek in en daardoor komt er ruimte voor iemand ‘tegenover Hem’. Dat is een fundamenteel punt van het Bijbelse scheppings-denken. Je hebt allerlei theorieën, het pantheïsme onder andere, dat zegt: de schepping vloeit uit God voort. Dat is echter niet bijbels. De schep­ping is niet een soort uitvloeisel of aanhangsel van God. Het schepsel is iets buiten God. Het is Gods partner. Het is juist de ellende van al die oosterse religies, dat je nooit partner kunt zijn. Je bent daar een druppel in de oceaan. Nou, dan ben je ner­­­gens meer. Dan wordt je ziel opgelost. Zo was er een lied waarin stond: “totdat mijn ziel is opgelost in Jezus”; maar dat is niet bijbels. Je bent niet opgelost; dat is niet de oplossing. Je moet niet opgelost worden; God bedoelt juist, dat je er bènt. Je mag er zijn!! Als je opge­lost bent, heeft God nog niets. Het is juist de bedoeling, dat de mens een persoonlijk­heid wordt. Je ziet in de boeken van het zogenaamde Oude Testament duidelijk, dat de mens best het een en ander durft te zeggen. En God durft ook heel wat tegen de mens te zeggen. Als God spreekt, zit daar ook iets in van een uitdaging. Dat woord dat spoort je aan. Dat woord van God dat spoort je aan en dat oefent druk op je uit. En omgekeerd ga jij ook druk op dat woord uitoefenen. Je wil wel eens zien, wat er uit dat woord komt. Je wilt dat woord wel eens be­proe­ven. (8-56)

De gevoelens van God

God kan tegelijk blij zijn en verdriet hebben. Zo is het ook in de men­selijke samenleving: je kunt blij zijn op een feest, maar tegelijk ver­driet, omdat er iemand niet bij kan zijn. Ook in de Paasnacht: je ge­denkt de uittocht, de bevrijding, maar ook zijn daar de bittere krui­den, beeld van het verdriet. God kan verdriet hebben, berouw, als het fout gaat. Dat is uniek, dat vind je verder bij geen enkele godsdienst. De goden hebben geen verdriet om de mensen. In het Griekse denken, dat van grote invloed is geweest op het Wes­ter­se denken, ligt het godsbeeld aan de ene kant vast: het noodlot; aan de andere kant is daar de gedachte: goden kunnen alleen maar blij zijn, die zijn tè verheven om verdriet te kunnen hebben. In Openb.8 staat, dat er in de hemel een half uur stilte zal zijn. «Kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang» Op.8:1. De engelen houden op met zingen. De hemel is ten zeerste betrokken met de geschiedenis. De engelen zingen maar niet gewoon door…

(8-126,127)

Geen heilige plaatsen

In het Joods-Hebreeuwse denken heb je geen heilige plaatsen, maar wel heilige tijden. Ze hebben nooit ‘heilige plaatsen’ gehad. Geen en­ke­le plaats is per definitie heilig. Zo’n plaats kan wel ‘heilig wór­den’. Dat is geen statische zaak, maar meer een soort dynamiek. Tijden worden wel heilig. Dat zie je bijvoorbeeld meteen aan het begin van Genesis, waar God de sjabbath heiligt. Overigens is dat ook niet statisch, want die dag komt en gaat. Die tijd schrijdt maar voort. Bepaalde dagen moeten worden geheiligd. Die tijd moet niet zo maar ein­deloos zijn. In het Hebreeuwse denken is de tijd belangrijker dan de plaats. Tijd weegt zwaarder dan ruimte. De Joden vonden inderdaad veel plaatsen ook heilig, zoals de tempel, Jeruzalem, de ark. Maar dit ligt toch anders. Vergelijk ook: «Elke plaats, waar Ik mijn naam zal doen wonen» Ex.20:24. In principe kan dus elke plaats een ‘maqom’ worden, een mokum, een plaats, waar God zijn naam doet wonen. Zo kan een plaats ook worden tot een plaats waar God zich open­baart. En dit met het doel, dat heel de aarde domein wordt van God. Dan is heel de aarde heilig. Zo moet Mozes bij het brandende braambos zijn schoenen van zijn voe­­ten doen. «Want de plaats waar Gij staat is plaats van heiliging». Van hieruit gaat die heiliging als het ware beginnen. (6-3). Zo kan een bepaalde plaats centrum zijn, waar vanuit heiliging gaat.

Troosten en verdriet hebben

Het Hebreeuwse woord voor troosten is nicham. Oorspronkelijk bete­kent dat woord: heftig ademen, of diep zuchten. Dat woord nicham betekent zowel troosten als verdriet hebben, diep zuchten. Typisch westers gedacht is, om die scheiding te maken: óf je hebt ver­driet, óf je bent getroost. Het Hebreeuwse denken is geen systeem-denken. We moeten in ons westerse denken nog vaak van systemen af. Zo is het boek Openbaring geen spoorboekje. Je kunt wat dat be­treft niet alles op een rijtje hebben. Het boek Openbaring is ook geen jaartallenboekje. God doet niet in systemen, daar hebben we er al ge­noeg van gehad. (7-160)

Het mensbeeld in het Hebreeuwse den­ken

In Job 14 zie je, dat Job gaat nadenken over het menszijn. In de He­breeuwse gedachtewereld kom je dan bij twee polen terecht. Aan de ene kant: de mens is heel klein, heel kwetsbaar, oneindig klein. De mens is een aarden vat, zoals Paulus het ook zegt in 2 Kor.4. Maar aan de andere kant is er het besef dat de mens recht van bestaan heeft. Zo klein, zo breekbaar, maar toch bestaansrecht. Een mens heeft er recht op dat hij mag interpelleren, hij heeft het recht van in­terpellatie, hij heeft het recht om vragen te stellen. Hij heeft het recht om zich te beroepen op de Eeuwige. Hij mag zeggen: God, hier ben ik. Hoor naar mijn stem. Zo staat er dan zo vaak in de Psalmen. Twee tegenpolen: de mens zo klein, maar toch met bestaans­recht. Aan de ene kant de nederigheid en aan de andere kant toch ook het bewustzijn dat je iemand bènt. Nederigheid is niet hetzelfde als: jezelf maar weggooien, ik ben toch niets. Dan ben je zo over de grens heen van gewilde nederigheid. Een rabbi heeft gezegd: elk mens moet twee jaszak­ken hebben en in elke jaszak een stukje papier. Op het ene stukje papier moet hij schrij­ven wat Abraham zei, toen hij voorbede deed voor Sodom. «En Abraham antwoordde: Zie toch, ik heb mij verstout tot de HERE te spre­ken, hoewel ik stof en as ben» Gen.18:27. Ik ben alleen maar stof en as, dat is het ene stukje pa­pier. Ik heb de moed gehad, o Eeuwige, om tot U te spre­ken, hoewel ik stof en as ben. Maar op het andere stukje papier zal de mens schrijven, wat ge­schreven staat in de Babylonische Talmud, in de verhan­deling over de zegeningen: “Om mij is de wereld geschapen”. De ene uitspraak betreft de pool van ootmoed, de andere is de pool van het zelfbewustzijn. Terwille van jou werd de wereld gemaakt. Dat lijkt op het eerste gezicht nogal hoogmoedig, maar toch, zeggen de Joodse wijzen, dat mag je uitspreken. Heel die wereld is er om jou, zo belangrijk ben je in de ogen van je Maker. Toen God de hemel en de aarde schiep, toen heeft Hij aan jou gedacht. Nu moet je alleen wel oppassen, dat je die twee jaszakken niet door elkaar haalt. (27-131,132)

Het reine uit het onreine

«Wie zal geven het reine uit het onreine – Is het niet EEN!   Job 14:4 (letterlijk vertaald). Met andere woorden: er is er Eén die dat kan. Er is Eén die dat kan doen en daarom wacht ik op die Ene, zegt Job. De Talmud zegt: het onzuivere is wat aan de schepping voor­af gaat, of aan het menselijk leven vooraf gaat. Je zou kunnen zeggen: het is de chaos uit Gen.1, het woeste en ledige, het ordeloze en vormeloze. Het onzuivere is, wat voor de geboorte is, of voor de geestelijke ge­boor­­te, voor de wedergeboorte, voordat de mens van boven geboren wordt. Voordat de mens van boven geboren wordt, is daar de wan­or­de, de chaos. Het probleem is, dat wij bij het onzuivere, het onreine, meteen aan het zondige denken. Het wordt meteen ingevuld in de richting van kwaad en schuld. Het Hebreeuwse denken geeft veel meer aan: het gaat niet om kwaad, het gaat niet om schuld, die dan als een doem op je ligt, maar het gaat om datgene wat nog uit elkaar gehaald moet worden. Het gaat om datgene wat nog helder gemaakt moet worden. Zoals daar was in Genesis 1, dat woeste en ledige en die duis­ternis op de vloed. Je kunt niet zeggen: die duisternis was zondig, die vloed was nou ook niet direct misdadig, maar het was nog niet bewoonbaar. Het lag nog niet helder, vandaar dat er dan ook een schei­dingsproces op gang komt. God gaat licht en duisternis uit elkaar trekken, God gaat de wateren uit elkaar trek­ken, zodat er een bewoonbare ruimte komt. Helderheid, ademruimte, scheppingsruimte, leefruimte, plek om te zijn. (27-234,235)

Het begrip ‘onrein’

Het begrip onrein heeft in de Torah vaak een heel andere betekenis, dan dat wat er in de kerkelijke traditie meestal aan wordt gegeven. Onrein betekent ook vaak in de Torah: gekwetst, kwetsbaar. Soms gaat het zelfs in de richting van pijn, van een trauma. Zo wordt in Lev.12 gezegd, dat de kraamvrouw een aantal dagen onrein zal zijn. Dat is dus niet in de gebruikelijke zin waarin wij dat meestal verstaan, een soort besmetting, nee, je bent gekwetst. Je bent kwetsbaar, je hebt tijd no­dig om weer tot leven te komen, te herstellen. Je bent overgevoelig, ze moeten je niet meteen op je huid zitten. Er wordt niet meteen weer een beroep op je gedaan en daarom word je tijdelijk gesepareerd. (27-235)

Israël en de volken zijn familie van elkaar

De heidense naties hebben het volk Israël geboren doen worden. In Gen.10 waren er 70 volkeren, maar er was nog geen volk Israël. Meestal wordt daar nou niet zo bij stilgestaan, maar de heidenen wa­ren er eerder dan Israël. Israël werd geboren vanuit Egypte. Israël is het kalfje, Egypte is de koe. Tegelijk geven de rabbijnen hiermee aan, dat er een bepaalde verwantschap is tussen Egypte en Israël. Ze zijn dus wel familie van elkaar. Israël en de volken, ze zijn familie van el­kaar. Deze tekst laat zien: Israël is geboren uit de mensheid. Alle ra­cisme is hier vreemd. Het Joodse denken kènt het racisme niet. Blut und Boden is voor hen een vreemd be­grip. Geen enkel ras kan zich ergens op beroepen. (27-240)

Het leven weegt zwaarder dan de dood

In algemene zin kan men zeggen: het zuivere is het leven, het onzui­vere is de dood. Vandaar dat de Talmud onderwijst, dat men de sjab­bath mag doorbreken, zelfs als het gaat om het redden van het le­ven van een zuigeling. Als dat kleine leven in levensge­vaar is, mag je de sjabbath schenden. Echter: voor een dode mag de sjabbath nooit ge­schon­den worden, ook al zou het het dode lichaam van koning David zijn. Dat vind je ook weer terug in de Evangelie-verhalen: op de sjabbath wordt er aan het lichaam van Jezus niets ge­daan. Ze wachten totdat de sjabbath voorbij is, en dan gaan ze met hun kostbare specerijen naar het graf. Het leven weegt zwaarder dan de dood Het zuivere weegt zwaarder dan het onzuivere. (27-240)

Vormen van Midrasj

De Midrasj heeft ook als taak de kloof tussen mensen te overbrug­gen. Er ontstaat een gesprek tussen teksten en er ontstaat een ge­sprek tussen gelovigen. De Rabbijnen konden van mening met elkaar verschil­len, zonder dat ze elkaar eruit smeten. Er wordt gezegd: iede­re tekst is een absorptie, een opzuiging en een omvorming van ande­re teksten. Elke tekst bouwt voort op andere teksten. En als je een uit­spraak doet, zeg je nooit iets totaal nieuws. Dus latere teksten her-interpreteren en herschrijven de vroegere. En dat kan op vele manieren: door een gelijkenis, een spreuk, een ver­haal. Je kunt twee teksten naast elkaar zetten en als gevolg daarvan ontstaat een derde tekst. De Midrasj is er niet op uit de tekst op te sluiten in één uitleg, maar om de tekst te ontsluiten. Midrasj laat niet een stem zwijgen, maar laat juist verschillende stemmen spréken. «Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boe­zem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen» Joh.1:18. In deze tekst staat ook letterlijk: «heeft Hem geëxegetiseerd». Jezus was zijn hele leven bezig de Vader uit te leggen. In feite is Jezus de Midrasj van God. Jezus is de exegese van de Vader.  (9-18)­

Velen en allen

«Het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want, in­dien door de overtreding van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de genade Gods en de gave, be­staande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden»  R­om.5:15

Deze tekst wordt vaak verkeerd gelezen.

‘Zeer velen’ wordt er in deze tekst twee keer gezegd.

‘Zeer velen’ zijn gestorven, dat wil zeggen ‘allen’ zijn gestorven.

En die genade is gekomen voor ‘zeer velen’, dus ook voor ‘allen’.

B­ovendien staat er: die genade is veel meer. ‘Zeer velen’ is al een vertaling vanuit de dogmatiek. Daar zit de ge­dach­te van de Reformatorische vaderen achter met hun uitverkie­zings­­­leer. Die vaderen gaan er al bij voorbaat vanuit: het is niet voor allemaal. Je ziet dat dan in sommige kringen wordt gezegd: het aan­bod van de genade is niet voor allen, nee, alleen voor de uitverko­re­nen. In de grondtekst staat niet: zeer velen, maar de velen. In het Hebreeuws betekent dat: allen. (9-136)

De Midrasj

Midrasj omvat vele genres en is niet zozeer een literaire vorm als wel een manier van denken over de Schrift, en een manier van ant­woor­den op de woorden van de Schrift. Die manier van denken, die gees­tes­houding, bracht bepaalde literaire structuren voort. Midrasj is een bepaalde hermeneutiek (bijbeluitleg); creatief in vorm, theologisch van inhoud. Dit houdt in: nieuwe verhalen (verhaalstructuren) worden ont­worpen door (vanuit) het omgaan met schriftteksten. Zo heeft dat nieuwe ver­haal een exegetische functie, het maakt het bijbelse woord relevant voor nu; voor huidige theologische behoeften. In Marcus 4 zien we Jezus als midrasj-leraar, sprekend in ge­lijke­nis­sen. De parabel is de eerste vorm van het midrasj-ver­haal. Hij her­in­ter­preteert eindtijd-tradities door een midrasj te ontwerpen op Gene­sis. Het basisdoel van midrasj is: de Schrift toegankelijk te maken. De Bijbel is, in elk geval voor de Farizeeën, een bron van steeds nieu­we openbaring en leiding, door levende interpreta­ties. De interpre­ta­tie heeft deel aan het karakter van de Schrift; de rol van de inter­pre­tatie is niet maar esthetische verfraaiing, maar: uiteenzetten, actua­li­se­ren. Het veld van het woord (de actie-radius) uitbreiden tot op het heden. Midrasj functioneert ook om de kloof te overbruggen tussen men­sen; tussen gelovigen. Niet alleen ontstaat er een dialoog tus­sen teksten, ook een dialoog tussen gelovigen. Daarin is er ruimte voor het con­flict. Het huis van midrasj biedt plaats aan gesprek, aan andere in­ter­­pretaties. (9=140)

De Masjal

Al deze aspecten vinden we in de masjal. Deze is het proto­type van alle midrasjim. Een masjal is als een koning, die een kostbare munt of een kostbare parel verloren had; met behulp van een lampje dat maar een paar stui­vers waard was, vond hij hem terug. Laat daarom de masjal niet licht zijn in uw ogen, want daardoor leert men begrij­pen de woorden van de Torah. De masjal begint bijna altijd met de inleidende formu­le: waaraan is dit gelijk? Het ‘dit’ geeft de leemte aan in de tekst, die op­gevuld moet worden. De masjal eindigt vaak (niet altijd) met een nimsjal, die ingeleid wordt door het woord evenzo.   (9-142)

Kenmerken van een masjal-verhaal

1. De wens om de schrifttekst te interpreteren; de interpre­tatie is indirect, via vergelijking, niet rechtstreeks via uitleg. De vergelijking is tweevoudig: vergelijking met andere schriftverzen en: een analoog verhaal. Dit verhaal bindt de schriftverzen tezamen. Het bindt tekst aan tekst en vormt alzo een intertekst, een parallel verhaal.

2. De masjal interpreteert de bijbeltekst.

3. De nimsjal interpreteert de masjal. 

4. De masjal vult het gat op tussen twee teksten. Als verhaal verleent hij indirect betekenis.

5. De nimsjal is een oriënterende structuur, bedoeld om de context van de masjal te verhelderen, te verbreden. (9-142)

Verhalen hebben vaak een signaalfunctie

«En de oom van Saul zeide tot hem en tot zijn knecht: Waar zijt gij ge­weest?» 1 Sam.10:14. In het Hebreeuws staat er voor het woord oom – dod. (dalet-waw-dalet). Nu is het merkwaardige, dat het woord David, als je de klinkers eruit laat, op dezelfde manier is geschreven. Als je dus hoort vertellen over de oom van Saul, dan lijkt het net, of je de naam van David al in de verte hoort. David komt in 1 Sam.16 eerst in beeld. De letters van David staan al op de muur. Dat is geen westers-analytisch denken. Dit is een Hebreeuwse manier van zeg­gen. Je moet hier natuurlijk niet heel ‘logisch’ zeggen: maar David was toch geen oom van Saul. De woorden schuiven in elkaar en geven signalen. Verhalen hebben vaak een signaalfunctie. Ze verwijzen naar iets. Als Saul nog moet be­­ginnen, dan staan de letters van David al op de achtergrond. Ter­wijl Saul het podium betreedt, begint het koor al heel zachtjes over David te zingen. Hier kun je niet spreken van predestinatie. Dat betekent veel te veel, dat de geschiedenis van tevoren wordt vastgelegd. Je kunt hier beter spreken van prefugeratie. Dat betekent, dat er van tevoren iets wordt afgebeeld. (11-47).

God gebeurt!

Immanuël – God met ons. Deze God is in ieder geval éen ding niet, Hij is geen toeschouwer. Hij is niet een God op afstand, steriel, onbewo­gen. Misschien ligt daar ook een belangrijk punt voor genezing, want het Griekse denken is vaak heel statisch. Het Hebreeuwse denken is meer dynamisch. Vaak wordt de vraag gesteld: bestaat God? En toen werd het ant­woord eens door iemand helemaal vanuit het Hebreeuwse denken ge­geven, namelijk: God gebeurt! Op het moment, dat God zich be­kend maakt, dat Hij toenadering zoekt tot de mensen, dat Hij zijn hart laat zien, op dat moment gaat God ‘gebeuren’. (21-11)

Lucas was een Jood

Vooral de laatste tijd helt men er bij het theologisch onderzoek steeds meer naar over om uit te gaan van het feit, dat Lucas een Jood was. Naar alle waarschijnlijkheid was hij een Jood uit de diaspora. Het is zelfs mogelijk, dat hij uit Macedonië kwam. Misschien is Lucas te herkennen in die man uit Hand.16, die roept: «Er stond een Macedonisch man, die hem toeriep: Steek over naar Ma­cedonië en help ons» Hand.16:9. Lucas heeft ook het boek Handelingen geschreven. En juist als het gaat over Macedonië, wordt Lucas heel gedetailleerd. Er zijn heel wat punten, waar je vanaf zou kunnen leiden, dat Lucas van Joodse origine geweest moet zijn. Hij schrijft heel vaak en heel sterk met semitismen. Je zou ook kunnen spreken van hebraïsmen. Be­paalde kenmerken van het Hebreeuwse taaleigen, die dan in het Grieks weer terugkomen. Grieks, doortrokken met het Hebreeuwse idi­­oom. Je zou het ‘doorschijnend Grieks’ kunnen noemen. Je ziet het Hebreeuws er nog doorheen. (10-1). En gij zult zijn naam roepen….

«En gij zult zijn naam roepen – Johannes!» Luc.1:13. Dus niet zoals het NBG: «De naam Johannes geven» Je geeft die naam niet, je roèpt die naam. En zijn naam is Jochanan (Hebr.) of Johannes (Grieks). De Grootnieuws-Bijbel heeft zelfs: «Je zult hem Johannes noemen». E­chter heb je dan toch weer dat woord naam laten verdwijnen. Je zult hem niet met een naam noemen, maar met zijn naam. Jo­han­nes krijgt niet ‘een naam’, maar hij krijgt zijn eigen naam. Het NBG heeft dus zijn naam onder de tafel laten verdwijnen. Dat is ook een kwestie van ‘Hebreeuws denken’. Die naam hoort bij je. Horen in dub­bele zin. Je hoort in die naam wie je bent. (10-5)

Werken met contrasten

Speciaal Lucas heeft het vaak over armen en rijken. Alleen Lucas heeft de gelijkenis van de rijke dwaas. Ook alleen bij Lucas de rijke man en de arme Lazarus. Alleen in Lucas: de rijke rentmeester. Het heeft ook te maken met het Hebreeuwse denken, dat nogal sterk werkt met contrasten. Die tegenstelling tussen rijk en arm zie je ook in het boek Spreuken Ook is het heel typerend voor de Torah. In Deuteronomium bijvoor­beeld wordt heel wat keren gezegd: je moet aandacht hebben voor de zwakke, voor de arme. «Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor uw ellendige en uw arme in uw land»   Deut.15:11. Met nadruk wordt hier in de grondtekst steeds dat woord uw ge­bruikt. Het NBG heeft dat helaas weer wegvertaald. Het is niet ‘de arme’, maar het is ‘jouw arme’. (10-9). Zeggende….

«Een grote hemelse legermacht, die God loofde» Luc.2:13. «Zeggende……». De vraag of de engelen gezongen hebben, of dat ze het alleen maar ‘ge­zegd’ zouden hebben doet in dit verband niet ter zake. Zeggen of zingen vormt in dit verband geen tegenstelling. Dat zeggen staat er altijd in het Hebreeuws. Ook als er eventueel wordt gezongen. Dat is gewoon de manier in het Hebreeuws om een citaat in te leiden. De engelen hebben het zingende gezegd en zeggende gezongen. Zin­gen is zeggen op een verhoogde toon. Zingen is geconcentreerd zeg­gen. Zingen is een kostbare zaak. Niet als een soort aperitiefje ‘even een koortje zingen’. Die engelen zingen overigens puur Hebreeuws. Zij zingen gewoon Tenach-teksten aan elkaar.  (10-17)

Grieks en Hebreeuws denken

«En zetelen op de berg der samenkomst, ver in het noorden»  J­es.14:13. Ver in het noorden, op die berg blijken dan die ‘goden’ te zitten. Die gedachte had je bij de Grieken ook: op de Olympus zitten de goden. Het merkwaardige is echter, dat juist (of alleen) in Israël al die goden van die berg worden geknikkerd. Dat is juist de ontgoddelijking van de goden, de ontmaskering. De af­goden worden god-af. Dan ontdek je eindelijk, dat je gewoon mens mag zijn. Dat Hebreeuwse denken moet het Griekse denken gaan doordringen. Dat deed Paulus ook. Hij had het over ‘de onbekende god’. Paulus wilde wat dat betreft het Griekse denken grondig kennen. Hij wilde Griek zijn met de Grieken. Die Grieken hebben ergens ook enorm ge­zocht. We hebben dus de opdracht, om die Hebreeuwse principes ‘in het Grieks’ uit te leggen. Israël was altijd een vreemd element in de heidenwereld. Er wordt wel gezegd: Israël is een eeuwig anachronisme, iets wat niet past in deze tijd. Een vreemd element in de tijd. Israël moet de ‘tijd van God’ in de tijd van de gojim brengen. Bij de Grieken is voor een belangrijk deel de Europese beschaving be­­gon­nen. Vandaar dat wij nu zitten met die erfenis. Ook in Jezus’ da­gen was het Grieks de toonaangevende taal in het Romeinse Rijk. En dat denken van Plato en Aristoteles komt later bij de kerkvaders weer terug. Dan krijg je het Neo-Platonisme. Er wordt dan getracht het Evangelie in Griekse categorieën te vertellen. En juist daardoor krijg je heel dat massieve pakket van de dogmatiek. Ook de gedach­te­gang van Thomas van Aquino (de Scholastiek) stoelt weer op dat Griekse denken. Dan is er sprake van natuur en boven-natuur. En dan kun je dat doorvoeren op de denkbeelden over de scheiding van lichaam en geest. Dat Platonische denken heeft dus heel sterk doorgewerkt. Niet in de laatste plaats in het Christendom. Men zei: het lichaam is een ker­ker. Stof, dus eigenlijk niets. Dat lichaam is alleen maar lastig. Je krijgt dan de denkbeelden van: deze werkelijkheid is niet de echte. Het gaat erom wat erachter zit: de ideeënwereld. Dus als je dood gaat, kun je eindelijk de ideeënwereld binnengaan. Want: ‘hier bene­den is het niet’. «In de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam» Rom. 8:23. “Het einde van al Gods werken is de lichamelijkheid”, zoals iemand zei. Het einddoel is niet iets zweverigs. Het einddoel is niet, dat je verlost wordt van je lichaam, maar dat je lichaam verlost wordt. (10-60)

Het offer, een toenadering

Het hele begrip offer hebben we eigenlijk meer geërfd vanuit de Ro­meinse traditie. We zijn soms meer Romein, dan Hebreeër. Het woord offer komt van een Latijns woord, dat aanbieden betekent. Daar zit de gedachte achter, die je in veel godsdiensten tegen­komt, dat de goden iets moeten krijgen van de mens. De Romeinen zeiden heel kern­achtig: ik geef opdat Gij geve…. Het woord voor verzoenen in het Latijn betekent letterlijk gladstrijken. Je gaat het aangezicht van de godheid gladstrijken. Ook in het Christendom komt nog veel de ge­dach­te voor: God moet iets hèbben. Je moet God gunstig stemmen. Daar hangt dat gespleten godsbeeld ook mee samen. In het Hebreeuws heb je één begrip voor offer, dat alle offers omvat. Daarnaast of daaronder zijn er nog een aantal deelbegrip­pen. Dat begrip is in het Hebreeuws korban. Dat woord betekent: toenade­ring. Als iemand een offer brengt, zoekt hij dus toenadering. Maar God zegt: Ikzelf zal die toenadering creëren. Die toenadering moet dus weer her­steld worden. Die offers zijn in wezen bedoeld -zoals in Leviticus- om iets uit te beelden. Het beeldt uit van wat er in de geestelijke wereld gebeurt of gaat gebeuren. Daarbij beelden die dieren de totale toewijding uit. Het dier treedt op als symbool van de mens. Zoals dat dier helemaal opgaat naar God, zo mag de mens opgaan naar zijn Schepper. 13-45

De mens als een eenheid

Juist vanuit het Joodse denken wordt de mens als een eenheid ge­zien. Hij gaat ook weer een eenheid wórden. Wat dat betreft is het Hebreeuwse denken heerlijk eenvoudig: de mens is een eenheid. En die eenheid wordt gevormd, hersteld en geheiligd. Je wordt weer he­lemaal mens uit éen stuk. Wat zo mooi staat in Matt.5: «Gij dan zult volmaakt zijn»  Matt.5:48. Voor volmaakt staat het woord tamim, wat ei­genlijk gaaf betekent. Je zult mens zijn uit één stuk, zoals je hemelse Vader tamim is. Hij is ook gaaf, onverdeeld. En dat is ook wat Hem helemaal voor ogen staat, dat de mens weer helemaal één wordt vanbinnen, ongedeeld. Het Nederlandse woord heel geeft dat ook zo mooi aan. De Heiland is de Heelmaker. (14-28)

De ‘natuur’ van Christus

Hier ligt een verschil tussen het Hebreeuwse en het Griekse denken. Het probleem is geweest, dat de kerkvaders alles keurig wilden vast­leg­gen. Ze gingen ontleden: hoe zit de Messias nu in elkaar, bestand­delen zoeken. En als je een mens gaat ontle­den in lichaam, ziel en geest, dan heb je een mens in onderde­len, dan heb je eigenlijk geen mens meer. Zo ging men dus ook Jezus ontleden: zijn goddelijke na­tuur en zijn menselijke natuur en hoe de verhouding daartus­sen is. Maar het Hebreeuws hèèft eigenlijk niet eens een woord voor natuur. Zo heeft men ook allerlei dogma’s opgesteld, onder andere over de zogenaamde Drieëenheid. Vooral in de Middeleeuwen heeft men hier­­over ook eindeloos gediscussieerd. (14-70,127vv)

De ‘Drie-eenheid’

Het totale beeld dat men historisch voor ogen krijgt, is dit: In de eer­ste eeuw is God nog -goed Joods- monotheïstisch. In de tweede eeuw wordt Hij twee-enig; vanaf de derde eeuw wordt Hij langzamerhand drie­voudig. Pas in de vierde eeuw wordt de Heilige Geest als aparte hypostase op­­gewaardeerd, een aparte persoon met een eigen waar­de. En op het concilie van Constantinopel in 381 wordt de kerk officieel van binita­risch tot trinitarisch, tegen de heftige weerstand van een hele reeks kerk­vaders in. En daarmee is de goddelijke drieëenheid volledig geca­no­niseerd. Ongescheiden, wel onderscheiden, verbonden in andersheid, één in drie­­ën, dat is de Godheid, en de drie zijn éen. Dat is de ge­loofs­be­lij­de­nis van Gregorius van Nazianze op 6 jan.381; deze hoort tot op he­den nog tot de kerkelijke liturgie; de theoloog Hans Kung noemt dit een onbijbelse, zeer geconstrueerde, abstrac­te speculatie; hier is de oerboodschap helemaal gehelleniseerd door Griekse denkpatro­nen. In de vierde en vijfde eeuw hebben duizenden christenen duizen­den an­­dere christenen omgebracht in bloedige godsdienstoorlogen, om­wil­le van die triniteit. Toen ook heeft men het beroem­de ‘Comma Jo­han­neum’ in de eerste Johannesbrief ingevoegd: Drie zijn er die ge­tuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Hei­lige Geest en de drie zijn één. Structureel zijn die vragen: hoe verhouden de drie personen zich tot elkaar? En hoe verhouden de naturen van Christus zich tot elkaar? Net zulk soort vragen als: hoe is de relatie tussen de diverse goden in het Pantheon? (14-127). Grieks schrijven, maar Hebreeuws denken

Paulus schreef Grieks, maar hij dacht Hebreeuws.

Dat is eigenlijk zo met al die schrijvers: Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. Het hele zogenaamde Nieuwe Testament is dan wel in het Grieks ge­schre­ven, maar de schrijvers dachten Hebreeuws. Want het He­breeuws was hun voedingsbodem, hun moedertaal, hun vader­land. Dus als je het Grieks van Paulus tegen het licht houdt, dan zie je het Hebreeuws er nog doorheen. Die mensen schreven doorschij­nend Grieks. Dus af en toe moet je het even tegen het licht houden. Dus bij Paulus zie je ook, dat het Grieks eigenlijk alleen de bui­ten­kant is en het Hebreeuws de binnenkant. Dan ga je iets ontdekken van het hart. Het is heel opvallend, dat men juist uit die brieven van Paulus zoveel leerstellingen heeft gehaald. Dogmatiek wordt dan vaak een heel star en heel strak gebeuren. En daar­aan wordt de mens dan gemeten. Dan wordt er gekeken of je wel “zuuver” in de leer bent, ortho­dox. Het Joodse denken vraagt veel meer: ben je orthoprax, ben je recht in de daad? Hoe leef je, wat is de praktijk? Je kunt allemaal prach­ti­ge theorieën hebben, maar als het geen praktijk is, dan heb je er nog niet veel aan. Henk Abma zegt in dit verband: men heeft de woorden van Paulus ei­genlijk helemaal vanuit dat oorspronkelijke Hebreeuws vastgelegd in het Grieks en toen ook nog gesteven in het Latijn. Hele porties stijfsel zijn er overheen gegaan.  (18-1)

Zonde is een proces van ontaarding

«Allen zijn afgeweken, (of ‘ontaard’ zoals Psalm 14:3 zegt) tezamen zijn zij onnut geworden»  Rom.3:12. Een andere vertaling zegt: «Ze benutten de kansen niet». Als zonde ontaarding is, dan waren ‘ze’ dus eerst goed. Goed begon­nen, alleen niet goed gebleven. Want als je niet goed begint, dan kun je ook niet ontaarden. Dan kun je ook niet afwijken. Er staat ze zijn af­geweken. Dan was je dus eerst op de goede weg anders kun je niet afwij­ken. Dus zonde is een proces van ontaarding; je gaat je oorspronkelijke aard kwijt­­raken. Afdwalen van wat je van huis uit was. Tegelijk be­lijdt Pau­­lus hier dus mee, dat de mens van huis uit bij God hoort. Te­­gelijk is hiermee ook uitgedrukt: Zonde hoort niet bij de mensen. Het hoort er niet bij. Het is erbij gekomen, maar het is niet oorspron­ke­lijk. Zonde is ook niet origineel, dat is iets wat later ontstaan is. Van oorsprong is de mens goed en daarom kun je ook niet zeggen: Nu ja, het is allemaal maar een kwestie van: je bent nu eenmaal zo. Dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Dus zonde is een afwijking. Ja, het is een afwijking; het hoort er niet bij. Het is een karikatuur, het is een mis­vorming. Je zou letterlijk van­uit het Hebreeuwse grondwoord kunnen zeggen: Zonde is ontspo­ring; uit het spoor raken. En daarmee belijdt het bij­bel­se denken, het oer-Hebreeuwse denken, dat de mens van huis uit bij God hoort. Dus bekering betekent, dat je weer terugkomt bij je oorsprong. Je bekeren betekent, dat je weer thuiskomt, weer terug bij waar je ei­gen­lijk hoort. (18-21)

Het hiernamaals in de Joodse traditie

«Het wedervaren van de mensenzonen en het wedervaren van het ge­dierte, één wedervaren is er voor hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem (één ruach), waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren (er is dus geen voordeel, geen winst van de adam boven het gedierte), want alles is ijdelheid (want het alles is ab­surd), alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof» Pred.3:19,20. In de Joodse tradities was er wel een verwachting van een leven na de dood. Dat vind je in Jesaja 26:19 en in de Psalmen, zoals bij­voor­beeld Psalm 16. Je moet dus een paar dingen onderscheiden. Men dacht niet: met de dood is het allemaal uit. Dood is dood, dan is er niets meer, is dus een modern misverstand. De intense worsteling is geweest, ook in de Psalmen en bij de profe­ten, dat men het hiernamaals niet mag gebruiken als een doekje voor het bloeden in de zin van: Ach, als je het op aarde slecht hebt, straks krijg je het beter. Dan kom je inderdaad in de sfeer van wat Karl Marx heeft gezegd: godsdienst is opium ván het volk. Hij zei niet: opi­um voor het volk. Dat volk neemt zelf opium in, omdat het volk het op aarde bar en boos heeft. Ze kunnen dan heerlijk weg­dromen en zeg­­gen: er komt een tijd, dat we het beter krijgen. Wat dat betreft was Karl Marx wel een specifiek Joodse denker en het is interessant om hem te bekijken vanuit zijn Joodse achtergrond. De Psalmen hebben altijd gezegd, dat er iets moet gebeuren in dit le­ven, want wat heb je eraan als het allemaal daarná komt. Het moet in de geschiedenis gebeuren. ­Zo gauw is het in de loop van de traditie een soort zoethou­dertje ge­weest in de trant van: Och, dat komt láter wel. Soms wordt ook de wederkomst gezien als een soort ophef­fing van de tijd, maar dat is het beslist niet.  (60-13). Het herstel komt in de geschiedenis, anders komt het te laat.

Hebben en zijn

In de Bijbel draait alles altijd om het zijn, nooit om het hebben. Dat is ook weer typisch een verschil tussen het bijbelse denken en de magie. Bij magie gaat het altijd om het hebben. In de magie krijg je grip op de godheid. In het bijbelse denken is het onmogelijk om God te hebben. Het Hebreeuws heeft zelfs geen woord voor ‘hebben’, dat is toch wel heel typerend. Het is vaal al bijzonder tekenend om te zien, welke woorden er in een bepaalde taal ontbreken. Het Hebreeuwse denken is dus helemaal niet gericht op ‘hebben’, maar op ‘zijn’. Juist door je relatie met God, wordt een mens mèns, dan gaat de mens komen tot het echte ‘zijn’. Dan kun je op een gegeven moment zeggen ‘ik ben’. Omgekeerd is dat ook zo. Juist in zijn verbinding met de mens gaat God ‘zijn’, gaat Hij tot zijn identiteit komen. Als Jezus tegen Zacheüs zegt, dat hij een zoon van Abraham is, hoeft hij niet meer zo nodig te hebben. Hij weet nu van het zijn, hij weet nu wie hij van huis uit is. (51-8)

Maak ons levend

«Dan zullen wij niet van U wijken; maak ons levend, dan zullen wij uw naam aanroepen».  Ps.80:19. Maak ons levend….Hierbij moet je bedenken, dat in het Hebreeuwse denkpatroon de grens tussen dood en leven wat anders ligt dan wat wij doorgaans hier­onder verstaan. Als er wordt gesproken over mensen die dood zijn, gaat het niet zozeer uitsluitend om de biologische dood, maar gaat het ook over mensen, die innerlijk dood zijn. Mensen, die er ei­gen­lijk al niet meer zijn, hoewel ze nog op twee benen rondlopen; hun hart is weg. Innerlijk heb je je tijd al overleefd, ben je je tijd al voorbij. In het Hebreeuwse denken is ballingschap ook de dood. Als je in de galoeth zit, in de ballingschap, dan ben je in wezen ook al een dode. «Vergeten ben ik, uit het hart, als een dode; ik ben geworden als gebroken vaatwerk» Ps.31:13. Als er niemand meer aan je denkt, besta je eigenlijk niet meer. Dit heeft ook alles te maken met je ziel; je kunt het gevoel hebben, dat je ziel is afgesneden. Je kunt niet meer denken, niet meer voelen. In fei­te is dan de verbin­ding met God en de buitenwereld verdwenen. «Niet de doden zullen de Here loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald» Ps.115:17. Je bestaat nog wel, maar je hebt toch geen leven in je. ‘Bestaan’ zegt op zichzelf nog niet zo veel. De duivel bestaat ook, als je het zo wilt formuleren. Bestaan is nog iets anders dan leven. (48-66)

Ik ben de God van de geschiedenis.    

Israël is altijd uit dat dogmatisch denken gestapt. Uitgestapt, uit die bloed- en bodemleer, uit die natuur. De God van Israël is ook geen na­tuurgod; Hij is de God die juist zegt: Ik haal je uit die natuur. God zegt: Ik ben niet de God van de natuur, Ik ben de God van de geschiedenis. God doorbreekt juist heel dat natuurproces. God maakt een pad door de zee, een weg door de wateren. Dat is weer een doorbraak van heel dat natuurgebeuren. God haalt je onder die goden vandaan, dan kun je mèns worden. (46-51)

Toorn is het tegenovergestelde van onverschilligheid

In het gangbare spraakgebruik wordt bij toorn meestal meteen ge­dacht aan kwaadheid, aan kwaad worden, aan driftig worden. Het be­grip toorn heeft echter veel meer het aspect terugtrekken in zich. En dat niet in de zin van: dan zoek je het zelf maar uit, maar veel meer in de zin van tot de orde roepen. Toorn is juist het tegenovergestelde van onverschilligheid. Want on­ver­schillig worden is het ergste wat je iemand kunt aandoen. On­verschilligheid van een vader is veel erger dan dat hij een keer in­grijpt. De waarachtige toorn is dan ook altijd vermengd met verdriet. Die toorn houdt ook in, dat je zó belangrijk bent voor iemand, dat je het waard bent om toornig op te worden. De mens is voor God ook zo veel waard, dat God het zeer de moeite waard vindt om, indien no­dig, toornig op die mens te worden. Als er iemand toornig op je wordt, in de goede zin, is dat een teken dat je belangrijk bent. Als een vader toornig is op een kind, betekent dat: die vader vindt het de moeite om dat te doen. ‘Zand erover’ is vaak een gezegde, dat eer­der uit gemakzucht wordt geboren dan uit vergevingsgezindheid. Verwennen is in wezen ook gemakzucht of zelfs onverschilligheid. In wezen is het een vlucht voor de verantwoordelijkheid. (44-28)

De onderwaardering van het lichaam

«Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neder en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zeide: Tabita, sta op! En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten». ­Hand.9:40,41. Waarom staat hier zo uitdrukkelijk, dat Petrus zich tot het lichaam wendde? Op het eerste gezicht lijkt het nogal merkwaardig, dat Pe­trus zich tot het lichaam wendde. Hierbij moeten we beseffen, dat in het bijbelse denken het lichaam veel meer waard is dan wij vaak den­ken vanuit onze westerse denkwereld. Op bepaalde punten denken wij soms meer westers dan bijbels. In ons denken zitten vaak veel Griekse invloeden. Zo ook de hele onderwaardering van het lichaam. Dat is in wezen ook Grieks, dat is ook niet bijbels. Het denken, dat het lichaam er eigenlijk niet zo veel toe doet, is afkomstig van Plato. Plato zei: het lichaam is de kerker van de ziel. Als dan het lichaam weg is, dan kan de ziel zich eindelijk een keer ontplooien. In de Bijbel wordt de mens veel meer gezien als een eenheid. Dat lichaam is heel essentieel voor het menszijn. Soms wordt de gestorvene nog recht­streeks bij zijn naam genoemd, soms wordt er gesproken van het li­chaam. (43-73) «Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg» Joh.19:38. «Daar dan legden zij Jezus neder» Joh.19:42.

Nieuwjaarsdag

Rosj ha Sjanah, de nieuwjaarsdag, is ook de dag van het gericht. Het eindgericht. Dat betekent dat elk jaar dat eindgericht beleefd wordt. Je zou ook kunnen zeggen: het eind­gericht wordt in de tijd getrok­ken. De jong­ste dag wordt binnengehaald in de tijd. Die blijft niet er­gens ver weg aan de eindpaal van de tijden, maar het eindgericht, de jongste dag, komt binnen in het jaar. En die wordt dan aan het hoofd van het jaar gezet. Daar zie je een van die wonder­lijke punten in het Joodse, He­breeuwse denken over de tijd. In jouw levensdagen beleef je al de he­le toekomst. Je hebt al een soort voorproefje, een voorsmaak, van wat er gaat komen. En dat eind­gericht komt binnen in de geschie­de­nis. Dat blijft niet ergens ver weg staan, maar dat maakt z’n entree in de cyclus van het jaar. D­aar­bij moeten we even aantekenen, dat als wij spreken over gericht, dat dat woord gericht eigenlijk bete­kent: recht­zetten. (20-92).

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410642 bezoekers sinds 07-06-2010