Woorden van verwachting

04-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

«Waarom zijn vanwege de Almachtige geen oordeelstijden voorbehouden, en zien zij die Hem kennen, zijn gerichtsdagen niet?» Job.24:1. Deze tekst leert ons, dat ook al in zeer oude tijden, mensen gezocht hebben naar de zin van de tijd. In welk perspectief zie je de toekomst, zie je de ver­wachting, die je hebt? Ook Job heeft zich dat afgevraagd. Hij spreekt bo­ven­staande tekst uit in zijn derde antwoord aan Elifaz. Misschien is dat ‘waarom’ in deze tekst ook wel heel wezenlijk voor het denken over de toe­komst. In ieder geval betekent dat, wanneer je het inleidt met ‘waarom’, dat het blijkbaar voor Job heel persoonlijk iets was, waar hij bij betrokken was. Het raakte hem; het was voor Job niet een theoretische kwestie, het was voor hem niet iets waar­van hij dacht: het is wel aardig, het is wel interes­sant, om daar eens een boom over op te zetten. Het had te maken met Jobs leven, met zijn existentie, met het diepste van zijn menszijn.

Toekomst is een persoon

In feite kun je ook alleen op die manier spreken over de toekomst. De Joodse denker Levinas heeft gezegd: toekomst is een persoon. Toekomst is de ander, die op jou toekomt. De toe­komst omvat niet zozeer een aantal feiten of een aantal gebeurtenissen, toekomst is niet zozeer een blauwdruk van wat er allemaal gaat komen en in welke volgorde dat alles plaats zal vin­den. Je zou dus ook kunnen zeggen: toekomst is een ontmoeting.

Het begrip mo’ed

Het is opmerkelijk, dat één van de Hebreeuwse woorden voor tijd, waarin dat begrip ook wordt uitgedrukt, mo’ed is. Dat woord mo’ed kan een paar betekenissen hebben. De belangrijkste betekenis is: de afgesproken tijd. Je hebt dus pas een mo’ed, als je twee partners hebt, twee bondgenoten, twee die daar bij betrokken zijn. Die twee partijen spreken dan met elkaar een tijd af. Je kunt dus niet op je eentje ‘een mo’ed hebben’. Mo’ed wil dus zeggen: de afgesproken tijd. De volgende vraag, die je hierbij dan automatisch gaat stellen, is: met wie heb je dat dan afgesproken? In de praktijk gebeurt het natuurlijk wel, dat één van die twee partijen een tijd vast­stelt, zonder de andere partij daarover te raadplegen. De tweede betekenis, die het woord mo’ed heeft is: ontmoeting. Als je een tijd hebt vastgesteld, hebt afgesproken, volgt er op die tijd dus de ontmoeting. Dan moet je natuurlijk ook nog een afgesproken plaats hebben om de ontmoeting vlot te doen verlopen. Op basis van die twee elementen: tijd en plaats, tijd en ruimte, kan een ont­moeting gecreëerd worden. God en mens hebben ook een mo’ed, een afgesproken tijd, een ontmoe­tings­tijd. De derde betekenis van het woord mo’ed is: feesttijden. De feesttijden zijn met name speciaal de momenten, waarop God en mens elkaar ontmoeten. Met al die feesttijden, met vooral de basis van al die fees­ten, de sjabbath, was daar die afgesproken tijd en vond daar de ontmoeting plaats tussen de Heer en zijn mensenvolk. Je ziet dus, dat het begrip tijd wordt ingevuld en inge­kleurd vanuit een relatie.

Tijd – de hartslag van God

Een ander Hebreeuws woord voor tijd is pa’am, wat eigen­lijk hartslag bete­kent. Het woord pa’am wordt ook wel vertaald met moment, of het woord maal (keer). Uit dat woord pa’am kun je ook opmaken, dat tijd te maken heeft met je innerlijk. Je zou de tijd, uit­gedrukt door het woord pa’am kunnen noe­men: de hartslag van God. Profeten zijn daarom mensen, die iets van die hartenklop van God hebben gezien of gevoeld. Dat betekent natuurlijk wel, dat die profeet als mens heel dicht bij de Eeuwige moet leven. Je kunt iemands hartenklop niet op een afstand voelen. Die profeten hebben alleen dan kunnen profeteren, als ze de hartenklop van de Heer konden waarnemen. Hoort ook onze eigen sterfdag bij die afspraak tussen God en mens? Ik denk, dat je dat in zekere zin bevestigend kunt beantwoorden. Als je be­paal­de gedeelten van de bijbel­se verhalen leest, krijg je de indruk, dat dit daar ook bij hoort. Als je leest, hoe de aartsvaders zijn gestorven, als je leest hoe Jakob aan het eind van zijn leven (Gen.49) ook profetisch gaat spreken, dan zie je, dat zij voorvoeld heb­ben, dat het einde van hun aardse levensweg was gekomen. Jakob gaat op zijn sterfbed een profetisch woord uit­spreken voor elk van zijn twaalf zonen. In die profetische woorden hoor je ook iets van de har­ten­klop vanuit de hemel. Jakob zegt tegen zijn zonen: ik ga jullie nu ver­tel­len, wat je zult ervaren in het ‘achterste der dagen’. Jakob zegt dus dan ei­genlijk: met mijn hart ben ik al in de toekomst. En dan staat er zo treffend, dat Jakob zijn voeten optrok op zijn bed en toen stierf. Het lijkt op een schip, dat zich losmaakt van de kade. De loopplank wordt als het ware in­getrokken.

En aan het roer die avond stond het harten

scheepte maan en bossen bij zich in’. (Gerrit Achterberg).

Dat hart weet dan: wij gaan naar de overkant.

Drie woorden voor ‘tijd’

Tijd heeft dus ook een heel innerlijke dimensie. Je hebt de tijd, die je op de klok kunt waarnemen, dat is dan alleen maar de objectieve tijd, maar je hebt ook de innerlijke tijd. Die innerlijke tijd gaat vaak langs heel andere wegen. Soms is die innerlijke tijd korter, soms veel langer dan de objec­tieve tijd. In de wachtkamer kan een kwartier ontzettend lang duren. Tijd is dus heel relatief, maar ook relationeel; tijd heeft immers ook te ma­ken met relaties! Het derde woord voor tijd in het Hebreeuws is het woord ‘et. Dat woord hangt samen met het woord ‘attah, wat nu betekent. In deze woorden zit dus iets van de betekenis van het mo­ment, van het heden, van het actuele. In Job 24:1 kwam Job dus met een ‘waarom-vraag’. In deze tekst staat ook het woord Sjaddai; dat is die heel bijzon­dere Godsnaam, die juist in het boek Job zo’n belangrijke rol speelt. Waarom schouwen zij die Hem kennen, zijn dagen niet

 «Geen oordeelstijden voorbehouden» Job.24:1. Hier staat het meervoud van dat woord ‘et. Voor het woord voorbehouden staat het woord saphan, wat letterlijk opsparen betekent. Dat woord heeft te maken met wat je bijvoorbeeld in je provisiekast hebt. Het woord oordeel staat dus niet in de grondtekst. Het punt dat Job hier naar voren brengt, is vervat in zijn vraag, die je als volgt zou kunnen for­muleren: Waarom zijn er geen ‘heden-tijden’ opgespaard. Job heeft het ge­voel dat alles maar opschuift. Alles gaat maar door, maar er gebeurt in wezen niets, er wordt maar niet ingegrepen. Hij heeft het gevoel, dat de tijd een kookplaatje is, waar alles eindeloos op staat te sudderen, maar waarop nooit iets aan de kook komt. De tijd blijft maar eindeloos ronddraaien, zoals een carrousel. De tijd als een home-trainer; je blijft maar trappen, maar komt geen meter vooruit. Job zegt in feite: waarom komt er nooit eens een nu, waar­om komt er nooit een vandaag. Job kon dat lied niet meer uitstaan van: “Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw”. En dan de parallel in vers 1: «En (waarom) zien zij die Hem kennen, zijn gerichtsdagen niet?» Job 24:1. Ook dit is in feite weer wat interpreterend vertaald, want er staat gewoon: zijn dagen. En dan gaat het hier over degenen, die Hem kennen. Je zou zeggen: die we­ten er wel het een en ander van af. Dat zijn toch immers de ingewijden, de­genen die dicht bij het hart van God zijn! Daar gaat het toch over mensen zoals Job, of mensen als Israël, profeten, mensen als Mozes. Voor het woord zien kun je beter vertalen: schouwen. «Waarom schouwen zij die Hem kennen, zijn dagen niet». Het gaat hier over de dagen van God en de dagen van Job. Dat schuift in wezen in elkaar. Allereerst gaat het hier om de dagen van God. Er moeten tijden zijn (vers 1a), er moeten dagen zijn (v.1b), zegt Job, maar je ziet er niets van. Dat veroorzaakt voor Job de grootste pijn; dat is voor Job de grootste worste­ling. In het vervolg van dit hoofdstuk gaat hij daar ook heel uitvoerig op in. Hij zegt: «Er zijn er, die grensstenen verzetten, die kudden roven en ze weiden» Job.24:2. Maar waar blijft God dan? Waar blijft dan de tijd van God en de dag van God! Voor Job is dit een heel geladen vraag. Job staat daar niet als toeschouwer wat te filosoferen, maar het is voor hem: erop of eronder! Zonder die dagen en die tijden vanuit het hart van de Eeuwige, zegt Job, kan ik eigenlijk niet leven. Dan is mijn leven in feite een eindeloze woestijn, een woestijn zonder oases en zonder wegwijzers.

Het risico bij bijbelvertalingen

Bij de vertaling van dit vers (24,1) hebben de vertalers vanuit de context waarschijnlijk gedacht: de vraag van Job is: waarom is er geen recht! Job vraagt in wezen in al die gesprekken met zijn vrienden naar dat ene punt: is er dan geen oordeel, is er dan niemand die de dingen rechtzet? Men ver­onderstelde: ook in 24,1 gaat het Job om die kwestie: het gericht, het oor­deel, waar Job immers voortdurend mee bezig is! De vertalers hebben waar­­schijnlijk geredeneerd: als we gewoon vertalen: dagen en tijden, in plaats van: oordeelstijden en gerichtsdagen, dan snappen de lezers niet goed waar het over gaat. Dat is dan altijd het risico van bijbelvertalingen. Persoon­lijk denk ik, dat je bijbellezers dan toch maar niet te veel moet helpen. Het gevaarlijkste voor een bijbelvertaler is, dat hij in zijn vertaling al een stukje uitleg binnen brengt. Je gaat dan al een bepaalde kant op met de vertaling van die tekst, ter­wijl misschien later zal blijken, dat je een heel andere kant op had ge­moe­ten. Soms staat de bijbellezer op een tweesprong of een driesprong. Het gevaar dreigt nu, dat de vertaler op dat kruispunt al een bordje neerzet met de tekst: die kant moet u op! Hij zet dan ook alvast een hekje voor die an­de­re wegen. Eventueel zet hij er ook nog dat bord neer: verboden in te rijden. De bijbelvertalers gaan dan in wezen functioneren als een soort geestelijke ANWB. Die oorspronkelijke tekst is – wat men in de vertaalkunde noemt – polyceen; daar zitten vele betekenislagen in. En die vele betekenislagen dien je toch wel open te laten. De rabbijnen zeiden in dit verband: elke tekst heeft 70 ge­zichten. Op een gegeven moment ontdek je dan één gezicht van een tekst; maar dan houd je er nog 69 over. Je kunt niet alles tegelijk zien. Dat kan een mens wellicht ook niet allemaal bevatten. Misschien ontdek je in de loop van je leven nog vijf of zes gezichten. En gelukkig, er zijn nog meer men­sen, die de Bijbel lezen, en die ontdekken er dan ook nog een paar. Daar waren de rabbijnen ook altijd mee bezig; zij spraken dan van: samen zoeken. Samen ga je dan de veelheid, de rijkdom van de tekst ont­dekken.

Elke tekst heeft 70 gezichten

Die uitspraak is gebaseerd op het feit, dat 70 in de Bijbel ook altijd het getal is van de volkeren. Zeventig symboli­seert de veelheid van de natiën. Van­daar dat de rabbijnen ook zeggen: toen de Eeuwige sprak vanaf de berg Sinai, deed Hij dat in 70 talen. Als je in het Hebreeuws het getal 70 neemt, wordt dat ge­representeerd door de letter ajin. Het woord ajin heeft ook weer verschillende accenten. Het is niet alleen de naam voor een letter, maar het bete­kent ook: oog en het betekent ook bron. Het is het oog van waaruit je gaat zien; het is ook de bron van waaruit je gaat leven. Dat getal 70 zie je bijvoorbeeld ook weer terug bij het ver­haal van Elim. De Israëlieten komen, als ze door de zee zijn getrokken, eerst bij Mara, het bit­te­re water, en dan komen ze bij Elim. «Daarna kwamen zij in Elim; daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palm­bo­men, en zij legerden zich daar aan het water» Ex.15:27. Twaalf waterbronnen: gans Israël heeft te drinken. Zeventig palmbomen: alle volkeren kunnen daar schuilen. De bedoeling van het getal 70 is dus: het heil is voor alle volkeren. Bij het  Loofhuttenfeest werden er vanouds ook 70 stieren geofferd, om aan te geven, dat er een loofhut zou zijn voor alle natiën; vrede voor alle natiën. Hieruit blijkt dus toch wel, dat je bij het vertalen uiterst voorzichtig en be­hoed­zaam te werk moet gaan. Je moet de tekst openhouden en niet bij voor­­baat afsluiten.

Bijbelvertalingen en dogmatiek

Hier speelt natuurlijk ook nog mee, dat bijbelvertalingen ook bepaald wor­den door de dogmatiek, van waaruit de vertalers denken. Je kunt je op een bepaald moment afvra­gen: wat was er eerder: de bijbelse theologie of de dogmatiek? Maar al te vaak heeft de dogmatiek zich niet zozeer opgesteld als een dienares, dan wel als een koningin. Dit zijn de dogma’s; en die dogma’s moest je dan ook terug kunnen vinden in de Bijbel. Dan krijg je een soort cirkel­gang: je gaat uit van bepaalde leer­stellingen en die leer­stellingen ga je dan ook weer in de teksten lezen. En dan zegt men: zie je wel, daar staat het ook al. Op die manier kun je ook bepaalde dogma’s steeds ouder la­ten worden. Dan wordt gezegd: Paulus zei ook al, wat wij zeggen. Je gaat dan nog ver­der terug en zegt: in de boeken van Mozes is het ook al opgetekend. De dogmatici laten hun dogma’s met een ‘tijdmachine’ terug­gaan in de tijd en dan zegt men: Paulus zei ook al, wat de Heidelbergse Catechismus zegt. De theoloog Diepner heeft dit eens genoemd: Openbarings­archeologie. Je gaat bepaalde dogma’s vaststellen en die dogma’s ga je vervolgens ook op­graven. En dan zegt men: kijk, hier heb je ze ook al; en in deze aardlaag vin­den we ze ook al. En dan zegt Diepner: Hoe ouder iets is, hoe meer het recht heeft op onze eer­bied. Een oud dogma is mooi, maar een stok­oud dogma is nog mooier en een totaal vergrijsd dogma van nog vóór Christus, is natuurlijk helemaal het summum. De Hebreeuwse grondtekst kun je wel – afgezien van enkele kleinigheden – als betrouwbaar bestempelen. Als je nagaat, hoe de Masoreten, de Joodse Schriftgeleerden, dat heel zorgvuldig hebben bewaard, dan kun je wel de conclusie trekken: er is geen enkel boek, dat zo nauwkeurig overge­leverd is als de Bijbel. Ze wisten bijvoorbeeld precies hoeveel letters er in een bijbelboek ston­den; ze wisten ook de middelste letter van een bijbelboek. Bij het overschrij­ven werden achteraf de letters weer nauwkeurig geteld. Dit deed men zo­wel van voren naar achteren als van achteren naar voren. Op de helft geko­men wat aantal betreft, moest men dan precies bij de middelste letter uit­ko­men. De Geest heeft door de eeuwen heen toch wel gezorgd, dat dit heel zorg­vuldig werd overgedragen. Wellicht kun je in dit verband een lijn trek­ken naar wat Petrus zegt: «Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de pro­feten, die van de voor u be­stem­de genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde» 1 Petr.1:10,11. De profeten werden dus geïnspireerd door de Heilige Geest, maar wellicht mag je dat ook zeggen van die overschrijvers.

Het heiligdom zal ‘tot op de bodem worden losgemaakt’

«En Jezus ging de tempel uit en vertrok. En zijn discipe­len kwamen tot Hem om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen» Matt.24:1. Boven deze perikoop staat dan als opschrift: “Rede over de laatste dingen”. We komen daar dan meteen op een paar kernwoorden in ver­band met het beleven van de tijd. Ik denk, dat we dat eerst eens speciaal moeten onder­strepen: de tijdsbeléving. «En Hij antwoordde en zeide tot hen: Ziet gij dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken» Matt.24:2. Dit geeft dan meteen een soort ‘schokervaring’; de tempel, het hart van Je­ru­zalem, zal verwoest worden! Letterlijk staat er: «Die niet naar beneden zal worden losgemaakt». Het heiligdom zal tot op de bodem worden losgemaakt. Elie Wiesel heeft gezegd: zeven maal is Jeruzalem verwoest, zeven maal wordt het ook weer opgebouwd. Daar kom je tegelijk op het raadsel van het kwaad. Hoe is het verband tus­sen tijd en kwaad. Hoeveel tijd krijgt het kwaad. In een gedicht wordt er­gens gezegd: ‘Het kwaad is tijdelijk’. Op zìch is dat een grandioze conclu­sie. De dich­teres zegt dan: “Ik logeerde dan bij mijn oma, die vertelde mij dan over God. En oma zei dan tegen haar kleinkind: het kwaad is tijdelijk”. Dat zijn dan gezegende oma’s, waar je af en toe mag logeren. Elie Wiesel zegt: Het kwaad blijft toch altijd een raadsel. Hij vertelt van een gesprek, waarin de één tegen de ander zegt: wat ben jij toch altijd bezig met het kwaad! De ander zegt dan: ik kan het kwaad maar niet plaatsen, ik kan het niet begrijpen, ik begrijp niet waarom het er is. Ben jij er dan niet mee bezig? Nee, zegt dan de eerste, ik ben meer bezig met het goede. Geen steen zal op de andere gelaten worden, die niet zal worden losge­maakt tot op de bodem. Tegelijk moet je hierbij bedenken – als er staat: «Losmaken tot beneden» – dat dit ook veel meer betekenislagen heeft dan alleen maar afbreken. Het houdt ook tegelijk in: van de grond af aan komt er iets nieuws. Als je iets vol­ko­men hebt afgebroken, komt er ruimte voor een begin.

De volein­ding van de eeuw

«Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn disci­pelen alleen tot Hem en zei­den: Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?» Matt.24:3. Op de Berg van de Olijven, uitgerekend daar! Deze lokatie is toch ook niet toevallig. Over de Olijfberg wordt ook gesproken in het laatste gedeelte van Zacharjah: «Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt» Zach.14:4. De Olijfberg draagt ook vaak de symboliek in zich van de dood. In de Jood­se traditie wordt gezegd: bij de Olijfberg zal de opstanding beginnen. Hier zit Jezus dus ook op de Olijfberg; je zou kunnen zeg­gen: op de laatste grens. De discipelen kwamen alléén. Letterlijk staat er: «Naar het eigene». Ze waren even heel eigen met Hem. De discipelen stellen dan drie vragen. De derde vraag luidt letterlijk: «De voleinding van de eeuw». (de aeon – in het Hebreeuws: ‘olam). «De voleinding der wereld», dus beter vertaald: «De volein­ding van de eeuw». De populaire gedachte zegt dan: dit gaat dus over het einde van de wereld. Maar er staat dus niet: einde, maar voleinding. Er staat ook niet wereld, maar eeuw. In het Grieks staat er voor voleinding het woord sunteleia. Dat woord heeft nogal wat betekenissen.

Sunteleia – gemeenschappelijke bijdrage tot een belasting

1. Gemeenschappelijke bijdrage tot een belasting.

Als ieder dus zijn sunte­leia heeft betaald, kan de belastingdienst zeggen: nu hebben we onze sunteleia compleet. Het is goed om dit punt even in ge­dach­ten te houden, want als het dus gaat om de eeuw, dan levert dus elke burger van het konink­rijk een bijdrage aan die eeuw. Er wordt in de Joodse traditie gesproken van deze eeuw en van de toeko­men­de eeuw, de ‘olam ha-zè’ en de ‘olam ha-ba’. De rabbijnen zeggen dan: die komende eeuw blijft altijd komen. Je kunt nooit zeggen, dat die komen­de eeuw voltooid is. Je blijft ook altijd hopen: zo blijve dan geloof, hoop en liefde. Je zult dus nooit kunnen zeggen: nu hebben we het allemaal gehad. Die toekomende eeuw wordt dus opgebouwd uit al die gemeen­schappe­lij­ke bijdragen. Je draagt allemaal je steentje bij aan dat huis van de tijd. Daaruit kun je meteen de conclusie trekken: die voleinding valt niet als een bom uit de lucht, maar die wordt gebouwd, net als de tempel, uit al die bij­dra­gen. Al die verschil­lende elementen dragen bij tot de voleinding van de eeuw. Je zag dat ook bij de bouw van de tabernakel. Ook daar leverde iedere Isra­e­liet zijn bijdrage om die tabernakel op te kunnen richten. Ze brachten hun goud, hun zilver en hun fijn linnen en andere kostbaarheden. (Ex.25). En dan kan iedere rechtgeaarde Israëliet zeggen, als de tabernakel voltooid is, mijn draadje zit er ook in; mijn goud maakt nu deel uit van de tabernakel. Als je nu toch wilt spreken van een einde, dan kun je zeggen: “De voleinding van deze eeuw is het einde van het kwaad”.

 Bouwers van de tijd

Al die bijdragen componeren dus het geheel. Dat is dus een gezegende be­las­ting; een belasting waar je nu eens een keer blij van kunt worden. Al die draadjes, al dat borduur­werk worden componenten, elementen van de tijd. De tijd wordt dus voortgebracht door al die bouwers. Dat is in de Joodse traditie ook een bekend gegeven. Abraham He­schell (1907-1972) heeft dat heel mooi uit­gewerkt. Hij zegt: het speciale van het Joodse geloof is het denk­beeld: wij zijn de bouwers van de tijd. Wij bouwen niet zozeer een tem­­pel in de ruimte, maar een tempel in de tijd. Die andere culturen bouw­den altijd een tempel in de ruimte. De Joden hadden in de ruimte natuurlijk ook wel af en toe een heiligdom, maar dat was ook weer heel betrekkelijk, want die tabernakel kwam en ging; de tempel van Salomo kwam en ging weer voorbij. Op de Olijfberg zegt Jezus nu: ook deze tempel gaat voorbij. Heschell zegt dus: wij zijn de bouwers van de tijd, en ook eigenlijk: de bou­wers in de tijd. Paulus spreekt in Efeze 2 over Jezus als de hoeksteen. Maar je kunt ook zeg­gen: Hij is ook de hoeksteen in de tijd. Dan wordt de hoeksteen, de grond­steen gelegd voor de tijd, die daarmee gaat aanbreken.

Sunteleia – vereniging van burgers

2. Sunteleia – vereniging van burgers. Dat is de tweede betekenis van sunte­leia. Vooral in Athene speelde dat een rol. Van die vereniging van burgers wordt dan gezegd: het is een vereniging, die op gemeen­schappelijke kosten een schip uitrust voor de dienst van de staat. Die burgers van die vereni­ging wilden dus graag, dat er weer een schip van stapel kon lopen. Dat schip kon dus varen dankzij alle mensen, die zich daarvoor hadden inge­zet. Zo is dat ook met het schip van de tijd, het schip van de eeuw. Al de kin­de­ren Gods zorgen door hun geloof en door hun verlangen, dat het schip van die komende eeuw kan gaan varen. ‘Voor de dienst van de staat’. Wij zouden in dit verband dus zeggen: “Voor de dienst van het Koninkrijk”. Zo gaat dat schip uit in de tijd. Dat is toch ook wel een mooi beeld. De zee wordt immers ook gezien als beeld van de tijd. Willem Kloos zei het al: de zee klotst voort in eindeloze deining. Komt er dan nooit een eind aan die gol­ven! Gebeurt er dan nooit iets, is dat allemaal maar een herhaling van steeds weer hetzelfde? Altijd maar weer de golven van het kwaad, die de wereld overspoelen. Maar dan, opeens zie je dat schip uitvaren. Het schip kan ook een beeld zijn van de ziel. Het wordt ook wel gebruikt als beeld van de gemeente. Het schip, dat vaart op de zee van de tijd op weg naar het Koninkrijk. En dan staat er zo mooi in Psalm 107: «Hij maakte de storm tot een zacht suizen, zodat de golven stil werden. Zij verheugden zich, omdat die tot rust kwamen, en Hij leidde hen naar de haven van hun begeerte».  Ps.107:29,30

Sunteleia – vereniging van gelijkgezinden

3. Vereniging; de derde betekenis.

Bij de oude Grieken was dat dan vooral een vereniging van goden. Wij den­ken dan aan een vereniging van mensen, een vereniging van al die mensen, die hun hart willen toe­wijden aan de dienst van de Heer. Als die vereniging er dan helemaal is, als die leden dan één van hart en ziel zijn, dan kan de toekomende eeuw be­ginnen. Dat hoeft dan niet te beteke­nen, dat je allemaal precies hetzelfde denkt, maar wel, dat je hetzelfde ver­langen, dezelfde intentie hebt. «Nadat hij vandaar verder was gegaan, trof hij Jonadab, de zoon van Rekab aan, die hem tegemoet kwam; hij groette hem en vroeg hem: Is uw hart mij even oprecht toe­ge­daan als mijn hart u? Jonadab antwoordde: Ja, gewis» 2 Kon.10:15. Hier zien we een mooi voorbeeld van twee harten, die op één lijn zitten. Jehu maakt hier schoon schip, hij gaat de Baäldienst uitroeien. Het gaat dus om een vereniging van verlangen. Als kinderen Gods heb je hetzelfde verlangen, het verlangen naar heel­heid, het verlangen naar ‘deze wereld anders’. Het ver­langen dat Hij alles zal wor­den in allen. Maartje van Thijn heeft daar een prachtig verhaal over ge­schreven. Een ver­haal over de kracht van het verlangen. Ze zegt: ook al voel je je misschien dan heel machteloos – ze gebruikt daar dan het beeld voor van een vlinder zonder vleugels – maar je gáát. Die vlinder zonder vleugels gáát! Die heeft moeizaam te gaan, waar anderen vliegen. Je kunt dat wel eens hebben, dat je van anderen denkt: o, daar gaat het allemaal vanzelf. En die doen het maar, die gaan maar zonder problemen en moeiteloos. Anderen vliegen en jij voelt je als een vlinder zonder vleugels. Een geboortekwet­suur, zegt ze dan, zulke dingen gebeuren, nietwaar, daar moet je maar mee leren leven. Maar die vlinder zonder vleu­gels gáát! Die vlinder heeft een verlangen. en door de kracht van dat verlangen gaat er wat gebeuren. Dat verlan­gen heeft Hijzelf in je hart gelegd. Het is immers ook zìjn ver­langen; Hij verlangt nog meer dan wij naar de voleinding. Het is de droom van Jeremia, zegt André Neher, maar daar­vóór en nog meer was het al de droom van de Eeuwige. In deze betekenis van sunteleia gaat het er dus om, dat jouw droom en Gods droom bij elkaar komen. Het verlangen van God en het verlangen van de mens gaan samenvallen.

Sunteleia – staatkundige vereniging

4. Staatkundige vereniging.

Bondgenootschap. Dit ligt dus eigenlijk in het verlengde van die vorige be­tekenis. God en mens verbinden zich aan elkaar in één verbond. God en mens vormen als het ware een staatkundige vereni­ging in het Ko­ninkrijk der hemelen. Paulus zegt: ons burger­schap is in de hemel. «Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten» Filipp.3:20. Je kunt ook vertalen: «Ons hoofdkwartier». Dat is dus het hoofdcentrum, het beleidscentrum, het zenuw­centrum, waar je mee verbonden bent. Je bent dus verbonden met het centrum van waar­uit het Koninkrijk komt. Dat wordt dan de voleinding, de completering van de eeuw. Die eeuw wordt geboren vanuit dat beleidscentrum. God houdt daar zijn ‘stafverga­de­ringen’ met de gemeente. Het is in feite een soort al­lia­ntie. Ons hoofdkwartier is in de hemel….Op aarde is het vaak chaotisch en loopt het door elkaar; het is op aarde één grote wirwar van belangen en groepsbelangen en partijbelangen. Iedereen vecht maar voor zijn stukje grond of voor nog meer grond. Iedereen vecht maar voor zijn werkelijke of vermeende rechten, een eindeloos politiek ge­harrewar. Het woord politiek is afgeleid van politeuma. En dat woord wordt nu juist door Paulus in Filippenzen 3:20 genoemd, wat daar vertaald is met bur­ger­schap. De SV zegt: «Onze wandel is in de hemel». Dat woord politeuma houdt dus verband met ons woord poli­tiek, wat weer te maken heeft met polis, wat weer staat of standplaats betekent. Dat heeft dan ook te maken met het stadsbestuur. Vroeger waren die staten allemaal stadjes.

Ons hoofdkwartier is in de hemel

Ons hoofdkwartier is in de hemel. Het is goed, om je dat ook af en toe eens bewust te worden. Te midden van alle rumoer en onrust op aarde is daar een hoofdkwartier van rust in de hemel. Onze voornaamste roeping is dus om ver­bonden te blijven met het hoofdkwartier. Die draadloze ver­binding met het hoofdkwartier moet je in stand houden. In dat hoofdkwartier ligt ook de overwinning, daar ligt ook de blauwdruk, daar ligt de planning voor de toekomst. Daar ligt, om zo te zeggen, die eeuw al verborgen. Die toe­­komende eeuw is bij God al present. Die toekomende eeuw hoeft niet nog te worden uitgevonden. In dat hoofdkwartier hèbben ze die toeko­men­de eeuw al. Je ziet zo’n stafvergadering als het ware op de Berg der Verheerlijking. Mozes en Elia – de Torah en de Profeten – vergaderen daar met Jezus. En zij spraken daar over ‘zijn uitgang’: «Dezen, in heerlijkheid verschenen, spraken over zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen» Luc.9:31. Die vergadering ging dus over de uittocht, het lijden en sterven, èn de over­winning op de dood. Vergelijk ook: «Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemel­se Jeruzalem, en tot tiendui­zendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plech­tige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel».  Hebr.12:22-24

Sunteleia – gemeenschappelijke actie

5. Gemeenschappelijke actie of uitvoering.

Gemeenschappelijk wordt er een plan van actie uitge­stippeld en daar uit­voe­ring aan gegeven. Dus de eeuw wordt in een gemeenschappelijke werk­zaamheid uitgevoerd.

Sunteleia – voleinding

6. Voleinding.

Dat waren dus de zes betekenissen van het woord sunteleia. In dat woord sunteleia zit als grondbetekenis het woord telos. Dat woord wordt meestal vertaald met einde, doel, einddoel. Dat woord ‘telos’ vinden we bijvoorbeeld in: «Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden» Matt.24:13. Letterlijk: «Die zal héél worden». Deze vertaling zou je in feite beter kunnen hanteren, omdat ‘behouden worden’ vaak een nogal beladen begrip is. Het lijkt dan of het behouden wor­den afhangt van jouw volharding. Dan zou je uitroepen: “Maar wie kan dan behouden worden!”. Letterlijk kun je hier ook vertalen: «Wie eronder blijft, zal héél worden» Matt.24:13. ‘Eronder’, dat wil zeggen: onder de tijd, met de bedoeling dat je niet weg­loopt, dat je op je post blijft. Wie op zijn post blijft tot het einddoel zal héél worden. In vers 14 komt dat woord telos wéér naar voren. «En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn» Matt.24:14. Dat woord telos heeft een scala van betekenissen.

Telos – cirkel, kring

1. Cirkel, kring.

Het einddoel wordt bereikt, als de cirkel rond is. Daar komt dus ook het woord teleios vandaan, volmaakt. «Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt (teleios) is».  Matt.5:48. God is een volmaakte cirkel, die niemand buitensluit.

Telos – einde van plaats of tijd

2. Einde van plaats of tijd.

Je loopt ergens heen; in de verte zie je de horizon. En op een gegeven mo­ment kom je daar en dan heb je dus het einde van de plaats bereikt. Dan hoef je niet verder, dan ben je bij de eindstreep. Dan is je loopbaan vol­bracht. Einde van plaats, maar ook einde van tijd. Je hebt bepaalde perio­den, maar op een gegeven moment is er een periode af­gerond. Daar ligt toch ook wel een zegen in, de zegen van dat het niet maar ein­de­loos verder gaat. «Er zal geen uitstel meer zijn» Op.10:6. Je kunt ook vertalen: «Er zal geen tijd meer zijn». En dan zal er ook geen haast meer zijn. De tijd kan ook heel sterk werken als een tiran. Opgejaagd en voortgedreven door de stroom en pressie van de tijd. In het Grieks staat hier het woord chronos. «En de zee was niet meer» Op.21:1. Deze tekst ligt ongeveer in dezelfde sfeer. «Er zal geen chronos meer zijn». En Chronos was bij de Grieken een soort opa, ‘Vadertje Tijd’. Als er geen tijd meer is, komt de eeuwigheid. De vorm van het vierkant, het kwadratuur, wordt in de Bijbel nogal eens genoemd; bijvoorbeeld bij het Nieuwe Jeruzalem, de vier windstreken, de vier hoeken van de tempel. In zekere zin is die vorm een tegenstelling van de cirkel. De tijd gaat dan niet eeuwig in een cirkel rond, geen eindeloze cir­kel­gang, waarbij je steeds weer op hetzelfde punt uitkomt. Van de tem­pel kun je zeggen: het gebouw, dat naar Gods volmaakt bestek in eeuwig­heid zal rijzen. In die zin wordt de tijd ook afgebakend, afgegrensd. Dan kom je ook weer terug bij die tekst uit Job 24: «Er zijn er, die de grensstenen gaan verleggen». Dat zijn degenen, die dan steeds maar willen, dat de tijd voortduurt als een soort on­eindig proces. Het is toch wel een zegen, dat er een begren­zing aan de tijd wordt gesteld.

Telos – het einde dat men nadert

3. Het einde dat men nadert, of tracht te naderen.

Je gaat op weg naar het einde, op weg naar de einder, naar de horizon. Je draait geen eindeloze cirkels, maar je bent op weg ergens heen.

Telos – het einde dat je wenst

4. Het einde dat je wenst.

Dan wordt het dus ook je doel. Het einde betekent dan ook: een nieuw be­gin, een nieuwe fase. Het einde van déze bedeling is dan tegelijk het begin van de nieuwe bedeling. De avond is het einde van een dag, maar tegelijk het begin van een nieuwe dag.

Telos – vervulling of verwezenlijking

5. Vervulling of verwezenlijking.

Er wordt iets gerealiseerd, vervuld, verwezenlijkt.

Telos – voltooiing of afronding

6. Voltooiing of afronding.

Daar zit ook weer iets in van genezing, genezing van de tijd. Alles wat ge­weest is, wordt tot afronding gebracht. Als je dan terugkijkt, dan denk je: het is toch, ondanks alles, goed geweest. Je kunt niet zomaar zeggen: alles is goed geweest. Er blijven toch wel heel wat raadsels in de geschiedenis, waarvan je niet zomaar kunt zeggen: het was goed. Daarvoor is er teveel gebeurd, wat je niet zomaar even kunt glad­strijken. Je kunt niet achteraf zeggen: o, dat was de achterkant van het borduurwerk. Je komt op dit terrein toch gauw in het speculatieve vlak. Je kunt moeilijk zeggen: God had het kwaad nodig om tot zijn doel te gera­ken. Ook al kun je dan soms zeggen: het heeft toch meegewerkt ten goede. Maar dan ga je haast een beetje op de stoel van God zitten. Dan kom je bij een tekst terecht als; «Maar de wijsheid – waar wordt zij gevonden, en waar toch is de verblijfplaats van het inzicht?»  Job.28:12. En de conclusie aan het eind van dit hoofdstuk is dan: «Zie, de vreze des Heren – dat is wijsheid, en van het kwade te wijken is inzicht» Job 28:28. Láát het kwaad nu maar en vrees God, dat is wijsheid. En ga daar nu maar niet met alle macht bovenuit. Natuurlijk mag je wel eens doordenken, dat hoort ook bij het menszijn. Maar we kennen ten dele, zou Paulus zeg­gen; we zien door een spiegel in raadselen. Paulus zegt dan aan het eind van Romeinen 11: «O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeur­lijk zijn wegen!» Rom.11:33. Juist, als je God beter leert kennen, juist als je, zoals Paulus ook, getracht hebt zijn wegen te doorgronden, kom je tot uitspraken zoals deze; dan wordt een mens zich bewust van zijn beperktheid, van de grenzen van zijn denken. Prediker zegt: de wijze zwijgt in zulke tijd. Af en toe kun je het gevoel hebben, dat je het niet kunt omvatten; laat het dan genoeg zijn, dat God jou omvat. Omvat worden is vaak meer waard dan alles zelf willen om­vatten.

Telos- uitslag

7. Uitslag.

Dat wil zeggen: de uitslag van bijvoorbeeld een onderzoek. Het gaat er hier dus om: wat komt er uiteindelijk uit te voorschijn.

Telos – volgroeid zijn of volwassen zijn

8. Volledig zijn, volgroeid zijn of volwassen zijn.

In het Aramees wordt gezegd: kwaad heeft ook de betekenis van onrijp, iets wat niet de tijd gehad heeft om rijp te wor­den. Je wilt iets ogen­blik­ke­lijk hébben, ook al is de tijd daarvoor nog niet aangebroken. Dan denk je natuurlijk ook aan die verloren zoon, die nu de erfenis wilde hebben en die nu de wijde wereld in wou trekken. Hij wil niet wachten op de tijd van de vader, hij wilde instantelijk zijn zin heb­ben. Al die tijden en gelegenheden duurden hem veel te lang. De mens die niet kan wachten. Het moet allemaal op stel en sprong. Geen tijd om rijp te worden. Een houding, die ons in de tegenwoordige tijd ook niet onbe­kend voorkomt. Als de mens rijp is geworden, volwassen is ge­wor­den, dan gaat hij anders met de zaken om. Dan is de tijd rijp om stand­punten in te nemen en al dan niet handelend op te treden. Bij Jozef en zijn broers zie je deze lijn ook. Jozef zegt: jullie hebben het ten kwade gedacht, maar God heeft het ten goede gedacht. Het punt is dan niet zozeer dat het kwade dan goed wordt, maar het is meer andersom: als je de dingen in je leven geen tijd geeft om te rijpen, dan ontstáát het kwaad. Dan krijg je dus die onrijpe vruchten, waar je je tanden op stuk bijt en die buikkrampen veroorzaken. Dat verschijnsel zie je natuurlijk ook wel eens in gemeenten. Allerlei dingen moeten dan ogenblikkelijk gebeuren of worden gefor­ceerd. Zo ontstaat een onrijpe gemeente. Jesaja zegt in dit verband: «En knapen zal Ik hun tot vorsten geven en de moedwil zal over hen heersen. Dan zal het volk dringen, man tegen man, de een tegen de ander; de knaap zal op de ou­de en de geëerde losstormen» Jes.3:4,5. Als knapen gaan regeren, krijg je dus pubers op de troon. Dat zie je in ge­meen­ten soms ook: puberale voorgangers. Soms wordt er wel eens met ie­mand gebeden, terwijl de situ­atie daar nog niet rijp voor is. Dan zit je aan een boom met onrijpe vruchten te schudden, die dan vervolgens als bakste­nen op je hoofd vallen. Soms moet de grond eerst nog geploegd worden, voordat je er in kunt zaa­i­en. Maria bewaarde ook al die woorden in haar hart; ze ging ze niet ogen­blik­kelijk rondbazuinen.

Probeer geen zaken in je macht te krijgen, die je nog niet kunt hanteren.

Telos – taak of plicht

9. Taak of plicht.

Het gaat hier om datgene wat je in je leven te doen krijgt om tot je bestem­ming te geraken.

Telos – de prijs van je roeping

10. De prijs van je roeping.

Hier is sprake van datgene wat je mag ontvangen als loon op je arbeid.

Telos – termijn

11. Termijn.

Telos – waar men het laatst toe komt

12. Waar men het laatst toe komt.

Daarmee zijn we in feite bij de grondbetekenis gekomen. We zeiden in het begin: telos is die cirkel, of die kring. Telos is oorspronkelijk een ‘draaibocht’, een bocht in de weg. Je hebt een he­le route afgelegd, en tenslotte kom je bij de laatste bocht. Dan is dat het einde van de renbaan of het einde van het ploegland. Telos is dus de laatste bocht; en als je dan de laatste bocht door bent geko­men, ben je bij het eindpunt, bij de finish. Je ziet, dat die oude talen vaak heel beeldend waren en een rijke inhoud in hun woordenschat hadden. De boer, hij ploegde voort, maar tenslotte komt hij bij zijn laatste etappe en dan is het land helemaal bewerkt. En zo is het met God ook. Zo is het ook met de gemeente. Er zijn in de loop van de geschiedenis al heel wat boch­ten geweest in de weg. Recht door zee is de kortste weg, alleen, dat gebeurt in de praktijk nooit. In die Oudoosterse wereld hàd je trouwens ook geen rechte wegen. Rechte wegen kun je ook alleen realiseren, als je land gaat saneren, zoals dat dan zo mooi heet. In die oude tijd ging je dus altijd langs vele bochten naar je doel. Zo zijn er in de loop van de geschiedenis ook heel wat hinder­nissen geweest en vaak kon je niet zien, hoe de weg verder ging. «Hij leidt mij in de rechte sporen» Ps.23:3. Dit zijn geen kaarsrechte wegen. Letterlijk staat er: «Hij leidt mij in de sporen van de waarachtigheid». Dan weet je: hoeveel bochten er ook zijn, ik kom wél aan. Deze eeuw komt aan in de komende eeuw. Deze eeuw zal ook na al die bochten het doel be­reiken. Die laatste bocht omvat het heimwee van al die mensen, die on­der­weg waren, al die karavanen van pelgrims. Het volk van God is toch ook vaak een volk geweest van nomaden en zwervers. En als ze dan de laat­ste bocht hebben gehad, bemerken ze, dat de stad van God veel dich­terbij is, dan ze ooit hadden gedacht. Zijn we er al? Ja, we zijn er al; dat is nu eindtijd! Daarom krijg je al die eindtijd-theorieën niet in één systeem. Misschien is dit dan toch iets van dat geheim. Eindelijk komen al die moede reizigers aan bij de stad van hun dromen, bij de stad van hun hart.

Uw gebod is zeer wijd.

«Aan alles, hoe volkomen ook, heb ik een einde gezien, maar uw gebod is onbegrensd».  Ps.119:96. In Psalm 119 ga je het hele Hebreeuwse alfabet door, dat worden dan dus 22 coupletten. Je zou kunnen zeggen: Psalm 119 heeft 22 bochten. Tenslotte kom je bij de laatste bocht, dan ben je bij de taw gekomen. Die laatste letter symboli­seert dan de toekomst van God. «Uw gebod is zeer wijd». Ps.119:96 – SV. In de Griekse tekst, de Septuagint, staat: «Aan alle sunteleia (voleinding) zag ik een grens, maar wijd is uw gebod ten zeerste». We zijn intussen bij de letter lamed. De psalmdichter wil dus zeggen: aan alles komt een einde, alle dingen zijn be­grensd, maar Gods Torah is onbe­grensd. In deze tekst staat niet telos, maar in het Grieks staat peras. Het gebod van God is eindeloos, dat omvat heel je leven. Als Hij gebiedt, dan staat het er. Er zij licht en er was licht. Het gebod van de Eeuwige gaat over alle grenzen en beper­kingen heen. Het woord dat hier gebruikt wordt voor ‘zeer wijd’ komt van dezelfde stam als rehoboth. Het is ook hetzelfde woord als wat gebruikt wordt voor het Beloofde Land. Het land, waar je zult komen, is een land dat goed is en wijd. «En uit dit land te voeren naar een goed en wijd land» Ex.3:8. Een land, waar ruimte is om te leven, ruimte om mèns te worden. Al die eeuwen komen en gaan; het is goed om dat ook vast te houden. Aan al die voleinding(en) komt toch weer een grens. Deze eeuw, de toekomen­de eeuw, hoeveel eeuwen zijn er niet, hoeveel aeonen, hoeveel bedelingen. Er zijn er, die zeggen: er zijn zeven bedelingen. Vroeger was broeder Mons­ma redacteur van het Zoeklicht. Ze vroegen hem een keer: hoeveel bedelin­gen zijn er eigenlijk? Zeven toch? Het antwoord was: als ik achter mijn bureau ga zitten, maak ik er zo een zeven bij. Aan al die bedelingen komt ook weer een grens.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

397297 bezoekers sinds 07-06-2010