Wie is mijn naaste?

26-03-2013 door Aren van Waarde

Altijd verkeerd gelezen

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan wordt doorgaans gelezen alsof deze zou onderwijzen dat ieder hulpbehoevend medemens onze naaste is, en wij ons over zo iemand behoren te ontfermen. Er bestaat in Nederland zelfs een stichting die “De Verre Naasten” heten die zich ten doel stelt om geestelijk en lichamelijk armen in de derde wereld te ondersteunen. Maar deze interpretatie is feitelijk een omkering van Jezus’ woorden en mist daarmee Bijbelse grond. In de gelijkenis die Jezus vertelde is niet de naakte, halfdode en hulpbehoevende man de naaste van de priester of de Leviet – zoals men het verhaal wil lezen. Integendeel, de Samaritaan is de naaste van het slachtoffer. Want de gelijkenis eindigt met de vraag “Wie van deze denkt u, dat de naaste geweest is van hem die in handen van de roverswas gevallen?” {Lukas 10:36}. En het antwoord luidt: “Hij die hem barmhartigheid heeftbewezen” {Lukas 10:37}.

De aanleiding

De directe aanleiding om de gelijkenis te vertellen was de vraag van een wetgeleerde. Hij vroeg: “Wie is mijn naaste?” {Lukas 10:29}. De man was gekomen om Jezus te “verzoeken” en hij wilde “zichzelf rechtvaardigen” {Lukas 10:25,29}. Toch is zijn vraag de sleutel om het verhaal te kunnen begrijpen. Aan het eind van de gelijkenis is er een duidelijk antwoord gegeven. En ín het verhaal speelt de vragen steller een belangrijke rol. Omdat hij aan Jezus had gevraagd “Wie is mijn naaste?” en omdat Jezus hem de wedervraag stelde “Wie van dezen denkt u, dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers was gevallen?”  is het op sterven na dode slachtoffer een beeld van de godsdienstige wetgeleerde. Hij had aan Jezus de strikvraag gesteld: “Rabbi, wat moet ik doen om eeuwig leven te beërven?” {Lukas10:25}. En Jezus laat hem zien dat hij tot niets in staat is. Hij is arm en ellendig en naakt. Ligt als een hulpeloos wrak langs een weg die de diepte inleidt. Uitgeplunderd en in elkaar geslagen door opponenten die sterker waren dan hij. Bezig om dood te gaan.

Priester en Leviet

Indien de gelijkenis bedoelde te leren dat wij ons over onze “verre naaste” behoren te ontfermen, dan zou Jezus hebben verteld dat er “een wetgeleerde aan de overkant voorbijging”. Maar dat zei de Heiland niet. Gezien de opzet van de gelijkenis is dit logisch want de wetgeleerde die de vraag stelde wordt vertegenwoordigd door het hulpeloze slachtoffer. Dat hoopte op bijstand van de priester en de Leviet, maar die gingen voorbij. In preken wordt dikwijls een hard oordeel over deze mensen uitgesproken: “Ze dachten alleen maar aan zichzelf en bekommerden zich niet om hun naaste”. Maar Jezus onthield zich van veroordeling. Hij merkte niet op dat ze slecht waren, maar dat ze – net als het slachtoffer -“afdaalden langs de weg” en “aan de overkant voorbij gingen”. De bedoeling is duidelijk. Wie zoals de wetgeleerde het eeuwige leven wil beërven kan van priesters en Levieten geen hulp verwachten. Dat zijn ook maar mensen die in hetzelfde schuitje zitten als wij. Als stervelingenzijn ze bezig “af te dalen”. Ze zijn op weg naar het graf en kunnen zichzelf niet in levenhouden. Laat staan dat ze een sterfelijk mens onvergankelijk leven zouden kunnen geven.

De Samaritaan

De hoofdpersoon in de gelijkenis is vanzelfsprekend de Samaritaan, die na de priester en de Leviet ter plaatse arriveerde. Er staat niet, dat hij ook “afdaalde”, maar er wordt gezegd dat hij “op reis was” {Lukas 10:33}. Hij verschafte hulp, goot olie en wijn op de wonden en was bereid om blijvend voor de gewonde te zorgen. Voor de periode van zijn afwezigheid trof hij voorzieningen – door bij voorbaat voor verzorging, kost en inwoning te betalen – en wanneer hij “terugkwam” zou hij zijn zorg voortzetten en de herbergier alle gemaakte extra kosten vergoeden {Lukas 10:34-35}. Waarom was deze man een Samaritaan? Velen zeggen: Omdat Joden een hekel hadden aan Samaritanen en de gelijkenis ons wil leren dat wij ons zelfs over onze ergste vijanden behoren te ontfermen indien die in nood verkeren. De werkelijke reden is echter een andere.

Scheldnaam van Jezus

Binnen de kring van de wetgeleerde was “de Samaritaan” een scheldnaam van Jezus. De evangelist Johannes vertelt hoe de Judeeërs zich aan Hem ergerden en Hem verweten: “Zeggen wij niet terecht dat u een Samaritaan bent en een demon hebt?” {Johannes 8:48}. Ze beschouwden Hem als een onecht kind, “geboren uit hoererij” {Johannes 8:41}, d.w.z. ontstaan uit een slippertje van Maria voordat zij met Jozef was getrouwd. Het is veelbetekenend dat de hoofdpersoon in de gelijkenis een Samaritaan is. Voor de wetgeleerde,die was gekomen om die gehate “Samaritaan” op de proef te stellen, was de zinspeling duidelijk. De Samaritaan zou op reis gaan, gezien het bedrag dat hij achterliet meerdere dagen wegblijven {een denaar was een dagloon, zie Mattheüs 20:2} en na afloop van zijn reis in de herberg terugkeren om zich verder over de gewonde te ontfermen. De hoofdpersoon in degelijkenis is Jezus zelf. Het eeuwige leven dat de mozaïsche eredienst niet kan geven, schenkt Hij. In de volle betekenis geeft Hij het bij Zijn wederkomst {want dan breekt de toekomendeeeuw aan, zie Markus 10:30}. Tot die tijd verzorgt Hij ieder die in Hem gelooft. Met “olie en wijn”, dat wil zeggen: met zijn Geest en Woord.

Pijnlijke ontknoping

De ontknoping van het verhaal trof de wetgeleerde pijnlijk. In plaats van Jezus een antwoordte ontlokken dat als grond voor een aanklacht kon fungeren of Hem in diskrediet kon brengen werd hem zélf een strikvraag gesteld. Op de vraag: “Wie denkt u dat de naaste geweest is van de man die in handen van de rovers was gevallen?” moest het antwoord luiden: de Samaritaan. Maar dát kon de wetgeleerde niet over zijn lippen krijgen. Dus gaf hij een omschrijving, “hij die hem barmhartigheid heeft bewezen”. Dat was een correct maar ook een ontwijkend antwoord. We worden herinnerd aan wat Jezus tegen wetgeleerden had gezegd: “U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen; en toch wilt U tot Mij niet komen opdat u leven hebt” {Johannes 5:39-40}. Eeuwig leven is een geschenk dat de Messias geeft. Maar juist religieuze mensen, die naar godsdienstige prestaties streven, zijn niet bereid om hun onmacht te erkennen en alles alleen van Hem te verwachten.

Maria en Martha

Het onderhoud van de Messias met de wetgeleerde eindigde met een opdracht die Jezus de man meegaf: “Ga heen en doet u evenzo” {Lukas 10:37}. Hieruit concluderen uitleggers, dat de gelijkenis ons oproept om voor behoeftigen te gaan zorgen en die barmhartigheid te bewijzen – zoals de Samaritaan zich ontfermde over het slachtoffer van een misdrijf. Uit de geschiedenis die Lukas onmiddellijk op het verhaal laat volgen {Lukas 10:38-42} blijkt echter dat deze conclusie niet juist is. Indien de gelijkenis ons zou oproepen om ons met armen zorgte gaan bezighouden dan had Martha het goede deel gekozen door zich vol ijver te storten in het dienen. Maar Jezus zei dat niet Martha maar haar zuster Maria het goede deel koos – door aan Zijn voeten te gaan zitten en naar Zijn woord te luisteren {Lukas 10:41-42}. De opdracht die Jezus de wetgeleerde gaf moet iets anders betekenen.

De opdracht aan het slot

“Wie is mijn naaste?” en “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” waren de vragen die de wetgeleerde aan de Messias had gesteld. De opdracht van Jezus stond met deze kwesties in verband. Wetgeleerden en Farizeeën verweten Hem dat Hij mensen van laag allooi (tollenaren en zondaren) om zich heen verzamelde. Maar de “Samaritaan” was juist over mensen die alles hadden verknoeid met ontferming bewogen. Als dokter richtte Hij zich niet tot gezonden, maar tot zieken. Als prediker kwam Hij niet om rechtvaardigen maar zondaars te roepen tot bekering. De wetgeleerde moest even barmhartig worden als Hij. Hij moest beseffen de naaste te zijn van tollenaren en zondaren, omdat God het behoud van heel Israël op het oog heeft. Juist “losers” aanvaardden de boodschap van menselijke onmacht en Goddelijke genade die Jezus predikte. Daarom gingen ze het messiaanse rijk eerder binnen dan de godsdienstige krachtpatsers. Tenzij die krachtpatsers zich bekeerden.

Conclusie

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan gaat niet over de vraag hoe wij op aarde een goed mens kunnen zijn. De gelijkenis geeft antwoord op de vraag “Wie is mijn naaste?” En de vragensteller was een godsdienstig mens die besefte dat hij het eeuwige leven niet bezat en zich afvroeg hoe hij dat kon verwerven. De “naaste” van zulke zoekers, de persoon die het allerdichtst bij hen staat en de enige die hen werkelijk kan helpen is de barmhartige Samaritaan. Van Hem verwacht een gelovige Jood niets en toch is juist Hij elke gelovige Jood het meest nabij.Het is beslist een goede zaak wanneer christenen zich over zieken, armen en behoeftigen ontfermen – of die zich nu dichtbij of veraf bevinden. Maar voor de uitvoering van deze taak kunnen zij zich niet op Lukas 10:25-37 beroepen. Romeinen 10:14-15 zou als inspiratiebron beter zijn.

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410336 bezoekers sinds 07-06-2010