Vragen de vanzelf-sprekendheid voorbij

30-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Goed en kwaad, een onderwerp, dat zo veelomvattend is, dat zoveel raakvlakken ook heeft met andere onderwerpen, dat je er op één cur­susdag ze­ker niet over bent uitgepraat. Heel de theologie der eeuwen heeft hier mee te maken gehad. We moeten het dus zien als een terreinverkenning. En dit met al de beperkingen van ons denken. Een basispunt bij deze overdenking is: hoe ga je erover spreken. Je kunt er theoretisch over gaan praten, maar dan begint er bij mij iets te rammelen. H.J.Heering, een kenner van het Joodse denken, begint een boek als volgt: Schrijven over het boze, wie kan dat goed genoeg? Of liéver: boos genoeg! Daar is de stem van dichters voor nodig. Maar die zijn dan ook zo wijs om niet over het boze te schrijven, zij bèschrijven het. Je moet oppassen voor een theorie, voor abstractie. Het gevaar van het abstracte is, dat de woede zich neerlegt, dat de pijn en de angst zich ongemerkt terugtrekken. En dat het een oud verhaal wordt, dat zich behaaglijk laat vertellen. Of een fraaie theorie, waar je alle tegenstrijdig­he­den keurig een plaats kunt geven. Nadenken kan tot verleiding worden, tot sur­ro­gaat voor het leven en handelen. Sartre zegt ergens: de mens staat voor de keus: óf schrijven óf leven. En als je schrijft, kom je aan het leven niet toe. En als je leeft, kom je aan schrijven niet toe. En toch moet het, nadenken. En dan kun je alleen maar hopen, dat je al nadenkend trouw blijft aan die ontelbaren voor wie nadenken een luxe is. Wanneer heb je de tijd om te filosoferen; alleen als je op de een of andere manier vrijgesteld bent van werken. Je zult maar arbeider zijn ge­weest in de veenkoloniën in het begin van deze eeuw. En dan preekte de domi­nee op zondagmorgen over het nut van vroeg opstaan, welk nut je dan weer zes dagen achter elkaar mocht ervaren. (historisch!). Ja, wanneer heb je dan tijd om eens een prachtige boom op te zetten over goed en kwaad. Over een boom ge­spro­ken! De Remonstrantse predikant Zuurdeeg zegt ergens: filo­sofie wordt ge­bo­ren vanuit een noodkreet.

Geen beschouwing, maar hartenkreet

Als we vandaag dus gaan spreken over goed en kwaad, dan hoop ik, dat dit alleen maar geboren wordt vanuit een noodkreet. Zo was het tenslotte ook met de psalmdichters. En zo is het in feite met heel de Bijbel. Heel de Bijbel is ook geboren van­uit een hartenkreet, niet van­uit een beschouwing. Theorie beté­kent ook: beschouwing. En dan kun je het heerlijk eens ‘gaan bekij­ken’. En dan krijg je in­derdaad de neiging om te zeggen: bekijk het maar! Maartje van Tijn, een Joodse vrouw, ze was negen jaar toen de oorlog in 1940 begon, schrijft: Ik kan de wereld niet begrijpen. Dat wil zeggen: ‘s werelds loop niet. De dingen zijn me al te ongerechtig. En dan te bedenken, dat het sim­pele woord ding ety­mo­logisch terug­gaat op rechtszaak, een ‘ding’. Dus vandaag gaat het over dingen, een rechtsgeding, een recht­zit­ting. Dat wij altijd bij het gerecht naar gerechtig­heid zoeken, recht­spraak laten houden, aanspraak ma­ken, dingen maar…. wat wil­len we dan eigenlijk? Ik spreek alleen tot mezelf. Ik wil, dat het verkrom­de recht wordt gemaakt. Wat is kromgebogen, kromgegroeid onder de verdrukking, dat moet eindelijk de kans krijgen recht te worden, zich op te richten. Maar dan moet het zwaar verdrukte, het verkromde, het jammerlijk kromgegroeide ook iets hebben, iets te pakken krijgen, iets in het oog krijgen om zich weer op te rich­ten.

Niemand is buitenstaander

Dat is ook de grondtoon geweest van alle profeten en psalmisten. Die hebben niet theoretisch gesproken over het goede en over het kwade, die hebben dat niet keurig in vakjes gedeeld. Anders sta je er in feite buiten, dan sta je daar als een toeschouwer. Dan ben je een buiten­staander. Alleen: niemand is in wezen buitenstaander. Kleys Kroon zegt ergens: de Joden zochten het hart. En de rest is al­leen maar het toneel, dat zijn de decors. Hun probleem was het on­recht en het leed in de mensengeschiedenis. Zij zochten recht en troost en bevrijding. Zij hadden geen adem voor een beschouwing. Zij riepen vanuit hun ademnood.

Het kwaad valt niet te plaatsen.

Maartje van Tijn zegt: Ik heb het kromme niet gemaakt, het krom­gebogene in deze wereld, ik ben erin geboren! Het was allemaal al verkromd toen ik geboren werd: oorlog, hongers­nood en crisis, ver­drukking, ongerechtigheid, het was er al. Wie kan het begrij­pen, het transport van Joodse kinderen; 150 Joodse kinderen, zo ongeveer, we kijken niet op eentje meer of minder. De oudsten niet ouder dan een jaar of tien, de jongsten niet ouder dan een jaar of twee. Op weg naar de gaskamer, op weg naar Auschwitz. De kindertjes moeten nog even wachten op vergassing, ze zijn nog niet aan de beurt. De kindertjes moeten zich dan maar vast gaan uitkleden. Dan is het tijd. Een SS-bewaakster, compleet met uniform en hond roept de blote kindertjes ‘tot de orde’. Ze moeten immers in bad. Een klein jongetje, hoogstens een jaar of twee, kan de anderen niet zo goed bijhouden. Onbeholpen kruipt de kleine de anderen achterna. De be­waakster geeft haar hond even over aan een collega. De vrouw, want het was een vrouw, een vrouw met een baarmoeder en een moeder­borst, neemt de peuter op de arm. Dat doet ze. De peuter is tevreden. Hij speelt met de blonde haren van de knappe bewaakster en streelt met zijn vin­ger­tjes over het ordeteken op haar muts. Hij brabbelt een beetje en lacht erbij. In welke taal? Dat is ons niet overgeleverd. In het Hongaars, in het Pools of in het Grieks of in het Jiddisch? Of misschien wel in het Nederlands. De vrouw levert de peu­ter aan de gaskamer af en komt rustig weerom, neemt de hond weer over van haar collega en gaat in gemoede door met de dingen van de dag… Dit is een fragment uit het boek: “Hunner was de Hel”. Kinderen in ghetto’s en kampen. Zulke dingen kunnen en dat mag niet kunnen. Ik wil dat het niet kan. Het moet niet mogen kun­nen. Waar moet ik mij op rich­ten. Waaraan moet ik worden opge­richt? Krom ben ik temidden van het krom­ge­groeide. Recht moet er zijn; recht wil ik zijn. Waarom God, waarom? Waarom kan wat niet zou mogen kunnen? Recapitulerend: ik ben geboren in de wereld van het kromgegroeide, Ik ben mede kromgegroeid in de wereld van het krom­ge­groeide. Maar ik wil recht zijn. Ik wil tèrecht zijn. Dus moet ik mij richten, richten op het recht. Niets is er in de wereld recht. Daarom God. En toch: waar­om, o God ? God.., dan ook de daden van God; dan ook het vertellen van de daden van God. Dan ook het vertellen over het vertellen van de daden van God.

De Almachtige

Dat is, denk ik de toonzetting. Daarom ben ik expres zo begonnen. En dan komt de aloude vraag: waar komt het kwaad vandaan? Het al­­oude probleem. Ook de aloude vraag naar de Almacht. Als God al­machtig is, waarom…. Het woord Almacht is op zich een wat riskante term. André Neher zegt: de term Almachtige is eigenlijk een heidens woord. Vulgair, po­pu­lair, tot een kreet geworden. Daarom tegelijk tot een raadsel ge­wor­den: als God dan almachtig is, waarom grijpt Hij niet in, waarom laat Hij het toe, waarom doet Hij dit of waarom laat Hij dat. De eerste keer dat dat woord in de Bijbel wordt gebruikt is: «Verscheen de HERE aan Abraham en zeide tot hem: Ik ben God, de Al­machtige»Gen.17:1. bGod verschijnt aan Abram. Hij was bijna Abraham. Hij was negen­en­ne­gen­tig jaar. De Hebreeuwse tekst zegt: hij was negentig jaar en ne­gen jaren. Nog net voor de honderd. Dertien jaar lang is het stil ge­weest, een stilzwijgen, geen gesprek, geen woord van de Eeuwige. «Wandel voor mijn aangezicht en wees onberispelijk». Onberispelijk… Liever gaaf, Het Hebreeuwse woord hier is tamim. En dat betekent: een mens uit één stuk. Wees totaal. Onberispe­lijk trekt het teveel in de sfeer van: is er nog wat te berispen. «Ik ben El Sjaddai». Dat woord geeft ons misschien meteen een handvat. In de vertaling dus terechtgekomen als ‘De Almachtige’. En dan krijg je de onver­mij­delijke vraag: kan God alles? Zoals de vraag, die men in de Mid­del­eeuwen al bedacht: kan God een steen maken, die Hij Zelf niet kan optillen? In de oorspronkelijke betekenis heeft dat woord ‘Sjaddai’ te maken met de moederborst: sjaddaïm. Het is dus eigenlijk: de moederlijke God; de God die zijn schepping en zijn mensen aan het hart drukt. Veel meer de tederheid dan de macht. Je zou haast beter kunnen zeg­gen: het gaat niet zozeer om de macht van God als wel om zijn over­macht. De overmacht van zijn liefde. De rabbijnen zeiden: Sjaddai is ook: Sjèh ‘omer dai. Hij die zegt: ‘Nu is het genoeg’. Deze God is juist daarin uniek, omdat er mo­menten zijn waarin Hij zegt: en nu is het genoeg. In Spreuken staat: «Vier zeggen nooit: het is genoeg: het dodenrijk en de onvruchtbare schoot, de aarde die nooit van water verzadigd wordt, en het vuur, dat nooit zegt: het is genoeg!» Spr.30:15,16. Dat is wel een bekend begrip: het onverzadigbare, nooit tevreden, al­tijd maar meer, het rusteloze, wat ook iets demonisch in zich heeft. «De bloedzuiger heeft twee dochters: geef,geef!» Spr.30:15. In het Hebreeuws staat: hab, hab. Geef, geef! Eigenlijk betekent het: hier, hier! Geef, geef! Maar God zegt op een gegeven ogenblik: het is genoeg. E­n ook bij de schepping was er een moment, dat God zei: het is genoeg. En dat kan ook in een mensenleven het geval zijn, dat er een mo­ment komt dat God zegt: en nou is het genoeg. Daar zit iets barm­har­tigs in. De barm­hartigheid van de begrenzing. God zegt dat niet in de zin van: Hij heeft er genoeg van, maar in de zin van: Hij vindt het voldoende, Hij is tevreden. Hij is op een gegeven moment tevreden met wat er geschapen is. Hij is tevreden met zijn schepselen. En dat kan ook zijn in een mensenleven, dat God zegt: nou heb je genoeg meegemaakt. Je hebt genoeg gevochten en gewor­steld. Je hoeft niet eindeloos door te gaan. Er komt ook een keer genade, een eindstreep. Abraham heeft zo lang geworsteld en gewacht op die zoon. En dan komt dat moment, dat God zegt: Ik ben El Sjaddai, Ik ben de God die zegt: genoeg! Een genadige begrenzing.

Het kwaad is concreet, niet theoretisch

Als je het nu hebt over goed en kwaad, dan mag je gelukkig je ge­voel laten spreken. Een dogmaticus of een theoloog màg dat geluk­kig. Goede theologie is ook emotioneel. Theoretici kunnen zo keurig zeg­gen: God heeft het goede gemaakt en God heeft ook het kwade ge­maakt en Hij heeft er wel op de een of andere manier een bedoeling mee. ‘t Zal wel ergens goed voor wezen. En als je zo’n verhaal dan leest over die kindertjes in Auschwitz, dan wil dat niet meer, dan stokt het. Je moet altijd spreken over een concreet kwaad, niet over een the­ore­tisch kwaad. In de berijmde Psalm 121 staat het regeltje: “Hij maakt het kwade goed”. Maar dat staat er niet in de oorspronkelijke psalm. Dat is er­gens zo’n vrome saus van: och ja, God maakt er wel wat goeds van.

Scheppen is ruimte scheppen

In de Middeleeuwen leefde de Joodse denker Isaäk van Luria. Hij zei: Wat gebeurt er nou eigenlijk, als God gaat scheppen? Een van de betekenissen van dat Hebreeuwse woord scheppen bara’ is: ruimte scheppen. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor: bomen rooien. Dan ga je ook ruimte scheppen. Vóór de schepping er was, was God alles. Er was alleen maar God. God vervulde alles, er was verder niets. Maar dan zegt God: Ik wil niet alleen zijn. In het begin was God de aleph. En de aleph heeft de getalswaarde één. En toen God ging scheppen, kwam daar de letter bet bij. Bara’ begint daarom ook met een bet. Van een eenheid werd het een ‘tweeheid’. Het woord bara’ eindigt trouwens weer met een aleph. Je gaat dus via de ‘tweeheid’ weer naar de eenheid. Genesis 1 begint ook met een bet: beresjit. Zodra God gaat scheppen komt er die ‘tweeheid’. En als God wil scheppen, dan moet Hij zich te­rugtrekken. En daardoor komt er ruimte voor iets buiten Hem. Als je wilt dat er nog iemand is, dat er nog iemand bij kan, moet je een eindje opschuiven. Als je zegt: kom naast me zitten, dan moet ik soms wel een beetje inschikken. Dus als God gaat scheppen, dan is dat eigenlijk een soort terug­trek­king. Je kunt nog een stapje verder denken en zeggen: zodra God gaat scheppen, gaat Hij in wezen in ballingschap. Juist om ruimte te geven aan de ander, of aan het andere.

Partner van God

Als je stelt: alles is in God, God vervult alles, dan krijg je een soort Pan­theïsme. En dat is geen bijbels denkbeeld. Dat is de oos­terse filo­so­fie die zegt: “alles is in God”. Het bijbelse denken zegt echter: er is een onderscheid. De schepping is onderscheiden van de Schepper. Wij zijn apart; wij zijn niet een stukje van God. We zijn ook niet een soort uitvloeisel van Hem. Wij zijn een ‘tegenover’, een partner. Dat is juist het oerprincipe van het Hebreeuwse en Joodse denken. Maar dan moet God ruimte geven aan die partner. Je moet dus oppassen met dat woord Almacht. Want zodra God gaat scheppen, en helemaal als Hij de mens gaat scheppen, dan introdu­ceert Hij daarmee het element van de vrijheid. Die mens krijgt de vrijheid; de mens is geen marionet; wat dat betreft trekt God niet aan de touwtjes. Neher zegt: het geheim van de Eeuwige is: God heeft besloten zijn macht te beperken. Anders zou die mens ook nooit iets kunnen. Als een vader altijd alles voor zijn kind blijft doen, wordt dat kind nooit volwassen. Dat kan ogenschijnlijk soms wel heel mooi lijken, maar het is een ramp. Een kind wil ook geen ouder hebben, die al­machtig is, die alomtegenwoordig is. Zo’n kind stikt. Dan zijn er geen levens­kansen. God zegt: Ik trek me terug. Dat wordt genoemd: “Het eeuwige risico van Genesis”. Scheppen is risico nemen. Als je de term Almacht invoert, haal je het hele partnerschap eruit. Dan wordt het eigenlijk alleen maar een soort rollenspel. Je krijgt dan het afwikkelen van iets dat allang geprogrammeerd is. Je krijgt dan een soort computerspelletje. Dat zou een grove mis­vor­ming zijn van wat eigenlijk de bedoeling is. Als je in de schepping uitgaat van het begrip tweeheid, dan heb je dus ‘een tegenover’, de een en de ander. Daar zit dus een ri­sico in. The­oretisch kun je dan weer zeggen: God heeft de moge­lijkheden ge­schapen, de dualiteiten. Als daar een vrijheid is om te kiezen, dan kun je dus twee kanten op. Daarop doordenkend zou je zeggen: het kwaad als mogelijkheid is dan aanwezig, denkbaar. Want wat zou anders het goede zijn, als het niet ergens afgegrensd is. Anders zou je ook geen besef hebben van wat goed is. En dan kom je op de geschiedenis van de boom. Daar komen we nog op.

Ik heb die smid geschapen

«Zie, Ik ben het, die de smid geschapen heb, welke het kolenvuur aan­blaast en naar zijn kunst het wapen vervaardigt, maar Ik ben het ook, die de verderver geschapen heb om te vernielen» Jes.54:16. De Septuagint heeft deze tekst wat anders vertaald. Hierbij moet je wel bedenken: de Septuagint is al een worsteling met de tekst. De Sep­tuagint is een paar eeuwen voor Christus geschreven. Er is ook wel gezegd: de Septuagint is een van de eerste interpretaties van de He­breeuwse Bijbel. Daar zit al een stuk gevecht in met de tekst. En daarom heeft de Septuagint recht van spreken als wer­kingsge­schie­denis. Dat Rabbijnse denken hoort er ook helemaal bij. De geschie­de­nis laat zien wat de grenzen zijn van een tekst. Heeft God de verderver geschapen…. om te vernielen? Daar zijn dan hele theorieën over op stapel gezet. De verderver zou dan de duivel zijn, de Satan. Bij voorkeur met een hoofdletter, dan weet je over wie je het hebt. In de loop van de tijd is de Satan dan ook een figuur geworden, waar men dan alles in heeft ge­plaatst wat allemaal kwaad is, van likdoorns tot atoombommen. Zo van: de dui­vel had me van de week weer zo te pakken! De boze had het weer op me gemunt! Zo wordt de satan langzamerhand een figuur die ook alomtegenwoordig is. Volgens sommigen schijnt hij zich ook te specialiseren in het bezoe­ken van samenkomsten. Het woord satan kom je in de Hebreeuwse Bij­­bel amper tegen. «Zie….»  Jes.54:16. Dat zie is altijd een woord, dat de aandacht trekt. Het betekent ook zoiets als: welzeker, het duidt dus op een soort bevestiging. Je hebt hier iets dat in het verborgene al waar is, gezien wordt, maar het moet ook nog in de concrete werkelijkheid zichtbaar wor­den …. zie…. «Zie, Ik ben het…» Jes.54:16. In het Hebreeuws: Anochi (Ik). En dat is de nadrukkelijke vorm van het woord Ik. En deze vorm duidt op het innig nabij zijn. Ik ben de God die je draagt. Dat is de spe­cifieke betekenis van dat woord anochi. Ik met na­druk. De God die de draagkracht is van zijn mensen. Dat is het­zelfde Anochi, waar de tien woorden mee beginnen. «Die de smid geschapen heb welke….het wapen vervaardigt» J­es.54:16. Voor wapen mag je ook ruimer het woord gereedschap lezen. En over welke smid gaat het nou? Dat moet je wel weten, anders komt deze tekst in de lucht te hangen. Bovendien moet je bedenken, dat er in het Hebreeuws niet staat de verderver. Er stáát helemaal geen lid­woord. Je kunt dan ook beter vertalen: Ik heb ook een verderver geschapen «Ik ben het ook, die een verderver heb geschapen….» Omdat er vertaald is de verderver, denkt iedereen meteen: 0, ja, na­tuurlijk de satan. Dat is die waarover het altijd gaat. Dat kan er na­tuur­lijk maar eentje wezen. Dè boosdoener. Hij met dat hele lange strafregister. We moeten dus weten over welke smid het nou gaat. Hierbij moeten we bedenken, dat we in Jesaja 54 bijna aan het eind zijn van een reeks hoofdstukken, die allemaal in een bepaald ver­band staan. Dan moet je eigenlijk beginnen in Jesaja 40 en let dan op: «De smid heeft een bijl en werkt in de kolengloed en vormt het (beeld) met hamers en bewerkt het» Jes.44:12. Daar heb je dus die smid, die charasj. In die smederij worden dus al die beelden gemaakt.

«Zie, al de aanhangers daarvan zullen beschaamd staan; de werklie­den zijn slechts mensen….» Jes.44:11. Hier staat hetzelfde woord charasjim voor werklieden. Die smeden ma­ken dus de afgodsbeelden. Verderver is dus de vertaling van masjchit. Hoofdstuk 44 is dus de achtergrond van dat beeld in hoofdstuk 54. Dat woord charasj vertaalt Chouraqui met: werkmeester, vakman. Al die hoofdstukken spreken dus over Babel, waar het volk Israël in bal­lingschap zat. En die Israëlieten maakten dat elke dag mee. Ze liepen elke dag langs die smederijen. En ze zien dus de dage­lijkse productie van afgodsbeelden. En ook wat dat betreft: nooit genoeg. In al deze hoofdstukken gaat het dus om de gedachte: ja, maar die Ba­bylonische goden die doen niets, die zijn machteloos, die kunnen geen geschiedenis maken. En dan komt de God van Israël en die zegt: ja, maar Ik doe wèl wat. Ik maak geschiedenis, Ik heb zelfs die smid gemaakt, die daar maar voortdurend zit te blazen en amechtig zit te worden. En die zit maar goden te sto­ken. God zegt: Ik heb ook die smid gemaakt, die die wapens pro­duceert. Ook al heb Ik geen op­dracht gegeven om die wapens te maken. En dat die amechtige smid toch nog een beetje adem heeft, dat heeft hij aan de Eeuwige te danken, die de mensen de adem geeft. En dan komt die tweede regel van Jesaja 54:16. «Maar Ik ben het ook die een verderver heb geschapen» Jes.54:16. Chouraqui vertaalt: «Ik heb geschapen de “destructeur pour saboter”». De afbreker, de destructeur om te saboteren. Aan de ene kant zie je dus die wapenfabrikant en aan de andere kant zegt God: maar ik heb ook degene gemaakt, die die zaak sabo­teert, die de wapens onklaar maakt.

De verderver ontmantelt het kwaad

Ik heb een verderver gemaakt om te saboteren. Want je had daar dus dat hele Babylonische koninkrijk met al hun goden en machten en met hun wapengeweld en hun invloed en hun macht. En op een gegeven ogenblik komt daar Cyrus of Kores van de Meden en de Perzen en hij maakt dat hele zaakje van Babel onklaar. Dat was die verderver op dat moment. God zegt: Ik stuur een koning om heel het zaakje van Babel te demonteren. Daar is dat Babylonische bedrijf, die smederij van Babylon. Maar daar is ook een Kores, die dat hele Babylonische bedrijf gaat de­monteren. Die verderver uit Jesaja 54:16 zou je misschien ook kunnen vertalen met: de kraker, de afbreker. Het is degene, die er een eind aan maakt, die het ontmantelt. Je zou dus kunnen zeggen: «Ik heb ook degene gemaakt, die het kwaad ontmantelt» Jes 54:16. Die verderver is er dus juist om het kwaad te verderven. Om te zor­gen, dat het kwaad niet het laatste woord heeft. In dit verband moet je de tekst, zoals altijd weer, in zijn context lezen. Want dan volgt er in vers 17…. «Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het ge­richt tegen u keert, zult gij in het ongelijk stel­len» Jes.54:17.

De wederoprichting van Sion

Want in heel Jesaja 54 gaat het over Sion, dat er zo ellendig aan toe is, op de puinhopen zit en zich aan alle kanten bedreigd voelt door vijandelijke machten en het gevoel heeft, dat het her­stel nooit zal ko­men. En dan zegt God: wees nou niet bang voor wat die Babyloniërs alle­maal smeden, wat voor onheil die scheppen. Dan zegt God twee keer: Ik schep. En dan met de nadruk op Ik. Parallel hiermee zou je kunnen zeggen: die verderfengel in Egypte sa­bo­teert heel dat Egyptische, dat ‘faraonische’ systeem. Daar wordt dan dat hele bedrijf van de Farao ontmanteld. God strijdt niet tegen Egyptenaren, maar tegen de goden van Egypte. In dit verband wil ik stellen: ik zeg niet, dat God de duivel gebruikt. Je mag ook niet zeggen: God laat het toe. Al die theorieën maken de zaak in wezen weer tot een keurig patroon. In Jesaja 54 valt de nadruk dus op het heil voor Sion. Het gaat hier om: «Gij ellendige, door storm voortgedreven ongetrooste….» Jes.54:11. En dan zegt God: Ik ga mijn stad herbouwen. Het gaat om de weder­oprichting. Daarom is het zo dodelijk gevaarlijk, als je één zo’n tekst, zoals dat Jesaja 56:16 uit zijn verband gaat plukken. Dan gaat dat een eigen le­ven leiden. En dan wordt daar soms een hele demonologie op ge­bouwd. In Jesaja 54 gaat het dus over de wederoprichting van Sion. Eerst wordt dat voorgesteld als een vrouw en in de loop van dat hoofd­stuk wordt het het beeld van een stad. En in wezen is dat na­tuurlijk hetzelfde. De smeden van Babel kunnen wel wat maken, maar die goden ma­ken geen geschiedenis. Daarom gaat God al die machten en krachten die de geschiedenis lam leggen, saboteren.

Het woord ‘satan’

Dat woord satan komt eigenlijk maar een stuk of zes keer voor in de Tenach, in de Hebreeuwse Bijbel. Onder andere: «En de HERE deed een tegenstander tegen Salomo opstaan» 1 Kon.11:14. Hier staat dus het woord satan. Dat is hier dus heel gewoon een mens. Satan betekent dwarsligger, hin­deraar. «God deed nog een tegenstander tegen hem opstaan» 1 Kon.11:23. «En nu heeft de HERE, mijn God, mij rust gegeven allerwegen; er is geen tegenstander».  1 Kon.5:4. «Opdat hij geen tegenstander van ons worde in de strijd» 1 Sam.29:4.

Dat zeggen die Filistijnse vorsten van David. «De Engel des HEREN stelde zich op de weg als zijn tegenstander» N­um.22:22. Het gaat hier over Bileam. «Zie ik ben uitgegaan als een tegenstander»  Num.22:32. «Laten beschaamd worden en vergaan, wie mijn leven belagen» P­s.71:13. In de vertaling is het woord tegenstander hier helemaal verdwenen. Het staat hier zelfs in het meervoud. Je zou dan de vraag eens kun­nen stellen: hoeveel satans zijn er. Letterlijk staat in deze tekst: «De satans van mijn ziel». Chouraqui vertaalt hier: aanklagers…

«Stel een goddeloze als rechter over hem, een aanklager sta aan zijn rechterhand» Ps.109:6. Ook hier weer: satan. «Terwijl de satan aan zijn rechterhand stond» Zach.3:1. Hier gaat het over de hogepriester Jozua. Dit zijn dan de zogenaamde kroonteksten die dan in de regel geciteerd worden. Hier zien we dus de Satan als aanklager. Hier staat het in de Hebreeuwse tekst dus met een lidwoord ‘Dè Satan’. Je kunt hier dus ook ver­talen: hin­de­raar; om hem aan te klagen. Hier wordt ook het werk­woord satan ge­bruikt. Je zou kunnen zeggen: de Satan staat aan zijn rechterhand om hem te ‘sataniseren’. De aanklager staat aan zijn rechterhand om hem aan te klagen. Het werkwoord satan komt dus ook voor. Buber vertaalt: «De hinderaar stond aan zijn rechterhand om hem te hinderen». Je ziet dus, dat die teksten zo veel meer open liggen. Een mens kan ook een hinderaar worden, een dwarsligger. Dat is ook wat Jezus op een gegeven ogenblik tegen Petrus zegt:«Ga achter Mij satan».Hinderaar! Op dat ogenblik hindert Petrus de gedachten van God. Hier wordt Petrus dus aangesproken als satan. Juist ook omdat de aan­spraak in één zin staat. Want dan gaat het meteen door: …«Gij zijt niet bedacht op de dingen Gods maar op die der mensen». Daarnaast heb je dus nog die beroemde proloog van het boek Job, Job 1 en 2, waarbij je dan dat punt krijgt van de ‘Zonen Gods’, die zich stellen voor de troon. En te midden van die zonen is daar dan de Satan, de hinderaar. Dat verhaal van Job is eigenlijk te mooi om zo even en passant te be­han­delen. Waar die zonen van God komen, daar zit de hinderaar er ook altijd op de een of andere manier tussen.

Job doet voorbede voor zijn aanklagers

André Neher zegt: Aan het eind van het boek Job, in hoofdstuk 42, komen al die hoofdrolspelers nog een keer terug, behalve één, behal­ve de satan. Daar heb je Job, de vrienden, God, maar de satan is er niet meer bij. Misschien heeft dat er dan ook mee te maken, dat Job dan voorbede gaat doen voor zijn vrienden. Dat is dus precies het om­gekeerde van de aanklacht. Als Job gaat bidden voor zijn vrien­den, dan wordt hij Messiaans. Terwijl Job alle reden had om zijn vrien­den aan te klagen. Maar doordat hij uitstijgt boven het niveau van de aanklacht, daardoor is dan in wezen de aanklacht verstomd, is de aanklager verdwenen. Job gaat bidden voor zijn vrienden, voor zijn aanklagers. Job neemt het lot van die vrienden in zijn handen. Dit is een van de meest grandioze momenten uit dit grandioze boek. De toekomst van die drie vrienden ligt in de han­den van de aan­ge­klaagde. Het is eigenlijk verhaal en spiegelverhaal. In het begin heb je die zonen Gods met de hinderaar ertussen, dat is het ene beeld. En het andere beeld: Job zit daar tussen zijn vrienden. In het ene geval heb je dus zonen van God en een hinderaar ertus­sen; in het andere geval heb je daar Job, een zoon van God en de hin­deraars er omheen, drie aanklagers. Wat er zich in de hemel af­speelt is helemaal spiegelverhaal van wat er op aarde gebeurt. En aan het eind dan is de aanklacht verstomd, omdat Job daar staat als voorspreker te midden van de aanklagers; dan is de aanklacht ten einde. De Joodse dichter Karl Wolfskehl zegt dan: daar wordt Job Messi­aans. Job wordt daar eigenlijk beeld van de Messias. De aangeklaag­de die alleen maar bidt voor de aanklagers. Dat is de lijn die doorgaat tot in het boek Openbaring. «En zij hebben hem overwonnen (die aanklager) ……door het woord van hun getuigenis»  Op.12:11. Daar heb je dus de voorspraak die de tegenspraak overwint. Dat is eigenlijk ook de grote lijn van het verhaal van Job.

Hoe zijt gij uit de hemel gevallen

«Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken» Jes.14:12.Deze tekst wordt vaak geciteerd in verband met de val van satan. Morgenster is via de Vulgata Lucifer geworden. En Lucifer bete­kent: Licht­drager. De gedachte, dat het hier zou gaan over de val van satan vind je al bij Dante in de Middeleeuwen.

Hij, die eens was het hoogste schepsel

 schonk hiervan het bewijs.

 De trotse, die verwaten op het licht niet wachtte,

onrijp ter helle zonk.

Ook bij Vondel vind je Lucifer weer terug. In de literatuur heeft dit dus een grote rol gespeeld, juist ook in ver­band met Genesis 2 en 3. En ook bij de kerkvaders vinden we dit weer terug. Bepaalde dingen zijn tot een soort dogma geworden. Zo krijg je vaak de dogmatisering van verhalen. Dogma’s zijn dan vaak gestolde verhalen; ingevroren, ingeblikte verhalen. De Bijbel is een boek van verhalen. En als je die verhalen dan gaat invriezen, worden ze hard en niet meer te eten. Jesaja 14 wordt meestal verklaard als de val van de engelvorst, waar­door hij de duivel wordt. Deze verklaring gaat terug op Origenes. Vol­gens sommigen was Origenes niet helemaal ‘zuver in de leer’. Maar Ori­genes zei dus: Jesaja 14 is het lied over de val der engelen. «Overweldiger der volken»  Jes.14:12. Bekijk je nu het hele verband, dan gaat het hier over de koning van Babel. Zo staat er in vers 16: «Is dit de MAN die de aarde deed sidderen» Jes.14:16. En in vers 4: «Spotlied op de koning van Babel» Jes.14:4. Heel dit stuk gaat over Babel. Dan worden bepaalde beelden gebruikt: «Ik zal ten hemel opstijgen» Jes.14:13. Dat is typisch dat principe van die Toren van Babel. «Ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen».  Jes.14:14. En dan het contrast: «Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen» Jes.14:15. Let op het contrast: «Op de berg der samenkomst». «In het dodenrijk». Letterlijk staat er: «Aan de zijden van het noorden»  Jes.14:13. «Aan de zijden van de put».  (afgrond, dodenrijk) Jes.14:15. In een figuur als Nebukadnessar herkennen we dit. Nebukadnessar wil in zijn hoogmoedswaanzin opstijgen en dan wordt hij neergewor­pen. Hij wordt gelijk aan de dieren van het veld. Op de afbeeldingen uit die tijd wordt de koning ook afgebeeld tussen maan, zon en sterren. Ook later vind je dat weer terug bij de Romein­se keizers. De Romeinse keizer Domitianus had een zoontje, waarvan hij dacht, dat dat de zonnekoning, de messiaanse vorst zou worden. Hij liet dat kind ook op munten afbeelden met sterren om zijn hoofd. Zo van: dit wordt het. De tegenhanger zien we in: «Een krans van twaalf sterren op haar hoofd» Op.12:1. Dat kind van Domitianus stierf op jeugdige leeftijd. Domitianus zei: dat kind is dus weggerukt naar de hemel. Ook dat beeld zien we terug in: «En haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon» O­p.12:5.          

Klaaglied over de koning van Tyrus

In Ezechiël 28 zien we die andere kroontekst. «Hef een klaaglied aan (een Qinah=dodenklacht) over de koning van Ty­rus» Ez.28:11. Nu heeft zo’n dodenklacht, zo’n qinah altijd een bepaald schema, na­melijk eens en nu. Eerst wordt verteld hoe iemand vroeger was, dan wordt verteld hoe hij nu is. Die dodenklacht wordt gezongen, als iemand al gestorven is. Dus als Ezechiël de opdracht krijgt een qinah te zingen over de koning van Tyrus, dan wordt daarmee dus eigenlijk vastgesteld, dat die al dood is. Een soort ‘in memoriam’. Die vorst van Tyrus zit daar nog prinsheerlijk op zijn troon en Eze­chi­ël is al een ‘in memoriam’ aan het schrijven. Dat komt toch wel hard aan. Dat is dus profetisch. Vanuit de geestelijke wereld gezien is die ko­ning van Tyrus al dood. Hij kan nog een poosje koning kraai­en, maar vanuit het wezen der dingen is hij al van zijn plaats gezet. Hij is ‘niet meer’.

Het boek wordt geopend

Bij een preek heb je soms een opening, een woord vooraf, een ‘voor­af­spraak’, zoals in Gereformeerde kringen wel werd gezegd. Het Hebreeuwse woord dat hiervoor wordt gebruikt, kan ook beteke­nen: uitleg. Als je immers iets uitlegt, gaat het open. Zoals in: «Ik zal…mijn geheimenis (eigenlijk: mijn raadsel) openen bij de citer» P­s.49:5. Als een raadsel geopend wordt, wordt het verklaard, uitgelegd, ont­huld. Vergelijk ook: «De schriftgeleerde Ezra……opende het boek….»  Neh.8:5. Dat openen kun je dus letterlijk opvatten, maar ook: hij gaat het uit­leggen. Ook bij Jezus zien we dit, als Jezus zijn prediking in Nazareth begint met het boek Jesaja te openen. (Luc.4:17). «En toen Hij het boek geopend had» Luc.4:17. «En legde hen uit (opende) wat in al de Schriften op Hem betrekking had» Luk.24:27. Het openen van de Schriften staat als een kader om die weg van de Messias heen. «En ons de Schriften opende» Luk.24:32. «Was ons HART niet brandende in ons» Luk.24:32. Het hart; het hart heeft vaak te maken met het verstaan, het hart dat de Schriften verstaat. Dat branden heeft ook vaak te maken met de Torah. De Torah wordt ook vaak gezien als een vuur. En de Rabbijnen zeggen dan: de zielen van Is­raël werden allemaal ontstoken aan dit vuur. En datzelfde zeggen hier die twee Emmaüsgangers. «En zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem» L­uk.24:33. Dat is wonderlijk! Net elf kilometer gelopen en dan weer elf kilometer terug. En naar Emmaüs was een zware tocht geweest met wanhoop in hun hart, dan loop je niet zo fief. ‘Ze stonden op’ … staat er, het was dus echt Pasen! «En zij verhaalden (uitleggen, openen) wat onderweg gebeurd was» L­uk.24:35.      

Volmaakt zijt gij van gestalte

«Volmaakt zijt gij van gestalte, vol van wijsheid, de volkomen schoon­heid» Ez.28:12. «In Eden waart gij, Gods hof» Ez.28:13. De Statenvertaling zegt: (voor ‘volmaakt van gestalte’) «Hij was de verzegelaar van de som». Daar staat een woord, dat betekent: degene die verzegelt. Hij was de schatbewaarder, de bewaarder van het model. Dus van het oorspron­ke­lijke plan van God. In de loop van de tijd heeft men gezegd: dit loopt parallel met Jes.14, dat gaat over de satan, een gevallen engel. Maar als je dit weer in zijn verband gaat lezen, gaat het over die vorst van Tyrus. «Mensenkind, zeg tot de vorst van Tyrus…omdat uw hart hoogmoedig geworden is en gij zegt: ik ben een god, een godenwoning bewoon ik midden in zee….terwijl gij een mens zijt en geen god» Ez.28:2. Tyrus lag ook inderdaad als een schiereiland, het was een havenstad in de zee. «Door uw uitgebreide handel» Ez.28:16. «Door het onrecht bij uw koophandel» Ez.28:18. Als het hier over de satan zou gaan en niet over een mens, kun je je afvragen: hoe moet je dan die koophandel verklaren. Dan moet je wel weer een bocht maken in je uitleg, om te stellen: Lucifer hield zich be­zig met koophandel.

Gij waart een beschuttende cherub

«Gij waart een beschuttende cherub» Ez.28:14. Een cherub is een gestalte, die tot taak heeft om te beschermen. In Ge­nesis 3 staan daar die cherubs om de hof te bewaren. Maar grote mogendheden als Assur, Babel, Egypte werden ook wel gezien als beschuttende cherubs. Die hadden de taak om de klein­tjes te be­scher­men. Een groot land hoort het op te nemen voor een klein land. En dan kom je bij het hart van de Torah. Iemand zei: “Het grootste kwaad is de zonde tegen de hoop”. Die vorst van Tyrus was dus bedoeld om een beschuttende cherub te zijn. En in plaats daarvan is hij alleen maar zijn koophandel gaan bedrijven. Hij heeft zijn eigenbelang laten prevaleren. En dat wordt dan ook zijn val. «Van de berg der goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub» Ez.28:16. Als jij je taak niet vervult, heb je geen recht van bestaan. «Onberispelijk waart gij in uw wandel, totdat er onrecht in u werd ge­vonden».  Ez.28:15        

Onberispelijk: tamim = gaaf.

Die koning van Tyrus begon dus goed, hij begon gaaf. Maar dan komt die handel. Zo begon ook de VOC: handel, maar ook minder prettige praktijken. Koloniën; allemaal van ons. Man, wat heb je er eigenlijk te maken! De Engelsen en de Nederlanders twistten notabene over de vraag van wie nou eigenlijk Indonesië was. Daar heb je nu Ezechiël 28. Dat kun je dus heel concreet invullen. Dat hele kolonialisme gaat van een vreemd standpunt uit: wat ik on­dek, is van mij! Columbus ontdekt Amerika, nou, èn? Daarom is het nog niet van jou. Daarom heb je nog niet het recht om daar je vlag te planten. Ezechiël zegt dus: we moeten dat koningschap eens doorlichten en zien: zìjn het wel van die beschermers, zijn het wel cherubs? Of zijn het verstikkende vleugels. Het begrip cherub hoeft dus niet altijd op een engel te slaan, Die afbeeldingen van die koningen waren soms inderdaad cherubfiguren met vleugels, maar dan vaak met die dichtklappende vleugels. Lodewijk XIV zei: L’état, c’est moi. De staat, dat ben ik. De zonnekoning. Als die koning sterft, is ‘de zon uit’. En de tsaren in Rusland hadden ook nogal een hoge dunk van zich­­zelf. Die Russische Revolutie was nog niet zo’n onbegrijpelijke ge­beurtenis. Ook de Joden werden daar vervolgd. Hitler was ook zo’n ‘cherub’. En Stalin maakt in Rusland het werk af waar Hitler mee be­zig was geweest. Hij ging gewoon door om de Joden te elimi­neren. En ook in Polen gingen ze na de oorlog gewoon door waar Hitler gebleven was. In de Bijbel staat dus niet met zoveel woorden, dat de satan een ge­vallen engel is. Dat staat dus niet uitdrukkelijk vermeld. In de brief van Judas wordt gesproken van «Engelen, die hun wo­ning verlieten». U­it deze tekst zou je eventueel nog kunnen op­maken, dat er een groep engelen is afgevallen.

Het kwaad is onmenselijk

Het opvallende is, dat er in de Bijbel in wezen alleen maar scheld­woor­den voor de duivel gebruikt worden. Daarmee wordt iets aange­ge­ven van het wezen van de zaak. Je kunt alleen maar op hem schel­den. Van de duivel kun je niet zeggen, dat hij is. Alleen van God kan gezegd worden, dat Hij is. Ik ben! De tegenpartij kan nooit zeggen: ik ben. Er komt wel een dag dat hij kan zeggen: ik ben er geweest. ‘Satan’ is in wezen een scheldwoord: hinderaar. Ook ‘duivel’ of ‘diabolos’: de uiteensmijter. Je kunt de duivel niet ergens ‘plaatsen’. Hij heeft in wezen geen be­staan, hij heeft geen bestaansrecht.

Augustinus zei: kwaad is, het beroofd zijn van het goede. Kwaad is ei­gen­lijk dat er iets niet is. Kwaad is eigenlijk alleen een negatief, een ont­kenning. Daarom zeggen wij ook: on-eerlijk, on-barmhar­tig, on-recht­vaardig. Daarom staat er ook in de Tien Woorden: gij zult niet, gij zult niet. Kwaad is iets wat niet moet. Leibniz zegt: het kwaad is de schaduw van het goede. Ook Jung spreekt van het kwaad als een schaduw. Alleen dat begrip schaduw is toch een beetje te zwak uitgedrukt. Het wordt dan onder­schat. Met dat woord ‘schaduw’ is te wèinig gezegd. Af en toe neemt het kwaad bovenmenselijke proporties aan, volkeren­moord, Ruanda. Daar speelt ook een hele achtergrond in mee. Gene­raties van bitter­heid. Waar volken aan elkaar grenzen, is er heel vaak iets van con­flict. Bij buurvolken is er altijd iets van grens­conflicten.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

405521 bezoekers sinds 07-06-2010