Volk van zieners en verwachting

30-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

«In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde der maand, toen ik te mid­den van de ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik ge­zichten van Godswege. Op de vijfde der maand – het was het vijfde jaar der bal­lingschap van koning Jojakin – kwam het woord des HEREN tot de priester Eze­chi­el, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem. En ik zag en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans; daarbinnen, mid­den in het vuur, was wat er uitzag als blinkend metaal» Ez.1:1-4. «Boven het uitspansel boven hun hoofden was wat er uitzag als lazuur­steen, dat de vorm had van een troon; en daar­boven, op hetgeen een troon geleek, een gedaante, die er uitzag als een mens. En ik zag iets schitteren als metaal; vanaf wat op zijn len­denen leek naar boven als vuur omvat door een hulsel; en vanaf wat op zijn len­denen leek naar beneden, zag ik iets als vuur omgeven door een glans. Zoals de aan­blik is van de boog, die in de regentijd in de wolken verschijnt, zo was de aan­blik van die omhullende glans. Aldus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des HEREN. Toen ik haar zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde de stem van Een, die sprak. Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, opdat ik met u spreke. Zodra Hij tot mij sprak, kwam de geest in mij en deed mij op mijn voeten staan en ik hoorde Hem, die tot mij sprak».  Ez.1:26-2:2. «Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik tot u gezegd heb: Ik zag u onder de vij­genboom, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan deze. En Hij zeide tot hem: Voor­waar, voorwaar, Ik zeg ulieden, gij zult de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen» Joh.1:51,52. In het eerste hoofdstuk van het Johannes-Evangelie wordt beschreven (van­af vers 35) hoe de eerste discipelen worden geroepen. Telkens lees je dan, dat er weer een paar bij ko­men. Eén van degenen, die geroepen wordt, is Na­tanaël. En Natanaël is dan enorm verbaasd, dat Jezus hem al gezien heeft daar onder die vijgenboom. Natanaël komt dan tot Jezus en wordt een volgeling van de Heer. We zullen speciaal onze aandacht richten op de woorden, die Jezus tot Natanaël spreekt. Ook voor ons, als geroepenen in deze eindtijd, zijn die woorden van groot belang. In vers 52 zegt Jezus: «Voorwaar, voorwaar, Ik zeg ulieden…». En als Jezus déze woorden gebruikt, komt er altijd een grond­wet van het Koninkrijk Gods. En hier wordt deze grondwet dan uitgesproken tegen de discipelen gezamenlijk: ‘Ik zeg ulieden’. En dan is de belofte van de Heer: «Gij zult de hemel open zien». Het is opvallend, dat in deze uitspraken speciaal het woord ZIEN naar vo­ren komt. Gij zult grotere dingen ZIEN en gij zult de hemel open ZIEN. Het is goed, om eens stil te staan bij dat woord ZIEN. En dan komt de vraag automatisch naar boven: Wat ZIE je, wat ver­wacht je? Wat verwacht je voor de tijd die gaat komen? Natanaël is hier al helemaal buiten zichzelf; en dat terwijl hij eigenlijk nog niet zo veel heeft meegemaakt. En dan zegt Jezus: gij zult ZIEN. Dat is een profetisch woord. Jezus spreekt dat hier profe­tisch uit over deze dis­cipel, over deze eerste discipelen. Tegelijk spreekt Jezus dat dan profe­tisch uit over de ge­meente. Het belangrijkste in ons geestelijk leven is datgene, wat we gaan ZIEN. Wat is je visie, waar richt je je oog op? Waar richt je je aandacht op, juist in deze eindtijd, waar aller­lei dingen zich gaan toespitsen. Eigenlijk begint alle geloof met ZIEN; zien in je geest. Wat je gezien hebt, gaat je leven bepalen. Daarom is het ook zo belangrijk om dat te gaan leren, om te leren zien. Ook voor de discipelen was dat van enorm grote beteke­nis. Jezus zègt dat ook meteen aan het begin: jullie zijn Mij nu gaan volgen en nou komt het hier op aan: je zult gaan zien! Je zult grotere dingen gaan zien en je zult de hemel open zien. Het is opvallend, dat de uitdrukking ‘grotere dingen’ aan het eind van het Johannes-Evangelie nog één keer voorkomt. «Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u; wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader» Joh.14:12. Door dat ‘grotere dingen zien’ en dat ‘grotere werken doen’ wordt in feite het totale Johannes-Evangelie omspannen. Daar zie je dan ook duidelijk de gebruikelijke volgorde: eerst zien en dan doen. Je kunt wat gaan doen, als je wat gezien hebt. Je kunt uit de voeten naar de mate waarin je hebt leren zien. Daar heb je tijd voor nodig. Eén van de problemen van deze tijd is, dat we allemaal haast hebben. Dat is ook iets, wat onder Gods kinderen voorkomt. We gunnen ons vaak de tijd niet om te leren schouwen. Er is tijd voor nodig, om te gaan zien met je geest. Als je de Bijbel leest, dan kun je een bepaalde tekst mis­schien wel tien keer gelezen hebben, maar dan, de elfde keer, ga je hem ineens zien. Het stond er altijd al, maar ineens gaat je geest ontwaken. Dan gaat je geest open, dan gaat ook die tekst open, dan gaat het Woord open. Dan gaat God ook nieu­we perspectieven ontsluiten. Het is ook heel belang­rijk om die verwachting naar nieuwe perspectieven te behouden en levend te houden. Wat verwacht je als volk van God? Heb je soms het idee: we weten het zo on­geveer wel, er zal wel niet veel nieuws meer komen? Natanaël had ook al het idee: ik heb al geweldige dingen meegemaakt, dit is wel zo ongeveer het einde. Jezus zegt: dit is nog maar het begin, Nata­naël. Als volk van God is het heel belangrijk deze instelling te hebben, de instel­ling van verwachting van grotere dingen. Je moet je er van bewust zijn, dat we nog maar aan het begin staan. Gij zult grotere dingen zien dan deze. Om die grotere dingen te zien, was het ook voor Natanaël wel nodig, dat hij drie jaar ging verkeren in de tegenwoor­digheid van de Meester. Al wan­de­lend en sprekend met Hem, gaat Natanaël ook steeds meer ontdekken. Dat is ook wat God bedoelt voor deze tijd. God wil een volk, dat samen is met Hèm. Als er één sleutelwoord is voor deze tijd, dan is dat wel het woord samen. God zegt tegen de ge­meente: We gaan alles samen doen. We gaan samen wandelen, we gaan samen overleggen, we gaan samen aan­schou­wen. In de Bijbel zie je telkens van die beelden, van het samengaan van God en zijn volk. In dat verhaal van Abraham en Isaak staat dan zo mooi: «Zo gingen die beiden tezamen» Gen.22:8. En als ze dan tezamen gaan, dan gaan ze ook inderdaad zien. Dan gaat Abra­ham ontdekken, dat de HERE voorziet. Samen op weg en al gaande, gaan ze aanschouwen. Dat zien we ook in de geschiedenis van Elia en Elisa.

Al wandelend en sprekend komen ze steeds verder en gaat Elisa dingen zien, die hij voor die tijd nog nooit gezien had. Dan ziet Elisa die vurige paarden en wagens, hij ziet die mantel naar beneden komen. Hij ziet hoe dat Koninkrijk der hemelen in beweging komt. Deze dingen worden door Elisa gezien en ervaren, juist als hij gaat wandelen met zijn meester. Ook in onze tijd bedoelt God datzelfde beeld: een volk, dat samen gaat met Hem. Dan ga je zien, dan ga je aanschouwen. En wàt ga je dan zien: gij zult de hemel open zien. Dan wordt de geestelijke wereld ontsloten. De engelen Gods zullen op­stijgen en nederdalen. Jezus neemt dan een beeld over uit het leven van Jakob. Jakob ziet daar in Bethel de engelen langs die ladder opstijgen en nederdalen. Jezus zegt: dat gaat nu weer gebeuren.

Dat opstijgen en nederdalen geschiedt – en dat is heel belangrijk – op de Zoon des mensen. De ‘Zoon des mensen’ wil zeggen: de Mens bij uitne­mend­heid, dat is de ‘Mens Gods’. De Zoon des mensen betekent: Jezus met de zijnen, Jezus en degenen, die in Hem zijn. Dat is dan eigenlijk maar één mens: dat is de Mens Gods. Voor God is er maar één mens: Jezus met zijn volk. Jezus moet je nooit apart stellen van zijn volk, die moet je nooit uit elkaar halen. Daar, waar de Zoon des mensen is, daar waar Jezus is met zijn gemeente, daar gaan de engelen opstijgen en nederdalen. Daar komen de engelen in beweging. Gij zult zien. Nu is het zo opvallend, dat we dat ook zijn tegengekomen in Ezechiël. Dat eerste hoofdstuk van Ezechiël is toch wel van zeer grote betekenis. Juist in deze tijd is het boek Ezechiël toch wel erg leerzaam. We leven ook vandaag de dag in een profetische tijd. Al die profetieën gaan juist ook in deze tijd zo heel bijzonder in vervulling. We zullen moeten le­ren, om bij dat profetische woord te leven. Als er één ding nodig is in deze tijd, is het wel het kennen van de profeten. Als je je tijd wilt verstaan, moet je bezig zijn met de pro­feten. Een groot deel van de Bijbel is geschreven door profeten. Als je er op let, dan zie je, dat ook Jezus profeet is ge­weest. Hij heeft ook allerlei profetische dingen gesproken. Jezus zegt op een gegeven moment: Ik ga mijn gemeente bou­wen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet over­weldigen; dat is profetie! Hij heeft profetisch gesproken over bergen. Wie tot deze berg zegt: hef u op en werp u in de zee, en het zal hem geschieden. Dat is ook zo’n profe­tische uitspraak. Jezus was profeet! Zo zoekt God ook vandaag de dag een profetische gemeente, een gemeente die gaat zien wat het plan van God is, een ge­meente, die ook profetisch gaat spreken. Als we de profeet Ezechiël bestuderen, dan is het opvallend hoe hij begint en hoe hij eindigt. Het boek Ezechiël eindigt met een paar geweldige hoofdstuk­ken: de Tempelbeek, dan lezen we dat prachtige beeld van de tempel die hersteld wordt. Er gaat een stroom van levend water komen uit het huis Gods. Het laatste hoofdstuk van Ezechiël eindigt met een stad. Het laatste vers van het boek Ezechiël eindigt: «En de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar» Ez.48:35. Dat is het hoogtepunt: die tempelstad. Dat is de stad, waar God Zèlf tegen­woordig is. Ezechiël heeft dat allemaal mogen zien. Het boek Ezechiël eindigt op de­zelf­de manier als het boek Openbaring. Ook het boek Openbaring eindigt met een stad: het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel. Ook in die laatste hoofdstukken van het boek Openbaring is sprake van een rivier des levens. En langs die rivier staat het geboomte des levens, dat zal zijn tot ge­nezing van de volken. Ezechiël heeft geweldig ver mogen schouwen. Hij heeft die stad en die tem­pel mogen beschrijven. Hij heeft geschreven over het herstel van het para­dijs Gods. We moeten er eens op letten, hoe het begin van het boek Eze­chiël is. Dat is van groot belang, want als we willen ein­digen waar Ezechiël eindigde, moe­ten we ook beginnen, waar Ezechiël is begonnen. Ezechiël begint met: «In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde der maand, toen ik te mid­den der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik ge­zich­ten van Godswege» Ez.1:1. Dat is dus net als in Johannes 1. Ook daar lazen we: gij zult de hemel open zien. Ezechiël zegt dan: ik zag gezichten van Godswege. Het begon bij Ezechiel dus met zien. Dat is ook wat Jezus zegt tot zijn eerste discipelen: gij zult grotere dingen zien. Ook in het vierde vers van Ezech.1 komt dat weer naar voren: «En ik zag en zie» Ez.1:4. Ezechiël begon met de hemel open te zien, hij begon met de gezichten te aan­schouwen. En dan staat er zo mooi bij: ‘van Godswege’. De plaats waar dit allemaal gebeurde wordt ook genoemd, en dat is toch wel heel opvallend:

«Toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was». Dat is een prachtig beeld voor deze tijd. Gods wil in deze tijd is: een ‘Eze­chi­ël-gemeente’. Dat is een gemeente, die gaat worden als Ezechiël. Dan moet je ook beginnen, waar hij begon. Ezechiël zit daar te midden van de ballingen. Dat was bepaald geen situatie om over naar huis te schrijven. Hij was in Babel en om hem heen zat een niet bepaald opwek­kend gezelschap: mensen die in ballingschap zitten. Dan was het bovendien ook nog in het begin van de ballingschap. Dat staat er ook bij: ‘het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojakin’ (v.2). Die ballingschap was dus nog maar net goed en wel begonnen, ze hadden nog heel wat jaren te gaan. Je kunt je voorstellen, dat je daar aan die rivier de sfeer wel kon snijden. Die ballin­gen zullen over het alge­meen elkaar nou niet bepaald bemoedigend hebben toe­gesproken. Komen we hier nog ooit vandaan? Denk jij, dat het nog beter wordt? Nee, volgens mij kan het alleen nog maar minder worden. We moe­ten onze tijd hier uitzitten; laten we het beste er maar van zien te maken. Maar Ezechiël ziet verder: hij zag die nieuwe tempel, hij zag die rivier van levend water. Hij zag niet wat voor ogen was. Hij staarde zich niet blind op die ballingen. Die ballingen hadden allemaal hun harp aan de wilgen gehan­gen en zei­den: zingen kunnen we niet meer. Ezechiël gaat schouwen. Hij maakt zich los van wat daar op aarde om hem heen is. Dan gaat Ezechiël zien en de he­mel gaat voor hem open. Dat is wat God ook voor de gemeente wil. God wil een volk van profeten en zieners. God wil, dat we gaan schouwen in de geest. Ezechiël zit daar in het land van de Chaldeeën aan de rivier de Kebar; dat was bepaald geen rivier met het water des le­vens. Maar Ezechiël gaat zijn ogen opheffen, hij gaat zijn geest verheffen. En God gaat hem de toekomst tonen. Ezechiël leefde van wat God hem liet zien. Ook wij leven, in deze eindtijd, van wat God ons gaat tonen. Dat is de kracht van je geloof, dat is je geheim, dat is je toekomst. We leven in een tijd waarin de vijand komt met allerlei ge­ruchten. Dat is een van de voornaamste wapens van het rijk der duisternis. Als die tien ver­spieders uit het Beloofde Land terugkomen, staat er: «Ze verspreidden een kwaad gerucht onder het volk». En dan valt het op, hoe besmettelijk zo’n ge­rucht werkt. Tien mannen verspreiden een kwaad ge­rucht en een heel volk gaat de put in. De boze voert een strijd om je geest; er werd ook een strijd gevoerd om de geest van Ezechiël. Als je het boek Ezechiël verder leest, bemerk je ook, hoe verschrikkelijk Ezechiël werd aangevallen. Dat was geen wonder, want die man was een ziener. Dat zie je altijd weer: zieners krijgen altijd de zwaarste klappen. De vijand wil, dat je ogen gesloten blijven. De duivel houdt er niet van, als een mens meer ziet dan nor­maal. Ezechiël zit te midden van de bal­lingen en nog kan hij zijn mond niet houden. Nou is die man al helemaal op dood spoor gezet en nog gaat hij door met zien! Bij die tien verspieders werd er een kwaad gerucht verspreid. Maar dan zie je daar ook, hoe belangrijk het is, dat daar dan twee dwars tegenin gaan. Die twee lieten zich niet beïn­vloeden door dat gerucht, dat verspreid werd. Van Kaleb wordt dan gezegd: ‘hij had een andere geest’, dat was het ge­heim van Kaleb. Dat is ook het geheim van de gemeente in de eindtijd: een volk met een andere geest. De psalmist zegt: «Voor een kwaad gerucht zal hij niet vrezen» Ps.112:7. «Terwijl hij met vreugde op zijn vijanden ziet» v.8. Dan ga je de dingen van bovenaf bezien. Jeremia heeft er ook over gesproken; hij zegt: in het ene jaar hoor je dit ge­rucht, in het volgende jaar hoor je dàt gerucht. Jeremia zegt dan: pas op, dat je hart dan niet week wordt. «Wij hebben het gerucht ervan gehoord, onze handen zijn verslapt; benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende» Jer.6:24. Laat je niet meeslepen door datgene, wat je om je heen ziet en door wat je allemaal op je af ziet komen. Een andere geest; een profetische blik; een volk van zieners. Daar wil God in werken. Ezechiël krijgt in hoofdstuk 1 dat geweldige beeld. En dan lezen we in v.26: «Boven het uitspansel boven hun hoofden was wat er uitzag als lazuursteen, dat de vorm had van een troon; en daar­boven, op hetgeen een troon geleek, een gedaante, die er uitzag als een mens»Ez. 1:26. Het eerste wat Ezechiël in dat roepingsvisioen ziet, is een troon. Dat is ook zo enorm belangrijk voor ons in deze tijd. Wat zie je, als je op de drempel staat van een nieuw tijd­perk: zie je alleen maar achteruitgang of zie je een troon? En een troon betekent: er wordt geregeerd! De troon verte­genwoor­digt het koningschap, de heerschappij van God. Ook als Jesaja geroepen wordt, is het eerste wat hij ziet: een troon. Ik zag de HERE zitten op een hoge en verheven troon.

«In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de HERE zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel» Jes.6:1. Ook zien we dat bij Johannes op Patmos. «Terstond kwam ik in vervoering des geestes en zie, er stond een troon in de hemel en iemand was op die troon gezeten» Op.4:2. Houd dat vast, ook in de komende tijd: er staat een troon in de hemel. God wil een volk hebben, dat dáár zal zijn, dat gaat denken en gaat streven vanuit de troon van God. Zoals ook Mozes zijn hand legde op de troon des HEREN. «En daarboven, op hetgeen een troon geleek, een gedaante, die er uitzag als een mens».  Ez.1:26. Dat is heel opvallend: Ezechiël ziet een troon, en op die troon de gedaante van een mens. Hij ziet niet zomaar iets, die troon is ook niet leeg, maar op die troon is de gedaan­te van een mens, een mensenzoon. De troon is be­stemd voor de mens, voor de Mens Gods. Jezus was de eerste Mens Gods, die dat doel had bereikt. God zoekt ook vandaag de dag de mens, die dat gaat zien en die zijn plaats gaat innemen. God wil een mens, die gaat heersen over alle kwade geruch­ten, die gaat heer­sen over alle tegenstanders en die zijn positie gaat ontdek­ken. Als Ezechiël dat allemaal gaat aanschouwen, is hij er hele­maal van onder­steboven. «Toen ik haar zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde de stem van Een, die sprak» Ez.1:28. En dan hoort Ezechiël die stem zeggen: «Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, opdat Ik met u spreke» Ez.2:1. «Zodra Hij tot mij sprak, kwam de geest in mij en deed mij op mijn voeten staan en ik hoorde Hem, die tot mij sprak» v.2. Ezechiël werd helemaal overrompeld door wat hij zag, maar God zegt dan: sta op uw voeten. God zegt niet, dat je neer moet vallen, maar dat je op moet staan. En dan gaat God geheimenissen tonen vanuit het Koninkrijk der hemelen. Zo wil God ook vandaag ons de geheimenissen openbaren van het Konink­rijk der hemelen. Ezechiël ziet de hemel geopend als hij daar verkeert te mid­­den van de ballingen. Zo heeft David juist zijn inspiratie gekregen, toen hij op de vlucht was voor koning Saul. Te midden van de verdrukking en strijd krijgt David gewel­di­ge perspectieven van God. Dat heeft tot gevolg, dat David tegen de ver­druk­king in geestelijk gaat groeien. Zij die de HERE verwachten, putten nieuwe kracht. Het grootste gevaar voor een kind van God is, dat je ver­wachting op een gegeven moment dooft. Zo was het ook met de meeste ballingen; hun hoop en verwach­ting waren ook uitgeblust. In dat verband is het ook zo belangrijk welke visie je hebt ten aanzien van de gemeente. Wat verwacht je voor jezelf, maar ook: wat verwacht je voor de gemeente. Als Ezechiël daar te midden van de ballingen zich door de ui­ter­lijke dingen had laten leiden, was er van zijn geloof ook niet veel over­ge­bleven. Over die ballingen was het klimaat van de dood uitgespreid. In het He­breeuwse denken zijn ballingschap en dood ook nauw met elkaar verwe­ven. Die twee begrippen worden naast en door elkaar gebruikt. Als iemand in de ballingschap zat, was hij eigenlijk ook in het dodenrijk. Dan had hij geen leven meer; hij was verstoten van God en verstoten van de tempel. Dan was hij buiten het land. Dan was hij inderdaad ellendig, uitlandig. Ezechiël bevindt zich dus eigenlijk te midden van de doden. Later beschrijft hij dat ook, in hoofdstuk 37, hoe hij zich be­vindt te midden van de dorre doodsbeenderen. Dat was toch wel genoeg om alle geloof, dat je nog hebt, de grond in te boren. Ezechiël zal waarschijnlijk wel eens een stemmetje ge­hoord hebben: zie je het nog wel zitten, zou je er maar niet mee ophouden? Dan gaat Ezechiël stáán; in feite heeft Ezechiël gewoon moe­ten profeteren. Die man moest gewoon profeteren om er boven­uit te komen. Hij moest als het ware zichzelf er bovenuit profeteren. Hij profeteerde niet alleen maar voor die dorre doodsbeenderen, maar hij profeteerde ook voor zichzelf. En al profeterend gaat hij stijgen in de geest. Al profeterend gelooft hij zichzelf er bovenuit. Dan gaat Ezechiel zien: de doodsbeenderen komen aan de orde, de nieuwe tempel passeert de revue, de stad Gods komt in zicht. Maar dat alles begint bij Ezechiël in zijn geest. Het herstel van de mens begint ook in de geest. Het Beloofde Land begon in de geest van Kaleb. Kaleb had het Beloofde Land al in zijn geest en daarom kreeg hij het ook. Je moet loskomen van wat voor ogen is. Je moet loskomen van het kwade ge­rucht. Je kunt ook met een kwaad gerucht rondgaan in de gemeente, maar dan doe je alleen maar aan afbraak.

God zegt: ga verwachten!

Verwacht de troon in de gemeente, want de troon moet komen in het huis van God. Jesaja zag die troon staan in het Huis des HEREN. En dan staat erbij: «En zijn zomen vulden de tempel». De zomen van zijn kleed zijn beeld van kracht en genezing. Die bloedvloeiende vrouw raakte ook de zoom van Jezus’ kleed aan. Ga verwachten, dat die kracht van God openbaar zal komen in het Huis Gods, dat die troon gebouwd zal worden in de ge­meente. Het geheim van de gemeente is, om te gaan zien, om te gaan zien met de ogen van God. Met wat voor ogen ga je kijken? Je kunt zien met de ogen van de krant, maar dan ben je gauw uitgekeken: geen perspectief! Je kunt gaan kijken met de ogen van de televisie. Je kunt gaan kijken met de ogen van de bal­lin­gen om je heen. God zegt: kom bij Mij en ga kijken met mìjn ogen. Dan leer je zien met het oog van de ontferming. Dan ga je gegrond worden in de gedachten van God. Je kunt de gedachten van God leren kennen, dat is één ding. Maar het is nog iets anders, om in de gedachten van God ge­fundeerd te worden. Ezechiël heeft 48 hoofdstukken moeten profeteren, om te komen bij de Stad Gods, om te komen tot die volledige visie op het plan van God. Dan is Eze­chiël stevig verankerd in de gedachten van het plan van God. Dan zijn er nog wel die ballingen om hem heen, die het niet meer zien zit­ten. Dan wordt Ezechiël nog wel afgekraakt en er wordt nog wel gezegd: je hebt het aardig gebracht, het klinkt wel leuk; maar dat is dan het enige wat ze over hem zeggen. Te midden van alle geruchten, te midden van alle kri­tiek, te midden van alle afbraak, gaat Ezechiël door met die gedachten van God. Dan staat Ezechiël vast. Sta op uw voeten, opdat Ik met u spreke. David heeft ook profetisch gesproken. Als je daar op let in de Psalmen, zie je dat ook heel wat keren naar voren komen. David zit dan midden in de verdrukking en te midden van de vijanden. En dan gaat hij op een gegeven moment spreken, tot zijn tegenstanders nota be­ne.

Dat lees je dan bijvoorbeeld in Psalm 52. «Maar God zal u voor eeuwig verbreken, Hij zal u wegrukken en uit de tent sleuren, u ontwortelen uit het land der levenden» Ps.52:7. David sprak profetisch het oordeel uit over zijn tegenstan­ders. Daar tegen­over zegt David dan in dezelfde psalm: «Maar ik ben als een groenende olijfboom in het huis van God;  ik vertrouw op Gods goedertierenheid, altoos en immer. Een groenende olijfboom. Die wordt niet ontworteld, maar die wordt gé­wor­teld. We gaan een tijd meemaken, waarin de stormen gaan komen. Er zijn heel wat dingen in deze tijd, die ontworteld worden. Er zijn heel wat konink­rijken, die vroeger vaststonden en nu be­ginnen te wankelen. David wist: ik ben een groenende olijfboom, dat zijn de ge­dachten van God over mij. Gods gedachten over u zijn gedachten van vrede en barmhartig­heid. Blijf je verwachting behouden. Als je geen verwachting meer hebt, ben je in feite al af­geschreven, ben je in feite al een balling, dan ben je in feite al ontworteld. Maar God wil je verwachting weer opwekken, je verwachting weer vastma­ken. Maak je wortels vast in zijn huis. En dan zegt de Spreukendichter: «De wortel der rechtvaardige is niet te verwrikken». In de storm blijft de rechtvaardige staan. Hij gaat zien met de ogen van de Vader.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010