Verzoening en Verlossing

30-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Een studies over de Romeinen brief

«Want ik schaam mij het Evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek» Rom.1:16. ‘De kern van de brief’ staat boven dit gedeelte. Dat hebben de vertalers erboven gezet, en dat hebben ze ook wel terecht ge­daan. Het is wel prettig, dat als je deze brief gaat lezen, je dan alvast weet wat de kern ervan is. «Want ik schaam mij het Evangelie niet». Deze zin heeft een meer passieve betekenis. Het betekent eigenlijk: ‘Ik word niet beschaamd’. Naar mijn idee is dat in feite een nog mooier gezichts­punt. Want als je zegt: «Ik schaam mij het Evangelie niet», dan denk je gauw iets in de geest van: ik moet er toch voor uit durven komen, ik moet bereid zijn om op zijn tijd mijn getuigenis te geven, en dergelijke gedachten. En als je dat dan niet doet, kom je al zo gauw in de sfeer van de aanklacht: ik heb het Evangelie verloochend, want ik schaamde mij er voor. Ik heb Jezus verloochend. De betekenis hier is dus veel meer: Ik word niet teleurgesteld in het Evan­ge­lie. Ik zal niet beschaamd staan. Overigens is dat ook weer een oer-Hebreeuwse uitdrukking, die je veel in de Bijbel tegenkomt, vooral in de Psalmen. Bijvoorbeeld: «Mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden, laten mijn vijanden niet over mij juichen. Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd. Beschaamd worden wie trouweloos handelen zonder oorzaak» Ps.25:2,3. Ook in de eerste Johannesbrief kom je dat tegen: «En nu, kinderkens, blijft in Hem, opdat wij, als Hij zal geopenbaard worden, vri­j­moe­digheid hebben en voor Hem niet beschaamd staan bij zijn komst» 1 Joh.2:28. Niet beschaamd staan in zijn komst, in zijn parousia, in zijn verschijnen, als Hij zich zal openbaren.

Want het is een kracht Gods

Je zou dus kunnen zeggen: dat is dan meteen al de grondtoon van de Ro­meinenbrief. Er bestaat nog een mooie uitspraak over de kern van deze brief: “Het Evangelie van Jezus Christus verschaft zichzelf toegang tot mensen”. Je zou haast zeggen: het Evangelie is niet tegen te houden. Dat Evangelie breekt door, dat breekt ook door alle barrières heen. Het Evangelie blijkt sterker te zijn dan alle tegenkrachten. Dit Evangelie zal over de hele wereld gaan. «Want het is een kracht Gods» Rom.1:16. In het Evangelie op zich zit een geweldige kracht. Dat woord Evangelie komt reeds vanuit de profeten, onder andere uit Jesaja 52: «Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankon­digt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion zegt: Uw God is Koning» Jes.52:7. In het Hebreeuws staat hier het woord besorah. Besorah is de bood­schap, de tijding, en dan speciaal de proclamatie: ‘Uw God is Koning’. Zingen houdt in feite ook in: het Evangelie brengen. Wij beperken dat vaak nog te veel tot spreken en preken. Door dat zingen wordt het Evangelie ook (of: juist) geproclameerd. Zingen is ook een vorm van zaaien. Zingen is eigenlijk: zaaien in de hemel. En dan gaat God zaaien op aarde. Als wij zaaien in de hemel, dan gaat God zaaien op aarde.

Een kracht Gods tot behoud

«Tot behoud» Rom.1:16. Vanuit het Grieks betekent het woord behoud eigenlijk heelheid. Het Evan­gelie gaat mensen dus ‘heel maken’. Daar zitten heel wat kanten aan. Het be­te­kent: herstel, redding, genezing, verlossing, gaaf maken, gezond maken. Het Hebreeuwse grondwoord dat er achter zit, betekent zoiets als: bevrij­ding, ruimte scheppen; dat is dat woord jesjoe’ah, en dat is feite de naam Jezus. Dat is eigenlijk iets heel wezenlijks: de gedachte dat een mens ‘heel’ wordt, dat de breuken worden genezen, al die breuken, waardoor de mens tot ‘gebroken vaatwerk’ is geworden. Aan de andere kant ook: weer ruimte krijgen om te leven. Dat is dus wat Paulus allemaal in dit vers naar voren brengt. In dat woord van God zit dus ook de hele herschepping. In een lied staat: “Gij draagt de schepping door uw woord”. Als God die schepping draagt, kan die schepping ook nooit ten onder gaan. Als de schepping door het woord wordt gedragen, kan de schepping daar nooit doorheen zakken. Dan kan het ook nooit gebeuren, dat de schepping op een dag wegzakt of vernietigd wordt. De schepping wacht ook niet op het einde, maar die wacht op het begin. Het is goed om je dat helder bewust te zijn in deze twintigste eeuw: heel de schepping wacht op het begin! De schepping wacht op het openbaar wor­den van de zonen Gods. «Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods» Rom.8:19. Dus vanuit de Romeinenbrief ga je de kern van het Evangelie ontdekken, en vanuit de Romeinenbrief kun je een visie ontwikkelen op de toekomst. «Voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek» Rom.1:16. Griek betekent hier: alles wat niet-Jood is. Gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard

En dan die wonderlijke tekst: «Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard» Rom.1:17. «Daarin», dus in dat Evangelie. De gerechtigheid van God, de waarachtig­heid. In het Hebreeuws: de tsedaqah. Dat woord tsedaqah is in feite veel rijker en kostbaarder dan ons woord gerechtigheid. Wij zitten vaak met een hele erfenis, afkomstig uit het Romeinse recht. Wij denken bij gerechtig­heid: ieder krijgt wat hij verdient. Als een misdadiger gepakt wordt en de cel indraait, zeggen de mensen: gelukkig, er is nog gerechtigheid. Maar dan zit je helemaal in de sfeer van het Romeinse begrip Justitia, het strafrecht.Daardoor wordt er vaak een tegenstelling gemaakt tussen gerechtigheid en liefde, zoals in dat oude vers:

Gerechtigheid drong aan op straf,

genade drong om vrijgeleide.

Toen kwam Gods liefde tussenbeide,

die allebei voldoening gaf.

 Dan heb je dus gerechtigheid aan de ene kant en genade aan de andere kant en die worden dan vaak tegen elkaar uitgespeeld. Dan wordt er ge­zegd: God is wel liefde, maar…. Hij is ook rechtvaardig. God is wel goed, maar…. pas op, eens is zijn geduld ten einde. Zo gauw zit hier de gedachte achter: daar moet je toch wel voor oppassen, want: al te goed….

Het bijbelse begrip ‘gerechtigheid’

Gerechtigheid in de Bijbel is toch iets anders. In de Bijbel betekent ge­rechtig­heid dat je meer doet dan je moet doen. Als van God wordt gezegd: Hij is een God van gerechtigheid, betekent dat veel meer: Hij gaat de twee­de mijl. Hij doet meer dan zijn plicht. Als een mens tekort schiet en te wei­nig doet, dan zegt God: dan zal Ik te veel doen. Gerechtigheid is eigenlijk zoiets als: wie het breed heeft, laat het breed hangen. God zegt tegen de mensen: als jij het nu niet kunt, dan neem Ik jouw helft ook voor mijn reke­ning. En dan wordt het toch vol; dan wordt de gerechtigheid vol gemaakt. Dat is dus niet keurig: ‘Ieder zijn plicht’, maar dat is dat God zegt: Ik zal het meeste wel doen. En God gaat dan veel verder dan wat precies verwacht mag worden van iemand die zijn plicht doet. Jezus deed ook veel meer dan zijn plicht. Stel je voor, dat Hij precies zijn plicht gedaan had, dan was er niemand gered. Jezus ging ook de tweede mijl, de derde mijl, de laatste mijl. Hij had de mensen lief tot het einde, tot het uiterste, tot de laatste mijl.

Uit geloof tot geloof

«Uit geloof tot geloof» Rom.1:17. Dat klinkt vreemd! Daar is in de loop van de tijd al van alles van gemaakt. Zo werd er gezegd: je begint met een klein beetje geloof en dan gaat dat groe­ien en zo wordt het steeds meer. Het probleem bij deze uitleg is, dat het daardoor weer tot een subjectieve ervaring wordt. Dan ga je je afvragen: hoeveel geloof heb ik nu intussen al? Hoe ver is mijn geloof al gegroeid? Dan ga je ook vergelijken met de ‘hoeveelheid’ geloof, die een ander heeft. Dan krijg je misschien mensen met een heel groot geloof, die daar ook mee aan de weg gaan timmeren. Dan loop je ook het gevaar, dat je een beetje depressief wordt van jouw kleine geloof. Dan krijg je een situatie, waarbij je gaat wegen en taxeren en bij jezelf naar binnen gaat kijken van: hoe is de stand van zaken? «Uit geloof» Waar komt alle geloof uit voort? Dan moet je naar de basis gaan. Alle geloof komt uit het geloof van God! Dat is het fundament van jouw geloof. Dan kun je inderdaad zeggen: “Ik heb de vaste grond gevonden waarin mijn anker eeuwig hecht”. Paulus zegt: alles komt uit Hem voort. Hij zegt ook aan het eind van Ro­mei­nen 11: Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen «Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen»  Rom.11:36. Dan ben je eigenlijk tot een soort slotakkoord gekomen. Dat zegt Paulus, als hij heel het plan van God heeft uiteengezet door de tijden heen. Indertijd werd er door een theoloog, Dr. de Lindt van Wijngaarden, gezegd: dat is eigenlijk de basistekst van de hele Bijbel. Daar kun je alles aan ophangen. Alle din­gen zijn uit, door en tot God. Hij is het Begin, Hij is de Voortzetter en Hij is de Voleinder. Waarmee begin je dus: met het geloof van God! God heeft geloof, God heeft geloof in zijn schepping. God heeft geloof in zijn eigen woord, God heeft geloof in dat Woord dat uitgaat. Hij zegt: dat woord zal niet ledig tot Mij wederkeren. God heeft geloof in mensen! Ook al zijn die mensen misschien heel kwetsbaar en heel breekbaar. God ziet het zitten met de mensheid. Dat is ook de grootste kracht die er bestaat: het geloof van God gaat door. God geeft het ook nooit op; Hij zegt niet: Ik heb al zoveel teleurstellingen ge­had! God heeft nog altijd geloof in zijn eigen werken. De mens is niet zomaar ergens een product, een product van milieu of van allerlei andere factoren, maar de mens is schepping van God. God heeft ge­loof in wat Hij zelf gemaakt heeft.

Berouwde het de HERE

«Berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart»  Gen.6:6. Nu kun je het woord berouw uit deze tekst beter vertalen met verdriet. Dan luidt deze tekst in die vertaling: «De HERE had er verdriet van, ja, Hij maakte de mens ….» Dan moet je deze tekst opvatten in de zin van: Ja, ik heb ze toch gemaakt. Ondanks alles zijn ze toch van Mij. Zo staat het trouwens ook in Genesis 6:7: «Want het berouwt Mij, (ik heb er verdriet van) dat Ik gemaakt heb… (ja, ik maakte hen)»  Gen.6:7. God ziet al die ellende op aarde, maar te midden van al die chaos en het verdriet dat God daarover heeft, houdt Hij toch aan één ding vast: ik heb ze gemaakt, ze zijn van Mij! Ondanks alles, ondanks alle teleurstellingen houdt God daaraan vast: ze zijn van Mij! «Onze hulp is in de naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft en niet laat varen het werk van zijn handen!» Ps.124:8.

Heb het geloof vàn God 

«Uit geloof». Daarmee begint dus Romeinen 1; het begint met het geloof van God. In de theologie wordt weinig gesproken over ‘het geloof van God’. Bij de rab­bij­nen kom je dit gegeven wat vaker tegen. Ook in het Marcus-Evangelie­ kom je dat tegen: «Heb geloof in God», maar je kunt ook vertalen: «Heb het geloof van God». De mens komt dus voort uit het geloof van God. Alle dingen zijn door het Woord geworden, maar ze zijn ook door het geloof geworden. Er is een ge­loof, dat van God uitgaat, en dat al het menselijk geloof omvat. Het geloof van God en het geloof van de mensen heeft men al te vaak van elkaar ge­scheiden; het is goed om dat weer met elkaar in verband te brengen. Zo vaak zijn deze twee aspecten los van elkaar gezien. En dat had dan als re­sultaat, dat men maar één ding overhield: Wij moeten geloven in Hem! Jij moet in God geloven, als je dat niet doet, ben je een hei­den, een ongelovige. Als een mens dan tot bekering komt, gelooft hij in God, gelooft hij in Jezus, maar die andere kant is vaak verwaarloosd of ont­kend. Die andere kant kon toch immers niet. Dat kon toch niet waar zijn, dat God ook gelooft en dan nog wel in de mens, en dan nog wel in mij! Denk maar niet, dat je voor God ooit iets bent. God kijkt dwars door je heen, God ziet hoe slecht je bent en hoe ellendig je bent. Zo werd er door predikers wel gezegd: Jij bent een nul, en dan komt Jezus, die is één. En Hij komt dan voor je staan en dan ben je samen tien. Dat is dan wel een aardig rekensommetje, maar dan ga je toch weer van dat nega­tieve mensbeeld uit. Paulus laat dus de andere kant zien: voordat jij tot geloof kwam, was er al Een die in jou geloofde! In feite is dat ook veel ‘Calvinistischer’: “Door het geloof alleen”, maar dan wel door het geloof van God! En omdat God nog geloof heeft, is er nog een schepping, daarom is de gemeente er nog. Stel je voor, dat God zou zeggen: Ik geloof er niet meer in, Ik houd er mee op. Geloven is eigenlijk: vasthouden, God houdt vast. Juist vanuit dat hele prestatiedenken is de gedachte geboren: God ziet niets in mij, ik presteer toch ook niets, ik ben een zwak mens, ik ben een zondig mens. Maar dan ga je toch weer helemaal denken vanuit het kwaad. Ga je denken vanuit het kwaad, of ga je denken vanuit God. Ga je denken vanuit de mislukking, of ga je denken vanuit het herstel? Paulus gaat in de aanhef van de Romeinenbrief, in die eerste 17 verzen, helemaal denken van­uit God. Zo zegt hij in het eerste vers: «Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God» Rom.1:1.

Afgezonderd tot het evangelie van God

Letterlijk: «Afgezonderd tot het evangelie van God». Misschien is dat wel het grote geheim geweest van Paulus. Die gedachte zat er zó diep bij hem in. Paulus was heel diep doordrongen van dat evan­gelie van God. Voor hem was het evangelie de dragende kracht in zijn le­ven, dat haalde hem overal doorheen. Later in de Romeinenbrief gaat Paulus spreken over het probleem van het kwaad, maar je zou kunnen zeggen: hij begint bij het herstel. Het kwaad wordt eigenlijk behandeld in het kader van het herstel. God is veel meer een Heelmeester en als Heelmeester zegt Hij ook iets over ziekte. Maar Hij is niet in de eerste plaats bezig met de ziekte, maar met de gene­zing. God is veel meer bezig met het herstel dan met het jammeren over de afbraak. “Waar heeft de dominee over gepreekt? Over de zonde. Wat heeft hij ervan gezegd? Dat hij er tegen was”. Het geloof van God brengt weer geloof voort bij ons. Het geloof van God omvat al het menselijk geloof. Ons geloof is gekoppeld, verbonden met de trouw van God. Geloof betekent eigenlijk, dat je meegenomen wordt in de be­weging van het woord. Het woord van God zet iets in beweging. Je wordt meegenomen in die beweging. Je laat je als het ware meenemen op die stroom van het woord.

De rechtvaardige zal uit geloof leven

Dan zegt Paulus er nog iets bij: «Gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven» Rom.1:17. De rechtvaardige is die mens, die verbonden is met God. Dit is een citaat uit Habakuk. Hij heeft al gezien, dat de rechtvaardige uit geloof leeft. De rabbijnen zeggen: daarmee heeft Habakuk heel de Torah in één woord samengevat. Al die geboden (613 volgens de rabbijnen) kun je in één zin samenvatten: de rechtvaardige leeft uit geloof. En let erop: de rechtvaardige zal uit geloof leven, maar dan ook echt leven! En leven is in het Hebreeuws chajim; een meervoudsvorm; leven krijg je in het meervoud. Dat woord brengt leven teweeg. Dat is de kern van dit gedeelte, van die ver­zen 16 en 17. En dat is in feite weer de samenvatting van wat er in vers 1 staat: «Het evangelie van God». En van dat evangelie wordt zo mooi gezegd: «Dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften» Rom.1:2. Dan zie je het verband. Paulus wil zeggen: het evangelie, dat ik nu predik, is al helemaal door de profeten voorzegd. Onder de profeten kun je ver­staan: alle boeken vanaf Mozes. Je kunt ook zeggen: alle profetische boeken vanaf Jozua. In de Hebreeuwse canon ga je vanaf Jozua de profetische boeken tellen. Dus al die profeten, vanaf Jozua, hebben daarover gesproken. Gesproken over die nieuwe tijd, de tijd van het herstel, over de beloften. Dat heeft te ma­ken met de nieuwe schepping, je zou ook kunnen zeggen: met de her­schepping.

In Christus zijn

«Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen» 2 Kor.5:17. Wat is dat: ‘In Christus zijn‘? Dat is één van die typische uitdrukkingen, die Paulus heel vaak gebruikt. Je kunt zeggen: als Paulus spreekt van ‘in Christus’, is dat hetzelfde als ‘in het Koninkrijk’. Je kunt ook zeggen, dat je verbonden bent met de Messias. Dan ben je samengegroeid, één plant geworden met Hem. Je krijgt hier eigenlijk het principe van de verbondenheid, de solidariteit. Dat is ook weer een oer-Hebreeuws gegeven. Je bent nooit mens op je een­tje, je bent altijd mens in verbondenheid. Dat heeft Jezus tot het uiterste in praktijk gebracht. Hij wilde ook niet mens op zijn eentje zijn. Maar Hij heeft van meet af aan en tot het einde gezegd: Ik wil Mens zijn samen met de ander. Bij Jezus was het principe van de soli­da­riteit Hem op volkomen wijze op het hart geschreven. Zo is Jezus ver­bon­den met de mensen en zijn ‘zijn mensen’ verbonden met Hem. Dat be­te­kent ‘in Christus zijn’.

Een nieuwe schepping

‘Een nieuwe schepping’ betekent eigenlijk: een vernieuwde schepping. Meestal wordt deze tekst uitgelegd alsof er stond: een nieuw schepsel. Al­leen, wordt het dan wat te veel individualistisch uitgelegd. Het woord ‘schepping’ duidt – vanuit de grondbetekenis – veel meer op een schep­pings­werk. Met andere woorden: in Jezus is God begonnen met een nieuw scheppings­werk. Jezus was de eerste nieuwe Mens. Jezus was het begin van een nieu­we mensheid, het hoofd, de Eersteling, de Eerstgeborene uit de doden. Je­zus was de eerste die ‘baanbrak’, Hij was de eerste, die eruit brak. Je zou kunnen zeggen: de eerste, die uit die cocon kwam, die uit ‘het ei’ brak. De hele wereld was als het ware gevangen in een eierschaal, de eierschaal van het donker en van de dood. Dat is ook wat Hebreeën 2 zegt: de duivel had het geweld des doods. Die had als het ware de hele wereld, de hele mensheid ingepakt in een eierdop. Zo zit je daar met z’n allen opgesloten in het pikdonker. Al die kuikentjes blijven opgesloten, totdat er eentje is die zegt: Ik breek er­uit. Dat is nu wat Jezus heeft gedaan. Hij heeft die eierschaal opengebroken en op die Paasmorgen was Hij de eerste, die eruit brak. En toen die schaal kapot was, konden er meer kuikentjes uitbreken. Dan breekt er licht naar bin­nen, dan komt het leven binnen. Dat is in feite ook de wedergeboorte, dan stap je uit die schaal. Op het moment, dat er een kuikentje uit die schaal stapt, wordt er gezegd: er is een kuikentje geboren. Het beestje was er ergens al, alleen zat hij nog opgesloten.

Wederge­boor­te

Bij een mensenkind is dat ook zo. Op het moment, dat het kind uit de baar­moeder komt, wordt er gezegd: er is een kind geboren. Hij was er voor die tijd ook al, maar ergens was het er ook nog niet. Men zegt wel: wederge­boor­te is eigenlijk een verplaatsingsproces. Je wordt overgezet uit de ene we­­reld naar de andere. Uit het koninkrijk van de duisternis in het Ko­ninkrijk van het licht. Hij heeft ons overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon en van de zonen. Zo is Jezus geworden tot de ‘doorbreker’. Hij heeft de zaak opengebroken. En dat wordt gesymboliseerd door dat graf, dat openging. Hij was de Eerste die naar buiten trad, maar er waren vele graven, die opengingen. Hij is de Pionier, de Leidsman van ons geloof.

Hij is de pionier van ons geloof

«Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des ge­loofs»  Hebr.12:2. Letterlijk kun je ook vertalen: «Hij is de pionier van ons geloof». Met Jezus is dat nieuwe menszijn begonnen, Hij heeft dat gefundeerd. Dan gaat die nieuwe geboorte beginnen, zo wordt een mens wedergeboren. Achter Jezus aan, uit de dood vandaan. Je zou 2 Korinthe 5:17 ook zo kunnen weergeven: «Wie dan verbonden is met de Messias, in die mens is een nieuw scheppingswerk begonnen». 2 Kor.5:17. In deze tekst duiden de (Griekse) woorden het proces aan van een han­de­ling. Het woord schepping, dat hier gebruikt wordt, betekent hier eigenlijk: scheppingsproces. Als je het woord crisis (oordeel) neemt, dan zie je, dat daar ook een proces in zit, daarin zit het proces van het scheiding brengen. Ook in het woord Genesis zien we dat verschijnsel, het duidt een wordings­proces aan. Al die woorden eindigende op sis duiden een procesmatige han­deling aan. Genesis is het proces van de geboorte, het proces van de wor­ding. Zo heb je ook het woord apokalypsis, dat onthulling betekent, het proces van het openbaar worden. Van Jezus wordt ook gezegd, dat Hij het begin is van de schepping Gods, eigenlijk: het beginsel van de schepping Gods. Hij is het grondprincipe van het hele scheppingsproces, waar God mee bezig is. De herschepping is op gang gekomen. Als de mens verbonden is met Jezus, zet dat proces van de herschepping zich dus in beweging. Maar door dat proces wordt die verbondenheid met Jezus ook weer intenser, dus krijg je een wisselwerking.

Een moment en een weg

Je kunt daar in feite in onderscheiden (hoewel niet van elkaar loskoppelen) – en dat zie je wel meer als God iets gaat doen – er is een moment en een weg. Je hebt het moment dat het kuikentje uit de eierschaal komt, maar van daaruit begint er ook een heel proces op gang te komen. Als je zegt, dat Jezus aan het begin stond van Gods schepping, dan bete­kent dat meer, dat Hij het grondbeginsel is van wat God schept. Je zou kun­nen zeggen: toen God ging scheppen, toen heeft Hij dat gedaan vanuit één bepaald basisprincipe. Je zou kunnen zeggen: toen God ging scheppen, had Hij de Christus al in ge­dachten. Een ontwerper die iets gaat maken, heeft in zijn gedachten reeds een bepaald ideaalbeeld waar hij naar toe wil werken. De Christus is Gods uitgangspunt, maar het is tegelijk het einddoel. Als God gaat scheppen, schept hij de verschillende aspecten van zijn schepping als een eenheid. Hij schept niet plotseling iets, omdat Hem iets leuks te bin­nen schiet.

De mens heeft een vrije wil 

God heeft bij de schepping ook de vrije wil van de mens ingecalculeerd. In bepaalde zin zou je kunnen zeggen: God bepaalt zijn raadsbesluiten naar wat de mens er op aarde van gemaakt heeft. Hij komt immers die mens weer tegemoet als hij – al dan niet door eigen schuld – in de ellende is te­recht gekomen. André Neher spreekt in dit verband van ‘het risico van Genesis’. De rab­bij­nen zeggen: Alles is in de hand van God, behalve ‘de vreze Gods’. God neemt wat dat betreft een risico, door de mens te scheppen. Als ouders een kind leren spreken, nemen ze ook het risico, dat hun kind hen gaat tegenspreken. Je leert het kind lopen, maar het risico is dan, dat het kind kan weglopen. Maar ouders zullen nooit vanwege deze risico’s het kind niet leren spreken of niet leren lopen. God neemt in bepaalde zin dat risico ook voor zijn rekening. De Eeuwige neemt zelfs het risico, dat de mens die hij geschapen heeft, atheïst wordt. God heeft de mens een vrije wil gegeven, maar dan zit er tegelijk in die schep­ping een factor van onzekerheid. Maar God durft dat risico aan, Hij is niet bang, dat het Hem uit de hand loopt. Hij heeft het eerste woord, maar Hij heeft ook het laatste woord. Door alles heen komt God toch tot zijn doel met zijn schepping.

De zondvloed: het uitwissen van het kwaad

Als in de tijd van Noach de zondvloed over de aarde komt, kun je niet zeg­gen, dat God de schepping toen vernietigd heeft. In het Hebreeuws wordt het woord machak gebruikt, wat letterlijk betekent: uitwissen. Dat hele ge­beuren rondom de zondvloed is eigenlijk: het uitwissen van het kwaad. Je kunt in dit verband beter zeggen: de aarde wordt niet vernietigd, maar ge­­rei­nigd. Vanouds heeft men de zondvloed ook in verband gebracht met de doop. De zondvloed is eigenlijk een beeld van de doop. Zoals de aarde werd ge­reinigd door het water, zo gebeurt hetzelfde bij de doop. De oude mens gaat onder in het water, en de nieuwe mens komt daaruit tevoorschijn.

Noach is het beeld van de nieuwe mens

Noach is het beeld van de nieuwe mens. Acht mensen komen uit die oude schepping op de aarde na de zondvloed. En acht is het getal van de nieuwe schepping. Met Noach wordt de hele schepping in de ark behouden. Wat er allemaal in de ark ging, was eigenlijk – op basis van vertegenwoordiging – de hele schepping. Het is nog de vraag, of de zondvloed een ramp is geweest, die de hele aar­de heeft getroffen. Ik geloof eerder, dat het toch een plaatselijke aangele­gen­heid is geweest. Dat hangt ook samen met de vertaling van het woord erets dat je zowel met land als aarde kunt vertalen. Hierbij moeten we bedenken, dat God niet tegen de mens handelt, maar tegen het kwaad. God gaat dus het kwaad indammen. Het kwaad had op dat moment zo’n omvang aangenomen, dat er iets móest gebeuren.

Genesis 1 en Genesis 9

Er ligt een heel duidelijke parallel tussen Genesis 1 en Genesis 9. Noach wordt eigenlijk een soort ‘tweede Adam’. We vinden in deze hoofdstukken (1 en 9) veel dezelfde woorden. Noach krijgt ook weer dezelfde opdracht als Adam. Ook Noach krijgt te horen: vervult de aarde. En dan komt daar die belofte met dat prachtige beeld van die regenboog, als teken van het verbond. Die regenboog wil zeggen: God heeft een verbond met de mensen, met de schepping. Daarom is het zo mooi, dat vóór dat verhaal van de zondvloed begint, er al staat aan het eind van Genesis 5:29: «Deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid onzer handen op deze aardbodem, die de HERE vervloekt heeft». Dit wordt dan gezegd bij de geboorte van Noach. Voordat de zondvloed be­­gint, zorgt God al voor een trooster. Voordat er nog een druppel water is gevallen, zegt God: Ik heb al een trooster gereed. De naam Noach betekent rust. Hij wordt dan ook degene, die de rust zal brengen op aarde, die de rust weer zal herstellen. Wat er dus eigenlijk bij de zondvloed gebeurt, is dat de aarde wordt schoon­gespoeld van al dat demonische en van al dat corrupte. Bij Noach krijgen we dus een nieuw begin. Zo is Noach eigenlijk een beeld van de her­schepping. Petrus zegt ook: het is een beeld van de doop. “Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop”. «Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop, die niet is een afleggen van licha­me­lij­ke onreinheid, maar een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus» 1 Petr.3:21. Het gaat er bij de zondvloed dus niet om, dat de aarde vernietigd wordt – God vernietigt zijn eigen schepping niet – maar het gaat erom, dat het kwaad wordt ingeperkt.

Noach en het getal 58

Als je de Hebreeuwse getalswaarde bekijkt van de naam Noach, dan kom je op 58 (n=50 ch=8). Nu heeft het getal 58 in het Hebreeuwse denken heel sterk te maken met het einde. Volgens de joodse jaartelling bevinden we ons nu ongeveer in het jaar 5754. Dan ben je dus dicht bij 5858 of 5800. De rabbijnse uitleggers zeggen dan ook: we zijn op weg naar die 58, dus op weg naar Noach. Jezus zegt ook: «Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des men­sen zijn».  Matth.24:37. Er is dus wel de belofte, dat er niet opnieuw een watervloed zal komen over de aarde; dat teken van de regenboog blijft. Die regenboog zien we weer terug in het boek Openbaring: «Een regenboog was rondom de troon, van aanzien de smaragd gelijk» Openb.4:3. Die regenboog is daar, ook in het laatste bijbelboek als een teken van het verbond. Een teken van de trouw van God, dat God zijn schepping niet los­laat. Die schepping wacht juist op verlossing, de schepping hoopt.

De schepping is in barensnood, niet in stervensnood

«Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods» Rom.8:19. «In hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergan­ke­lijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods».  Rom.8:21. De schepping blijft hopen op het nieuwe begin. De schepping wacht niet op het einde, maar wacht op het begin. De schepping wacht ook niet op de ver­nietiging. De schepping is niet in stervensnood, maar in barensnood. «Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is».  Rom.8:22. De schepping wacht niet op vernietiging, maar op bevrijding. «Met opgestoken hoofde», zegt de Statenvertaling. De hele schepping voelt als het ware: er komt wat. De schepping wacht op de wederoprichting van alle dingen. Juist wat dat betreft is dat hele beeld van Noach toch wel veelzeggend: geen einde, maar een nieuw begin. De schepping werd als het ware door het water heen gered. Je zou het kunnen vergelijken met de geboorte van een kind. Als een kind ge­boren wordt, wordt het ook geboren uit het water, uit het vruchtwater. Door het water heen tot leven gekomen. Een nieuwe schepping: een moment, maar van daaruit komt het op gang. De overgang van dood naar leven, de overgang van duisternis naar licht, van slavernij naar vrijheid. De overgang van tweeheid naar eenheid. Dan word je geboren in het land van God, dan word je geboren in het Land der Levenden.

Een nieuwe schepping; een schuilplaats bij Hèm

«Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.  2 Kor.5:17. Die werkwoordsvorm kun je ook verstaan als een begin: het oude is begon­nen voorbij te gaan, het nieuwe is ‘geworden’. Je kunt het misschien ook vergelijken met een asielzoeker, die in zijn oude land vervolgd wordt en in zijn nieuwe land een nieuw leven kan opbouwen en tot ontplooiing kan komen. Je moet dan natuurlijk nog wel wennen in dat nieuwe land, je moet de taal van dat land leren, je moet de gewoonten van dat land je eigen ma­ken. In bet begin voel je je in dat nieuwe land toch wel erg onwennig. Misschien word je ook niet altijd door iedereen zo goed behandeld. Zo kan de mens een burger worden van het Koninkrijk der Hemelen, maar dat is dan ook wel een proces. Het begint ermee, dat je gaat schuilen bij de Heer. Je gaat een schuilplaats vinden in dat land van Hem, in dat Rijk van het Licht. Je komt in het Koninkrijk van de Genade, want in dat land, waar je vandaan kwam, was het niet zo best. Daar was geen leven, daar was ook geen genade. Dat was net zo’n land als Egypte in de tijd van Mozes, het land van de be­nauwdheid, het land waar je werd kapot gemaakt. In de Paasnacht gaat Egyp­te open, Mozes gaat voorop en jij gaat er achteraan. Zo hebben ook wij onze Paasnacht. En Jezus gaat voorop en wij gaan er achteraan. Maar na de uittocht begint het pas. Maar gelukkig, je bent in ieder geval uit dat ellendige land vandaan. Maar je mag in ieder geval schuilen bij Hem, schuilen bij de Naam des Heren. En als je maar eerst een schuilplaats hebt, kun je beginnen met je leven op te bouwen. Het eerste wat je nodig hebt, om iets te kunnen leren is veiligheid. En vanuit die veiligheid, vanuit die schuilplaats kan God je dan gaan onderwijzen. Als je je niet veilig voelt, kun je ook niets leren, dan hoor je het toch niet. Daarom ging Mozes ook geen bijbelstudie geven in Egypte. Pas als ze uit Egypte zijn en bij de berg Sinaï komen, kan het onderwijs beginnen. Dan gaat God hen de Torah geven, de onderwijzing.

Rome – gemeente afkom­stig uit Joden en heidenen

De Romeinenbrief heeft Paulus vanuit Korinthe geschreven. En dan wordt algemeen aangenomen, dat hij dat doet als hij klaar is in Klein-Azië en in Griekenland, waar hij dan verschillende gemeenten heeft gesticht en op­ge­bouwd. En dan gaat Paulus dus schrijven aan de gemeente in Rome, waar hij zelf nog nooit geweest is. Dus daar was al een gemeente, die was daar al ontstaan voordat Paulus daar ooit een voet gezet had. Wat daar vooral ook speelde, was het punt van de verzoening. Je had daar een gemeente afkom­stig uit Joden en heidenen, met mensen van diverse pluimage en allerlei af­komst. Nu was dat toen al – en ook nu vaak nog – een heel probleem: je kunt wel mensen in één zaal bij elkaar stoppen, maar hoe houd je ze bij elkaar! Hoe houd je nu meer zand vast, als je een handvol zand dichtknijpt, of als je je hand opendoet. Je kunt je hand heel krampachtig dichtknijpen met de bedoeling om dat zand vast te houden, maar dan knijp je het juist je hand uit. Als je je hand openhoudt, kun je naar alle waarschijnlijkheid meer zand in je hand bewaren. Daar zit toch een prachtig beeld in. Hoe kun je elkaar vasthouden? Met een open hand. Leven met een open hand, dan houd je veel meer vast. En dat is ook wat God doet: Hij houdt ons vast met een open hand. God houdt ons niet kramp­achtig vast, niet dwingend, niet soebattend en smekend, ook niet ge­welddadig knijpend.

De open hand –  een wezenlijk motief in de Romeinenbrief

Die open hand is een heel wezenlijk motief in de Romeinenbrief. In de hoofd­stukken 9 tot en met 11 gaat het dan over Israël, dus ook de verhou­ding tussen Israël en de volkeren. En telkens zie je dat punt naar voren komen: met een open hand word je vastgehouden. Zo kun je ook elkaar vasthouden. In sommige gemeenten wordt heel geforceerd getracht iedereen bij elkaar te houden, dat lukt dan meestal niet zo goed. Verzoening is in wezen een van de grondtonen van de hele Romeinenbrief. Het Hebreeuwse woord voor handpalm, voor de open hand is kaf. Dat woord wordt ook bijvoorbeeld gebruikt in de psalmen, als er staat: “Mijn handen hef ik op naar U”. Dat zijn ook die open handen. Het ‘opheffen van handen’ omvat veel meer dan doorgaans wordt gedacht. Als de psalmist zegt: «Ik hef mijn handen op naar U», zit daar ook de bereidheid van het ont­vangen in. Het andere Hebreeuwse woord voor hand is jad. Dat is veel meer de hand, die iets vastpakt, dat is de hand die iets doet. De jad is de hand die daden stelt, maar ook de hand die het zwaard hanteert.

Allen hebben gezondigd en missen de lichtglans van God

«Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods» Rom.3:23. Je kunt ook vertalen: «Missen de lichtglans van God». De glans in je leven is weg, het leven wordt dof. Het leven is kleurloos geworden. Wat dat betreft spreekt de Bijbel ook niet theoretisch, maar heel praktisch. Je kunt het ge­woon herkennen: de glans is uit je leven verdwenen. God heeft een ‘stralend leven’. Daarom heeft het zo weinig zin om te zeg­gen ‘God bestaat’. Als je zegt, dat iets bestaat heb je nog niet zo veel ge­zegd. Er bestaat zo veel, de duivel bestaat ook. God is maar niet een God die bestaat, maar Hij is een God die lééft! Hij is een God die glanzend leven heeft en geeft. Hij is een God, die kleur aan het leven geeft. God heeft de schepping ook in kleur gemaakt, niet in zwart­wit.

Allen hebben gezondigd

Zondigen wil zeggen: je doel missen, ontsporen. Missen de heerlijkheid Gods. Je kunt ook vertalen: «Missen het gewicht van God». Het leven wordt dan ge­wichtloos, heeft geen zwaarte meer, heeft geen inhoud meer. Het leven ver­liest dan zijn waarde en is als het ware een zeepbel geworden. Alle diep­gang gaat dan uit het leven, de ‘zwaartekracht’ is verdwenen. «En worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing van Chris­tus Jezus».  Rom.3:24. Het valt in deze verzen op, dat de zin gewoon doorloopt: «Allen hebben gezondigd en worden gerechtvaardigd».

 Verlossing en lossing – moment en voortgang. Door de verlossing!

Dat woord verlossing heeft hier eigenlijk de betekenis van losmaking. In het Hebreeuws heb je hier twee woorden voor. Je hebt het woord padah, wat loskopen betekent. In dat verband wordt ook gesproken van de losprijs. Je hebt hier dus het beeld van de mens, die op de slavenmarkt zit, die als slaaf in het leven verkeert en die dan losgekocht wordt. Het is dus eigenlijk een term uit de rechtspraak, uit de rechtswereld. Het tweede woord, dat in het Hebreeuws voor ‘verlossing’ gebruikt wordt, is het woord ga’al, wat meer de betekenis heeft van lossen. Hiermee houdt ook dat beeld verband van de goël, de losser. Dat is ook dat bekende thema in het boek Ruth, waar Boaz optreedt als losser. Dat lossen is dus een term uit het familierecht. Je wordt immers losgemaakt door middel van je naaste bloedverwant. In de latere delen van Jesaja wordt ook zo mooi van God gezegd, dat Hij de Losser is. Dat betekent dan in wezen ook, dat God familie is van de men­sen. Om losser te kunnen zijn, moet je in familieverband zijn. Er moet dus, om losser te kunnen zijn, een familieverwantschap bestaan. God is de Los­ser van Israël. Bij lossen of verlossen kun je het moment en de voortgang van de verlos­sing onderscheiden. Als een slaaf wordt losgekocht, is dat een gebeurtenis die slechts één moment in beslag neemt. Maar dan moet de slaaf, de ex-slaaf daar nog helemaal aan gaan wennen en zich op gaan instellen. Hij moet leren vrij mens te zijn en zich als vrij mens te gaan gedragen. Bij dat lossen zie je dat ook. Boaz verricht die lossing op één moment, maar daar volgt nog een hele geschiedenis op. Bij de lossing wordt je land teruggekocht, ook jouw geestelijke land. De mens weet vaak niet eens meer wat hij in de loop van zijn leven is kwijt­ge­raakt. Dat kun je ook hebben als er bij je is ingebroken. Je weet dan niet met­een wat je allemaal kwijtgeraakt bent. Zonde heeft ook vaak te maken met vervreemding, en ook met ontvreem­ding. Die vervreemding wil dan zeggen, dat je eigenlijk niet eens meer weet wie je bent. Je wordt een buitenlander, je wordt een vreemde in je ei­gen huis. Je weet niet meer waar je vandaan komt en waar je heen gaat. Een sprekende tekst in dit verband is:

Vervreemd van het leven Gods

«Verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart» Ef. 4:18. Eerst wordt gesproken van de ijdelheid van hun denken (vers 17), de leeg­heid. Dat woord ijdelheid betekent hier: vruchteloosheid. Die heidenen zijn dus ‘vervreemd van het leven Gods’. Paulus noemt hier een aantal heel fundamentele begrippen. Dat heeft ook te maken met het feit, dat die verlossing een heel proces is. Het is een hele weg om los te komen uit ‘de verduistering van denken’, uit ‘de vervreem­ding van het leven Gods’, uit die ‘onwetendheid’ en uit die ‘verharding’. De heidenen zijn vervreemd van het leven. Maar er staat bij: van ‘het leven Gods’; dat is de manier waarop God gewend is te leven. Het leven Gods is Gods leefwijze, de manier waarop Hij wandelt. Het probleem zit dus in dat denken. Dat denken is steriel geworden, vruch­teloos, op een dood punt aangeland, dat denken is ijdel geworden. Het Hebreeuwse woord voor ijdel is hebel, daar komt ons woord heibel nog van­daan. Dan maak je wel een hoop leven, maar het is geen echt leven, geen kwaliteitsleven. Je hebt wel een hoop heibel, maar er komt geen vrucht. Hebel betekent eigenlijk damp. Het denken van de mens is dan alleen maar damp, alleen maar mist; je zit in de mist en je ziet niet meer waar je heen gaat, je blik is verduisterd, je visie is weg. Iemand kan best al jarenlang een kind van God zijn, maar toch nog zitten met een stuk vervreemding. Er zijn dan aspecten in je leven, waar je nog niet hebt teruggevonden wat jou is afgepakt, ook al besef je dat vaak zelf niet eens. Jezus is gekomen om het verlorene te zoeken, niet alleen maar de verlorenen. Hij zoekt ook alles weer op, wat in de mens verloren is geraakt, dat onder het stof verdwenen is. Er is heel wat, dat van de mens is weggeroofd, soms heel gewelddadig geroofd.

Voorgesteld als zoenmiddel

In dat verband gaat Paulus dan spreken over de verzoening. Want dan zegt hij: «Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn recht­vaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaam­heid Gods gepleegd waren, had laten geworden» Rom.3:25. Als zoenmiddel. Of: als verzoendeksel, zoals daar op de ark dat verzoendeksel was. Verzoenen betekent eigenlijk: bedekken. Verzoenen heeft ook te maken met heel maken. Verzoenen heeft ook weer een heel praktisch aspect. Als een re­latie die kapot was, weer verzoend wordt, is er weer een stuk leven te­rug­gewonnen. God trekt Zich onze pijn en onze vervreemding aan. Zo wordt het Kruis het teken van de verzoening, van de liefde tot het einde. Hij komt binnen in onze ‘dode punten’. Het probleem in dit verband is, dat men daar weer een hele leer omheen heeft gebouwd, waardoor het statisch wordt; dan wordt het hard.

Karrensporen of verharde wegen

Henk Abma zegt zo treffend: toen Paulus die brieven ging schrijven, waren het karrensporen, een spoor in het zachte zand. Daarna heeft men, om op te kunnen schieten, verharde wegen gemaakt. Dat is een heel typerende uit­druk­king. Dat waren dus de dogma’s en de leerstellingen. Daardoor ben je veel vlugger een Christen, werd er dan gezegd. Als je nu die dogma’s maar uit je hoofd leert, en daar ja op knikt, dan ben je orthodox. Je bent dan recht in de leer, je bewandelt de rechte weg, de verharde weg. Maar het resultaat van al die verharde wegen is, dat je in de file komt te staan. Zo kwamen er verharde wegen naar Genève en Wittenberg, Calvijn en Lu­ther. De wegen werden ook inderdaad steeds harder. Het waren ook we­gen, waar voor geen mens nog plaats was. Je moet op zo’n snelweg mee in de file, je kunt niet uitwijken, je kunt niet in de berm gaan picknicken; er is eigenlijk alleen nog maar een vangrail. Je moet voort en je wordt voort­ge­jaagd. Dogma’s zijn leerstellingen; zo moet je het belijden, zó moet je het onder­schrijven. En als je dat dogma niet gelooft, ben je een ketter. En dan kun je worden geëxcommuniceerd. Dan ben je een uitvaller. Maar God is juist de God van de uitvallers. En dan zijn er soms van die randfiguren, die al die leerstellingen nou niet zo op een rijtje hebben, maar die wel een hart hebben. Hun hart zit op de goede plaats, hun hart is op God gericht. Zo is de verzoening vaak tot een leer geworden. Henk Abma spreekt dus van verharde wegen. En dan zegt hij: nog later kwam er een tolweg naar Auschwitz; daar moest je tol betalen. Al die con­cen­tratiekampen vormen in wezen de wrange vrucht van het starre, dog­ma­tische denken. Het is de vrucht van het zogenaamde Christelijke Euro­pa. Er lopen lijnen van Luther en latere Duitse theologen naar de denk­beel­den van Hitler en de Jodenvervolging. We moeten weer terug naar dat kar­renspoor, naar dat zandpad.

Verzoening is genezing van pijn

Verzoening heeft te maken met iets, dat pijn doet. Verzoening betekent, dat God de pijn van mensen wil genezen, God wil de vervreemding genezen. Verzoening heeft ook te maken met vergeving. Bij verzoening is er vaak sprake van een mens, die ergens mee overhoop ligt, overhoop met het leven, overhoop met zichzelf, met de ander, over­hoop met God. Verzoening is voltooiing van het menszijn, de voltooiing van wat je in diep­ste wezen bent. Juist daar, waar een mens is aangetast, juist daar waar een gat, een hiaat is, wil God verzoening, genezing bewerkstelligen. Verzoening is in wezen het omgekeerde van verharding. Verzoening is, dat je ook weer zacht kunt worden. Hardheid is vaak een vorm van verdedi­ging. Het is een vorm van zelfbescherming. Je denkt: ik móet wel hard zijn, anders lópen ze over me. Het is vaak een instelling om te kunnen over­le­ven. Het Christendom heeft ook vaak harde kanten gehad, het was vaak heel rechtlijnig. Dat werkt zelfs in bijbelvertalingen door.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391861 bezoekers sinds 07-06-2010