Vaste grond voor vandaag en morgen

30-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De mens is geneigd om te denken, dat het goddelijke in zijn leven ver weg is. Maar er is een uitspraak die luidt: De mens is dichter bij God dan de vissen bij de oceaan. Je hoeft er niet eindeloos je best voor te doen om tot God te naderen. De Eeuwige is dichter bij jou dan j e eigen hart. Hij is dich­terbij dan je eigen vragen. Onze uitgangstekst vinden we in 1 Thess.3. …Hij, onze God en Vader, en onze Here Jezus, bane ons de weg tot u; 12. en u doe de Here toenemen en overvloedig worden in de liefde tot elkander en tot allen – zoals ook wij gezind zijn jegens u -, 13. om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Here Jezus met al zijn heiligen… (1 Thess.3:11-13). “Vaste grond voor vandaag en morgen” hebben we als titel voor ons onderwerp gekozen. Er is vaak zoveel verwarring, er zijn zoveel gedachten, zeker als je de kranten leest en het nieuws probeert te volgen. Als er zoveel op een mens afkomt, kunnen de vragen zich ver­menigvuldigen. Wij zien niet de werkelijkheid hier op aarde. We zien niet de oorspronkelijke werkelijkheid van God. Wat we zien is alleen maar de buitenkant, dat is alleen maar de façade. Het gaat erom, wat er achter die façade verborgen ligt. In dit verband spreekt toch altijd die tekst uit Jesaja 45 zo’n duidelijke taal: …Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser…  (Jes.45:15). Je ziet de feiten, je ziet de buitenkant, je ziet alles wat voorbijgaat, maar niet wat daarachter zit. Achter die feiten, achter dat zichtbare ligt de realiteit, daar is de weg die de Eeuwige gaat met zijn wereld en met zijn mensen. In 1 Thess.3:11 staat dan: “Hij, onze God en Vader”. Daar be­gint deze tekst dan mee. Dat Hij krijgt in het Hebreeuws de nadruk. Het kan ook betekenen: Hijzelf. Het is net alsof Pau­lus hier wil zeggen: nu komen we tot de grond van alle dingen. In het voorafgaande heeft hij gesproken over ‘al onze nood en druk’: …zijn wij dan ook, broeders, bij al onze nood en druk, ver­troost over u door uw geloof…       (1 Thess.3:7). En ook in vers 3: …dat niemand zou wankelen onder deze verdrukkingen. Gij weet immers zelf, dat wij daartoe bestemd zijn…(v.3). want ook toen wij bij u waren, zeiden wij u reeds, dat wij zouden verdrukt worden, zoals gij ook weet, dat geschied is…(v.4). Dit derde hoofdstuk staat dus helemaal in het teken van de weerstand en tegenstand die mensen ondervinden. En dan komt de vraag: ga je dan wankelen (v.3), wat blijft er dan overeind? Dat loopt dan uit op wat er in het zevende vers staat: “Alle nood en druk”; dit kan haast de betekenis hebben van noodlot. Het gaat om alle dwang en alle dwangmatigheid, alles wat een mens kan beklemmen. En dan de vraag, waar het dan in vers 7 om draait: is daar dan ook de vertroosting? Zo hebben we dus even de sfeer aangegeven van dit gedeelte, de kleur van hetgeen Paulus hier ons schildert. En dan tegen de achtergrond van al deze nood, benauwdheid en beklemming komt vers 11: Hijzelf! Het is alsof de apostel dit dan met heel veel gewicht wil neerzetten; dan komt het aan op hetgeen Hijzelf, de Eeuwige zal volbrengen, wat van Hem uit tot stand komt. Dan gaat het niet langer om menselijk pogen en om menselijke middelen. Dan is de vraag niet: zal het ons lukken of niet, maar dan gaat het een laag dieper. Dan ben je door alle gronden heengezakt om dan de ware grond te vinden.

…Bane ons de weg tot u…

Het eerste woord wat hier opvalt, een sleutelgedachte, is:de weg banen. Hier staat een kernwoord dat letterlijk betekent: de weg recht maken. Paulus wil zeggen: er dient een weg te komen tussen u en ons. Je kunt dan in eerste instantie uitgaan van een letterlijke, lijfelijke ontmoeting. Als Paulus deze brief schrijft, is er een geografische afstand tussen de apostel en de gemeente van Thessalonika. Hij wil die gemeente dan graag weer eens be­zoeken; je kunt zeggen: dat is dan puur een aardse, fysieke aangelegenheid. Hoe komen we weer bij elkaar; we zouden graag weer eens een reunie willen hebben. In die oude oosterse we­reld waren de mogelijkheden om een reis te maken natuurlijk wel beperkt. Het moest bij voorkeur geen winter zijn. Er mocht ook niet te veel onrust zijn op het politieke vlak. Als je een laag dieper gaat, kun je je afvragen: is er een weg van de een naar de ander? Kan de een de ander bereiken? Kan het hart van de een komen tot het hart van de ander? Dan eindigt Maleachi zo mooi: …Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen…(Mal.4:6a). Dat is het laatste wat de profeten gezegd hebben: een weg van de een naar de ander. Maar al te vaak zijn er geen wegen. Je zou een mens willen bereiken, maar je weet niet wat je moet zeggen, je woorden blijven ergens halverwege steken. En hoeveel mensen zijn er niet onbereikbaar! Wat zou je nog kunnen bij mensen die op de een of andere manier opgesloten zitten, gekerkerd zijn. Dan zijn er geen woorden meer; dan kun je niets meer zeggen om het hart van die ander nog te raken. Dat is het waar Paulus het ten diepste over heeft.

Dat heeft dan ook alles te maken met samen komen in de tem­pel, in het huis van de Eeuwige; samen staan in de tegen­woordigheid van Hèm en leren ontvangen. Zo stond het volk Israel eenmaal bij de Sinaï, waar het de Torah mocht ontvangen; de mathan Torah – dat is één ding. Maar, zegt dan de Joodse traditie, dan is er nog iets no­dig, niet alleen het geven van de Torah, maar ook de kabba­lath Torah, het ontvangen van de Torah. Want wat heb je er­aan, als die Torah gegeven wordt, maar niet wordt ontvangen. vaak de onmacht van het mensenwoord. Er is in dit verband een verhaal geschreven over iemand die dan elke keer op weg gaat om de mensen te vertellen en om prachtige verhalen door te geven. En elke keer, als hij dan op de terugreis is, dan is er één vraag in zijn hart: zouden ze het begrepen hebben. En als hij dan weer thuiskomt, gaat hij achter zijn bureau zitten in zijn studeerkamer. Hij kijkt uit het raam, waar hij de bomen, de peppels ziet; dat is dan het uitzicht, als hij daar in zijn kamer zit. Maar dan komt er nog een andere vraag bij hem op: zou ik het begrepen heb­ben? Is dat dan niet de diepste vraag, die je je kunt stel­len? Je kunt zoveel woorden horen, en misschien heeft Pau­lus dat ook wel gekend en ook al die profeten zullen dat ook wel hebben meegemaakt. En aan het eind denken ze: ik heb zoveel gezegd, maar zouden ze het verstáán hebben? En dan komt de tweede vraag: zou ik het verstaan hebben?

Dat is toch ook wat Paulus dan schrijft: …Neen, ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf af­gewezen te worden… (1 Kor.9:27). Dan heb je het allemaal haarfijn uiteengezet, maar heb je nu ook levende contacten gekregen? Dan kan het je vergaan als John Darby; hij had prachtige boeken geschreven, schitterende studies. Hij had geschreven over de falende gemeente, over vroeger en nu, over hoe het was en over hoe het is en hoe het worden zal. Maar dan eindigt hij zijn leven op een eenzaam zolderkamertje. Hij heeft geen vrienden en kennissen meer; hij zit daar helemaal alleen. Dan moet door hem toch ook wel het gevoel zijn heen­gegaan: heb ik het wel goed gedaan, heb ik ze dan niet be­reikt?

Willem Barnard zegt: ik heb heel veel gesproken en zoveel gezegd, maar af en toe vraag ik me af: heb ik het nu wel goed overgebracht, of verdoof ik ze tot hun verderf? Heb ik ze alleen maar een soort verdovend middel toegediend? Karl Marx zei ook al: godsdienst is opium van het volk. Meestal wordt deze uitspraak verkeerd weergegeven en zegt men: godsdienst is opium voor het volk. Af en toe even een snuifje van een verdovend middel. Dat staat ook in Spreuken: …Geef bedwelmende drank aan wie te gronde gaat, en wijn aan wie bitter bedroefd zijn;…  (Spr.31:6). Er zijn zoveel woorden, er zijn zoveel preken, er zijn zoveel studies. En als dan iemand thuiskomt, en hij ziet die prach­tige peppels voor zijn raam staan, dan komt als vanzelf die gedachte bij hem op: heb ik het wel begrepen? En dan gaat hij op zoek naar het laatste woord. En als hij die peppels ziet, denkt hij misschien aan die oude dichter Leopold, die ook een gedicht gemaakt heeft:’Om mijn oud woonhuis peppels staan’; blijkbaar keek Leopold ook uit op die peppels. Leopold kon af en toe ook helemaal niet meer horen. In de loop van de jaren werd hij helemaal doof. Die laatste jaren moest hij nog voor de klas staan, maar dat viel hem dan he­lemaal niet mee. De leerlingen maakten ook wel eens mis­bruik van de handicap van Leopold en speelden dan tijdens de les dierentuintje. Hij stond dan les te geven, Grieks en Latijn, maar kon alleen nog maar doorgeven wat hij wist; hij kon niet meer horen wat de leerlingen zeiden. Alleen als het buiten vroor, dat was heel wonderlijk, als het vroor dat het kraakte, waren zijn oren weer helder. Dan leefde hij weer op en ging dan schaatsen met zijn leerlingen. Dan vroeg hij één voor één de meisjesstudenten of ze een baantje met hem wilden schaatsen, en dan was hij weer helemaal op dreef. Als dan de vorst voorbij was, ging zijn hoofd weer dicht. Dan kon hij niet meer horen en was zijn leven weer als een gesloten huis. Zo is Leopold door het leven gegaan, vaak eenzaam en onbe­grepen. Hij is een van de grootste dichters geweest van het Nederlandse taalgebied, maar er is nooit een prijs aan hem toegekend. ..Hij, onze God en Vader, en onze Here Jezus, bane ons de weg tot u…(1 Tess.3:11). Paulus gaat hier op dat relatieprobleem in. Hij omvat dat van boven en spreekt dan de woorden uit van bovenstaande tekst. Dit is dan ook een sleuteltekst. Dat is nu toekomstverwachting. Het wonderlijke is nu, dat deze tekst in feite nooit wordt behandeld als het over de eindtijd gaat. Er zijn uitleggers en schriftverklaarders, die alles over de eindtijd weten, die alles weten over de bedelingen; maar zover ik het kan nagaan, is er niemand die het ooit over deze tekst heeft in dat verband. Als er één ding geschreven staat in het hart van God, dan is het wel wat in deze tekst staat: het banen van de weg. God gaat een weg banen. Dat is wat er staat in Jesaja 40 …Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God. Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht, en het oneffene worde tot een vlakte en de rotsbodem tot een vallei…(Jes.40:3,4). Dat is het toekomstbeeld, waar Jesaja 40 mee opent. Daar gaat het over in Jesaja 40 tot en met 55, zestien hoofd­stukken lang. Er moet een weg komen van Babel naar Sion. De weg vanuit de ballingschap naar het huis van de Eeuwige. Daar wordt zestien hoofdstukken lang over verteld. Jesaja raakt daar maar niet over uitgezongen. Er zal een weg zijn, een heerbaan, een verhoogde weg, een ongekend pad ….Daar zal een gebaande weg zijn, die de heilige weg ge­naamd wordt; geen onreine zal die betreden; maar hij zal alleen voor hen zijn; reizigers noch dwazen zullen erop dolen…       (Jes.35:8). …En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen uit tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte. Dit zijn dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten… (Jes.42:16). Die ballingen kènden die weg niet; ze waren Babel ook nog nooit uit geweest. In Babel is de wereld dichtgeplakt met krantenpapier; die kranten hebben het altijd gedaan. Daar zijn er ook zo veel van; elke dag een nieuwe. Nee, nog er­ger: iedere dag verschijnen er heel wat kranten. Geen won­der, dat de wereld met krantenpapier dichtgeplakt zit. Geen wonder, dat je dan ook niet verder kunt kijken dan wat je in Babel hebt. Die mensen in de ballingschap hebben geen besef van de we­reld buiten Babel. Ze zijn Babel nog nooit uit geweest en door al die kranten konden ze ook niet naar buiten kijken. De mensen in Babel zaten daar opgesloten en ingekerkerd. Het lijkt op dat gedicht van Guido Gezelle over die leeuwe­rik, die ze hebben opgesloten in een kooi. En dan zijn ze nog wel zo aardig geweest om een kwastje bovenin zijn kooi te hangen, zodat als hij dan toch nog op wil stijgen, hij zijn kopje niet bezeert.

Netjes in je kooitje blijven, dat is goed voor je. Wij zorgen wel voor je; en dan krijg je van ons elke dag een hapje eten. En als je dan voor ons ook nog een liedje wilt zingen, dan zijn we allemaal blij en gelukkig. Zo is het toch ook vaak in de religieuze wereld: opgesloten in allerlei leringen. Op dat gebied is er een grote verwar­ring. Maar Achter die zichtbare zaken is nog een verborgen harmonie, daar wordt het in een goddelijke samenhang ge­plaatst. Er zijn heel wat theorieën over eindtijd en toekomst. En dan zegt de filosoof Bierens de Haan: de mens is er niet voor het dogma, maar het dogma is er voor de mens. Dat lijkt op wat er staat in Marcus 2: … En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat…(Mc.2:27). Alzo is de Zoon des mensen heer over de sabbat… (v.28). Met een variant hierop zou je kunnen zeggen: De Zoon de mensen is Heer over het dogma. Jezus is niet onderworpen aan onze dogma’s, maar de dogma’s zijn onderworpen aan Hèm. Elke heuvel en elke berg moet geslecht worden. Ook al die dogma-heuvels en al die leringen-bergen. Alleen dàn kan God die weg bewandelen, kan de mèns die weg bewandelen. Door al die heuvels en bergen komen de mensen vaak ook niet tot elkaar. Steeds zit daar weer een berg tussen, of wordt de weg versperd door een dogma-heuvel. Vanachter die bergen kun je dan zo nu en dan naar elkaar kijken. ‘k Zou maar niet achter die berg gaan zitten, zegt er dan een, kom ach­ter mijn berg, die is veel beter. Iedereen denkt dat hij achter de goede berg zit; dat dacht die Samaritaanse vrouw ook al. En intussen wordt er gezon­gen: ik mag wonen op de bergtop, met die reine lucht. En dan zegt Zacharjah: …Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubba­bel wordt gij tot een vlakte….        (Zach.4:7). De mens is gemaakt op de zesde dag. De mens was er eerder dan de sabbath. De sabbath is er voor de mens. Terwille van de mens, terwille van die zesde dag, komt er een zeven­de dag. Al die bergen moeten dus tot een vlakte worden. Zo staat er zo mooi in de oude berijming van Psalm 68: Die door de vlakke velden rijdt… Paulus zegt dus in Tess.3:11… de toekomst, de eindtijd, wordt gekenmerkt door dat banen van de weg. Jesaja 40 tot en met 55 gaat dus over dat banen van de weg. Het kader waarin dat banen van die weg staat, wordt be­schreven in Jes.40:1 ..Troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is De troost bestaat dus uit het banen van die weg. Die troost wordt geconcretiseerd in de weg, die wordt geëffend. Over die troost heeft Paulus het in 1 Tess.3: ..zijn wij dan ook, broeders, bij al onze nood en druk, vertroost over u door uw geloof…        (1 Tess.3:7). In alle nood, in alle noodlot, in alle noodzaak, in alle dwangmatigheid, nog gevangen als leeuwerik in je kooi, maar je krijgt alvast die troost. Die troost van vers 7 is die weg van vers 11.

In vers 11 staat dus: …hij bane de weg tot u… Dat ‘banen van de weg’ is letterlijk: de weg recht maken, recht en vlak. Voor ‘rechtmaken’ staat er in het Grieks: katheuthunoo. In het Hebreeuws wordt het dan het werkwoord jasjar of jasjer. Dat woord ‘jasjar’, in de Septuagint dus weergegeven met ‘katheuthunoo’, komt vooral voor in de Psalmen. Als je dan 1 Thess. 3 leest, moet je als het ware wat psalmen in je achterhoofd hebben, of gaan zingen. …Hij trok mij op uit de kuil van het verderf, uit het slijk van de modderpoel; Hij stelde mijn voeten op een rots, mijn schreden maakte Hij vast…(Ps.40:3). Het gaat hier over één mens, maar ook over de gemeente, en in feite over heel de wereld. Hierbij moet je bedenken, dat die psalmdichter spreekt namens allen. Het ik in de Psalmen is een exemplarisch ‘ik’, dat is een ‘ik’, dat allen vertegenwoordigt. Israël spreekt ook nooit namens zichzelf alleen, want Israël heeft een roeping namens de volkeren. Die Psalmdichter spreekt dus namens Israël. En Israel spreekt namens de volkeren. Je kunt ook zeggen: Israël spreekt namens de hele schepping. God zegt als het ware tegen Israël: jullie moeten maar bid­den, want die anderen kunnen niet bidden. Israël is de stem van de wereld. We gaan het in deze serie ook nog hebben over de plaats van Israel in het plan van God en nu zitten we er eigenlijk al middenin.

Israël is de stem van de wereld.

Als je dát nu als basisgedachte vasthoudt, ben je al een heel eind op weg. Jakov Gordin was van oorsprong een Russische Jood. Hij heeft de ballingschap wel aan de lijve ondervonden. Hij is in zijn leven driemaal in ballingschap gegaan. Hij weet dus wel wat het is, als je steeds merkt, dat de weg weer wordt afgeslo­ten. Van Gordin kun je met recht zeggen, dat hij ook vaak kk als een leeuwerik in een kooi zat. Gordin werd geboren in 1896; een paar jaar na de Russische revolutie moest hij uit Rusland vluchten. Hij komt dan in Berlijn terecht, waar hij gaat studeren en later ook les geven. Als het bewind van Hitler opkomt, moet hij voor de tweede keer in zijn leven vluchten. Hij komt dan in Parijs terecht, waar hij weer docent wordt. Als hij een jaar of vijftig is, wordt hij ernstig ziek en komt in een ziekenhuis in Portugal terecht. Als dan de verpleegsters bij zijn bed komen, kan hij met moeite nog wat woorden uitbrengen en zegt: ‘Sono Hebreo’, ik ben een He­breeër. Ook al heeft hij dan driemaal ballingschap ervaren, hij wist waar hij thuishoorde.

Jakov Gordin heeft een prachtige studie geschreven over de ballingschap. Hij zegt daarin onder andere: de roeping van Israël is om stem te zijn. Israël is de stem van God. Israël heeft de taak om zijn stem te laten horen. In dat verband trekt hij de vergelijking met Jakob en Esau. Esau ging jagen; Esau ging ook vanalles bouwen. De blinde vader Isaak sprak indertijd die wonderlijke woorden: de han­den zijn Esaus handen, maar de stem is Jakobs stem. En dan zegt Gordin: dat is nu het geheim van heel de wereldge­schiedenis. De handen zijn altijd de handen van Esau; Esau werkt met zijn handen. Die handen van Esau hebben altijd maar weer gejaagd. ‘k Heb gejaagd, wel jaren lang. Die handen van Esau hebben van alles gebouwd: wolkenkrabbers, fabrieken, kazernes, bunkers, die handen van Esau hebben enorm veel tot stand gebracht. Maar de stem is Jakobs stem. Want de roeping van Jakob, van Israël is, om stèm te zijn: bidden, Torah lezen, roepen, zingen. Want dat kan Esau niet: Esau kan niet bidden. Waar zou Esau een gebed vandaan moeten halen? Het bidden is mij nooit ge­leerd. Hij moest zó veel bouwen en hij moest zo veel van de grond zien te krijgen. In dit verband moet je niet naar de zichtbare werkelijkheid het hedendaagse Israel kijken, naar de dingen van de dag. mens of een volk kan wel eens in zo’n sterke mate in en moeite zijn, dat je zelf niet meer ziet wat je doet. een ander ziet niet meer wat je doet. Dan krijg je een de pijn van de geschiedenis van. Dat is ook met het tegenwoordige volk Israël het geval: je kunt wel in het Beloofde Land zitten, maar toch ben je niet thuis. Je kunt soms zo vervreemd zijn van het hart. Maar toch is is het hart er ergens wel, het klopt misschien ook nog wel, maar de vervreemding is er zodanig overheen gegaan, dat je mis­schien zelf niet meer weet wie je bent. Dat is heel de geschiedenis van de vervreemding. Toen ze in Babel waren, en ook toen ze al weer in het Be­loofde Land zaten, was die vervreemding er ook. God zegt dan: Ik zal de blinden leiden op een weg, die ze nooit ge­kend hebben. Ook vandaag de dag is daar die vervreemding. Er zijn heel wat volken, die hun roeping kwijt zijn. Als de volkeren hun roeping kwijt zijn, heeft dat ook zijn weerslag op de hele ge­schiedenis en omgekeerd. Daarmee zijn we in wezen weer terug bij dat elfde vers van 1 Tess.3, want daar gaat het dan in wezen om: die weg moet weer worden gebaand. De weg is versperd, en daardoor is ook de stem verstikt. En als die stem niet meer kan zingen en niet meer kan roepen, dan is het net zoals er in Klaagliederen staat:

 ..Hoe is het goud verdonkerd, ontluisterd het goede, fijne goud! De heilige stenen zijn weggeworpen op de hoek van elke straat…     (Klaagl.4:1)

En: ..Hij heeft mijn weg versperd met steenblokken, mijn paden onbegaanbaar gemaakt… (Klaagl.3:9). Misschien probeert die verstikte stem nog wel iets te zeggen. En dan zegt Psalm 137: zing nog eens een lied over Sion voor ons, maar: ..Hoe zouden wij des Heren lied zingen op vreemde grond? …  (Ps.137:4). Dan komt dat lied niet meer helder door, dan is het allemaal versluierd. Dat is dan de pijn van de geschiedenis. En je kunt je afvra­gen waar het begint en waar het eindigt. Je kunt je afvragen wie de schuld heeft en waar de schuldvraag ligt. Maar misschien moet je dan een stap verder gaan: voorbij de schuldvraag. Als je dan dat 1 Tess.3 hoort, hoor je daarachter ook: Hij stelde mijn voeten op een rots, mijn schreden maakte Hij vast…(Ps.40:3). Daar staat weer datzelfde woord in de Septuagint: katheuthunoo; mijn schreden maakte Hij recht. Psalm 40 en 1 Tess.3 horen dus bij elkaar. Het is alsof Pau­lus wil zeggen: als ik nu ga spreken over dat banen van de weg, heb ik Psalm 40 in mijn gedachten. In dat tekstverband is het ook mooi om te zien, dat er dan ook een nieuw lied komt: ..Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lofzang aan onze God…     (Ps.40:4)

Hetzelfde motief komen we weer tegen in: ..Door de Here worden de schreden van een man bevestigd,
aan wiens weg Hij welgevallen heeft…. (Ps.37:23). Het thema van Psalm 37 is: het gaat de goddelozen vaak voor de wind en met de rechtvaardigen wil het soms niet zo erg. Maar, de zachtmoedigen zullen de aarde beërven, of het land! ..maar wie de Here verwachten, zij zullen het land beërven… (Ps.37:9). De Septuagint heeft voor vers 23: ..Want van de Here vandaan worden de stappen van een mens recht gemaakt… Het komt dus van Hèm vandaan; de Hebreeuwse tekst heeft dat ook; het is ‘bij de Here vandaan’. Het is niet zozeer door, maar het is vanuit de Eeuwige, het komt bij Hem vandaan. Het gaat dus om de vraag: waar heeft het zijn oorsprong. Want bij de Here vandaan worden de stappen van een mens recht ge­maakt, geëffend. Letterlijk staat er:…zijn doorgangen…, dat is datgene waar je doorheen gaat, doorheen moet. Soms zegt een mens: er is niet doorheen te komen; het is als zuigende modder, of een dik pak sneeuw. Soms lijkt heel de wereldgeschiedenis en vooral de kerkge­schiedenis op die zuigende modder, altijd maar baggeren, en er komt geen eind aan. En dan zegt de Psalmdichter: als je er niet doorheen kunt komen, bedenk dan: van de Here worden de doorgangen van een mens recht gemaakt. Je zou kunnen zeggen: dan komt er zo’n grote, hemelse sneeuwschuiver of bulldozer en dan worden de doorgangen ge­egaliseerd. Dat is ook wat Paulus dan’zegt in 1 Tess. 3: Hijzèlf, Hij baant wegen. God baant ook de weg van de één naar de ander. Dat kan op zich toch wel iets bijzonders zijn, als we op een keer elkaar eindelijk gaan verstaan. Is er dan nog een gemeenschappelijke taal? In bepaalde groepen heerst een specifiek taalgebruik. Als je dat woordgebruik nu maar hanteert, weet binnen die groep een ieder waar je het over hebt.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

397297 bezoekers sinds 07-06-2010