Van hart tot hart

29-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

«De HERE had er behagen in ter wille van zijn gerechtig­heid een gro­te, heerlijke on­der­wijzing te geven» Jes.42:21.

We gaan er speciaal eens op letten, waar God behagen in heeft. Je komt hier op één van die kernwoorden uit de Bijbel: Het welbehagen van God. En dan vraag je je af: waar hééft God dan een welbehagen in? Je ziet ook, dat het hele leven van Jezus in feite dáár om draaide, om het welbehagen van zijn Vader. God heeft in ieder geval geen behagen in brand­offers. «Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers, dat ik die brengen zou; aan brandoffers hebt Gij geen welgevallen» Ps.51:18. «Brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd» Ps.40:7. «Uw brandoffers geven Mij geen welgevallen» Jer. 6:20. Zo staan er nog vele teksten in de Bijbel, waarin staat dat God geen wel­gevallen heeft in brandoffers en slachtoffers, terwijl zij toch ‘naar de eis der wet gebracht werden’. Dat is ook merkwaardig! Dan doe je eens een keer wat er in de wet staat en dan zegt God: voor Mij hoeft het niet. Als Ik honger heb, zegt God, zeg Ik het toch niet tegen jullie. «Indien Ik honger had, zou Ik het U niet zeggen» Ps.50:12. God zegt: Ik heb koeien genoeg rondlopen. «Ik neem uit uw huis geen stier, geen bokken uit uw kooien, want Mij behoort al het gedierte van het woud» Ps.50:9,10. Ik heb vee op duizend bergen, Ik heb voorraad genoeg, zegt God. Jesaja gaat dus iets over het welbehagen van God vertellen. En dan zien we, dat de volmaakte mens, Jezus, totaal leefde in dat welbehagen van God. Er lopen trouwens enorm veel lijnen vanuit Jesaja naar de Christus. «Terwille van zijn gerechtigheid» Jes.42:21. Je kunt nog nauwkeuriger vertalen: «Terwille van zijn waarachtigheid». Dat is het fundament van Gods karakter, dat is het basis­kenmerk van God. God is waarachtig, Hij is door en door wáár. God is waarachtig; Hij is prin­cipieel, beginselvast. God wijkt nooit van zijn grondbeginselen af. God is ook karaktervast. Dit is ook één van de punten, als je een definitie zou wil­len geven van het begrip gerechtigheid. Daarom kan God ook regeren, omdat Hij niet afwijkt van zijn voornemen. God gaat: «Een grote, heerlijke onderwijzing geven». Gods grootste verrukking is om te onderwijzen. De Heilige Geest wordt ook genoemd: de Leraar. God zegt: Ik ben hele­maal in mijn element, als Ik bij het onderwijs ga. Nog wat exacter vertaald: «De HERE had er behagen in de onderwijzing te vergroten». God gaat zijn onderwijzing vergroten en Hij gaat zijn onderwij­zing ver­heer­lijken, heerlijk maken. En het merkwaardige is nu, dat deze tekst wordt uitgesproken tegen do­ven. «Gij doven, hoort, en gij blinden, slaat uw ogen op om te zien» Jes.42:18. Dat is op zich al een bovennatuurlijke uitspraak. In de natuurlijke wereld zou het weinig zin hebben om te zeggen: ‘Gij doven, hoort!’ Dat is wel tegen dovemansoren gezegd. En dan staat er ook nog: ‘gij blin­den, slaat uw ogen op om te zien’. Maar als God dat zegt, is dat schep­pend spreken. De doven was dat volk in ballingschap; die waren geestelijk doof en blind. «Gij hebt wel veel gezien, maar gij hieldt het niet in gedachtenis; gij hebt de oren wel open gehad, maar gij hebt niet gehoord» v.20. Je moet niet alleen zién, maar je moet het ook in gedachtenis houden. Dat is ook een sleutel voor je geloof, want je kunt iets zien en het dan ook weer ver­geten. Je moet niet alleen zien, maar het ook vasthouden. En dan zegt God: weet je wat Ik doen ga met die doven en die blinden? Ik ga gewoon mijn onderwijzing vergroten. Ik ga mijn onderwijzing heerlijk ma­ken. Dat zie je ook zo mooi in de bediening van Jezus. In die tijd waren ze eigen­lijk ook doof en blind. En ze waren doof geworden door al die leringen van de Farizeeën en de Schriftgeleerden. En dan zegt God ook: Nu ga Ik door middel van Jezus mijn onderwijzing vergroten, en Ik ga mijn onderwijzing heerlijk maken. Het Evangelie van Jezus was inderdaad heerlijkheid. Dat was een totaal nieuwe, unieke onderwijzing. Het woord onderwijzing is één van de belangrijkste woorden van de hele Bij­bel. Het Hebreeuwse woord is Torah. En de vijf boeken van Mozes wor­den ook de Torah genoemd. In onze Bijbel is dat dan vertaald met wet. Dat schept nog­al wat problemen. Alleen hier hebben ze het dan toevallig met ‘onderwijzing’ vertaald. Dat was inderdaad ook het probleem bij het volk Israël: ze gingen Torah op­vatten als wet. En dan worden ze wet­tisch; dan zit­ten ze weer in die doof­heid. Maar God heeft het nooit zo bedoeld. In Gods gedachten is het nooit een wettisch principe geweest. Gods oorspron­kelijke gedachte was: onder­wij­zing. Je kunt beter een goeie onderwijzer hebben dan een wet. Een wet is een dood ding, daar kun je niet mee praten. Maar als je een goeie onderwijzer hebt, kun je daarmee een gesprek voeren. En dan gaat de zaak op een gegeven moment de mist in, want dan zitten ze met een stel wetten. Het gevolg is dan, dat ze in feite hun onderwijzer kwijt zijn. De profeten gaan het volk dan weer loskoppelen van die wetten en zeg­gen: kom terug bij je onderwijzer. De Tien Geboden moet je daarom ook zien als onderwijzing, en niet als wet. Dan bekijk je het ook van een heel andere kant. Dan zijn die tien gebo­den de grondprincipes van het onderwijs. ‘Ik ben de Here, uw God’. Zo beginnen die tien woorden. ‘Die u uit het diensthuis geleid hebt’. Je zou dus eigenlijk boven die Tien Geboden kunnen zetten: ‘God is je Bevrijder’. Die Tien Geboden zijn dus tien principes met als motto: ‘Blijf bij je Bevrijder’. In feite gingen de Farizeeën met de wet onder de arm bij God vandaan. We hebben de wetten, we hebben God niet meer nodig. Daar kwam het in feite op neer. Stel je voor, dat een kind op school het ook zo doet: de onderwijzer geeft een aantal regels. Dat kind schrijft ze keurig op, neemt ze mee naar huis en komt dan nooit meer op school. Dat heeft de religieuze mens váák gedaan: hij heeft bij God een aantal re­gels weggepikt en is met die regels op stap gegaan. Maar die Tien Geboden willen juist zeggen: Blijf bij je onderwijzer. Dat volk in de ballingschap is zo ook het spoor bijster geraakt. En dan zegt God: Ik ga weer onderwijzen, en Ik ga die onderwijzing heerlijk maken. Dat is zijn welbehagen. En dan worden die doven weer tot horen gebracht. «Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aar­de, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kin­der­kens geopenbaard» Matt.11:25. Een unieke tekst. Hier krijg je als het ware een blik achter de schermen. In het Johannes-Evangelie wordt het eigenlijk nog meer uitgediept. Je zou het kunnen noemen: Het geheim van de Zoon. Wat zit er áchter die bediening van Jezus? Wat is nu het kenmerk van een Zoon? Jezus was de eerste Zoon, die open­baar werd. Dus als je wilt weten, hoe een Zoon functio­neert, dan moet je kijken bij Jezus: wat is nu eigenlijk zijn achtergrond? Jezus spreekt in Matt.11:25 van ‘wijzen en verstandigen’. Dat zijn degenen die denken, dat ze alles al weten. Dat waren bijvoorbeeld die Schriftge­leer­den. «Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U» Matt.11:26. Jezus pakt hier helemaal die gedachte van Jesaja op. God had er behagen in. Als je de woorden van Jezus leest, moet je ze weer terugspelen naar de profetische boeken. Jezus heeft helemaal gedacht vanuit de profeten, veel meer dan we ons vaak bewust zijn. Wij zien die schakels vaak niet meteen. Vaak moet je toch weer terug naar die grondbe­grippen uit het ‘Oude Testa­ment’. Het is voor God dus een welbehagen geweest om het aan die kinderkens te openbaren. En die kinderkens zijn degenen die ontvankelijk zijn. Dat houdt in: «Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en nie­mand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie het de Zoon wil openba­ren» Matt.11:27. Dit is een van de meest fundamentele uitspraken, die Jezus heeft gedaan over zijn geheim. Ik kan doen wát Ik doe, omdat alle dingen Mij zijn over­ge­dragen. De Vader zegt: Ik zal Jou geven, wat in mijn hart is. Ik geloof, dat we daar ook op een kernpunt komen, ook in verband met de Gemeente in de eindtijd: God wil mensen meedelen, wat er in zijn hart is. Dat is nou die onderwij­zing Een Zoon – zou je kunnen zeggen – is iemand, die het hart van de Vader gaat leren kennen. Dat is iets om extra aandacht te geven, want dat kan een omschakeling be­te­kenen in je hele gerichtheid. Je mag dus vragen aan God: Vader, wat is er in uw hart; ik wil weten wat er in uw hart is. Het is toch ook wel een unieke zaak, dat God daarover wil praten. God wil aan de mens overdragen – en bij Jezus kon dat helemaal – wat Hij in zijn hart meedraagt, wat Hem we­zenlijk ter harte gaat. Als de mens gaat ont­dekken, wat er in het hart van God is, dan worden God en mens één. Dan kan God ook door middel van die mens zijn hartsgeheimen uitvoeren. Dan krijg je ook een heel ander niveau. Je kunt wat dat betreft op ver­schil­len­de niveaus leven. Er zijn mensen, die alleen maar vragen wat ze nodig hebben. Heer wilt U, Heer wilt U dit, Heer wilt U ook … Dat is een eenzij­dig gebed. God zoekt eigenlijk nog naar iets anders. God zoekt niet alleen de mens, die alleen maar vraagt wat hij nodig heeft, maar de mens die vraagt aan God: Wat is er in uw hart? En dan staat er zo mooi in vers 27: alle dingen worden overgegeven aan de Zoon en dan staat er zo opvallend: «Niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon». Samengevat: Alleen Vader en Zoon kennen elkaar. Dat is dus, wat Jezus hier uitspreekt: Vader en Zoon kennen el­kaar, dat is die wederkerigheid, dat is die vertrouwens­relatie. God vraagt: met wie kan Ik die vertrouwensrelatie aangaan? Aan wie kan Ik mijn geheimen toever­trou­wen? Vader en Zoon kennen elkaar. Ook in het Oude Verbond zie je daar al voorbeelden van. «En nadat Hij deze verworpen had, verwekte Hij hun David als koning, wie Hij ook dit getuigenis gaf: Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar mijn hart, die al mijn bevelen zal volbrengen» Hand.13:22. Saul was wel koning, maar eigenlijk had God er geen aan­sluiting bij. Daar­om was het koningschap voor Saul ook niet blijvend. Je zou kunnen zeg­gen: daar zat als het ware het voorbijgaande al in. Blijvend is datgene, waar God aansluiting bij heeft. ‘Ik heb David gevonden’, zegt God. Dat is het mooiste wat God over een mens kan zeggen: Ik heb er een gevonden. God heeft daar kennelijk lang naar moeten zoeken. Het meest unie­ke wat God over de mens kan zeggen: Ik ben blij, dat Ik je gevonden heb. Ik heb je gevonden! Dat is ‘vindenstijd’, zoals er in die oude Psalm staat. “Daarom bidde iedere vrome tot U in vindenstijd”. En de vindenstijd is, dat God de mens vindt. De Nieuwe Vertaling zegt: ‘ten tijde dat Gij U laat vinden’. «Daarom bidde iedere vrome tot U ten tijde dat Gij U laat vinden» Ps.32:6. «Hierom zal U een ieder heilige aanbidden in vindenstijd» SV. Dat is weer een omschrijving (NBG), maar er staat eigenlijk: vindenstijd. Ja, God laat Zich wel vinden, maar het be­langrijkste punt is, dat God vindt. «Een man naar mijn hart»  Hand.13:22. Dat gaat dieper dan sympathie. Dat betekent, dat God aan­sluiting bij die man heeft, hij verstaat mijn hart. Hij is een man, die op de golflengte van mijn hart is afgestemd. Eindelijk iemand waarmee Ik van hart tot hart kan spreken. «Een man naar mijn hart», zegt God. Dat betekent: dat is een man, die mijn hart begrijpt. Je zou haast kunnen zeggen: David begreep, waarvoor God leef­de. En David zegt: waar God voor leeft, daar wil ik ook voor leven. Er zijn een paar merkwaardige uitdrukkingen in het leven van David, die daar wat zicht op geven. Er staat ook bij in die tekst uit Handelingen: «Die al mijn bevelen zal volbrengen». David leefde ook helemaal uit die onderwijzing. «Want David is, na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben, ontslapen». Hand.13:36. Wat heeft David zijn hele leven gedaan; dat kun je in één zinnetje samen­vat­ten: hij heeft de raad van God gediend. En koning Saul diende uiteindelijk zijn eigen raad. Hij diende éigenlijk de raad van de mensen. Vandaar, dat hij ook geen vaste koers volgde. David heeft zich in de gedachtegang van God verdiept. Je zou kunnen zeg­gen: David deed met God mee. Dat is in feite ook de bestemming van de mens: met God meedoen! Van Jonathan staat ook, dat hij met God meedeed. «Maar het volk zeide tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote overwinning in Israël behaald heeft? Dat zij verre! Zo waar de HERE leeft, er zal geen haar van zijn hoofd ter aarde vallen. Want met Gods hulp heeft hij heden dit verricht. Zo be­vrijd­de het volk Jonathan, en hij stierf niet». 1 Sam.14:45 Jonathan heeft de Filistijnen verslagen. Saul heeft een vervloeking uitge­spro­ken. Niemand mag eten, heeft Saul gezegd. Jonathan heeft dat dan niet gehoord. Onderweg vindt hij dan honing, waar hij van eet. Jonathan moet dan gedood worden. Het volk springt dan voor Jonathan in de bres en wei­gert het bevel van Saul uit te voeren. Een verwarde toestand, die ontstaan was, door die stomme vervloeking die de ko­ning had uitgesproken. «Want met Gods hulp heeft hij heden dit verricht». Letterlijk staat er: «Met God heeft hij heden dit verricht». Jonathan heeft dit dus gedaan met God mee, samen met God. De bestem­ming van een mens is dus, dat je met God mee mag doen. En dat zie je dan in de tien geboden weer terugkomen. God zegt: Ik ben Bevrijder, doe met Mij mee. Dat kun je als een grondprincipe door de Bijbel heen terug­vinden: God zegt: IK wil, dat je met Me meedoet. Maar om met God mee te kunnen doen, moet je weten wat er in zijn hart is. «Vergeef toch de overtreding van uw dienstmaagd, want de HERE zal voor mijn heer zeker een bestendig huis maken, omdat mijn heer de oorlogen des HEREN voert en er geen kwaad bij u gevonden wordt, uw leven lang» 1 Sam.25:28. ‘Een bestendig huis’ voor David. Dat kreeg Saul niet. Saul had alleen maar een voorbijgaand huis. Een bestendig huis, dat is ook een prachtig beeld voor de gemeente. God bedoelt, dat er een bestendig huis zal komen, een huis dat bestand is tegen alle negatieve invloeden, die erop af komen. Dat is het huis op de rots, dat niet in elkaar stort. God zegt tegen David: jij krijgt een bestendig huis. En dan wordt erbij gezegd, en dat is een heel diep gehei­menis: «Omdat mijn heer de oorlogen des Heren voert». David knokte niet maar wat raak. En dat vechten was geen kwestie van ge­tallen. Saul heeft zijn duizenden verslagen, en David heeft zijn tienduizen­den verslagen. En dan staat er ook ergens: «En de HERE gaf David ruim baan, overal waar hij heen trok». Waarom kon God Zich zo verbinden aan David? David voerde de ‘oorlogen des HEREN’. Anders gezegd: David deed wat er in Gods hart was. Je kunt je eigen oorlogen voeren en je kunt de oorlogen des HEREN voeren. Daar zit nogal een verschil tussen. Ook Jezus voerde de oorlogen des HEREN. David vocht niet voor zichzelf. Hij vocht niet, omdat hij dat nu eenmaal zo graag deed, of dat hij een hekel aan Filistijnen had. David gaat denken van­uit het hart van God. David vocht tegen de Filistijnen, omdat de Filistijnen het plan van God blokkeerden. De Filistijnen waren ‘zetbazen van Egypte’. Israël was uit Egypte verlost en via de Filistijnen pro­beerde Egypte Israël weer terug te krijgen. Daarom waren de Filistijnen zo’n groot gevaar. David vocht dus niet in de eerste plaats tegen de Fili­stijnen, omdat ze het hem zo lastig maakten. Mensen gaan soms pas bidden, als ze last van de duivel krijgen. ‘Nood leert bidden’, wordt er dan gezegd. Dat is trouwens zeer de vraag; nood leert ook wel eens vloeken. Als Jona in de buik van het zeemonster zit, zendt hij een gebed tot God. Dat gebed leert hij niet in de vis, maar dat kende hij al heel lang. Bidden leer je meestal niet in de nood, maar in de rust bij God. Ga je dan pas bidden, als je toch zo’n last van de duivel hebt? Als je dan geen last hebt, hoef je blijkbaar ook niet zo hard te bidden. ‘Heer, ik dank U dat het goed met me gaat, Amen’. Dan zegt God: het is wel fijn dat het goed met jou gaat, maar hoe gaat het met Mij? Denk je dáár wel eens over? Israël ging meestal pas oorlog voeren, als ze last kregen. God wil ook, dat je tegen die Filistijnen optrekt, als je er nog niet door belaagd wordt. David had vaak niet zo’n last van die Filistijnen; hij zocht ze gewoon op! ‘Thuis blijven, broeder, dan heb je minder strijd!’ David bedoelt: het gaat mij om dat Koninkrijk. Dat Konink­rijk moet ge­grond worden. En omdat David bezig was met het Koninkrijk van God, kwam hij de Filistijnen tegen. En daarom moest hij de oorlogen des HEREN voeren.

Psalm 92

Er staat niet boven van wie deze psalm is, maar ook in deze psalm vind je toch de gedachtewereld van David. «Maar Gij, o HERE, zetelt in den hoge voor eeuwig». «Want zie, uw vijanden, HERE, want zie, uw vijanden zullen te gronde gaan, verstrooid zullen worden alle boosdoeners» Ps.92:9,10. Het is opvallend, dat je in deze psalm vele malen het woordje uw tegen­komt. «UW naam psalmen te zingen»  v.2. «UW goedertierenheid te verkondigen» v.3. «En UW trouw in de nachten» v.3. «Gij hebt mij verheugd door UW daden» v.5. «De werken UWER handen» v.5. «Hoe groot zijn UW werken». «Zeer diep zijn UW gedachten» v.6. «UW vijanden…want zie, UW vijanden» v.10. Het is op zich al frappant, hoe ‘God-gericht’ deze psalm is. Eigenlijk pas in vers 11 begint de psalmist een keer over IK. Maar eerst gaat de psalmist een heleboel vertellen over de wereld van God. Je kunt zeggen: deze psalmist gaat zich helemaal verplaatsen in het hart van God. ‘UW vijanden zullen te gronde gaan« v.10. Het gaat dus om de ‘oorlogen des HEREN’ en om ‘de vijanden des HEREN’. Het ging dus niet in de eerste plaats om het strijden tegen ONZE vijanden of MIJN vijanden, maar om UW vijanden. Wij strijden mee tegen de vijan­den van God. Wij zijn bezig in die oorlogen, die God voert. De ‘oorlogen des HEREN’ zijn de oorlogen waar God zelf mee bezig is. Wil je meedoen, vraagt God. ‘Ik heb zo’n strijd, Heer, wilt U meedoen? ‘ God zegt: ‘Ik heb zo’n strijd, wil je meedoen met Me?’ «De strijd is des HEREN» 1 Sam.17:47. Dat betekent niet, dat God zegt: blijven jullie nou maar thuis, Ik knap het wel op. Zo wordt die tekst dan vaak uitgelegd. De strijd is des HEREN, broe­der, ga jij maar TV kijken. Anders loop je God toch maar voor de voe­ten. Dat is echt een eindtijd-visie voor uw broodnodige rust. Of ook: «De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn» Ex.14:14. Maar David en die psalmisten waren er heel anders mee bezig en zeggen: het zijn uw vijanden. De psalmist gaat het uitspreken: «Uw vijanden zullen te gronde gaan». God zegt tegen die mens: spreek jij het nou maar uit. Dit alles heeft dus te maken met het hart van God. Het is ook Gods grootste vreugde, als de mens het hart van God gaat verstaan. Daarom was de Va­der ook zo verrukt over Jezus. «Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb». Daar heb je dat welbehagen weer. Dan zegt de Vader nadrukkelijk: over deze mens spreek Ik mijn welbeha­gen uit. Deze mens kent mijn hart. En als de gemeente het hart van God leert kennen, zal niets voor hen nog onuitvoerbaar zijn. En vanuit wat God gaat tonen, wat Hij vanuit zijn hart gaat tonen, kun je ook tegen de vijan­den zeggen: jullie zullen te gronde gaan. Als je uitspreekt wat in Gods hart is, kan daar geen macht tegenop.

Psalm 79. Een psalm van Asaf.

Asaf was in de tijd van David het hoofd van de Levieten. «O God, heidenen zijn uw erfdeel binnengedrongen, zij hebben uw heilige tempel ontwijd, Jeruzalem tot puinhopen gemaakt».  Ps.79:1

Hier zie j e weer steeds dat woordje UW. Asaf was dus bewogen over het erfdeel van God. Sta er eens bij stil, dat God ook een erfdeel heeft. Dat is eigenlijk ook een heel bijzondere kant van het Evan­gelie, dat Gòd zijn erfenis krijgt. Dat is één kant van de zaak, dat wij erfgenamen zijn. Maar er is nog een andere kant: hoe komt Gód aan zijn erfdeel. De Heer mag ook wel eens wat hebben. En het cruciale punt voor Asaf was: God, uw erfdeel staat op het spel! Asaf dacht niet in de eerste plaats: hoe kom ik aan mijn erfenis, maar hoe komt Gód aan zijn erfenis. UW erfdeel en UW tempel. Die heidenen banjeren maar door het erfdeel van God. En dat is ook de motivatie van Asafs gebed. «Zij hebben de lijken van UW knechten gegeven  tot spijze aan het gevogelte des hemels, het vlees van UW gunstgenoten aan het gedierte des velds» Ps.79:2. «Help ons, o God van ons heil, om de heerlijkheid van UW naam; red ons en doe verzoening over onze zonden om UWS naam wil» v.9. Asaf zegt: God, uw naam staat op het spel. Hier zie je weer dat sleutel­woord: UW erfdeel. Verschil­lende psalmen van Asaf handelen over dát the­ma. Psalm 80 gaat hier in feite ook over. Ook in Psalm 74 zien we dat thema opnieuw. «Gedenk UW gemeente, die Gij vanouds hebt verworven, die Gij verlost hebt als de stam van UW erfdeel, de berg Sion, waarop Gij UW woning hebt gevestigd» Ps.74:2. Asaf was een man, die door en door vertrouwd was met die tempel. Hij was daar de leider van de eredienst. Asaf moest het volk leiden in de lof­prij­zing. Deze man is al bezig geweest met de ballingschap. Hij heeft zich afgevraagd: hoe gaat dat straks, als die tempel ‘plat gaat’. Asaf was een man, die heel diep bezig is geweest met het hart van God. Hij was intens betrokken bij die hele eredienst. Hij leidde niet zomaar een zang­dienst. David en Asaf waren een paar van die unieke figuren, die wat hebben uit­ge­sproken van wat er in het hart van God is. Bidden is in de eerste plaats ontdekken wat er in Gods hart is. Bidden is in de tweede plaats uitspreken wat er in Gods hart is. «Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel» Ps.27:4. Eén ding gevraagd; dat is niet veel, maar wel genoeg. Met dat ene ding kon David een heel leven vullen. Iemand zei eens: dat zijn dat soort mensen, die genoeg hebben aan God, maar nooit genoeg krijgen van God, al krijgen ze nog zo veel van Hem. «Om te onderzoeken in zijn tempel». Daar onderzocht hij, wat er in het hart van God leefde. En dan staat er in vers 8 een heel merkwaardige uitspraak. «Van Uwentwegen zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezicht. Ik zoek uw aangezicht, HERE» Ps.27:8. Dat klinkt een beetje moeilijk:  «Van Uwentwegen zegt mijn hart». Een andere vertaling zegt: «U spreekt mijn hart na». Dat wordt hier toch duidelijker weergegeven. David zegt dus: ‘Ik spreek God na’. Mijn hart spreekt het hart van God na. Ik ga ontdekken wat het hart van God zegt, en dat gaat mijn hart herhalen. Mijn hart wordt als het ware de echo van Gods hart. Er komt een wisselwerking tussen Gods hart en het hart van de mens. Bij Jezus zie je die wisselwerking nog duidelijker. Jezus zegt: Ik doe alleen maar wat Ik de Vader zie doen. Jezus’ leven was als het ware een weer­klank van wat er in het hart van God is. God zegt: Spreek Mij maar na. Als de mens gaat spreken, wat het hart van God hem voor­zegt, dan heeft hij gezag. Dan zie je, dat uiteindelijk het hele rijk der duisternis wordt over­wonnen vanuit het hart van God. Daarom zegt David ook: «Onderwijs mij, HERE, uw weg en leid mij op een effen pad om mijner belagers wil» v.11. David vraagt dus om onderwijzing. Dan geldt: «Wacht op de HERE, wees sterk, uw hart zij onversaagd ; ja wacht op de HERE»  v.14. En je hart kan alleen maar onversaagd zijn, als je verbonden bent met het hart van God. Dan gaat er een unieke wereld voor je open. Dan ben je als het ware verheven boven dat tumult van beneden. Dan kom je in de stilte op de bergtop. Dan kom je thuis bij God.

De Wijngaard van Naboth

Het verhaal van de wijngaard van Naboth staat in het boek Koningen.

Het boek Koningen hoort bij de profetische boeken.

Jozua, Richteren, Samuël, Koningen zijn in de Joodse canon de vroegere profeten. Jesaja, Jeremia, enzovoort, behoren bij de latere profeten. Het boek Koningen is in de Hebreeuwse Bijbel maar één boek. Een sleutel is dan, dat het boek Koningen maar niet een stukje historie is, maar dat het profetie is. 1 Koningen 21, dat gaat over de geschiedenis van de wijn­gaard van Na­both, hoort thuis in de geschiedenissen in ver­band met Elia. Elia had een strijd te voeren tegen de Baäldienst. Dit hoofdstuk, 1 Koningen 21, is het meest centrale verhaal van al die Elia-verhalen. Hier heb je als het ware het middel­punt van alles wat er over Elia verteld is. In dit verhaal komen namelijk de drie hoofdfiguren allen voor, namelijk: Elia, Achab en Izebel. In alle andere ver­halen is dat niet het geval. «Hierna gebeurde het volgende. De Jizreëliet Naboth had een wijngaard, te Jizreël gelegen naast het paleis van Achab, de koning van Samaria» 1 Kon.21:1. Jizreël is een heel belangrijke naam in de Bijbel. Die naam betekent: ‘God zaait’. Dat is dus wel een profetische naam. Jizreël was ook de plaats, waar heel vaak strijd werd geleverd. In die vlakte van Megiddo (een andere naam voor de vlakte van Jizreël) werd heel wat afgevochten. Naboth woonde dus in de plaats waar God zaait, maar tegelijk in de plaats waar de strijd wordt geleverd. Wat dat betreft is Jizreël helemaal een beeld van de hemelse gewesten. Daar zaait God en daar wordt ook de slag gele­verd. Naboth had een wijngaard. En een wijngaard heeft in de Bijbel altijd een meerwaarde. Het volk van God wordt ook vergeleken met een wijngaard. «Ik wil van mijn geliefde zingen, het lied van mijn beminde over zijn wijngaard. Mijn beminde had een wijngaard op een vruchtbare heuvel» Jes.5:1. Die beminde is dan God; God heeft een wijngaard. Die wijn­gaard is dan zijn volk. Maar die wijngaard is ook – we moeten vaak in twee dimensies denken – die wijngaard is ook de aarde. De buurman van Naboth was dus Achab. Hier, in vers 1, staat er uitdruk­ke­lijk bij ‘de koning van Samaria’. Met nadruk is het ambt van Achab er hier bij vermeld. Dit is een heel belangrijk verhaal. Het verhaal is met name een konings­spiegel. Uit dit verhaal kun je namelijk opmaken, hoe het koningschap moet zijn en hoe niet. En ook daarom is het een profetisch verhaal. In de Evan­ge­li­sche wereld, in de Volle-Evangeliewereld, wordt vaak te makkelijk ge­zegd: ‘wij zijn koningen‘. Je moet dan oppassen, dat het begrip koning niet uitgehold wordt. Als je een woord vaak gebruikt, gaat het langzamerhand in waarde verminderen. Je moet met dat begrip koning toch wel heel nauw­keurig omspringen. In de Bijbel worden heel duidelijke principes gegeven over het koning­schap. Daar zit nogal het een en ander aan vast. Als ik dus ga zeggen: ‘ik ben een koning’, dan moet je wel heel goed weten wat je dan zegt of zingt. Misschien kun je beter zingen: ‘Wij zijn bezig om koning te worden’. De naam Achab betekent: Vaders gelijke. Je kunt zijn naam ook vertalen met ‘als een vader’. Een goede koning wil dat inderdaad graag zijn; die wil zijn als een vader voor zijn volk. ‘Als een vader’. Toch moet je met dit begrip ook weer op­passen. Niet voor niets zegt Jezus: «En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is» Matt.23:9. Een koning heeft tot taak om te bewaren. Hij moet bewaren wat God aan hem heeft toevertrouwd. «En Achab sprak tot Naboth: Geef mij toch uw wijngaard, opdat hij mij tot moes­tuin zij, want hij ligt vlak naast mijn huis; dan zal ik u een betere wijngaard daar­voor in de plaats geven, of, indien gij dit liever hebt, wil ik u het geld van de koop­prijs geven» 1 Kon.21:2. Achab wil van Naboths wijngaard een moestuin maken, omdat die wijn­gaard vlak bij het paleis ligt. Achab wil dus ge­biedsuitbreiding. Op het eerste gehoor gebruikt Achab hier heel redelijke argumenten. Voor­al ook, omdat hij Naboth een behoorlijke schadeloosstelling wil geven. En dan zegt Naboth: «Doch Naboth zeide tot Achab: Daarvoor beware mij de HERE, dat ik de erfenis van mijn vaderen aan u zou geven» v.3. Typerend is, dat deze woorden de enige zijn, die Naboth in dit verhaal zegt. In dit hoofdstuk lezen we verder nergens meer, dat Naboth wat zegt. Achab spreekt het hele verhaal zo’n beetje door, maar Naboth spreekt maar één keer. Dat ene woord van Naboth is genoeg om heel wat los te maken. Dat ene woord van Naboth is ook genoeg om van Naboth een rechtvaar­di­ge te maken. Het woord van Naboth is ook voldoende om Naboth een plaats te geven in de geschiedenis. Als Achab er allang niet meer is, wordt er nog gesproken over Naboth. Letterlijk zegt Naboth: «Het zij verre van mij vanwege de HERE». Het sleutelwoord van deze woorden van Naboth is het woord erfenis. Dat woord erfenis komt enorm vaak voor in de boeken van Mozes, met na­me in het boek Deuteronomium. Dat woord erfe­nis heeft dan steeds te ma­ken met het Land der Belofte. In Deuteronomium wordt dat woord erfenis tien keer verbon­den met het woord geven. God geeft een erfenis (een erve). Die genoemde tien gedeelten hebben negen keer God als onderwerp van de zin. Op het eerste gezicht denk je: Naboth is een koppige man, niet voor redelij­ke argumenten vatbaar. Wat is er nu tegen om de koning je wijngaard te ge­ven onder zulke goede condi­ties. Uit het vervolg blijkt ook, dat Achab er niets van be­grijpt. Toch is daar álles tegen. En Naboth is hier de enige, die spreekt als een rechtvaardige. Het bijbelse denken kent namelijk geen privé-bezit. Het erf­deel, dat je dan ontvangen hebt, is het perceel dat jou toegewezen is. Daar mag jij werken, daar mag jij mens zijn. Elke zoon van Israël krijgt dus een bepaald gebied, een erf­deel. Daarin mag hij zijn roeping als rechtvaardige reali­seren. Die erfenis is als het ware oefenterrein voor de gerechtig­heid. Op dat ter­rein moet hij bijvoorbeeld – en dat is juist heel belangrijk – aan de weduwe, de arme en ellendige denken. Hij moet bijvoorbeeld aren laten liggen op de rand van zijn gebied. Dus juist op zijn eigen terrein beoefent hij zijn ge­rech­tig­heid. In de Bijbel is gerechtigheid: het opnemen voor de ellendige. Je bent in de Bijbel pas een rechtvaardige, als je het op­neemt voor je broeder. In de Bijbel kun je nooit op je een­tje een rechtvaardige zijn. Vaak heeft men een wat halfslachtig begrip van rechtvaar­dig zijn. Men zegt bijvoorbeeld dan: iemand is een recht­vaardige, als hij weet dat hij naar de hemel gaat. Dat was dan vaak de traditionele opvatting. Dan krijg je toch vaak te makkelijk het idee: ik ben binnen, ik ben een rechtvaar­dige. In de Bijbel ben je echter pas een rechtvaardige, als je het gaat opnemen voor de rechteloze. Anders zou je nog puur egocentrisch kunnen zijn: als ik er nou maar kom. Je kunt echter nooit thuiskomen zonder je broeder.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410820 bezoekers sinds 07-06-2010