Tweede dood

09-11-2014 door A. Oosterhuis

Inleiding.

´En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs´{ Openb. 20 vers 15.}Zo oppervlakkig gelezen, is het wel een droevig tafereel, dat Johannes hier in zijn visioenen getoond wordt. Hij ziet de grote witte troon en de doden klein en groot daarvoor staan, de boeken worden geopend en het oordeel wordt over hen uitgesproken. Aan de hand van hetgeen in de boeken staat, wordt het vonnis over hen uitgesproken. Zij worden geoordeeld naar hun werken of daden. En allen die niet in het boek des levens staan, worden veroordeeld tot de poels des vuurs, dat is, volgens het voorgaande vers, de tweede dood. Zullen het velen zijn? Er wordt slechts gesproken van één boek dat des levens is, maar van meerdere boeken waarin degene staan, die naar de tweede dood zullen worden verwezen. We mogen aannemen, dat de laatsten in de meerderheid zijn. En waar het oordeel gaat over de menselijke daden, daar mogen we wel veronderstellen, dat die meerderheid zeer groot zal zijn. Wie zal door zijn werken of daden rechtvaardig of onschuldig voor God staan? Er zijn dan ook sommigen die menen, dat het boek des levens een blanco boek zal zijn. Maar wij geloven niet, dat God er blanke boeken op na houdt en zowel als er zijn die niet in het levensboek staan, zo zullen er ook zijn die er wel in staan. Zij die niet in het boek des levens staan, gaan na het oordeel in de poel des vuurs, d.i. de tweede dood. En waar het volgens de Schrift doden zijn die voor de troon staan, blijkt het dat ze van de ene doodtoestand overgaan in een andere. Het zij doden, die voor de grote witte troon staan. Zij zijn opgewekt, uit hun graven gekomen en tot bewustzijn gebracht, want ze staan en horen hun vonnis aan. Voor de meeste volgt de veroordeling tot de vuurpoel, die daar brandt van vuur en sulfer {Open. 21 vers8. Wel een zeer droevig uiteinde zou men zeggen en het zou voor hen beter zijn te blijven in de onbewuste dood. Die vuurpoel schrikt ons af en er is allerlei voorstelling van gemaakt. De Protestante Kerk zegt dat de hel is, waarin het goddeloze bewust zullen worden gepijnigd, zonder ophouden en zonder einde. {Ger. Geloofsbel. Art.37} De Rooms Katholieke Kerk heeft er het vagevuur van gemaakt. Weer anderen zeggen, dat het de plaats is van algehele vernietiging, waaruit geen ontkoming meer mogelijk is. Wij, die gezien hebben, dat er niets en niemand van Gods schepping voor altijd verloren zal gaan, maar dat alles tot en in Hem zal wederkeren, kunnen ons met die denkbeelden niet verenigen. Daarom immers moet er ontkoming zijn uit die vuurpoel, uit de tweede. Wij hebben vroeger gemeend, dat de ongelovige, nadat het oordeel over hem uitgesproken is, zijn rechtvaardige straf of vergelding zal ondergaan en daarna aan de vuurdood zal worden overgegeven en tot stof of as in een onbewuste toestand zal terugkeren, om aan het einde der eeuwen tot het leven te worden teruggeroepen, opdat God ook alles in hen kan worden.

Daarmede hebben wij van de tweede dood als het ware een veilige bewaarplaats gemaakt, gedurende de laatste aioenen {eeuw} voor al de miljoenen mensen. Ik heb mij echter met die voorstelling niet langer kunnen verenigen en wel omdat het slechts een voorstelling is, waarvoor geen grond in de Bijbel is te vinden. En ook kan ik dit niet in overeenstemming brengen met een echtvaardige en alverzoende God. Wij hebben ons verzet tegen de leer der Kerk, die zegt dat degenen die in ongeloof sterven, onmiddellijk daarna naar een plaats van pijniging gaan, en wel in de eerste plaats, omdat dit geheel zou indruisen tegen het doen van een rechtvaardige God, die Zijn schepselen niet zal straffen, alvorens ze minstens tot een vreselijke straf te veroordelen. Maar wat dan te zeggen van een God, dat eerst Zijn schepselen een rechtvaardige straf oplegt en, wanneer ze die straf hebben ondergaan, ze dan in plaats van vrij te laten, overgeeft aan een vreselijke vuurdood, waarin ze tot as zullen verbranden. We lezen echter ook niet, dat dit plaats zal hebben. We lezen zelfs niet van een straf na het oordeel voor de grote witte troon, maar slechts van een vergelding. We lezen niet van een sterven in de tweede dood, die symbolisch wordt voorgesteld als een vuurpoel en we lezen ook niet van een opstanding uit de tweede dood. Er staat alleen mar, dat degenen, die niet in het boek des levens staan, in de poel des vuurs zullen geworpen worden en alles wijst erop, dat dit onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis zal plaats hebben.

Het is toch al zeer gevaarlijk daar, door een vooropgestelde mening, een tussenperiode van straf toe te voegen, waar er niet van een tussenperiode van staf wordt gesproken. Maar bovendien mogen we wel spreken van een straf voor werken of daden die de goddeloze in zijn leven in het vlees heeft bedreven? Er staat in Openb. 20 vers 13, dat ze zullen worden veroordeeld, een ieder in overeenstemming met zijn daden of beter, handelingen, dus naar hetgeen hij doet of naar hetgeen hij is. Wij moeten ons wel realiseren dat, indien wij het nog nodig achten, dat de mens voor zijn werken of daden die hij hier op aarde bedreef, moet worden gestraft, wij dan het werk van Christus miskennen. Wanneer we zelfs denken, dat de mens nog een  deel van de straf van de zonde, die op Christus werd geladen, moet dragen, dan verlagen wij het volmaakte werk van Golgotha tot een hulpmiddel, dat nog moet worden aangevuld door de mens zelf, om tot zijn redding te komen. Er wordt ons in de bijbel zeer duidelijk geleerd, dat Christus tot zonde gemaakt werd om de wereld te redden, en er is dus allerminst reden te veronderstellen, dat de mens tot verantwoording van die zond zal worden geroepen, noch dat hij daarvoor zal worden gestraft. Christus heeft als zonderdrager ten volle betaald voor alle schuld, eens en voor altijd, door het werk Zijner ziel, gedurende Zijn leven hier op aarde, dat eindigde door aan het vloekhout Zijn ziel geheel uit te storten in de dood. Heeft Hij dan nog niet genoeg gedaan? Kon Hij nog meer doen? Hij stelde God er volkomen mee tevreden en Hij deed recht aan Gods rechtvaardigheid. Laten wij dan niet nog meer eisen dan God. Maar waarom dan die tweede dood, symbolisch voorgesteld als een vuurpoel? Ik zeg nogmaals: symbolisch, want indien we deze vuurpoel letterlijk opvatten, dan doen we verkeerd en we maken de nieuwe aarde tot een groot crematorium, waarin miljoenen mensen tot as worden gecremeerd en we maken God tot de cremator, de uitvoerder van dat alles. En dat is niet een alverzoenende God waardig, wiens doel het niet is Zijn schepselen te vernietigen, maar ze te redden en te behouden.

Voorwoord.

De schrijver van deze bijbelstudie heeft mij gevraagd om een voorwoord te schrijven. Graag voldoe ik aan zijn verzoek.

Ik ben dankbaar voor de titel van deze bijbelstudie. Hij heeft n.l niet geschreven over het mysterie, maar over ´het probleem van de tweede dood´. Als de dood een mysterie was dan zou elke poging tot verklaring uitsluitend berusten op de verzekering van de ´ingewijde´ schrijver. Maar nu is de dood geen mysterie, maar slechts een probleem, zij het dan ook zeer zeker een moeilijk probleem. Maar problemen zijn er om opgelost te worden, zij zijn wetenschappelijke vragen, van welke de oplossing nog moet worden gevonden. De wijsbegeerte heeft, de eeuwen door, de dood willen beschouwen als het natuurlijke levenseinde van al het bestaan, het natuurlijke einde van het levensproces. Maar het getuigenis van de bijbel, leert iets heel anders. Zij leert dat de dood niet het natuurlijke einde van alle leven is, maar dat hij {de dood} iets onnatuurlijks is, niet vanzelfsprekend, maar de straf, het loon, voor de zonde. Maar niet alleen omtrent de dood geeft Gods Woord ons inlichtingen, neen, het spreekt ons ook van leven,´eeuwig´ leven, door Jezus Christus onze Here. Nochtans rijst de vraag: hoe zal die genade gift, het leven, volgens de bijbel aan alle mensen daadwerkelijk ten deel vallen? Immers, al zijner ´tijden en bedelingen´toch zien wij tevens dat in de tegenwoordige bedeling slechts betrekkelijk weinig met Gods genade in Christus bekend zijn en dat slechts zeer weinigen het met geloof aanvaarden! Hoe zal het gaan met het gros van de mensheid? God zal eenmaal volgens 1 Cor.15 vers 28 ´alles in allen zijn´De vragen die oprijzen staan in nauwe betrekkingen tot de oplossing van het probleem van de tweede dood! En het is zo bemoedigend dat de schrijver de oplossing heeft gezocht door een eerlijk en onbevangen onderzoek van Gods Woord. Hij tracht de logica van de Schrift, te laten zien dat zelfs de tweede dood zal moeten meewerken ´tot opgang en volmaakte heerlijkheid´. Voorzeker zal de waarheid in dit geschift neergelegd, bij zijn verschijnen door velen worden geminacht, door anderen worden doodgezwegen, door meerderen worden beschouwd als een teken dat tegengesproken moet worden. Maar voor degenen, die, los van de traditie het Woord willen onderzoeken, en inzicht willen krijgen van Zijn Heerlijk plan tot redding der wereld, zal dit boekje zeer verhelderen zijn.

Verschillende doden

´Dood is dood´hebben we gezegd en we houden ons daaraan. Indien we dat zeggen, bedoelen we daarmee de doodstoestand, die intreedt na het overlijden of streven van de mens. Het woord overlijden zegt ons, dat de mens dan overgaat uit een staat van lijden in een andere staat. Deze laatste staat wordt in de schrift symbolisch voorgesteld door de slaap, die wij kennen en onder vinden. Wij weten, dat een groot deel van de Christenen daar niet in gelooft. Er wordt geleerd dat die gestorven zijn onmiddellijk na hun overlijden naar een bewuste staat van zaligheid of van rampzaligheid overgaan. Het mag dan niet de gehele mens zijn, maar toch zijn beste deel. Dat leeft dus voort en daarom is volgens deze voorstelling de dood geen rust en stemmen ze niet overeen met een uitlating van Job die zei, toen hij in een ondragelijke lijdenstoestand was en de dood boven het leven begeerde: ´ik zou dan nederliggen en stil zijn, ik zou dan slapen, dan zou voor mij de rust zijn´{Job 3 vers 13. Wij lezen herhaaldelijk, zowel in de Hebreeuwse, als in de Griekse Schriften van mensen die streven, dat ze dan ontslapen. Toen Lazarus van Bethanië gestorven was, zei de Heer tot Zij discipelen: ´lazarus onze vriend slaapt´{Joh.11 vers11. We lezen daarna: ´de Heer had echter gesproken van zijn dood, van dat hij gestorven was´. Ook Paulus noemt meermalen de toestand van hen die gestorven zijn een slaap, zodat we dus niet in het onzekere behoeven te verkeren over de toestand van onze doden. Wij mogen die uitdrukking echter niet letterlijk nemen, want de dood is niet hetzelfde als de slaap. Er is een groot verschil. Bij de eerste toestand is de geest uit het lichaam verdwenen maar bij de laatste is dat niet het geval. Bij een dode is elke werking of beweging van de organen verdwenen, bij een slapende is bijna alles nog in functie. De dood doet het lichaam tot ontbinding overgaan, de slaap daarentegen, geeft het nieuwe kracht en energie. Er is dus wel een zeer groot verschil van de doodstoestand na het overlijden. Wanneer wij dus zeggen: dood is dood, dan bedoelen we daarmee uitsluitend de toestand van het schepsel, hetzij mens of dier nadat het overleden is, van een ieder dus uit wie de geest des levens gevaren en tot God terugkeert {Pred.12 vers 7. Het is de toestand van volkomen onbewustheid, ook veel meer dan in de slaap, die er dan ook slechts een zwak beeld van is. Er wordt echter in de Schrift ook nog andere doodstoestanden beschreven. De Heer zegt in Matth. 8 vers 22 ´Laat de doden hun doden begraven´. Het betreft een van Zijn discipelen, die alvorens hij de Heer wenste te volgen, eerst zijn gestorven Vader wilde begraven. Toen gaf de Meester dat antwoord. Degene die de baar droegen waren dus in Zijn ogen ook doden evengoed als hij die er op lag. De laatste was echter de natuurlijke dood gestorven en de eerste niet. Maar Jezus zeide dat het doden waren. Wij geloven dit van de overleden vader, maar waarom zullen we het dan niet van de anderen geloven? Dit waren slechts andere doden. De overledene was dood, omdat, omdat de geest des levens uit hem was gevaren. De andere waren doden, omdat ze de Heer niet wilden volgen en dus blijk gaven dat ze het ware leven nog niet hadden ontvangen. Zo was ook de verloren zoon in Luk. 15 dood. Er staat niet dat hij als dood was of dat hij op een dode leek, maar hij was dood, hoewel hij nog het natuurlijke leven bezat. Het terugkeren tot de Vader en het belijden van zijn schuld maakte hem tot een levende. De apostel Paulus zegt, dat het lichaam dood is vanwege de zonde, maar de geest is levend vanwege de gerechtigheid {Rom.8 vers 10}, en hij voegt er aan toe: ´indien gij naar ’t vlees leeft dan zult gij streven´{Rom 8 vers 13}Dat dit ook werkelijk voorkomt zien we in Efeze.5 vers 14 waar de apostel tot gestorvenen of ingeslapen gelovige zegt: ‘ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten’. De gelovige kan dus sterven en bij de doden behoren. Wij noemen dat beeldspraak en dat is het ook van onze kant bezien met betrekking tot de natuurlijke dood. Maar voor God is het een werkelijk doodstoestand en de Schrift zegt ook dat het dit is. Alleen is het een andere dood dan de onbewuste natuurlijke dood. Zo zullen er voor de grote witte troon ook doden staan, uitsluitend doden. Johannes zag de doden opkomen uit hunne graven, hetzij uit de aarde of uit de zee. En hij zag de doden klein en groot staande voor de troon. En die doden werden geoordeeld naar hetgeen in de boeken stond geschreven, naar hun werken of daden. Waar ons zo bij herhaling gezegd wordt, dat het doden waren, waarom zullen wij dan zeggen, dat het niet zo is? Er is hier geen sprake van beeldspraak. Paulus zegt dat Jezus Christus zowel de doden als de levende zal oordelen. {2Tim4 vers 1. De gemeente wordt geoordeeld voor het prijsgericht van Christus { 2 Kor 5 vers 10}. Zij zijn dan echter geen doden meer maar levenden, die Jezus Christus zal oordelen. Maar Hij zal ook doden oordelen. Geen levendgemaakte doden, maar bewuste doden, wel opgestaan, maar nog niet onverderfelijk. Dat zijn doden, die voor de grote witte troon zullen staan. Ook Petrus zegt, dat Christus van God verordineerd is als een Rechter van levende en doden {Hand. 10 vers 42} en op een andere plaats dat hij staat om te oordelen de levende en de doden{ 1 Petr. 4 vers 5}. Hem werd al het oordeel gegeven. En de doden zijn hier evengoed werkelijk als de levende. Wanneer dan de vraag rijst: hoe kunnen doden worden geoordeeld? Doden kunnen toch niet horen en zien? Dan is het enige antwoord daarop: er zijn verschillende doden, doden die absoluut onbewust in hun graf nederliggen, maar ook doden, die bewust voor de grote witte troon staan. Wij blijven er dus bij: dood is dood, maar de ene doodstoestand verschilt van de andere. En dat geldt niet alleen van de dood. Er zijn immers veel meer verschillende toestanden van dood dat volgens ons begrip leven is. Het leven dat wij kennen is een aaneenschakeling van teleurstellingen en zelfs het uitnemendste is nog moeite en verdriet. Elk ogenblik hebben we er voor te zorgen dat het blijft bestaan. Doen we dat niet, dan merken we al spoedig dat de krachten afnemen, het lichaam uitteert en naar de ondergang gaat. Maar zelfs, niettegenstaande al die zorgen kan  het lichaam niet in stand worden gehouden en tenslotte zal voor een ieder de tijd komen dat leven af te moeten leggen, te moeten sterven wegens gebrek aan levenskracht. Maar we weten ook van een ander leven n.l. het leven na de opstanding. Dat zal zijn een leven in onverderfelijkheid en onsterfelijkheid overvloeiende van levenskracht en nooit meer eindigend. Het zal niet ten onder gaan, maar het zal gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid. Verschillende levenstoestanden, maar de Schrift zegt van beide dat het leven is. Wij moeten ook in dezen onderscheiden.

De eerste dood.

We lezen in de schrift enige keren over de tweede dood, maar nergens over de eerste. Waar echter een tweede is, moet ook een eerste zijn. Wij hebben daar misschien nooit bij gedacht en als ons gevraagd zou worden: wat is de eerste dood? Dan zou bijna iedereen denken, dat de dood die wij kennen en die intreedt na het sterven, de eerste dood moet zijn. Maar is dat wel zo. We zagen reeds dat de doden voor de grote witte troon voorzover ze niet in het boek des levens staan overgaan van die doodstoestand in de tweede dood. Zou het nu niet aannemelijk zijn dat die doden zich in de eerste dood die onmiddellijk aan de tweededood voorafgaat zullen bevinden? Ze gaan toch niet van de onbewuste doodstoestand waarin ze zich bevonden in hun graven weer in een andere, in een bewuste doodstoestand waarin geoordeeld. Ik zeg weer, omdat ze ook reeds eerder in die doodstoestand waren. En om dat te verstaan moeten we ons goed indenken hoe deze doden daar staan, in welke toestand. Ze zijn uit de dood, waarin ze gekomen waren door hun streven opgestaan en tot bewustzijn gebracht maar zoals we reeds zagen, in tegenstelling met de gelovige van deze bedeling daarna niet veranderd of vernieuwd tot onsterfelijk leven. Daarom zijn het nog “doden”. Het zijn doden klein en groot. Dat omvat in een paar woorden allen, zowel het kleinste kind dat stierf als de oudste grijsaard. Alle schepselen die ooit op deze aarde hebben geleefd, behalve zij die reeds vroeger opstonden. Wij lezen nergens in de Schrift, dat de dood waarin de mens komt na het sterven hem zal veranderen. Wel weten we dat het stof weer tot de aarde keert en de geest tot God, maar het is duidelijk dat dezelfde mens zoals hij stierf weer zal opstaan dus als kleinen en groten, jongen en ouden. De tijd heeft als het ware voor hen stilgestaan. Paulus zegt van de opstanding der gelovigen dat er een natuurlijk of beter ziels lichaam gezaaid wordt en geestelijk opgewekt. {1 Kor. 15 vers 44} Dit houdt verband met de opstanding van de in Christus ontslapene en de daarop volgende verandering van de dan nog levende gemeenteleden, welke opstanding en verandering, de verandering van het zielse- tot het geestelijke leven inhoudt. De eerste mens Adam werd een levende ziel, dat wil zeggen, dat hij gedreven werd door zijn aards ziele leven, als zijnde uit de aarde aards. De laatste Adam, Christus werd een levendmakende geest, uitsluitend gedreven door God Geest. Maar die verandering van het zielse tot het geestelijke leven heeft bij de opgestane doden voor de troon nog niet plaats gehad. We moeten dus aannemen, dat ze niet alleen niet veranderd zijn wat hun gestalte of postuur betreft, maar dat ze daar ook zullen staan met al hun vroegere gebreken en hetzelfde karakter, nog gedreven door het zielse met al zijn slechte of goede neigingen. De moordenaar zal daar nog staan met moordlust in zijn hart, evengoed als de filantroop die al zijn leven het goede voor zijn medemens zocht, bewogen met barmhartigheid of, zoals Paulus het zegt, sprekende over de openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods: “die een ieder vergelden zal naar zijn daden, hun wel, die met volharding in goed werk heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid zoeken, aionisch leven, mar hun die twistgierig zijn en die wel ongehoorzaam zijn aan de waarheid maar gehoorzaam aan de onrechtvaardigheid, toorn en verbolgenheid, verdrukking en benauwdheid over elke ziel, die het kwade werkt” {Rom.2 vers 6-9} het gaat dus niet om hetgeen ze deden vóór de grote witte troon, maar om hetgeen ze dan nog doen over elke ziel die dan nog het kwade of het goede werkt. Daar voor de troon zullen staan de vroegere inwoners van de steden aan het meer van Genesareth, waar de Heer op de straten predikte, maar die daarop geen acht gaven en zich van Hem afkeerden. Zij staan daar nog met een afkerig hart terwijl de mannen van Nineveh ook zullen opstaan in het oordeel en tegen hen oordelen of getuigen, want zij bekeerden zich op de prediking van Jona. Ook de koningen van Scheba zal daar staan tezamen met dat geslacht. {Luk.11 vers 31-31} Een ieder zal daar dus staan met hetzelfde hart en dezelfde neigingen die hij in zijn vroegere leven bezat en waarmee hij stierf, zodat we kunnen zeggen dat het slechts een voortbestaan is van de ziel van de mens, in zijn vroegere toestand op deze aarde. Er was slechts en onderbreking door de natuurlijke dood. Het mogen dan brave zowel als slechte mensen zijn daarvoor de troon, het zijn echter allen nog sterfelijke zondaren en dat noemt de Schrift “doden”. Wanneer dit zo is, moeten we tot d slotsom komen, dat ieder mens, die nu volgens het menselijke begrip van leven leeft, ook behoort tot hen die de Schrift doden noemt en het daarom ook is. Dan verstaan we Paulus ook beter, wanneer hij zegt:” indien Christus in U is, is wel het lichaam dood om der zonde wil, maar de geest is leven wegens de rechtvaardigheid. En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden verwekt, in u woont, zal Hij, die Christus Jezus uit d doden verwekt, ook uw stervende lichamen levend maken door Zijn in u inwonende Geest { Rom. 8 vers 10-11} { opgemerkt zij, dat volgens de apostel het dode lichaam gelijk is aan het stervende lichaam} Naar het stervende lichaam behoord een mens tot de doden. D gelovige is slechts naar de geest levend gemaakt, omdat de Geest van God in hem woont. Omdat te verstaan, moeten we teruggaan tot de eerste zonde, want om der zonde wil zijn we naar het lichaam dood, hoewel we het aardse of zielse leven hebben en bewust zijn va ons bestaan. God waarschuwde Adam dat, indien hij Zijn gebod zou overtreden, hij daarna de dood zou sterven {Gen. 2 vers 17} Adam kwam in overtreding en volgens ons begrip van de dood sterven, zou hij de laatset adem onmiddellijk de geest hebben moeten geven of de laatste adem uitblazen. Maar dit gebeurde niet. Adam bleef doorleven. Hield God Zijn Woord niet? Kreeg Hij misschien berouw? Neen, niets van dat alles. Wij moeten echter in plaats van “de dood streven” lezen: “stervende sterven” Ten dage als gij van de boom eet, dan zult gij stervende sterven, d.w.z. dat Adam vanaf het moment van zijn overtreding sterveling zou worden. En dat is volgens Paulus: “dood naar het lichaam”. De sterfelijkheid kwam over Adam en die “dood” of die “sterfelijkheid” is tot alle mensen doorgegaan waarop alle zondigen {Rom. 5 vers 12} het is dus niet in de eerste plaats de dood, als onbewuste toestand na het sterven, die op alle mensen over is gegaan, maar het is de doodstoestand waarin Adam kwam na zijn overtreding en waarin nadien alle mensen komen, dadelijk bij hun geboorte. En het is ook daadoor, dat ieder mens reeds bij zijn geboorte zondaar is, d.w.z doelmisser. Hij mist het doel, waarvoor hij oorspronkelijk was bestemd. Geboren om te leven, moet hij streven en het is niet een zogenaamde erfzonde, {d.w.z. dat het kind de zonde overerft die de ouders bedreven} die hem tot zondaar maakt, maar de sterfelijkheidtoestand, waarin hij bij zijn geboorte komt. We mogen wel zeggen, dat deze kiem des doods of der sterfelijkheid er reeds bij de ontvangenis in wordt gelegd. God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten {Rom.11 vers 32} Hij heeft door de ongehoorzaamheid van de ene mens, de velen d.i. allen, tot zondaars gesteld {Rom5 vers 19} Er is slechts Één geweest, die, hoewel Hij ook het menselijke leven intrad, niet zondigde. De dood van Adam ging niet tot hem door, want Hij werd niet verwekt door de wil des mans, maar rechtstreeks door de Geest van God. De stervenskiem lag wat dat betreft dus niet in Hem. Maar toch had Hij ook behoefte om Zijn lichaam in stand te houden. “de bezoldiging der zonde is de dood” {Rom.6 vers 23} dat wil niet zeggen, de onbewuste toestand, de doodstoestand na het sterven, want dan is geen straf of vergelding of bezoldiging meer mogelijk. Dan is alles afgedaan. Het is echter de doodstoestand of stervenstoestand, die op de zond is gevolgd, eerst bij Adam en door hem bij alle mensen. En het is na de zonde, die over de mens regeert in de dood{Rom. 5 vers 21}niet in de onbewuste doodstoestand na het sterven, maar in de bewuste toestand van het stervende aardse leven. De St. Vert. vertaalde in Rom. 5 vers 21 “tot de dood”, waarmede ze bedoelt tot het stervensuur. Maar er staat “in de dood” en het is deze toestand die Paulus deed uitroepen “ik ellendig mens! Wie zal mij uitrukken uit dit lichaam des doods” {Rom.7 vers 24} waar wij dus gezien hebben dat alle mensen des zonde onderworpen en stervelingen zijn, is het duidelijk dat de mensen, die geen verandering hebben ondergaan en voor de grote witte troon zullen staan, nog in diezelfde toestand zullen verkeren, dus ook zondaren en stervelingen zullen zijn en stemt Openb. 20 vers 12-13 precies overeen met hetgeen Paulus en ook andere Schriftplaatsen er van zeggen n.l. dat het doden zijn die daar zullen staan. En waar die doodstoestand ´t allereerst intrad bij ons aller vader, Adam, meen ik, dat we tot de slotsom moeten komen, dat willen we spreken van een eerste dood, dit de eerste dood moet zijn.

Thanatos.

Wij hebben gezegd, dat “dood” meermalen in de Schrift voorgesteld wordt als een bewuste toestand. We willen echter ook graag weten, of dit met de taal te rijmen is. Het gaat hier om het Griekse woord “thanatos”. In onze Bijbel wordt dit woord altijd vertaald door “dood”. En in mijn Grieks woordenboek wordt het ook door dood vertaald, echter met de bijvoeging “of ook oorspronkelijk moord of doodstraf”. Wij denken bij “dood” in de eerste plaats aan een toestand van het schepsel na het sterven. Maar wanneer we het in de Schrift voorkomende woord “thanatos” nagaan, zal ons blijken dat het veelal de toestand is van vóór het sterven, dat dus “thanatos” wijst op een bewuste toestand. Ik vroeg onlangs aan iemand, die op het gebied van de Griekse taal zeer deskundig is, om mij onbevoordeeld de betekenis van het woord “thanatos te willen zeggen. Zijn antwoord was: “Thanatos” betekent altijd “dood”. Misschien zit er een oorspronkelijke betekenis in van “uitdoding of verdwijning”, maar meer licht geeft het woord niet. Homerus denkt zich de dood soms als en toestand van bijna bewusteloosheid. Plato acht een toestand van “dood” een intens verhelderd bewustzijn. Met andere woorden, het word “thanatos” zonder meer, zegt niets en laat bewustzijn en niet-bewustzijn toe. U moet op Bijbelse grondslag beslissen. Juist, we moeten altijd zien, in welk verband dit woord voorkomt. Wij spreken van “doodstraf”, maar wanneer w het goed nagaan, ligt d straf waartoe een mens dan wordt veroordeeld, niet na het sterven. Wanneer en misdadiger gestorven is, is voor hem de straf voorbij, want na het sterven is er geen bewustzijn meer. De straf ligt dan ook in het moeten sterven. Niet meer op deze aarde te mogen leven. Dit leven af te moeten leggen en dat dan op een geweldige en pijnlijke manier. Wanneer we nu het woord thanatos in het N.T. nagaan, zal ons blijken dat dit veelal dood als een straf of w zouden kunnen zeggen “strafdood” betekent. Zo wordt thanatos b.v. ook gebruikt om de toestand van de mens aan te duiden zolang hij onder het oordeel is tot aan de uitspraak van het vonnis. Toen b.v. de Joden Jezus veroordeelden tot de dood{thanatos} {Luk.24 vers 20} smaakte of proefde hij voor een ieder de straf der zonde. Paulus noemt de dood een bezoldiging, een soldij, rantsoen der zonde. {Rom.6 vers 23. En de dood kwam op alle mensen, niet na het sterven, maar bij de geboorte. “door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zode de dood; en alzo is de dood tot alle mensen doorgegaan, waarop allen zondigen.”{Rom.5 vers 12} De mens werd zondaar, doelmisser en geboren om te leven ging hij sterven. Hij werd sterveling. Hij ging de dood {thanatos} in. Thanatos is dus de strafvonnis, dat op Adam en door Adam op ieder mens wordt gelegd en dat stemt overeen met de uitspraak na de overtreding van de eerste mens: stervende zult gij sterven. {Gen.2 vers 17} het blijkt reeds duidelijk dat met “thanatos” niet altijd bedoeld kan worden de toestand van de mens na het overlijden. Dan toch is hij over-het-lijden heen, ligt hij onbewust te neder en is elke straf of loon uitgesloten. Hoewel het bovengenoemde reeds een duidelijk bewijs is voor een bewuste toestand in de dood {thanatos} toch willen we waar dit punt zoveel bestreden wordt nog meerdere bewijs zoeken. We lezen in Joh. 5 vers 24, dat de gelovige uit de dood overgegaan is in het leven en in 1 Joh. 3 vers 14 “ die zijn broeder niet lief heeft blijft in de dood”. Niemand zal beweren, dat zoiets slaat op en onbewuste toestand na het sterven. Maar er wordt ons gezegd, dat dit beeldspraak is, die we geestelijk moeten verstaan. En we geven dat gedeeltelijk toe. Maar in Joh. 12 vers 33 eb 18 vers 32 lezen we: “ dit zeide Hij betekende, hoedanige dood Hij sterven zou”. De Heer ging dus een dood {thanatos} sterven. Dit deed Hij toch zeker niet nadat Hij gestorven was. Wij weten maar al te goed welk een smadelijke strafdood de Onschuldige is gestorven. Aan de heidenen overgeleverd om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen { Matth. 20 vers 19} “de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem” {Jes. 53 vers 59. Die strafdood sterft, zij het in onnoemelijk mindere mate, ook de gelovige. Hij kwam over alle mensen, zoals we reeds zagen. Paulus zegt, dat het lijden van Christus overvloedig in ons is {2Kor 1 vers 5} en dat de gelovige gemeenschap heeft aan het lijden, vers 7. En in Fil. 3 vers 10 wil de apostel door gemeenschap aan Christus lijden Zijn dood {thanatos} gelijkvormig worden. In Rom 6 vers 3 stelt Paulus de vraag: “weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood {thanatos} gedoopt zijn? Begrijpen we wel de diep betekenis van deze vraag? Dat de gelovige individueel in Christus zijn en dat ze allen tezamen één in Christus zijn. , dat kunnen we enigszins verstaan. We begrijpen er ook iets van, wat het zeggen wil in Christus Jezus gedoopt te zijn. Het is een aanschouwelijke voorstelling en het zegt ons, dat evenals het dopwater de dopeling omringt, compleet insluit, niets kan hem deren. Dat is niet zo aantrekkelijk. We hebben gezien, dat de dood {thanatos} en strafdood is, een lijdend sterven dat in al zijn volheid en gewicht op Christus werd gelegd. En in die thanatos zijn ook wij gedoopt, ingedompeld, zegt Paulus. Wij zijn één plant mat Hem geworden in de gelijkmaking Zijnsdoods en dat zou een droeve gedachte zijn indien de Apostelen er dadelijk niet aan toevoegde; “alzo zullen wij het ook zijn in Zijn opstanding. Paulus verblijdt zich er over met en voor Christus te mogen lijden. Hij noemt het genade, wetende, dat indien wij met Hem lijden, wij ook met Hem verheerlijkt zullen worden. {Rom. 8 vers 17} Door gelijkvormig te worden aan de dood {thanatos} van Christus, wilde de Apostel zich in zijn aards leven reeds enigszins op één of andere wijze inleven in de heerlijkheid van de uitopstanding die Hij reeds had en die ook later zijn deel zou worden {Fil. 3 vers 10-10} Paulus gaat zelfs zo ver, dat hij zegt: “Nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u en maak in plats van Hem vol, het nog ontbrekende van de verdrukking van Christus in mijn vlees voor Zijn lichaam, hetwelk de gemeente is2 {Col.1 vers 24} Indien we dat alles nagaan, is het toch wel zeer duidelijk da de dood {thanatos}, de strafdood, het lijdend sterven, zowel in Christus als in de mens plaats heeft in een bewuste toestand. Ik meen hiervoor voldoende bewijs te hebben aangehaald.

Christus en Thanatos

Hoewel het eigenlijk niet direct met ons onderzoek te maken heeft, is het toch wel van belang te ween, of ook Christus gedurende zijn aardse bediening deel had aan die dood, die thanatos toestand. Uit hetgeen we er reeds over zeiden, zouden we bevestigend moeten antwoorden. De algemene opvatting is echter, dat het offer van Christus pas aan het eind van Zijn leven werd gebracht, dat Hij pas aan het eind van Zijn aardse bestaan de zonde der wereld op Zich nam. Maar dit verkleint in erge mate het offer van Christus en het zou moeilijk te bewijzen zijn, dat Hij dan meer leed dan menig martelaar. De Apostel Paulus zegt: “want gij weet de genade van onze Heer Jezus Christus dat hij om uwentwil arm is geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden” {2 Kor. 8 vers 9} deze tekst zegt ons in de eerste plaats het voortbestaan van Christus en ook dat Hij toen rijk was. Deze rijkdom bestond in de heerlijkheid die Hij bij de Vader had, eer de wereld was {Joh.17 vers 5} deze rijkdom legde Hij af. Hij was in de gestalte Gods, maar onledigde Zichzelf en nam de gestalte van een slaaf aan en in de gelijkenis van een mens nam Hij de gedaante van een man aan {Fil.2 vers 6-8} Wanneer deed de Heer dat? We lezen in Joh 10 vers 17-18: “daarom heeft mij de Vader Lief, overmits ik mijn leven afleg opdat ik het wederom neme. Niemand neemt het van mij, maar ik leg het van mijzelven af. Ik heb recht hetzelve af te leggen en heb recht hetzelve wederom te nemen”. Over welk leven spreekt Christus hier? De meeste zullen denken, over Zijn aardse leven. Maar er is niets in de Schrift dat er op wijst, dat de Heer zijn aardse leven aflegde, althans niet op een andere manier als menig martelaren deden dat ook. Toen Paulus in de gevangenis te Rome bemerkte, dat zijn sterven aanstaande was, schreef hij “ik ben gereed om geofferd te worden en de tijd van mijn ontbinding, losmaking is nabij”. Christus werd ter dood gebracht, maar duizenden werden dat voor en na Hem. En al weten we nu wel, dat het lijden en sterven van Christus gehaald iets anders was dan dat van een zondig mens, toch blijft het feit bestaan, dat het aardse leven hem ontnomen werd en Hij het Zich niet zelf ontnam. En we zijn er ook zeker van dat Hij niet Zelf dat aardse leven weer opnam, want er wordt ons herhaaldelijk gezegd, dat God Hem opwekte uit de dood. Christus had niet méér macht om Zichzelf op te wekken dan enig mens dat heeft. Wij hebben dar positief bewijs voor in 1 Kor. 6 vers 14 waar we lezen: “en God heeft ook de Heer opgewekt, en zal ons opwekken, door Zijn kracht.” Daarom moeten we aannemen, dat Christus niet Zijn eigen natuurlijk leven aflegde op één of andere bijzondere wijze, en evenmin nam Hij datzelve weer tot Zich. En toch zegt Hij: 2ik leg het leven zelf af. Ik heb het recht het af te leggen en heb recht het wederom te nemen”. Nu willen we even opmerken, dat onze vertalers hier, als zo vele malen, verkeerd hebben vertaald. Er staat niet “leven” {zooé} maar “ziel” {psuché}. De Heer had het recht Zijn ziel af te leggen en die later wederom te nemen. “dit gebod heb ik van mijn Vader gekregen” voegt Hij er aan toe. We kunnen “entole” beter vertalen door “opdracht”. De Vader had Hem opgedragen Zijn ziel af te leggen en de Zoon had daartoe de macht of het recht. Wanneer we dit in verband brengen met het voorgaande n.l. met de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had en de heerlijkheid die Hij na het volbrachte werk, dat de vader Hem opdroeg, zou krijgen, dan wordt de bedoeling van Joh. 10 vers 17-18 duidelijk. De ziel ontstaan door samenvoeging van geest en lichaam is de zetel van het gevoel van de gewaarwording en de uiting van alle zintuigen. Met de ziel wordt geleden en genoten, waaruit droefheid en blijdschap zich openbaren. Die zieletoestand was bij de Heer, vóór Zijn menswording absoluut goed. Hij noemde het zelf: de heerlijkheid die Hij bij de Vader had. Paulus noemde het rijkdom. En het was die ziel die Hij in opdracht van de Vader aflegde en die begin en de kern van het offer, dat de Heer bracht, en het is duidelijk, dat dit niet begon bij het sterven aan het kruis, maar toen Hij in het vlees op deze aarde kwam. Er wordt vaak gedacht en ook geleerd, dat de Heer Godmens was en niet-sterfelijk, dat is echter niet waar, want hoewel verwekt door de Heilige Geest, was Hij toch nar het vlees geboren uit een vrouw; naar het vlees was Hij uit het zaad van David en naar de geest de Zoon van God {Rom.1 vers 3-4} Of dit Hem meer levenskracht gaf, weten we niet. Maar waar de sterfelijkheid in het vlees zetelt en ook Christus wel terdege spijs en drank moest nuttigen om het verderf tegen te gaan, is het wel zeker, dat ook hij vanaf Zijn komen in het vlees aan de dood {thanatos} onderworpen was. Wij hebben daarvoor ook positief Schriftuurlijk bewijs. Paulus zegt van Christus, dat God Hem opwekte uit de doden om niet weer terug te keren tot verderving {Hand.13 vers 34} Jezus is dus wel in een toestand des verderfs geweest. Wanneer was Dat? Niet toen hij in het graf was, want er wordt ons uitdrukkelijk gezegd, dat terwijl Hij daar was Zijn vlees geen verderving zag {Hand. 13 vers 37 en Hand. 2 vers 31 En toch moet Hij in Zijn menselijke gedaante eens in die toestand zijn geweest, want Hij weer er uit verlost om er niet meer in te komen. Dit kan dus al moeilijk anders geweest zijn dan ten tijde, dat Hij in het vlees was, in Zijn omwandeling op aarde. Hij was in die staat van verderf, evenals de gehele schepping, want Hij werd tot zonde en zelfs tot een vloek gemaakt voor ons. Dan verstaan we Hebr.5 vers 7-8 waar we lezen: ”die in dagen Zijns vleeses gebeden, en smekingen tot Degene, die Hem uit de dood {thanatos} kon verlossen, met sterke roeping en tranen opzond en verhoord werd om Zijn vroomheid. En hoewel Hij de Zoon was, leerde Hij gehoorzaamheid uit hetgeen Hij leed”. God de Vader verhoorde Hem en verloste Hem uit dat leed, die strafdood, door Hem op te wekken en Hem het recht te geven het ware leven weer te nemen. Toen het Woord vlees werd, kwam Christus niet in een ander leven, maar Hij ging in een toestand des doods en bleef, in die betekenis dood gedurende Zijn gehele aardse leven. Door menselijke geboorte werd Hij deelhebber aan de gevallen menselijke staat. Hij werd in elk opzicht gelijk aan zijn broeders, behalve dat Hij door Zijn Goddelijke verwekking geen zonde had, daarom is de gevallen menselijke toestand wat de Schrift noemt een doostoestand. Het Schriftuurlijk begrip van doos is de gesteldheid des vleeses {Rom.8 vers 6-7} Dat is de toestand van allen die in het vlees zijn. Ook Jezus was in die toestand, en niet alleen die paar uren van doodstrijd op Golgotha, noch de drie dagen slaap in Jozefs graf, maar de 33½ jaar rondzweving onder de verlorenen en doden. Het was van kribbe tot kruis. Wij kunnen ons geen voorstelling maken van de onuitsprekelijke gruwelijkheid van zulk een dood voor Christus, omdat wij nog nooit ondervonden hebben wat LEVEN is. Maar komende zoals Hij kwam “uit de schoot des Vaders” in deze donkere des verderfs, lijdende een levenslange dood, als we zulk een paradoxale uitdrukking mogen gebruiken, moet het voor Hem wel vreselijk zijn geweest. Wij als zondaars zijn zo met de zonde samengegroeid, dat we zeer weinig het grote verderf er van begrijpen. Maar Hij, die geen zonde kende, voelde elk ogenblik de zware last, die op Hem was geladen. Hij droeg de zonde. Johannes de Doper zag Hem als het Lam Gods dat de zonde der wereld op zich nam {Jih.1 vers 29} En Petrus zegt, dat Hij Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout. {1Petr. 2 vers 24} Hij, met wie de Vader Zijn doel bereikte door alles door Hem te scheppen }Col.1 vers 16} werd tot zonde, dat is tot doelmisser gemaakt.{2 Kor. 5 vers 21a} Zo hebben we dan gezien, dat ook onze Heer en Redder deelde in de thanatos, de strafdood, ja onnoemelijk meer dan één Zijner schepselen. Hij stand ook hier weer evenals overal geheel alleen en is daarin niet te benaderen door enig schepsel, Hij, de Zondeloze, bracht een offer dat niemand anders kon brengen. Hij leed een dood die niemand anders dan begiftigd met Zijn leven kon sterven. En Hij deed dit alles opdat wij Gods gerechtigheid konden worden in Hem {2 [Kor. 5 vers 21b} De dood van Adam ging tot alle mensen door, ook tot de Zoon des Mensen, ook tot de Mens Christus Jezus. {1 Tim.2 vers 5}.

Waar leidt thanatos heen?

Wij zijn er aan gewend om, wanneer we over dood spreken, uitsluitend de toestand van na het lijden op het oog te hebben, dus een onbewuste toestand. Maar waar we gezien hebben dat die doods-die thanatos toestand ook een onbewuste toestand kan zijn, {die eerst op Adam was en door hem op al zijn nakomelingen overgegaan is}, die begint bij de geboorte, moeten we nog nagaan waar die toestand eindigt. Het is opmerkelijk, dat voor de toestand van na het sterven wanneer de mens wat wij noemen dood is, vrijwel nooit het begrip thanatos wordt in gebruikt. We lezen in Joh. 12 vers 33 “dit zeide Hij betekenende hoedanige dood {thanatos} Hij sterven zou” . Dus na de thanatos toestand volgde het sterven {apothékein}. En dat sterven bracht Hem, en brengt ook ieder mens in een andere doodstoestand. In Openb. 1 vers 18 zegt de Heer “ik ben dood geweest” Dit was na Zijn opstanding. Dan gebruikt Hij woord “nekros”, waarmee Hij bedoelde Zijn dood zijn gedurende drie dagen, en drie nachten. Van de verloren zoon zegt de vader, nadat hij tot hem terugkeerde “deze mijn zoon was dood”{nekros}, waarmee hij bedoelde, dat zijn zoon voor hem niet meer bestond. Van Saffira wordt gezegd, dat zij de geest gaf. En de jongelingen, binnen gekomen zijnde, vonden haar dood {nekros} d.i. dus de toestand na het sterven. De jongelingen Eutichus stortte van de zolder en werd dood {nekros} opgenomen {Hand.20 vers 9}. Door Paulus werd hij tot het leven teruggebracht. Wij moeten ook opmerken, dat er nimmer sprake is van opstanding uit de dood die aangeduid wordt met thanatos, maar uitsluiten uit de “nekros-dood”. Dat is van belang en we hopen later nog daarop terug te komen. Ook wordt thanatos vrijwel nooit gebruikt om de toestand van de mens na het sterven aan te duiden. Wij lezen in Rom. 6 vers 9 “wetende dat Christus opgewekt is uit de doden{nekroi}, niet meer sterft, de dood {thanatos} heerst niet meer over Hem”. Hij is dus nu “athanatos” d.i. onsterfelijk in tegenstelling met vóór Zijn sterven aan het kruis toen hij “thètos” was. Hij sterft nu niet meer omdat de dood {thanatos} geen heersersmacht meer over hem heeft. Deze bracht Hem door het sterven {apothèskein} in de nekrostoestand, in het graf, hades of het onwaarneembare, en na thanatos en hades overwonnen te hebben, heeft Hij de sleutels van beide. En als we in Openb. 20 vers 13 lezen, dat dood {thanatos} en graf {hades} hun doden {nekroi} opgeven, betekent dit een ontheffing van het strafvonnis over allen die door de macht van de dood, die we de eerste dood thanatos} noemden, in het graf {hades} waren geworpen. En dan lezen we verder, dat dood {thanatos} en graf {hades in de poel des vuurs worden geworpen. Hieruit volgt, dat na de opstanding voor de groet witte troon die toestanden niet meer bestaan. “En al degene die niet stonden geschreven in het boek des levens, werden geworpen in de poel des vuurs” {Openb.20 vers15}, dat volgens het voorgaande vers de tweede dood, de tweede thanatos is. De eerste dood wordt dus verslonden door de tweede. De eerste heerst niet meer over de mens, de tweede heeft de macht overgenomen.

De tweede dood

We komen nu tot de kern van de zaak. Wat is dan eigenlijk die tweede dood, die tweede thanatos? Hij wordt ons symbolisch voorgesteld dooreen vuurpoel, en wanneer we een dergelijk term in Gods Woord lezen, dan is dat altijd een illustratie van een reiniging, louterend middel. In Openb. 14 vers 10 en 11 lezen we over de aanbidders van het beest, dat ze om die aanbidding van de toorn Gods zullen drinken, die bestaan zal uit pijniging {Grieks: bazanizo d.i. louteren, zoals goud wordt gelouterd} door vuur en sulfer. Hetzelfde wordt gezegd van Satan, van het beest en de valse profeet {Openb. 20 vers 10}. Voor hen zal die kastijding of loutering doorgaan gedurende “alle eeuwigheid” beter vertaald “de eeuw der eeuwen”. Het is zeker geen mooi beeld dat ons geschetst wordt van de tweede dood. Maar één dong willen we al dadelijk opmerken; we lezen niet, dat die loutering, zoals in de eerste dood, leidt tot nogmaals sterven. Het mag dan erg zijn, maar man gaat er niet in ten onder en, er komt een einde aan, evenals er aan die eeuw der eeuwen een eind zal komen. Als we dan verder bedenken, dat ook zelfs Satan één va die “alle dingen”is, waarvan God zegt dat het hem behaagt ze door iets van de reden van die langdurige beproeving. De loutering van de grootste alles tegenstanders zal wel zeer moeilijk zijn, en ook hij zal gereinigd moeten worden gebracht, dat hij de verzoening kan aanvaarde. Wij weten wel, dat wij, indien wij dit zeggen, bekritiseerd worden. Er wordt, dat we terugkeren tot de Rooms-katholieken klerk van het vagevuur. Maar is niet in principe de leer van het vagevuurgenadiger en dichter bij de waarheid dan het laatste artikel van de Ned. Geloofsbelijdenis, dat al de ongelovigen bestemt voor een nooit eindigende denkbeeldige hel? In de leer van het vagevuur zit een kern van waarheid, maar deze weg bedorven tot een handelszaak van de R.K Kerk. dat behoeft ons echter niet te weerhouden om ons open te stellen voor de Schrift. Zonder twijfel stelt R.K de dingen verkeerd voor en plaats de voorstelling van die poel des vuurs op een verkeerde plaats en tijd. Maar toch is het zeer goed mogelijk, dat de opstellers van de leer van het vagevuur deze in overeenstemming hebben willen brengen met deze symbolische voorstelling van de tweede.

Het zou ons te ver voeren, wanneer wij al de plaatsen, vooral in het O.T. aan zouden halen., waar Gods toorn en Gods ijver worden gesymboliseerd door vuur en veelal worden gebruikt als een reinigend, uitbrandend en louterend proces, waarbij b.v. het zilver en het goud gereinigd en gezuiverd uit de smeltkroes naar voren komen. Maar ook in het N.T. wordt meermalen in symbolische zin van vuur gesproken. Wanneer b.v. Johannes de Doper profeteert dat Christus zal komen en dopen zal met Heilige Geest en met vuur, dan bedoelt hij geen werkelijk vuur Matth. 3 vers 11} En ook in Matth. 25 vers 41 waar de Koning zegt. “gaat weg van mij in het eeuwig {aionisch} vuur”, wordt geen letterlijk vuur bedoeld. Ook Paulus spreekt in 1 Kor.3 vers 13 over werken, die door vuur geopenbaard zullen worden en het vuur zal ze beproeven. Dus hier eveneens het vuur als beeld van en reinigings en zuiveringsproces. De symbolische vuurpoel bestaat niet na het oordeel voor de grote witte troon. De tekst Matth.25 vers 41, die we reeds aanhaalden, zegt, dat dit vuur, waarnaar degene worden verwezen, die in de grote verdrukking de broeders van de Koning niet bijstonden {zie het voorgaande hoofdstuk 25}voor satan en zijn engelen beried is. Dat is dus meer dan 1000 jaren voordat de grote witte troon wordt opgericht. Deze engelen of dienstknechten worden in dat vuur geworpen na de overwinning door de Koningen der Koningen op het eest en de koningen der aarde{Openb. 19 vers 20} Satan zelf wordt dan gebonden gedurende 1000 jaren die volgen {Openb. 20 vers 2} om daarna, na zijn ontbinding, de grote opstand die hij zal ontketenen en de vreselijke nederlaag die hij zal lijden eveneens in die vuurpoel geworpen te worden om daar, zoals wij eerder zagen, niet gedood of vernietigd te worden maar met zijn trawanten gekastijd en gelouterd te worden. Vandaar dat de tweede dood voorgesteld wordt door het beeld van een actief werkend, reinigend proces door vuur. Het beeld is nooit de zaak zelf. Het geeft slechts een beeld van de toestand aan. Zo wordt de natuurlijke dood afgebeeld of vergeleken met een slaap, die rust en bewusteloosheid voorstelt. In werkelijkheid is die dood echter geen slaap. Zo is ook de poel des vuurs het beeld van de toestand in de tweede dood. En we zien dus uit het beeld, dat de toestand in de tweede dood niet een toestand van rustig neerliggen in een groeve der vertering is, na sterven en overlijden, maar een actieve toestand waarin het schepsel bewust wordt geworpen teneinde, zoals we zullen zien, te worden gereinigd en er genezen en vernieuwd uit voort te komen. We lezen over de tweede dood niet vaak in de Schrift, slechts viermaal in het laatste bijbelboek. We kunnen die teksten wel even opschrijven

1. Openb. 2 vers 11: “ die overwint zal van de tweede dood niet beschadigd worden”.

2. Openb. 20 vers 6: “gelukkig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding, over deze heeft de tweede dood geen macht”.

3. Openb. 20 vers 14: “en dood {thanatos} en graf {hades} werden geworpen in de poel des vuurs. Dit is de tweede dood” {thanatos}

4. Openb. 21 vers 8: “Maar de vreesachtige en de ongelovige en gruwelijke en doodslagers en hoereerders en tovenaars en afgodendienaars en al de leugenaars is hun deel in de poel die van vuur en sulfer brandt, hetwelk is de tweede dood”.

Dan lezen we nog drie keer over de poel des vuurs, waarvan we mogen aannemen, dat daar dezelfde vuurpoel wordt bedoeld n.l:

1. Openb. 19 vers 20: “en het beest werd gegrepen en  met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen voor hetzelfde gedaan had… De twee zijn levend geworpen in de poel des vuurs die met sulfer brandt”:

2. Openb. 20 vers 10: “en de verleide die hen verleidde, werd geworpen in de poel des vuurs en sulfer, alwaar het beest en de valse profeet zijn en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in de eeuw der eeuwen”.

3. Openb. 20 vers 15: “en zo iemand niet gevonden werd in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs”.

We willen nog even herinneren aan Matth. 25 vers 41, waar ook reeds van dat vuur gesproeken wordt. Daar wordt het “aionisch vuur” genoemd. We zeiden reeds in het begin, dat we vroeger, onder de invloed van de kerkleer, meenden, dat hier overal van de “hel” gesproken wordt, een gefantaseerde plaats waarin het ongelovige schepsel eeuwig, {waar dan oneindig werd bedoeld} zou worden gestraft met onuitsprekelijke folteringen. Toen we, zeer tot onze blijdschap zagen, dat menselijke lering absoluut geen grond vond in de Schrift, moesten we tot een andere oplossing komen. Wij hebben toen gezegd: “dood is dood” en omdat de eerste dood een onbewuste toestand is, daarom moet de tweede dat ook zijn. Dus, de mens sterft na oordeel en straf nogmaals, hij verbrandt en zijn stof ligt onbewust ter neder tot aan de einden der eeuwen om dan weer opgewekt te worden. Maar ook bij deze verklaring stuitte ik op vele moeilijkheden. Ten eerste wordt er in de Schrift niet gesproken van straf na het oordeel, noch van een tussentijdperk, wanneer die straf zou worden uitgevoerd. Evenmin lezen we ergens, dat de doden, die voor de troon zullen staan nogmaals zullen sterven en dat ze weer op zullen staan. Toen ik bovendien zag, dat de doodstoestand na het sterven, die ik natuurlijke dood zou willen noemen, niet de eerste was, maar dat de mens, gedurende zijn ganse aards bestaan in, wat de schrift noemt, de thanatos {dood} is, en die doodstoestand intrad na de overtreding van Adam, meende ik, dat we met het volste recht, dit de eerste dood {thanatos} konden noemen en het werd duidelijk, dat volgens de schrift de toestand waarin de ongelovige komt na het oordeel de “tweede dood”, de “tweede thanatos” moest zijn. Ik hield als vanzelf op te beweren, dat de tweede thanatos een onbewuste toestand is, evenmin als de eerste dit is. Ik hield vast aan “dood is dood” maar leerde onderscheiden welke dood er werd bedoeld. Wij zagen duidelijk, dat de “dood” waarin we nu “leven”, die we de eerste doodthanatos9 noemden, volgens de Schrift, zo niet altijd, dan toch veelal een bewuste toestand is en dat de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord thanatos hiermee overeenstemt. En nu zou het zeer logisch zijn om te zeggen: omdat de eerste Thanatos een bewuste toestand is, daarom is de tweede dit ook; we willen dit echter Schriftuurlijk bewijzen. We zagen, dat zowel Protestanten als Katholieken de toestand beschouwen als een bewust voortbestaan, de eerste als een stafplaats voor allen die niet tot het geloof kwamen en de laatsten als een louteringsplaats alleen voor Katholieken. Geen van beide voorstellingen is volgens de Schrift, maar toch ligt m.i. in beide het fit, dat ook de oudste, die thanatos-toestand taalkundig beschouwen als een bewuste toestand. Maar we beschouwen dat nog niet als een positief bewijs. We lezen echter van Satan, het beest en de valse profeet, dat ze in die vuurpoel in en bewuste toestand zullen zijn. Ze worden er immers gepijnigd of gekastijd en daar is een lijk niet meer varbaar voor. En al willen we Satan als een bovennatuurlijk wezen buiten beschouwing laten, het beest en de valse profeet zullen toch mensen zijn. Degene {dat zijnde opgestane en bewust geworden doden} die niet in het boek des levens staan, zullen ook geworpen worden in die poel des vuurs{Openb. 20 vers 15 En waar er niet gezegd wordt dat ze daarin zullen sterven, mogen wij niet zeggen, met voortgaand bewijs voor ogen dat ze wel weer zullen sterven en tot een onbewuste toestand worden gebracht. We zagen reeds, dat de naam “poel des vuurs” slechts een symbolische voorstelling is van de tweede thanatos. “de poel des vuurs dat is de tweede dood” En laten wij de zaak nu niet omkeren en zeggen: de tweede dood is een poel des vuurs, want dan komen we op gevaarlijk terrein. De Schrift zegt: God is liefde {1Joh. 4 vers 8 en 16} en niet: liefde is God, want liefde kan een afgod zijn. God is de werkelijkheid, liefde is Zijn wezen. Alles wat van hem uitgaat, hetzij goed, hetzij kwaad, vloeit voort uit die liefde en heeft tot einddoel het schepsel en de ganse schepping te brengen tot de heerlijke volmaaktheid. De tweede dood is de werkelijkheid, die zich openbaart in vuur, zowel in het vuur van kastijding, loutering en reiniging als in het vuur van de liefde. En waar wij toch zeker niet geloven, dat de tweede dood een instelling van Satan is {hij gaat er immers zelf in}, maar dat hij thuis hoort in of een deel is van het raadsplan Gods, mogen we toch aannemen, dat hij een uiting is van Gods liefde is, die Hij mede zal benutten om tot dat grote einddoel te komen. We mogen het een vaste wet in Gods plan der eeuwen noemen, dat alles letterlijk alles wat Hij doet, moet medewerken tot het komen tot Zijn eer en tot heil van al hetgeen Hij schiep. In dat licht willen we ook tot de tweede dood zien en we zullen trachten dit nader uit de Schrift aan te tonen De Apostel Petrus zegt: “verwachtende en ernst makende met de komst van de dag Gods, terwille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten. Wij verwachten naar Zijn beloften nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont” {2 Petr. 3 vers 11-12} het is na die vuurreiniging van deze aarde en hemel, en vóórdat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde daaruit te voorschijn zullen komen, dat Johannes bemerkt, dat die oude hemel en aarde wegvlieden en plaats maken voor de grote witte troon, waarop Degene zit voor Wiens aangezicht dit alles geschiedt {Openb. 20 vers 11} Wij kunnen ons geen andere troon dan een aardse voorstellen. Dit is echter een hemelse troon en we worden er op gewezen, dat hij groot is, zo groot, dat daarvoor geen plaats genoeg is op de aarde. Hemel en aarde moeten er voor wijken. We willen even opmerken, dat hier niet gesproken wordt van “hemelen”, maar van “hemel” d.i. de hemel of het luchtruim, dat bij de aarde behoord, waarin b.v de vogels des hemels vliegen. Dan wordt ons gezegd, dat die troon wit is en dat bemoedigt ons. Veelal toch, wordt hij tot een zwarte troon gemaakt, waaruit niets dan stemmen van hel en verdoemenis zullen bulderen. Maar de troon is wit. En wit is de kleur van de reinheid {Jes.1 vers 18; Dan.12 vers 10} Het is teken van macht en rechtvaardigheid{ Openb. 19 vers 11} Het is de kleur van de overwinning{Openb.3 vers 5} Het is ook het symbool van liefde, vrede en waardering {Openb.3 vers 4} Laten we ons er dus over verheugen, dat die troon wit is, want het is voor ons het teken dat recht, genade een liefde de grondslag zullen zijn van het oordeel dat er vanuit zal gaan. En hoe zou het ook anders kunnen? Is Hij die op de troon zit niet de Rechtvaardige Rechter, vol van genade en barmhartigheid en de God van enkel liefde?

“en ik zag de doden klein en groot, staande voor God” {Openb. 20 vers 12} het zijn doden, die volgens vers 13 tot bewustzijn uit hun doodslaap zijn geroepen, het zijn allen, die nog niet eerder werden opgewekt. Nu willen we nogmaals opmerken, dat Schrift hier herhaaldelijk spreekt van “doden”. Het zijn doden die voor de witte troon zullen staan. Hoe is dat mogelijk? Zou men zeggen. Wij moeten onderscheid maken tussen “opstanding” en “levendmaking”. Deze myriaden schepselen, die voor de troon zullen staan zijn wel opgewekt, ze hebben bewustzijn gekregen, maar ze zijn nog niet waarlijk levend gemaakt, want levendmaking heeft altijd betrekking op de terugkeer en inwoning van de geest om leven te geven, buiten het bereik van de dood. Dat leven krijgen zij, althans dadelijk na hun verrijzenis, nog niet. Die toestand noemt de Schrift een doodstoestand. We zagen dat immers ook reeds met betrekking tot de eerste dood. Wij weten van meer zulke opstandingen, Lazarus van Bethanië b.v, keerde tot het aardse leven terug, maar hij werd niet waarlijk levend l gemaakt. Hij nam nogmaals in de eerste dood {thanatos} in de sterfelijkheidtoestand, waarin hij nogmaals ten onder ging. Hiertegenover staat de Eersteling Christus, die na Zijn opstanding waarlijk levend werd gemaakt, want Hij is het, die tot nog toe alleen onsterfelijkheid heeft {1Tim 6 vers 16}. We lezen in 1 Thess. 4 vers 13-18 over de opstanding en wegrukking van de aarde van hen die in Christus ontsliepen en die levend overbleven tot Zijn tegenwoordigheid. Dit betreft de gemeenteleden, die gedurende deze bedeling samenvergaderd worden. Zij worden bij hun opwekking wél tegelijk waarlijk levend gemaakt, buiten het bereik van die verdervende eerste thanatos, want door die opstanding respect. Verandering in een punt des tijds is er dan geen  sterfelijkheid of verderfelijkheid meer, maar is de dood {die eerste thanatos} verslonden tot overwinning {1 Kor.15 vers 52-55} Zij behoren niet meer tot “de doden” en zullen dus niet voor de grote witte troon staan. Dat is evenwel nog niet het geval met de opgestane die voor de troon zullen staan. Zij werden wel opgewekt, maar nog niet waarlijk levend gemaakten daarom noemt de Schrift hen nog “doden”. Wij willen er echter onmiddellijk aan toevoegen dat, alhoewel ze nog doden zijn, die eerste dood ook toch voor hen verslonden wordt al moge de overwinning er nog niet zijn. We lezen immers, dat de dood{thanatos} en het graf {hades} geworpen worden in de poel des vuurs. Dit is de tweede dood {thanatos} Dus die eerste dood wordt verslonden door de tweede. Dan zal de eerste er niet meer zijn {Openb. 21 vers 4} Hoe het verder ook mag komen, dit is zeker: voor die doden zal die sterfelijkheid en verderfelijkheidstoestand van de eerste dood niet meer bestaan. Wij hebben reeds gezien, dat de gemeente {het lichaam van Christus} die reeds eerder werd opgewekt en levend gemaakt, niet voor de grote witte troon zal staan. De leden zijn geen doden meer. Er is, voorzover we weten, een zekere groep, die er ook niet zal staan en dat is het gelovig overblijfsel van Israël, dat in het geloof is gestorven, de beloftenissen net verkregen hebbend {Hebr. 11 vers 13} Het zijn zij, die vóór de duizend jaren uit hun graven zijn opgestaan en in hun land gezet{Ez.37 vers 12} Zij zijn kinderen der opstanding en kunnen niet meer sterven {Luk.20 vers 36}Voor hen is de dood ook verslonden. Zij zijn niet meer aan sterven en verderven onderhevig. Ook zij behoren niet meer tot de doden en staan dus niet voor de troon. Maar al de anderen, die alle eeuwen door geleefd hebben, staan daar wel, en dat zal een ontelbare massa zij en het is niet te verwonderen, dat voor zulk een rechtsgeding de troon groot moet zijn. Een andere vraag is: Hoe zullen die doden daar staan? Hierop geeft de Schrift, hoewel zeer kort, toch een duidelijk en afdoend antwoord. Het zijn de doden “klein en groot” {Openb.20 vers 12} Dat wil zeggen, dat allen er zullen staan, zoals ze gestorven zijn. Kleinen en groten, jongen en ouden zijn indertijd overledenen en die kleinen en groten zullen ook weer opstaan. En dat is begrijpelijk. De onbewuste doodstoestand bracht geen verandering. Al keerde het lichaam tot het stof weder in de groeve der vertering, de Schrift zegt, dat ze daar weer zullen staan, klein en groot. Hieruit volgt ook, dat een ieder van hen daar zal staan, nog als onrechtvaardige. De verzoening werd niet hun deel in hunaards bestaan en zeker ook niet in het bewuste tijdperk tussen sterven en opstanding. Ze staan daar nog met hetzelfde hart, met dezelfde neigingen, zoals ze eertijds heengingen. De Apostel Paulus zegt: “naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart verzamelt gij uzelf toorn als een schat in de dag va de toorn en der onthulling van het rechtvaardig oordeel van God, die een ieder vergelden zal naar zijn werken; hun wel, die met volharding in goed werk heerlijkheid en onverderfelijkheid zoeken, eeuws leven, maar hun die twistgierig zijn en die wel ongehoorzaam zijn aan de waarheid maar gehoorzaam aan de onrechtvaardigheid toorn en verbolgenheid, verdrukking en benauwdheid over elke ziel die het kwade werkt, zowel de Jood eerst, als ook de Griek, maar heerlijkheid en eer en vrede aan ieder, die het goede werkt, zowel de Jood eerst alsook de Griek, want er is geen aanneming van aangezicht bij God” {Rom.2 vers 5-11} Dat de Apostel hier spreekt over ongelovige is duidelijk, want de gelovige komen niet in het oordeel{Joh.5 vers 24} Het zij degenen die voor de grote witte troon zullen staan, maar laat ons wel opmerken, dat al stierven al die mensen in ongeloof, toch zullen daar evengoed brave zielen staan als kwaaddoeners. En laat ons tevens opmerken, dat, hoewel er sprake is va toorn en verbolgenheid, dit niet wordt beschouwd als een straf, maar als vergelding of betaling. Want ik wil er nogmaals op wijzen, dat voor degene die daar voor de troon zullen staan{voor allen zonder onderscheid, het moge braven os slechten, onwetende of wetende, filantropen of gierigaards, moordenaars of onverderfelijkheidsbezoekers } zijn, Christus de straf der zonde gedragen en betaald heeft, zodat dat van de mens niet meer geëist kan worden. Die zaak is eens en voor altijd afgedaan. Wij zullen trachten dit na te gaan. We willen er nogmaals aan herinneren, dat al moge het zo schijnen, God nooit toornt om het schepsel te straffen, maar dat Zijn toorn voortvloeit uit Zijn wezen dat enkel liefde is. Immers, de grootste toorn die Hij uitgoot was op Zijn onschuldige Zoon Zijner liefde, en dat geschiede om het schepsel te redden, doch de Zoon zelf werd daardoor uitermate verhoogd en ontving daarvoor een naam boven alle naam {Fil 2 vers 9} Johannes zag de doden klein en groot staande voor God. “en de boeken werden geopend, en een ander boek werd geopend dat des levens is, en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken {of daden}. Wanneer we lezen over de gemeente, die zal staan, niet voor een “rechterstoel” {critérion} maar voor een prijsgericht {béma} van Christus, waar ook zij evenals deze doden openbaar gemaakt, of onthuld zal worden, dan geschiedt dat “opdat een iegelijk wegdragen hetgeen goed, hetzij kwaad”. {2 Kor. 5 vers 10} Hier is geen sprake van toorn en nog minder van straf, alleen van vergelding. Dit zal zijn naar wat de gelovige gedaan heeft in zijn aards bestaan. Maat Johannes zegt, dat de 2Doden” geoordeeld zullen worden naar hun werken of daden, d.w.z. naar hetgeen ze doen en zijn. Dat stemt ook overeen met hetgeen Paulus zegt in het aangehaalde Schriftgedeelte. Ook hij ziet de mensen staan in het oordeel. Hij ziet verdrukking over elke ziel die het kwade “werkt”; vrede over allen die het goede werken. Het staat alles in de tegenwoordige tijd, ten tijde dat het oordeel zal worden uitgesproken. Hieruit volgt, dat de doden geoordeeld zullen worden naar hetgeen ze zijn en doen. Al zal het dan wel zo zijn, dat dan niemand meer in de gelegenheid is om daadwerkelijk het goede of het kwade te werken, God, de rechtvaardige Rechter ziet het hart aan, een dief b.v. die de laatste tijd van zijn leven niet meer kon stelen, bleef in zijn hart een dief en stierf als een dief en stond op met hetzelfde hart, waarin de neiging tot stelen. Dat dit zo is, blijkt duidelijk uit Openb. 21 vers 8 waar we de verschillende mensen met de verschillende boze neigingen weer terugvinden. Ze worden doodslagers genoemd: vreesachtige, ongelovige, gruwelijken, doodslagers enz. Ze waren dat niet alleen, maar ze zijn dat nog en die verkeerde neigingen wonen nog in de harten. “En deboeken werden geopend en een ander boek werd geopend dat des levens is “ Of we hier letterlijk aan boeken moeten denken, we laten dat in het midden. Maar Gods boeken zijn in orde en alles staat nauwkeurig aangetekend. Er is ook een boek dat des levens is. We mogen aannemen, dat die daarin geschreven staan al dadelijk aan de sterfelijkheid zijn onttrokken. Het zijn o.a. zij, waarvan Paulus zegt dat ze met volharding in goed werk heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid zoeken. {Rom2 vers 7}. Zij ontvangen het eeuwige leven, d.w.z. het leven gedurende de eeuwen die volgen na het oordeel. Ook Christus sprak over dit oordeel. Hij zegt dat de mannen van Nineveh de koning van het Zuiden staan zullen in het oordeel met het geslacht der Schriftgeleerden en Farizeeën en het zullen veroordelen, want de eersten bekeerden zich, d.w.z. ze gaven gehoor aan de prediking van Jona en lieten hun boze werken na, en de laatste kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, terwijl de Farizeeën weigerden te luisteren naar de meerdere dan Salomo {Luk 11 vers 31-32} Deze allen stierven, de één met een wederspannig hart en de ander met een berouwvol hart en als zodanig staan ze voor de grote witte troon. Dan heeft de grote schifting plaats. Alles wordt openbaar, de boeken zeggen van een ieder wat hij is of werkt en de rechtvaardige Rechter spreekt het oordeel uit. Die in het boek des levens staan zullen zeker het eeuwse leven ontvangen. Daar is geen twijfel aan. Mar er zijn nog andere boeken en het is te vrezen, dat die in de meerderheid zijn, want waar er slechts gesproken wordt van één boek des levens, daar staan de andere in het meervoud. “En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs {Openb. 20 vers 15}. “dit is de tweed dood”, vers 14. Wat zal er met hen gebeuren? Wat is de tweede dood? Waarde lezers, wij hebben reeds gezien, dat er op die belangrijke vraag verschillende antwoorden zijn gegeven. De een zegt: het is de hel, de plaats van een nooit eindigend verschrikkelijk lijden; de ander zegt dat het vagevuur, een louteringplaats is, waar ontkoming mogelijk is. Een derde zegt dat het de plaats is van een absolute vernietiging en wij zelf hebben eertijds gemeend, dat de mens daarin nogmaals zou sterven, aan de vuurdood zou gebruiken als een veilige bergplaats voor het schepsel in een bewusteloze toestand. Aan het einde der eeuwen zou het dan weer tot bewustzijn en tot het ware nimmer eindigende leven worden teruggeroepen. Maar voor al die stellingen is geen Schriftuurlijk bewijs en voor zover ik weet, heeft ook nooit iemand geprobeerd, Schriftuurlijk bewijs er voor te geven. Volgens mijn mening heeft die tweede dood echter een geheel aparte plaats in het grote plan Gods en m.i. kan dit ons inzicht geven in een deel en wel het grote einddeel van dat plan. Wij zullen dat trachten aan te tonen, op grond van de Schrift. We zagen reeds, dat de benaming “poel des vuurs” slechts een symbolische voorstelling is van het wezen van de tweede dood. De tweede dood is de werkelijkheid. Ook zagen we dat de dood, die na Adams overtreding op hem kwam en die door hem tot al zijn nakomelingen doorgaat {Rom.5 vers 12} een bewuste toestand is waarin allen ten ondergaan. “Stervende zult gij sterven” zei God tot Adam. Paulus zegt, dat de zonde over ons heerst in die dood {Rom.5 vers 21}. Omdat dit de eerste dood is, waarvan we in de Schrift lezen, hebben wij, alhoewel de Schrift dat niet doet, die dood aangeduid als de eerste dood of de eerste “thanatos” het Griekse woord voor dood, van welks betekenis we een verklaring gaven. En hoewel het al zeer logisch is om te zeggen: als die eerste thanatos een bewuste toestand is, dan is er alle reden om aan te nemen, dat de tweede thanatos dit ook is, toch willen we ook graag positief Schriftbewijs, en daarom gaan we eerst even de plaatsen na waar over de tweede thanatos wordt gesproken. Wij noteerde ze reeds voor U. In Openb. 2 vers 11 lezen we, dat hij die overwint van de tweede dood v niet zal worden “beschadigd”. Er staat niet, dat hij door die tweede thanatos niet zal worden vernietigd, er niet in zal omkomen, er niet in zal sterven of iets dergelijk. Neen, hij zal er niet door worden beschadigd. Die niet overwinnen zullen er wél door worden beschadigd, maar meer toch niet. Het woord beschadigen {Adikeo} wil in dit verband zeggen gekwetst zouden worden bij het doen van wonderen {Luk.10 vers 19}. Het woord komt nog meerdere keren voor in de oordelen, die ons in de Openbaringen worden beschreven }Openb.6 vers 6; 7 vers 2; 3 vers 9; 4 vers 10, 19 en 11 vers 5. nergens heeft het de betekenis van doden of vernietigen. De tweede thanatos zal dus de doden die in hem zijn niet doden of doen sterven en ook niet kastijden, maar slechts van beschadigen, al willen we daarmee niet zeggen, dat voor velen een kastijding tot verbetering niet nodig mag en zal zijn. Maar uit dit alles blijkt ook weer duidelijk, dat de mens in de tweede dood niet bewusteloos terneder ligt, want zo iemand is niet meer te beschadigen. De tweede tekst Openb. 20 vers 6 prijst degenen gelukkig, die deel hebben aan de eerste opstanding, want “over hen heeft de tweede thanatos geen macht”. Macht uitoefenen op onbewuste gestorvenen mensen, is niet mogelijk. Macht uitoefenen kan alleen worden uitgeoefend over iemand die bewust is. De grootste machthebber kan bij een lijk staan en het gelasten dit of dat te doen, het zal er niet op reageren. De tweede thanatos zal wel macht uitoefenen over hen, die geen deel hadden aan de eerste opstanding. Dat zij degene, die genoemd worden in vers4. Deze tekst zegt dus ook degene die in de tweede thanatos zijn, bewust moeten zijn. De tweede dood is een machthebber en heeft onderdanen als zodanig. De natuurlijke dood, de toestand na het sterven wordt door sommige vertalers vertaald door “dodenrijk”. Dat is natuurlijk fout, want een rijk veronderstelt heerser en onderdanen en die bestaan in hades niet. Openb. 20 vers 14 zegt: “en dood {thanatos} en graf {hades} werden geworpen in de poel des vuurs”. Dat dit beeldspraak is, is duidelijk. Dood, thanatos is een toestand, niet iets tastbaars dat men in een vuurpoel kan werpen. Hades is ook een toestand. Het wil eigenlijk zeggen iets, voor de mens althans, onwaarneembaars. Het is de toestand na het sterven. En die thanatos, die de eerste moet zijn en die hades, de bewusteloze graftoestand gaan over in de poel des vuurs, dat is de tweede thanatos. Wanneer Paulus spreekt over de opstanding en levendmaking van degene die in Christus ontslapen zijn en van levend overblijvende die in een punt des tijds zullen worden veranderd, wanneer het verderfelijk onverderfelijk en het sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan zal hebben, dan zegt hij: dan zal het woord geschieden {waargemaakt worden} dat geschreven staat {Jes.25 vers 8} De dood is verslonden tot overwinning {1 Kor.15 vers 51-54}. Meestal wordt gedacht dat met die dood de toestand van na het overlijden wordt bedoeld, maar dat is niet zo. Die in een punt des tijds veranderd zullen worden, die levend overblijvende zullen immers niet in de onbewuste toestand komen. Wel waren ze stervende of sterfelijk en ook verderfelijk. En dit waren ze stervende of sterfelijk en ook verderfelijk. En dit waren de overigen ook eens. Allen waren eens in de eerste dood {thanatos} sterfelijk. Maar die toestand zal dan opgeheven, overwonnen zijn. Christus de eersteling is nu nog de enige die onsterfelijkheid bezit. Toen God Hem opwekte nam Hij het ware leven weer tot zich. De gemeente, die het lichaam van Christus is zal ook onsterfelijkheid aandoen bij haar opstanding en levendmaking. Voor haar zal dan de sterfelijkheid, de eerste thanatos, verslonden zijn tot overwinning. Met hen die voor de grote witte troon zullen staan, en die dan niet in het boek des levens geschreven zullen zijn, kiest God in Zijn soevereine vrijmacht een andere weg. Maar hoe het moge zijn, dit is zeker, ook voor deze laatsten is de toestand van de eerste thanatos, dus de sterfelijkheidtoestand en ook de toestand van na het sterven, de onbewuste toestand, opgeheven, en hoewel nog niet verslonden tot overwinning, dan toch verslonden door de tweede dood. En ook zij gaan in die tweede thanatos en zo we reeds zagen, niet om nogmaals te sterven of vernietigd te worden. Dat is niet het doel dat de rechtvaardige Rechter Zich stelt. Dan zal de dood, d.i. de eerste thanatos er niet meer zijn. De tweede is er immers wel. De Apostel Paulus zuchtte ook alrede in zijn aardse tentwoning, er naar verlangende dat dit sterfelijke zou worden verslonden door het leven. {2 Kor.5 vers 4}. Hier is alrede het sterfelijke verslonden, de eerste thanatos, het sterfelijke leven is er niet meer. Geen rouw of geween meer over stervende en gestorvenen. De toestand is hier in de tweede thanatos dus beter dan in de eerste. Er is vooruit gang, maar de sterfelijkheid is nog niet voor hen die inde tweede dood zijn verwisseld voor het leven, d.w.z. het ware leven zoals de Apostel het bedoelde. “Maar de vreesachtige en ongelovige en gruwelijke en doodslagers en hoereerders en tovenaars en afgodendienaars en als de leugenaars is hun deel in de poel “die van vuur en sulfer brandt, hetwelk is de tweede dood” {Openb. 21 vers 8} het is onnodig te zeggen, dat deze mensen het ware leven nog niet bezitten, want dan zouden ze niet zo genoemd worden. Ze zijn nóg ongelovig, nóg gruwelijker, ze liegen nog, enz. en dat zal een levendgemaakte in de ware zin des woords niet meer doen. Ik wil er echter nog even op wijzen, dat hier van bewuste mensen en niet van lijken gesproeken wordt. Ze zijn het allen nog wat ons in 21 vers 8 genoemd wordt. In 22 vers 15 waar nogmaals over hen gesproken wordt, staat letterlijk dat ze leugen liefhebben en doen. Wij hebbendus gezien, dat al het schepsel, dat nog niet eerder tot het leven werd geroepen, op zal staan en tot bewustzijn zal worden gebracht en als doden klein en groot, juist zoals ze stierven, voor de grote witte troon zal staan. Daar zullen ze worden geoordeeld, d.w.z. er zal uit de boeken nagegaan worden wie ze waren en wie en wat ze nog zijn en hun zal daarnaar worden vergolden. Er zullen er zijn die in het boek des levens staan, wier daden en werk van dusdanige aard waren en nog zijn, dat algehele vrijspraak volgt en dat ze  het ware, het eeuwige leven onmiddellijk zullen ingaan. Maar er zullen er ook zijn, en dat zal wel de grote meerderheid wezen, wier werken en daden van dien aard waren en althans in hun hart, nog zijn, dat ze nog niet het ware leven kunnen ontvangen, waarom de Schrift ze nog doden noemt. Ook voor hen heeft Christus echter de straf der zonde, die ze in hun sterfelijk aards leven bedreven, gedragen, zodat zij daar niet nogmaals voor zullen moeten boeten. Daar hun hart echter nog naar boze dingen neigt en ze nog niet handelen in overeenstemming met de wil Gods, zal het oordeel over hen tengevolge hebben een overgang naar de tweede dood. Wij zagen dat die tweede dood of thanatos, de eerste dood of Thanatos zal verslinden, zodat deze laatste niet meer zal bestaan; dat in die tweede thanatos toestand dus geen sterfelijkheid meer mogelijk is, maar dat echter voor hen die in die tweede zullen zijn die sterfelijkheid nog niet veranderd werd in het ware leven. Wij zagen ook dat de benaming “poel des vuurs” niet wil zeggen een letterlijk begrensde kuil met letterlijk vuur, waarin de doden zullen geworpen worden om hetzij er in worden gestraft, en gepijnigd of tot as te worden verbrand of algeheel te worden vernietigd, maar dat het een symbolische voorstelling is van de aars van de toestand in de tweede thanatos, in overeenstemming met meerdere uitspraken in de Schrift. Maar wanneer we dat alles weten, dan komt allicht de vraag naar voren: waardoor en waartoe dan die tweede dood? Wij zullen trachten dit nader te onderzoeken.

Gods doel met de tweede dood.

Toen ik eenmaal, door genade Gods, de heerlijke waarheid mocht aanvaarden dat het Gods doel is, Zijn ganse schepping te redden en tot Zichzelf te verzoenen, en dat het bloed van Zijn Zoon Jezus Christus de waarborg is dat dit ook zeker kan en zal gebeuren, toen moest ik ook, als vanzelfsprekend, aanvaarden, dat alles maatregelen die Hij neemt, tot dat grote einddoel moeten meewerken. Het zou immers dwaas zijn om te veronderstellen dat God Zichzelf zou tegenwerken in dat plan, al lijkt dit, van menselijk standpunt gezien, wel eens zo. Dit is geen vooropgestelde mening, maar ik zou het een axioma willen noemen, een waarheid, die geen bewijs vordert, al zou er bovendien nog bewijs genoeg voor zijn te leveren uit Gods Woord, uit de geschiedenis en uit een ieders persoonlijk leven, indien we maar de moeite doen, dit op te merken. In dat licht moeten we ook de tweede dood zien. Het is een fase in Gods plan, ook niet ten nadele van het schepsel, maar ten behoeve van. En nu meen ik, dat die tweede thanatos juist door God zal worden gebruikt voor een verheven doel; we hebben daarvoor al een zeer sprekend Schriftbewijs dat we echter met uitvoeriger bewijzen nog hopen te staven. Toen ons aller ouderpaar overtreden had, werd het uitgedreven uit de hof van Eden, uit de lusthof of het paradijs. En God stelde cherubim voor de ingang van de hof opdat het Zijn handen niet zou uitstrekken naar de boom des levens en eten en leven {Gen.3 vers 22-24} Daardoor werd de mens gedoemd tot sterven, het ging met hem naar de ondergang, onherroepelijk. Hij ging, zoals we zagen de eerste thanatos in. Maar nu lees ik in het laatste hoofdstuk van onze Bijbel, dat op de nieuwe aarde de toegang tot de boom des levens weer voor een ieder open zal zijn. Die boom, of nu, die bomen, zullen weer staan in het paradijs Gods {Openb.2 vers 7}. Stond die boom des levens eens als eenling midden in de hof, dan staan ze aan beide zijden van de rivier, die op de nieuwe aarde vol van water des levens voortkomen zal uit die troon van God en het Lam, altijd overvloedig beladen met vruchten, want elke maand zullen ze vruchten dragen en hun bladeren zullen zijn tot genezing der volkeren, wat zien moet op de genezing van hunne zonden en ongerechtigheden, want ziekte of sterfelijkheid zal er dan niet meer zijn. Het verloren paradijs is dan in veel groter heerlijkheid hersteld. De afgesneden weg tot het leven is weer geopend, de gelegenheid om weer te eten en te drinken van het levensvoedsel en te leven is er weer overvloedig en om niet en wie zal daar geen gebruik van maken? De vraag is nu: Voor wie is die gelegenheid opengesteld? Nadat aan Johannes de uitslag van het oordeel of onderzoek voor de grootte witte troon getoond was, zag hij de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Het is de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarvan Jesaja al profeteerde {Jes. 65 vers 17} waarvan Petrus sprak in 2 Petr. 3 vers 13 en waarop ook het paradijs Gods zal zijn, waarin aan Paulus reeds een blik werd gegund {2Kor. 12 vers 4} Op die nieuwe aarde, ziet hij de heilige stad het nieuwe Jeruzalem, nederdalen van God uit de hemel, toebereid als een bruid voor haar man versierd {Openb. 21 vers1-2} dat in beeldspraak wordt gesproken is duidelijk uit vers 9 en 10. Daar wordt Johannes vanaf een hoge berg een vergezicht gegeven van de heerlijkheid va die stad. Die stad is echter maar een symbool van de werkelijkheid, en die werkelijkheid is de Bruid, de Vrouw des Lams:”Kom herwaarts en ik zal U tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.” Evenals dus de poel des vuurs het beeld is van de tweede dood, zo is de stad het nieuwe Jeruzalem, een beeld van de Vrouw des Lams. Wie de Bruid en de Vrouw des Lams is, dat hoeven we niet weer uit te leggen, het staat meermalen in de Schrift. Het is hier ook niet de plaats dit nogmaals te bewijzen tegenover hen die zeggen dat de gemeente, d.i. het Lichaam van Christus, tevens de Bruid van Christus is. De Bruid des Lams is Israël. En al zou dit nergens anders in de Schrift staan, dan komt het toch zeer duidelijk tot uiting in de beschrijving van de stad die de Bruid afbeeldt. Alles is Israëlitisch. Boven de twaalf poorten in de muur die haar omringt, staan de namen van de twaalf stammen van de kinderen Israëls. En de muren rusten op twaalf fundamenten waarin de namen van de twaalf apostelen des Lams staan. De stad heeft een volmaakte kubusafmeting twaalf stadiën breed en lang en hoog en de muur die haar omringt mat 12 maal 12 ellen. Alles dus puur Israëlitisch. De stad is onuitsprekelijk schoon en zuiver, haar verlichting is schitterend, geen zon of maan maar de heerlijkheid Gods verlicht haar en het Lam is haar licht. Haar fundamenten zijn edelstenen en haar poorten paarlen. En in en door het licht dat van haar uitstraalt zullen de volkeren wandelen {niet “de volkeren die zalig worden”. St. Vert, alsof er ook volken zijn zullen die niet gered worden. Allen zullen zich in haar verblijden en de koningen der aarde zullen hun heerlijkheid en eer in dezelve brengen. Dar is de symbolische voorstelling van de Bruid des Lams en het geeft ons een beeld er van in welk een heerlijke zuivere, en volmaakte toestand gelovig Israël dan zal verkeren. Er zal geen tempel in de stad zijn, want de Heer de Almachtige en het Lam zijn haar tempel {Openb. 21vers 22}. Waren ze in de duizend jaren nog priesters van God en Christus {Openb. 20 vers 6} dan is dat niet meer nodig. Geen priesterdiensten meer als verbinding tussen God en mensen, want God woont nu persoonlijk bij hen en het Lam heeft Zijn troon in hun midden. Zij zullen Zijn aangezicht zien en Zijn naam zal op hun voorhoofden zijn en zij zullen heersen gedurende de eeuwen der eeuwen. Hun wacht dus een heerlijke en verheven taak. Misschien komt de vraag naar voren: Hoe is het mogelijk dat Israël, de Bruid des Lams vanuit de hemel op aarde nederdaalt, terwijl wij toch meenden dat Israëls plaats niet zal zijn in de hemel maar op aarde/ Zij toch zullen opgewekt worden en in hun land gezet {Eze. 37 vers 12} En ook zullen dan de twaalf Apostelen op de twaalf tronen zitten wanneer ze opnieuw geboren zullen zijn {Matth. 19 vers 28} Hun deel is gedurende de duizend jaren zeer terecht op aarde, maar aangezien ze opstandingkinderen zullen zijn en daarom niet meer kunnen sterven als zijnde gelijk aan de engelen {Luk. 20 vers 35-36} daarom zullen ze ook aan het einde der duizend jaren met de grote wereldbrand {2 Petr.3 vers 10} niet ten onder gaan. En hoewel daarvoor geen direct bewijs in de Schrift is, ligt het voor de hand, dat God hen voordien tot zich zal nemen in hemelse sferen, vanwaar ze dan op de nieuwe aarde terugkeren. Hoewel het voorgaande niet in onmiddellijk verband staat met ons onderzoek betreffende het doel van de tweede dood, toch moest ik het in het kort even naar voren brengen, daar dit indirect nodig is. “En ik hoorde een luide stem uit de troon, die zeide “Zie! Gods tent is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn en Hij zelf, hun God zal hen zijn. En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch ellende. Zij zullen niet meer zijn want het vorige is voorbijgegaan” {Openb. 21 vers 3-5-4}.Wat een rijke beloften, want dat zijn het. Ze liggen nog in de toekomst, al die zegeningen die Johannes hoort uitspreken. Er zal geen dood meer zijn. We zagen reeds dat de eerste dood {thanatos} moet zijn, want de tweede bestaat nog. Dus de mensen zullen onsterfelijkheid krijgen als gevolg het ware leven. Er zal dan geen rouw meer zijn over geliefde gestorvenen, geen geween of ellende en God zelf zal alle tranen drogen want Hij woont zelf in hun midden. Dan zal Hij hun God zijn en zij zullen Zijn volk zijn. Wij kennen die uitdrukking. Het wordt herhaaldelijk gezegd, van Zijn volk Israël, vooral in de Hebreeuwse geschriften. Maar wie, welke mensen worden hier bedoeld? Toch zeker niet Zijn volk Israël dat we neder zagen dalen als de Bruid des Lams in alle heerlijkheid en kostbaarheid versierd voor haar Man. Bij hen zijn geen droefheid of tranen meer. En we kunnen ons toch moeilijk indenken dat het degenen geldt die in het boek des levens stonden en dus na het oordeel het leven onverderfelijkheid reeds ontvingen. Ook is het niet de gemeente, het Lichaam van Christus, die reeds bij haar opname onsterfelijkheid en onverderfelijkheid werd aangedaan}¸Laten we veder lezen: “En Hij die op de troon zit zeide: Zie, Ik maak alles nieuw!” En Hij zeide:”Schrijf want deze woorden zijn geloofwaardig en waarachtig!” En Hij zeide tot mij. “Ik ben geworden de Alpha en Omega, de Oorsprong en de Voleinding. Ik zal geven aan hem die dorstig is uit de fontein van het water des levens voor niets. Dan zal Ik hem tot een God zijn en hij zal Mij en hij zal mij een zoon zijn”. “Die op e troon zit”, dat is God Zelf. “Ik ben de Alpha en de Omega zegt God de Heer” {Openb. 1 vers 8}. Hij zeide: “Zie Ik maak alles nieuw!2 En onmiddellijk komt weer de vraag bij ons op: Wat zal God nieuw maken? Toch zeker niet de Bruid des Lams, die symbolisch wordt voorgesteld als het nieuwe Jeruzalem”. En evenmin die in het levensboek stonden, ook zij gingen de poorten reeds binnen, noch de Gemeente die reeds van eeuwen her bij haar Heer is. Die op de troon zit iets anders nieuw te maken. Hij zeide.” Schrijf, want deze woorden zijn geloofwaardig en waarachtig”. Johannes moet het er nadrukkelijk bijschrijven. God voorzag reeds dat het niet geloofd zou worden dat Hij alles nieuw zou maken. De mensen zouden zeggen dat Hij verreweg het grootste zou maken deel van de schepping zou vernietigen of wel in een nimmer eindigende rampzaligheid zal storten. Maar Hij die op de troon zit zeide: “Ik maak alle dingen nieuw” Hij die de oorsprong van alles is, zal ook haar voleinder zijn. En de oorsprong, het begin was goed, vers en nieuw en het einde zal ook onberispelijk en nieuw zijn. “Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen”. Het alles! “Hem zij de heerlijkheid in de aionen”. {Rom. 11 vers 36} “Ik zal geven aan hem die dorstig is uit de fontein van het water des levens voor niets”. En weer rijst de vraag; “Wie zullen er dorstig zijn en begerig van het levenswater te drinken? Wie zullen dat levenswater nodig hebben? “Toch zeker niet degenen die reeds het leven en de onverderfelijkheid bezitten. Wij zagen reeds dat de toegang tot de boom des levens weer open is en dat het water des levens weer rijkelijk stroomt in het paradijs Gods op de nieuwe aarde. Dat er weer overvloed van vruchten en bladeren is ter genezing der volken. Maar wie zal zijn hand daarnaar uitstrekken en eten en drinken opdat hij leve? Geachte lezers, op al die vragen is geen antwoord te geven indien we vast willen houden aan onze vroegere stelling n.l. dat al degene die niet in het boek des levens zullen staan, in de tweede dood geworpen zullen worden om daar nogmaals dan de vuurdood te sterven, tot as zullen verbranden en onbewust nederliggen tot het einde der eeuwen om dan in massa gerechtvaardigd en verzoend uit de tweede doodslaap op te staan. Want we zagen toch reeds dat er niemand meer is, dan degen, die tot deze massale groep behoren, die de Schrift “doden” noemt. Deze lijn, zo zagen, hoewel opgestaan, nog niet tot het ware leven gebracht. Het zijn degene die in de poel des vuurs geworpen zullen worden, die dat water des levens nog van node hebben. Maar hoe kan een bewusteloos nederliggend en tot stof verteerd schepsel zijn begerige handen daarnaar uitstrekken? Die poel des vuurs heeft ons parten gespeeld. We zagen echter da, op welke ernstige toestanden die ook mag wijzen, hij toch slechts een symbolische voorstelling is van de tweede thanatos. We hebben gelezen dat Gods een verterend vuur is {Hebr. 12 vers 29} en maar dadelijk aangenomen dat het Gods doel is mensen door vuur te verteren. Het is een citaat uit Deut. 4vers 24 waar er nog bij staat dat hij ijverig God is. Laten we dankbaar zijn dat Hij ijvert over het kwade en het zal verteren door het vuur van Zijn ijver en dat Zijn liefde vuur het alles rein en nieuw zal maken. In Jes. 33 vers 14 vragen de zondaren en huichelaars: “Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwige gloed wonen kan?” En het antwoord is niet: Niemand, want dan zou men verbrand en verteerd worden, maar:”Die in gerechtigheid wandelt en die afgelegd moeten worden, dan zal het goed zijn bij het verterend vuur.

We gaan nu even verder lezen.

De Staten Vertalers beginnen, door hun vooropgestelde mening dat allen die in Openb.21 vers 8genoemd worden buitengesloten zijn en blijven in een toestand van de grootste rampzaligheid met “maar”. “Maar de vreesachtige enz”. Wij zullen echter beginnen met “want” of “immers” of “daar” omdat het Grieks “de” in de grondtekst daarmede vertaald kan worden. Indien we “maar” moesten vertalen dan zou daar”alla” moeten staan. Het Griekse woordje “de” wordt in de ruimste zin gevoeld als tegenstelling, maar de oorspronkelijke betekenis is”nadruk”. Deze nadruk kan in causaal verband in de eerste plaats worden omgezet in “want”, “immers”, “daar” enz. {Mulder, verklarend woordenboek} We moeten dus zien of hier causaal verband of betrekking tussen oorzaak en gevolg aanwezig is. Ik meen dat dit juist het geval is. Zoals s St. Vert. foutief vertalen is er geen verband te vinden tussen vers 8 en de voorgaande verzen van Openb.21 Her staat er onbegrepen tussen, want in vers 9 vangt een nader onderwerp aan. Maar wanneer we het verband zien tussen diegenen die in vers 8 opgenoemd worden, die allen die nog zondaren en doden zijn, en Hem die volgens de voorgaande verzen op de troon zit om alles en allen te vernieuwen en levend te maken, dan wordt alles duidelijk en heerlijk. Wij vertalen dus met “want” en dat met nadruk. “Die op de troon zat zeide:”Zie, ik maak alles nieuw”, “want” er zijn nog zovelen die nieuw gemaakt moeten worden”. “Ik zal dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niets”. “Want” er zijn nog zo zovelen die zichzelf moeten overwinnen. “Dan zal hij Mijn een zoon zijn”, “want” hoewel het allen Zijn schepselen zijn, nog zijn ze Hem niet tot zone geworden. “Want de vreesachtige en ongelovige en gruwelijken, en moordenaars en hoereerders en tovenaars en afgodendienaars en al de leugenaars is hun deel in de poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood”. In Openb. 22 vers 15 staat van hen, dat ze nog “buiten” zijn in plaats van “poel des vuurs” Zij hebben de leugen nog lief en doen ze nog. Dit kan wel allerminst gezegd worden van een lijk of van iemand die tot stof verbrandde. Ze zijn nog buiten. Maar Hij die op de troon zit en Wiens ingewanden rommelen van ontferming over Zijn schepselen, wil ze van alles reinigen en nieuw maken opdat ze “binnen” kunnen gaan. Want alhoewel de poorten nooit gesloten worden des daags en er geen nacht zal zijn, toch zal niemand binnen mogen gaan die ontreinigt en gruwelijkheid doet en de leugen spreekt. {Openb. 21 vers 25-27} Zij wandelen nog niet in gerechtigheid en spreken nog geen billijkheid zodat ze nog niet bij God kunnen wonen als zonen. Eerst wanneer het vuur van Zijn ijver, misschien door zware beproevingen en kastijding alle ongerechtigheid en vuiligheid zal hebben uitgebrand, wat bij de één misschien kort en bij de ander lang zal duren, zal inschrijving in het boek des levens des Lams plaats vinden. {vers 27} Dit is een ander boek dan de boeken Gods voor de grote witte troon. Daarmee is afgedaan. De Lam de Verzoener houdt er slechts één boek op na en dat is een boek des Levens. Geen boeken des doods meer Wij hebben in de laatsten tijd vaak gehoord over het reclasseringssysteem. De bedoeling is om gestraften die in de tucht en gevangtehuizen opgesloten zijn door doelmatige tuchtiging en opvoeding af te brengen van hun boze neigingen opdat ze na ontslag weer als eerbiedwaardige en nette burgers in de gemeenschap kunnen worden opgenomen. Het is een edel streven dat soms met succes bekroond wordt. Maar veelal blijkt dit slechts schijnbaar te zijn, omdat het boze hart niet gezuiverd en vernieuwd werd en de goede voornemens worden weer onderdrukt door de slechte hoedanigheden die er nog altijd in zetelen. Alleen Gods Geest kan hierin verandering brengen. Maar waar menselijke reclassering vaak mislukt, daar zal Gods reclassering wel lukken. Hij heeft het vaste voornemen allen te vernieuwen die nog buiten zijn. Hij zal ze zuiveren en rein maken en het bloed van het Lam dat reinigt van alle zonden en ongerechtigheden is daarvoor het middel en een zekere waarborg. En alles zal daartoe medewerken. Daar is de Geest van God die zegt: ”Kom” En de Bruid gesymboliseerd door de stad met haar altijd geopende poorten, die uitnodigt: “Kom” Die dorst heeft kome. En die wil neme het water des levens om niet {Openb. 21 vers 17} “Gelukkig zij, die hun gewaden gewassen hebben, opdat ze toegang kregen tot de boom des levens en door de poorten de stad binnen mochten gaan” {Openb. 22 vers 14} In de duizend jaren heerste Christus als Koning des Koningen en regeerden onder hem de overwinnaars uit de grote verdrukking der volkeren met een ijzeren staf {Openb. 2 vers 27} hoedden ze met een ijzeren roede {Openb.12 vers 5} het was de eeuw van stipte rechtvaardighei waarin de overtredingen elke dag gestraft werden, getypeerd door de regering van David. De laatsten eeuwen der eeuwen, d.i. zeer uitnemende eeuwen, zullen eeuwen van verzoening zijn. Dan is Christus het Lam, de Verzoener en Zijn Bruid, gelovig Israël, de uitnodiger zijn om te komen tot Hem en te leven. Deze eeuwen weren getypeerd door de opbouw en de vredesregering van Salomo. Zo kunnen we onze Bijbel chronologisch uitlezen en behoeven we niet, zoals vaak gedaan wordt, de laatste hoofdstukken terrugplaatsen naar een vroegere tijd. Maar toch hebben we gezegd, dat de Openbaring ons niet het einde doet zien. En dat is in zekere zin waar. De Meester had gedurende Zijn omwandeling op aarde tot Johannes gezegd: “Ik heb nog andere schapen die van deze stal niet zijn, deze moet Ik ook toebrengen, en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder”. {Joh.10 vers 16}, en al getuigde hij later zelf, dat het bloed van Jezus Christus zou reinigen van alle zonde {1 Joh. 1 vers 7} en al schreef hij aan zijn medegelovige dat Christus niet slechts een verzoening was voor hun zonde, maar voor de zonde van de gehele wereld{1Joh.2 vers 2}, toch kan ik niet zien, dat Johannes die heerlijke uitkomst waartoe dat moet leiden, te zien kreeg. Hij zag het begin van de voleinding. Hij zag de beginner en de Voleinder op de troon die als het ware bij ede beloofde om alles nieuw te zullen maken en wanneer alles nieuw gemakt is dan zal er zelfs geen oude slang meer zijn; hij mocht zien hoe het alles zou gebeuren door het Lam met medewerking van de Geesten en de Bruid, maar hij zag niet alles in een nieuwe toestand. Hij zag niet het einde, hoewel hij er van verzekerd was, dat dit goed zou zijn. Het was de apostel Paulus die verder mocht zien, En dat is te verstaan. Johannes de apostel der besnijdenis, zag wel het tot heerlijkheid gebrachte volk Israël, als de Bruid, de Vrouw des Lams gesymboliseerd in de volmaakte stad, het nieuwe Jeruzalem, maar Paulus, de apostel van Jood en Heiden, de apostel van alle volkeren, ziet het uiteinde van alles en in allen.

De voleinding en het einde.

We moeten nu nog nader onderzoeken, of wat Paulus ons zegt over die laatste eeuwen in overeenstemming is met wat we tot dusver zagen. Het is de merkwaardige en hoogst belangrijke tussenzin, zoals we die lezen in 1Kor.15 vers20-28, die ons verder een categorisch inzicht geeft van de voleinding en het einde van de laatste aionen. Ik zeg: “voleinding” en het “einde”, want dat is niet hetzelfde zoals we later zullen zien. Johannes zag b.v. veel van de voleinding, doch niet het einde. Paulus ziet beide. Laat ons die verzen eens naspeuren aan de hand van de concertante vertaling, want het zal ons blijken, dat de St. Vert. een paar schijnbaar kleine fouten maakte, die toch vrij belangrijk zijn.. “Nu echter is Christus opgewekt uit de doden, de Eersteling van degene die ontslapen zijn“ {vers 20}. Dit vers behoeft geen nadere toelichting. Christus is de Eersteling die opgewekt werd en het ware leven tot Zich nam. Vóór hem werden ook mensen opgewekt, maar niet waarlijk levend gemakt. Zij werden terug in de thanatos, waren dus weer sterfelijk, en stierven weer. Christus leeft en heeft de dood te niet gedaan. Hij sterft niet meer, maar heeft “het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht”. {2Tim.1 vers 10}. “Want dewijl door één mens de dood is, zo is ook door één Mens de opstanding der doden. {vers 21}

Dat de apostel het in hoofdzaak over de opstanding voor de grote witte troon wil hebben is duidelijk, want hij spreekt van de “opstanding der doden”. Christus stond immers op “uit de doden”. Zo zal ook de gemeente opstaan “uit de doden2 va tussen de doden uit, de overigen blijven nog liggen {1 Thess. 4 vers 16}. Door één mens {Adam de dood in, tot ondergang, door één Mens {Christus} uit de ondergang, naar de opgang. Dat zegt ons het volgende vers ondubbelzinnig. “Want evenals in Adam allen sterven, alzo ook zullen “in Christus allen levend gemaakt worden” vers 22. Wat een geweldige heerlijke uitspraak. Het werd de Staten Vertalers blijkbaar te machtig. Zij vertaalden elke keer zij allen. Dat kan het vermoeden wekken dat met die “zij” een zekere groep mensen, b.v. alleen de gelovige worden bedoeld. Dat “zij” staat echter niet in de grondtekst. Allen sterven in Adam. “De dood gaat tot alle mensen door2 {Rom.5 vers 12} zowel bij gelovige als ongelovige. Alzo worden allen in Christus levend gemaakt, zowel ongelovige als gelovige. Maar niet allen tegelijk. “Maar een iegelijk in zijn orde {of volgorde}. De eersteling Christus, daarop die van Christus zijn in Zijn tegenwoordigheid” vers 23. Christus de Eersteling stond reeds op. Daarop volgend zal ongetwijfeld de Gemeente, die Zijn Lichaam is, opstaan, waarvan we lezen in 1 Thess. 4 vers 13-17. “Daarna de voleinding” vers 24a. Niet onmiddellijk daaropvolgend, maar daarna. Er zullen immers nog meer opstandingen plaats hebben, o.a van gelovig Israël {Ez.37 vers 12}. Maar waar Paulus toch in de eerste plaats de apostel der volkeren in het algemeen is, spreekt hij daar niet over. De St. Vert. zegt:”Daarna zal het einde zijn” Schijnbaar een kleine verandering, die echte van grote betekenis is in dit verband. Er staat in de grondtekst niet “peras” einde} maar “telos”{voleinding}. En nu is “het einde” of “voleinding” een groot verschil. Met einde wordt bedoeld het moment van afsluiting van een tijdperk. We zetten een punt. Het houdt op. Maar voleinding wil zeggen het einde of de eindtijd volmaken. Het werk moet nog afgemaakt worden. We zijn er nog mee bezig. Dat volmaken van het einde kan kort, maar ook lang duren. “Daarna de voleinding” Waarna? “Wanneer Hij het Koninkrijk overgeeft aan God de Vader, wanneer Hij zal te niet gedaan hebben iedere opperheerschappij en iedere overheid en macht” vers 24. Dus, daarna vangt de voleinding aan. En als we willen weten wanneer alle macht te niet gedaan zal worden, dan moeten we juist bij Johannes zijn, wie dit getoond werd. Het zal zijn na de duizend jaren, waarna Satan ontbonden zal worden en hij alle volken van de vier hoeken de aarde zal vergaderen, wanneer al die legermachten op zullen trekken tegen de heilige stad, waarbij ze echter door vuur van God uit de hemel worden verteerd {Openb.20 vers 8-9}, als ook Satan vers 10. In de duizend jaren was Christus Koning de Koningen en Heer der heren. Alle koningen der aarde had Hij onder Zijn hoede en ze hadden zich zo het blijkt het, aam Hem onderworpen, want als de Verleider losgelaten wordt zijn ze spoedig bereid die harde hoewel rechtvaardige regering af te schudden en ze denken dit te bereiken door het volk van God en de heilige stad Jeruzalem, vanwaar de wet uitging te vernietigen. Allen worden echter ten onder gebracht en Christus is geen Koning der koningen meer, en geeft Zijn Koningschap over aan God, de Vader. De voleinding vangt aan. De Alpha en de Omega neemt plaats op de nieuwe aarde op de troon. Het is “de dag Gods”. Dan is in vervulling gegaan de bede, die de Meester Zijn jongeren op de lippen legde “Uw koninkrijk kome” {Matth.6 vers 10} In de duizend jaren waarin Christus Koning der koningen was, werd door strenge tucht Zijn wil volbracht. Aan het einde bleek dit te zijn gedaan. In de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde zal ook, zij het stap voor stap, de bede in vervulling gaan “Uw wil geschiede”. Paulus zegt, dat Christus het koninkrijk overgeeft aan “God de Vader”. Ook dit stemt overeen met Johannes die Hem niet alleen ziet als Koning, maar ook als vader, want Hij wil allen tot zonen maken. En zonder vader geen zonen. Dat God Koning is of was, dat lezen we herhaaldelijk. Hij was Israëls Koning totdat ze een aardse koning wilde. Wij zagen reeds dat Johannes hier ook het begin van de voleinding zag, en dat Christus daarna niet meer de Koning, maar het Lam wordt genoemd, de Verzoener. Niet anders immers, dan door het bloed van het Lam kan God de Vader Zijn doel bereiken. In het bloed van het Lam moeten eerst alle gewaden, alle zonde en ongerechtigheden gewassen en vernietigd worden, voordat deel gekregen kan worden aan de levensbron en de poorten der stad mogen worden betreden. Tot zover stemmen Paulus en Johannes dus precies overeen. Maar dan brengt de St. Vert. ons weer even in de war, wanneer ze zegt: “Want Hij” {Christus} moet “als Koning”heersen. We hebben immers juist gezien, dat Hij Zijn koninkrijk overgaf aan God de vader. En nu moet Hij toch weer als Koning heersen totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten al gelegd hebben. En we zagen dat dit reeds plaats had.! Alle overheid en macht vonden de dood en stonden dus weer op om voor de grote witte troon te verschijnen en voorzover ze niet in het levensboek stonden, werden ze geworpen in de poel des vuurs, in de macht van de tweede dood. Zij behoren bij de doden, klein en groot. Moet Christus die nogmaals overwinnen en de voet op de nek zetten? De St, Vert. is echter weer niet correct. Er staat niet dat Hij als Koning moet regeren. Als Koning regeren wil toch doorgaans zeggen, dat iemand die regeert, beslist koning moet zijn. In de grondtekst staat “basileus” dat we kunnen vertalen door “koning zijn “ of “heersen” of “regeren”. “Basileus” is koning, “ basileuo” is koning zijn. Nu stelden de Grieken zeker het koning zijn en regeren zo op één lijn, dat ze voor beide hetzelfde woord hadden. En wij moeten uit het verband opmaken, hoe we moeten vertalen. Zelfs onze hooggeachte broeder Knoch, wist hier blijkbaar niet goed de weg, want hij vertaalde in zijn standaardwerk, de Engelse concertante vertaling “Hij moet regeren” en in de latere Duitse “Hij moet Koning zijn”. Maar in Rom.5 vers 14,17 en 21, waar hetzelfde woord vijfmaal voorkomt, vertaalt hij in beide vertalingen heersen of regeren. En dan kon ook niet anders. Paulus heeft natuurlijk niet in 1 Kor. 4 vers 8 gezegd:”opdat wij met U “koning zijn” mochten” Er is blijkbaar altijd neiging geweest om Christus Koning te maken. We weten dat uit Zijn omwandeling op aarde. De engelboodschap aan Maria waarin o.m “en Hij zal over het huis van Jacob koning zijn” {Luk 1 vers 33} heeft reeds heel wat dwaling gebracht, en vele stellingen zijn er op gebouwd. Deze uitspraak en de absolute foute vertaling van Hand.2 vers 30 waar niet over de Christus gesproken wordt, zijn als grondslag gekozen van de aardse koning regering van Jezus, op de aarde troon van David, in de duizend jaren. Knoch vertaalde in Luk. 1 vers 33 ook “regeren” in de Eng. Vertaling. In de duizend jaren, genoemd “in de eeuw” in Lik 1 vers 33, zal “Gods knecht David” koning over Israël zijn {Ez 37 vers 24} en de Heer Koning over de ganse aarde {Zach.14 vers 9} Wij hebben de Chaldeeuwse magiërs geloofd, toen ze spraken van de Christus als de Koning der Joden, en de overpriesters en de Schriftgeleerden die Micha 5 vers 1 zo slordig lazen, dat ze in plaats van “Heerser in Israël” spraken van “Koning der Joden” {Matth.2 vers 1-6} Wij hebben de Romeinse landvoogd Pilatus geloofd, toen hij boven het kruis schreef “Koning der Joden”, terwijl de Heer Zich nooit als zodanig heeft aangediend, maar altijd beslist weigerde Zich daartoe te lenen. Wij hebben Hem neergehaald door Hem Koning te willen zien over een handvol Joden, Hij die gesteld zou worden boven alle macht en heerschappij, zowel in hemel als op aarde. Hij wordt genoemd als Koning der kerk, en Koning van ons hart en leven en wij noemen Hem heel devoot met de onschriftuurlijke naam van “Koning Jezus”. Maar genoeg, we gaan weer verder met ons onderwerp en vertalen nu voor alle zekerheid en passend in het verband:”Hij moet regeren totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. vers 25.

Wie zijn die vijanden?

We zagen reeds, dat alle vijandelijke overheden en machten te niet zijn gedaan. Die kunnen het dus, als zodanig althans niet meer zijn. Ook zij stonden echter met de doden klein en groot voor de troon en zijn nu als bewuste doden in de tweede dood. Als personen hebben ze geen macht meer, want ze zijn in de macht van de tweede thanatos, die hen met al de anderen gevangen houdt. Het is niet in te denken dat Christus tegen hen nogmaals te strijden heeft en dat Hij hen onder Zijn voeten moet leggen en vertreden.

Wie zijn dan die vijanden die dat nog moeten ondergaan?

Natuurlijk wee niet de Bruid en ook niet zij die in het boek des levens stonden. Zijn het dan al die doden klein en groot, die in de poel der loutering zijn? Zijn dat Christus ‘vijanden’?Zijn dat vijanden van het Lam? Ik bedoel, staat de Verzoener vijandig tegenover mensen? Is er vijandschap in Zijn hart, die reeds vóór dat de Verzoening was teweeggebracht beval de vijanden lief te hebben? Is het de bedoeling van Hem om straks als een barbaars overheerser hen de voet op de nek te zetten? Staat God de vader soms met vijandschap tegenover hen? Hij, Wiens doel het is tot levende zonen te maken?Indien we ons de dingen toch even goed gaan realiseerde, dan weten we wel beter. Hij, die Zichzelf ontledigde, de gestalte van een slaaf aannam, Zichzelf tot het uiterste vernederde tot de dood, ja, de dood des kruises {Fil. 2 vers 7-}, die daardoor de wereld, ook zij die in de tweede thanatos zijn, met Zichzelf en ook met God de Vader verzoende {2Kor.5 vers 19} bij Wie de verzoening met alle vijanden reeds eeuwen geleden had plaats gehad, heeft Hij nog persoonlijke vijanden. En toch lezen we van “al zijn vijanden”. Niet “de vijanden” zoals de St. vert. zegt. Het zijn speciaal vijanden van Christus. Wie zijn dat dan? Het volgende vers geeft ons licht, waar we lezen: “De laatste vijand die onwerkzaam gemaakt wordt is de dood” {thanatos} vers 26. Hier wordt dus de laatste vijand “de dood” genoemd. Maar die dood is niet een persoon. Het is een toestand waarin wij nu reeds verkeren en waarin dan de doden klein en groot zullen verkeren. Wij noemden ter onderscheiding de eerste, de eerste dood. Omdat Johannes die laatste de tweede dood noemt. Hoe dan ook, de dood wordt hier een vijand genoemd. En wij weten bij ondervinding, dat de tegenwoordige dood, waarin de zonde over heerst {Rom. 5 vers 21} een bittere vijand is. Al mag dan de tweede dood niet zo’n grote vijand zijn en voor een beter doel worden gebruikt, toch is het een vijandelijke macht. En nu worden in vers 25 met die vijanden van Christus ook bedoeld, de zondige verderfelijke en boze hoedanigheden en neigingen, die degenen die in de tweede dood zijn nog bezielen. Dat zijn de vijanden van Christus en van God de vader. Die vijanden moeten overwonnen en uitgeroeid worden en die vijanden zal de Verzoener onder Zijn voeten vertreden. Het zijn de vijanden van de mensen, maar nog veel meer van het Lam en van God. De Vader. Johannes noemt ze in Openb. 21 vers 8. het is de angst, het ongeloof, de gruwel, de moordlust, onzedelijkheid, tovenarij, afgodendienst, de leugen, alle vijanden, die de doden inde tweede thanatos nog het hart  vervullen, en die uitgebannen en te niet gedaan moeten worden. “De laatste vijand die onwerkzaam wordt gemakt is de dood”.Hier is geen sprake van overwinnen van de dood. Hij wordt onwerkzaam {katargeo} gemaakt. Het heeft geen werk meer want er is niemand meer in hem. Hij bestaat niet meer. De poel des vuurs is gedoofd, maar het liefdesvuur laait op. Paulus zegt niet, dat die dood de tweede dood is. Het is niet nodig. Het is de laatste aller vijanden en kan dus geen ander zijn dan de tweede dood zoals hij door Johannes wordt genoemd. God gebruikte hem ten behoeve van de mens. Kan hij dan wel een vijand worden genoemd? Och, alle leed dat ons overkomt is toch vijandig. “Alle kastijding schijnt geen zaak van vreugde te zijn, maar van droefheid; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid, degenen die door dezelve geoefend zijn” {Hebr. 12 vers 11} Ook de kastijding in de tweede dood zal die vrucht afwerpen. Zo ziet de Apostel dus het einde. De liefde, die sterker is dan de dood heeft getriomfeerd. Niet een Koning, maar de liefde heeft geregeerd. En de liefde heeft alles overwonnen. Het is het einde der eeuwen. Het grote werk is afgedaan. De zonde is uitgebannen door Zijn Zelfs offerende {Hebr. 9 vers 26}.Alle knie, van de hemelen, van de aardse en van de onderaardse, heeft zich gebogen in de naam van Jezus {Fil. 2 vers 10} niet in de naam van een overwinnende koning, maar in de naam van Jezus, Jehova, Redder, de naam Zijner vernedering, toen Hij als het Lam Gods de zonden der wereld wegdroeg. Dan zal elke tong Hem echter huldigen als haar Heer, als de verheerlijkte Christus Jezus, tot heerlijkheid van God en de Vader{Fil.2 vers 11} Alles is verzoend door het bloed des kruises {Col. 1 vers 20}. Allen hebben gedronken van het water des levens en zijn levende zonen geworden van de Vader {Openb. 21 vers 6} Hij onderwierp alles onder Zijn voeten. Doch wanneer Hij zegt dat alles onderworpen is, dan is het klaarblijkelijk, dat het buiten Hem is, die het alles aan Hem onderwierp vers 27. Alles is aan de Zoon onderworpen, maar natuurlijk is God de Vader daar buitengesloten, want het was Hij die alle macht in hemel en op aarde aan de Zoon overgaf. “EN wanneer het alles onderworpen is aan hem, dan zal de Zoon zelf onderworpen zijn aan hem. Die het alles aan hem onderwierp, opdat God zij alles in allen vers 28. Ook de zoon behoort bij het alles, het ganse heelal. Hij toch is de Eersteling van alles creatuur. Hij is de eerstgeboren Zoon, maar God en Hem zij onze dank, door de onuitputtelijke liefde van de vader en door de absolute gehoorzaamheid van de Zoon werden allen tot het Vaderhart teruggebracht, en allen werden zonen. Alles in Gods plan der eeuwen moest daaraan medewerken. Het moest gaan via de eerste thanatos naar de ondergang, door de onbewuste dood tot de opstanding en door de tweede thanatos tot de opgang en volmaakte heerlijkheid. “God alles in allen” dat is het heerlijke resultaat. “Alles is uit hem, alles is door Hem en het alles is voor hem” Alles keert tot Hem weder. Aan hem de glorie voor de eeuwen {Rom.11 vers 36}Hiermee is ons onderzoek geëindigd. Voor zover mij bekend, is nog door niemand, althans in ons land, over het o. nderwerp van de tweede dood geschreven. Ik vlei mij niet met de gedachte dat het aller instemming zal hebben. Veeleer verwacht ik verwerping of minsten tegenspraak. Dat ik niet volledig ben geweest over zo’n belangrijk onderwerp en periode in het laatste gedeelte van Gods plan der eeuwen, beken ik bijvoorbaat. Zij het daarom temeer een aansporing voor verder onderzoek en laat het alles geschieden tot eer en heerlijkheid van de Vader en de Zoon, want Die zijn er ten zeerste mee gemoeid.

1 comment on “Tweede dood”


  1. henk says:

    Dag redactie, ik heb met veel interesse dir artikel gelezen, en ik moet zeggen zo had ik het nog niet bekeken. Idd. wanneer je de huidige tijd beziet dan zou je denken, wat ik overigens al veel langer dacht, dat onze Hemelse Vader er een heleboel lopende lijken heeft rondlopen. M.a.w. het beweegt wel maar de bovenkamer is totaal ongemeubileerd wat HEM aangaande. Dus dat de mens nu in een doodstoestand is, dus eigenlijk de eerste dood ,dat is een uitleg die zeker tot nadenken stemt. Nu heb ik nog een andere vraag t.a.v. de Hemel. Waar staat in de Bijbel expliciet, dat een overledene direct naar een soort van Hemelse toestand gaat ? Als ik de volgende Bijbel verzen citeer dan lijkt me dit niet mogelijk; Joh.3 vers 13. Joh.7 vrs.34 Jes.38vrs.18 Job.14 vrs.14/15 Hand.2 vrs. 34 Pred.12 vrs.7 Pred.9 vrs.5/6 Ps.6 vrs.6
    Men komt altijd met het verhaal van de arme Lazerus en de Rijke man,als tegenbewijs, maar dit is m.i. gewoon een gelijkenis.

    Hoe ziet U dit? Groet H.L.te E.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384917 bezoekers sinds 07-06-2010