Terug naar het begin

29-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

In den beginne schiep God de hemel en de aarde (Genesis 1:1). God is degene, die begint; niet de duivel. God gaat in den beginne de hemel en de aarde, de zichtbare en de onzichtbare wereld tot stand brengen. In verband met dat scheppen van God zijn er een paar heel belangrijke principes. Telkens wordt er in de Bijbel weer gesproken over God als Schepper. Met name komt dat in het boek Jesaja sterk naar voren.

  • De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren  (Genesis 1:2)

Je kunt misschien ook vertalen: de aarde nu was woest en ledig geworden. Vers 2 is toch wel een zeer belangrijke tekst, ook in verband met het hele plan van God. Als we spreken over de schepping kunnen we meteen een lijn doortrekken naar de herschepping. Het is trouwens opvallend, hoe sterk de verbanden zijn tussen het begin van Genesis en het einde van het boek Openbaring. In Genesis komen we in het begin de hof tegen, en aan het eind van Openbaring is er weer een hof. In Genesis zien we de boom des levens, en aan het eind van Openbaring zien we het geboomte des levens. In verband met de herschepping kun je dus heel wat leren uit het begin. Zoals het begin was, zo gaat ook het einde weer worden. Alleen al de titel van het boek is veelzeggend. Genesis betekent wording; het kan ook betekenen: geboorte. Dan zie je ook, in wat voor tijd we nu zitten. Je zou kunnen zeggen: we zitten in een Genesistijd, we zitten in een tijd van wording, in een geboortetijd. In Openbaring is er ook weer sprake van een geboorte. Daar lezen we in Openbaring 12 van die vrouw, die het mannelijk kind gaat voortbrengen. Als God gedachten heeft, dan zijn dat altijd ‘Genesisgedachten’. God is in zijn gedachten altijd bezig met wording, met geboorte. Heel wat basisprincipes van het Koninkrijk van God vind je terug in het boek Genesis. Wat dat betreft is het boek Genesis een uniek boek. Wat wordt er nu geboren? Dan moeten we het boek Genesis als één groot thema gaan beschouwen. Het boek Genesis is geen verzameling losse verhalen. Op allerlei manieren heeft men vaak geprobeerd het boek Genesis op te splitsen. De theologen komen trouwens van dat ‘bronnen splitsen’ wat terug. HET thema van Genesis is: de wording van het volk van God. Hoe gaat dat volk van God tot aanzijn komen? Daar gaat het ook om in deze eindtijd. Ook nu gaat het om de wording van het volk van God. Nu kunnen we dat thema wat nauwkeuriger omschrijven: het gaat om de wording van het volk van God te midden van de volkeren. In Genesis draait eigenlijk alles om het ontstaan van het volk Israël. Vandaar ook, dat het hoogtepunt in het boek Genesis is, wanneer voor het eerst de naam Israël wordt genoemd. Dat is ook het hoogtepunt in het leven van Jakob. Alles in het boek Genesis is toegespitst naar dat strategische mo­ment, als daar de naam Israël gegeven wordt. Voorlopig is dan het doel bereikt. Al het andere wat dan nog in het boek Genesis wordt beschreven, vormt dan het decor waartegen deze gebeurtenissen zich afspelen. Eerst moeten de coulissen gereed zijn. Daarom schiep God in den beginne de hemel en de aarde. Dat doet God dus eigenlijk al met een bepaalde bedoeling. Dan heeft God dat volk al in zijn gedachten. Alle decors moeten klaar zijn, als de voorstelling begint. Als de decors gereed zijn, kunnen de hoofdfiguren op het podium te voorschijn komen. In Genesis 10 heb je die lijst van al die volkeren. Die volken uit Genesis 10 vormen de achtergrond, waaruit het volk van God heel duidelijk te voorschijn gaat treden. Uiteindelijk loopt dat boek Genesis uit op de geschiedenis van Jozef te midden van zijn broeders. Daar heb je weer het beeld: het volk van God te midden van de volkeren. Dat beeld zie je steeds weer terug in het boek Genesis. Dan zie je ook, dat het volk van God niet zomaar staat te midden van de volkeren, maar heel duidelijk ook met een bepaalde roeping. Jozef had ook een roeping voor de volkeren. Uiteindelijk geeft Jozef zijn broeders te eten. Ze hebben het aan Jozef te danken, dat ze nog in leven blijven. Wat dat betreft is Jozef een sleutelfiguur.

  • Toen Hij hongersnood opriep over het land en alle staf des broods verbrak, zond Hij een MAN voor hen uit  (Psalm 105:16,17)

Daarin zit ook een geheimenis in verband met de gemeente. Ook in deze eindtijd gaat God weer een man vooruit zenden. Die man is de gemeente. Vaak wordt over de gemeente gesproken als de VROUW, maar in dit geval wordt het uitgebeeld als de MAN. In de Efeze-brief (4:13) staat ook, dat de gemeente gaat worden: een volwassen MAN. In onze vertaling staat dan: mannelijke rijpheid, maar eigenlijk staat het net andersom: de gemeente zal worden een rijpe MAN. De gemeente als verzameling van gelovigen moet dus één man worden, één mannelijke gestalte gaan vormen. Daar werkt God aan. Daar is God ook door heel het boek Genesis mee aan het werk, om die man te voorschijn te brengen. Die man wordt dan vooruit gezonden, en die man is dan gereed alvorens die hongersnood uitbreekt, voordat die tijd komt van beproeving en verdrukking. God heeft een MAN gereed voordat die grote verdrukking komt. Die MAN Jozef wordt ook heel duidelijk vanuit de geestelijke wereld gereed gemaakt. In feite is zijn hele statuur gegrond op twee dromen. Jozef heeft jarenlang ‘geteerd’ op die twee dromen. Toen hij al die jaren in de zichtbare wereld niets meer had, hield hij die twee dromen vast. Genesis 1 is in feite een themahoofdstuk voor heel Genesis. Als je de lijn in Genesis 1 ziet, zie je hem voor heel Genesis; dan ga je ook de lijn zien van het hele eindtijdgebeuren. In Genesis 1 worden zeven scheppingsdagen genoemd, waarvan de zevende een rustdag was. Zeven is het getal van de volheid. Er is hier dus sprake van een afgerond tijdsbestek. Op de eerste dag schiep God dus het licht en dan eindigt de scheppingsperiode op de zesde dag met de schepping van de mens. Het begint met licht en het eindigt met de mens. Zo werkt God ook nu. Als je wedergeboren wordt, krijg je licht, dan gaat het licht voor je op. Dan komt er scheiding tussen licht en duisternis. Dan heb je je eerste dag.

  • Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag  (Genesis 1:5)

Letterlijk staat er: toen was het avond geweest en het was morgen geweest: één dag. In de eindtijd zal het ook weer worden: één dag. Dat staat ook in Zacharia 14:7:

  • ja, het zal één dag zijn

God begint in jouw leven door licht te geven. Maar God werkt toe – ook in ons leven – naar die zesde dag. Dan komt die ‘mens Gods’ te voorschijn. Dat is die gestalte, die beeld en gelijkenis is van Hem. Dat is het hoogtepunt van de hele schepping. En dan kunnen we uitrusten, zegt God. In Genesis 1 wordt van zeven dagen gesproken. En er staat ook zeven keer dat het goed was. Zes keer wordt er gezegd: ‘En God zag, dat het goed was’. En dan de zevende keer wordt er gezegd: ‘en zie, het was zeer goed’. Er wordt dus gesproken van een volheid van goedheid. Dan heeft God dus ook zijn hele wezen in die schepping gelegd. Die schepping wordt zeer goed, omdat God zo is. De schepping is de uitdrukking van zijn wezen. Dat is bij een kunstenaar ook zo: wat hij maakt, is uitdrukking van zijn wezen. God is ook een Kunstenaar; Hij is de Bouwmeester; Hij is de Werkmeester. ‘Een volmaakte Werkmeester’ staat er in de oude psalmberijming van Datheen in Psalm 145. 

  • En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis  (Genesis 1:26)

Letterlijk staat het er in het enkelvoud: Laat Ons mens maken. Voor God was het een eenheid; God denkt in het enkelvoud; God ging ‘mens’ maken; God ging ‘adam’ maken. In het Nieuwe Verbond is het eigenlijk ook weer enkelvoud. Dan gaat God de Tweede Mens maken, de tweede Adam. En die tweede Adam is de Christus. Dat wil zeggen: Jezus Christus met de Gemeente. Jezus vormt samen met zijn gemeente De Christus. Dat is allemaal heel mooi, maar we zitten nog met dat tweede vers: 

  • De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed

Je ziet hier een heel belangrijk principe: scheppen gaat kennelijk niet altijd vanzelf. Scheppen kost vaak heel wat strijd. Dan bemerk je ook, dat wanneer God iets gaat scheppen, er ook tegenkrachten zich gaan manifesteren. In dat tweede vers zie je die tegenwerkende krachten: woest en ledig en duisternis en dan is daar ook nog die vloed. Er is hier sprake van een heel stuk chaos. ‘Woest en ledig’ is een heel merkwaardige uitdrukking. Die rijmt ook nog in het Hebreeuws: tohoe wavohoe (whbw wht). Die uitdrukking duidt op een heel rommelige toestand, een chaotische bende. Je zou het kunnen vertalen met: ordeloos en vormeloos. Met deze uitdrukking wordt dan precies gezegd, hoe die toestand was: er was geen orde en er was geen vorm. Die uitdrukking ‘woest en ledig’ komt driemaal in het Oude Testament voor. Die duisternis was dus op de vloed. Het woord ‘vloed’, ‘tehom’ (Mwht), is in dit verband ook een heel bijzonder woord. Het betekent eigenlijk: draaikolk. Een kolkende massa van wateren. Het wordt ook wel de oervloed genoemd. In de Septuagint wordt het vertaald met afgrond. Het duidt de peilloze van de diepte aan. Dat is ook het woord, dat in het boek Openbaring weer terugkomt, abussos (abussov).

  • En zij opende de put des afgronds (Openbaring 9:1)

In Genesis de afgrond, en in het boek Openbaring ook weer die afgrond. In die duisternis op die oervloed zie je dus de tegenkracht, die het scheppingswerk van God wil saboteren. Gods gedachte was, om de mens te voorschijn te brengen. Maar op die manier wordt de hele zaak onbewoonbaar verklaard. Hoe moet je nu een mens laten wonen bij draaikolken en in duisternis! Als je omhoog kijkt, zie je duisternis. Als je probeert vaste grond onder je voeten te krijgen is daar die draaikolk. Die duisternis tracht dus te voorkomen, dat de mens er komt. Dat speelt ook nu, de duisternis zet alles op alles om te voorkomen, dat die mens Gods te voorschijn komt. Vandaar, dat in Openbaring 9 die afgrond zich weer gaat manifesteren. Er komt weer rook uit de afgrond, het zwerk wordt verduisterd, de zon en maan trekken hun glans in; dat is het offensief tegen de zesde dag.

  • en de Geest Gods zweefde boven de wateren

Daar staat een geweldig stuk Evangelie in die ene zin. Genesis 1 als geheel zou je een Evangelie kunnen noemen. Gods Geest is bóven de wateren, dat wil zeggen, dat Hij er over heerst. Er is één autoriteit, die boven die wateren uitstijgt. De Geest van God is dus ook heel duidelijk betrokken bij het scheppingsgebeuren. En dat is dezelfde Geest, die wij ontvangen hebben. De Geest van God, die in de mens is, wil door middel van ons gaan heersen over de wateren. Als de Geest van God samenwerkt met de menselijke geest, kunnen die wateren onderworpen worden. De mens Gods heerst over de wateren. Dat zie je ook bij Noach. Hij is een type van de mens Gods. In het zondvloedverhaal wordt hetzelfde woord voor vloed gebruikt als in Genesis 1. Bij de zondvloed breekt die oervloed als het ware weer los. Bij Noach krijg je dus eigenlijk weer de toestand uit Genesis 1:2. De scheiding van de wateren wordt weer opgeheven. De wateren van boven en de wateren van beneden beginnen zich weer met elkaar te vermengen. Noach in de ark heerst dus over de vloed. Dan zie je bovendien, dat door middel van Noach, door middel van de mens, de schepping wordt behouden. Het woord scheppen in het Hebreeuws, ‘bara’ (arb), wil zeggen: vorm geven aan hetgeen vormeloos is. En in het begin van Genesis 1 wordt inderdaad gezegd, dat alles vormeloos en ordeloos was. En God gaat aan die ordeloze toestand vorm geven. Dat is iets wat God ook nu aan het doen is: God gaat vorm geven aan die tweede mens. Die tweede mens moet gestalte gaan aannemen. God gaat vorm geven aan het licht; God gaat vorm geven aan het uitspansel. Zo zie je telkens, dat daar een stuk structuur wordt aangebracht. Er wordt orde geschapen; dingen komen op hun plaats. En dat komt dan van dag tot dag een stuk verder. Het woord woest, ‘tohoe’ (wht), kom je nogal wat tegen in de Bijbel. Maar de combinatie ‘woest en ledig’ dus slechts drie keer.

  • Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet. Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en alle heuvelen schudden. Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen. Ik zag, en zie, de gaarde was woestijn, en al zijn steden waren in puin gestort, voor de Here, voor zijn brandende toorn. (Jeremia 4:23-26)

 ‘Er was geen mens’. En daar ging het nu juist om. Als je dit gedeelte zo leest, dan is dat Genesis 1 achterstevoren. Het is een omgekeerd scheppingsverhaal. De schepping wordt als het ware teruggespoeld. Jeremia grijpt hier dus heel duidelijk terug naar dat beeld van ‘woest en ledig’. Dit gedeelte in Jeremia gaat over het volk van God dat afgedwaald is: 

  • Want onverstandig is mijn volk. Mij kennen ze niet; dwaze kinderen zijn het, en inzicht hebben zij niet; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar van goed doen weten niet  (Jeremia 4:22)

De aarde wordt dus woest en ledig, omdat het volk van God niet op zijn plaats is. Je ziet in deze verzen, dat hemel en aarde decor zijn van het volk van God. De hemel wordt er hier dus ook bij betrokken: Ik zag naar de hemel en zijn licht was er niet (vers 23). En ook in vers 28 wordt dat weer gezegd: 

  • hierom zal de aarde treuren, en de hemel boven rouw dragen.

Hier bij Jeremia zijn hemel en aarde – net als in Genesis 1 – decor van het volk van God. Het vormt de sleutel in verband met die hemel en die aarde. Als het volk van God het erbij laat zitten, wordt de hemel in rouw gedompeld. Het probleem van het volk van God is: Mij kennen ze niet. Alles staat of valt met het kennen van God. En dan staat er verder: ze hebben geen inzicht en van goed doen weten zij niet. Als de Bijbel spreekt van ‘goed doen’, heeft dat vaak een heel speciale geladenheid. Die uitdrukking ‘goed doen’ verwijst weer naar Genesis 1. Daar hadden we zevenmaal dat woord goed. Goed doen is dus scheppen. Als het volk van God dus niet van ‘goed doen’ weet, dan volgen ze dus God niet. Dan zijn ze dus geen beeld en gelijkenis meer van Hem. Als dat beeld van God dus verdwenen is, gaat de hemel weer in rouw. Dan krijg je dus weer die duisternis. Dan wordt de aarde weer woest en ledig. Als het volk van God het erbij laat zitten, dan is in de geestelijke wereld het hek van de dam. Je zou kunnen zeggen: de mens Gods is dat hek op die dam. Dat is de inperking van de duisternis. Waar die mens Gods is, staat er nog een hek op de dam, daar wordt de duisternis teruggedrongen. Het is het één of het ander: Of die mens Gods stelt paal en perk aan de duisternis, of de duisternis loopt die mens Gods onder de voet. Dan krijg je dus weer dat woest en ledig. Het volk van God heeft dus heel duidelijk een taak om dat woest en ledig te verdrijven. God is ook een God, die strijdt tegen dat woest en ledig. God strijdt tegen de chaos. Dat zie je in Genesis 1: de Geest van God strijdt tegen de chaos. Dat is ook heel duidelijk een opdracht voor de gemeente: strijden tegen de chaos. Ook door voorbede en aanbidding strijdt de mens Gods tegen de tegenkrachten, die de schepping willen blokkeren. Jeremia zegt in hoofdstuk 4: de bergen schudden en de heuvelen beven. Alles wat nog een beetje vast stond begint te wankelen. Jeremia 4 begint met Israël: 

  • Indien gij u bekeert, Israël, luidt het woord des Heren, dan moogt gij tot Mij wederkeren. (Jeremia 4:1). De sleutel is dus Israël; dat zagen we dus ook al in Genesis. 
  • Want zo zegt de Here tot de mannen van Juda en tot Jeruzalem: Ontgint u nieuw land en zaait niet tussen de doornen  (Jeremia 4:3)

In vers 27 werd dus gezegd, dat het ganse land een woestenij was geworden, en hier wordt gezegd: ontgint u nieuw land. Het volk van God krijgt dus de opdracht, om weer land in bezit te nemen. En als je het land moet ontginnen, dan maak je het ook vrij van alles wat chaotisch is, van alles wat er niet in thuis hoort. Het is goed om je dat bewust te zijn, dat als je bidt of strijdt voor de gemeente of voor een persoon, voor een bepaalde zaak, dan ben je bezig met land te ontginnen. En dat ontginnen van land begint in de hemelse gewesten. Dat is dat land, waarvan ook staat: zaai niet tussen de doornen. Doornen en distels kwamen na de zondeval. Doornen en distels verstikken het zaad. Daarom heeft de duivel zo’n belang bij doornen en distels. Die doornen en distels groeien daar wel met voorbedachte rade. Die doornen willen de mens Gods verstikken. Daarom zegt Jeremia hier: je moet niet gaan zaaien tussen de doornen. Je moet wel eerst die doornen en distels uitroeien; al dat chaotische moet verwijderd worden. ‘Ontgint u nieuw land.’ En dat nieuwe land is dan ook een goed land. Dat wordt vrijgemaakt van de dorens. Dat nieuwe land is scheppingsbodem. Dat woord goed komen we in dit verband ook weer tegen bij de geschiedenis van de twaalf verspieders. Kaleb gaat dan tegen de meerderheid in en zegt: 

  •  Het land dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, dat land is buitengewoon GOED  (Numeri 14:7)

Kaleb zegt in feite: het land waar we nu naar toe gaan, is een scheppingsland, dat is een land van God. Dat land is goed, want God is goed. Maar dan zie je ook weer: juist bij dat goede land worden ook weer die tegenkrachten actief. Dan zijn daar die reuzen, die Enakieten. Die proberen de mens Gods buiten het land te houden. Hierbij te bedenken, dat land en aarde in het Hebreeuws hetzelfde woord is. Je ziet dus, dat er ook verbindingslijnen lopen van Genesis 1 naar het Beloofde Land. Je zou ook kunnen zeggen: de Beloofde Aarde. Dat land is model voor de hele schepping. We hebben dus heel duidelijk het verband gezien in Jeremia tussen volk en land. Volk en land horen innig bij elkaar. Dat volk en land zo nauw met elkaar verbonden zijn, zien we ook in het leven van Abraham. De twee beloften, waar het hele leven van Abraham om draaide, waren de beloften van een volk en een land. Ga naar het land dat Ik u wijzen zal, en Ik zal u tot een groot volk maken. Daar heb je weer die twee punten, zoals ook in Jeremia 4: een land en een volk. Een nieuw volk moet een nieuw land ontginnen. Abraham kreeg een land en hij werd tot een volk. En ook bij Abraham zien we weer, dat dat heel wat voeten in de aarde had. Abraham kreeg ook heel wat tegenstand; zowel met betrekking tot het land als met betrekking tot het volk. Als Abraham het Beloofde Land binnentrekt, wordt hij meteen geconfronteerd met hongersnood, met oorlog en met Kanaänieten. Tel uw zegeningen…. Het Beloofde Land is ook weer beeld van de hemelse gewesten. En daar krijg je te maken met de Kanaänieten, met oorlog en met hongersnood. En dat alles met de bedoeling dat je zo gauw mogelijk er weer uit bent. De derde tekst die spreekt van woest en ledig vinden we in Jesaja 34:11: 

  • Pelikaan en roerdomp nemen het in bezit, uil en raaf huizen daar; Hij spant daarover het meetsnoer der woestheid en het paslood der ledigheid.

Dit gedeelte wordt gesproken over Edom, over het land van de Edomieten. Edom heeft ook al zijn oorsprong in Genesis. Edom was oorspronkelijk Esau. Jakob en Esau kregen allebei een tweede naam. Jakob werd Israël en Esau werd Edom. En dan zie je, dat ze juist met die tweede naam uit elkaar groeien. Jakob kreeg zijn tweede naam vanwege die worsteling bij de Jabbok. Dan wordt Jakob Israël en die naam betekent: strijder Gods. Of: God strijdt, ook: God heerst.

Edom had zijn tweede naam te danken aan de soep, die hij gegeten had. Je wordt genoemd naar datgene wat je eet; dat is een geestelijk principe. Je ontvangt je naam vanuit datgene waar je het meest naar verlangt. Esau verlangde meer naar het linzengerecht dan naar het eerstgeboorterecht. Jakob had zijn hart gericht op de geestelijke werkelijkheid, en dan ontvangt hij van daaruit ook zijn naam. Edom, dat zijn hart alleen maar richt op de natuurlijke dingen komt in de chaos terecht. Het loopt bij Edom uit op woest en ledig. Edom keert in feite terug naar de toestand van vóór de schepping, terug naar Genesis 1:2. Hij keert terug naar de chaos, de toestand van de afgrond. 

  • zijn beken verkeren in pek, zijn stof en zwavel en zijn land wordt tot brandend pek, dat dag noch nacht uitgaat; voor altijd stijgt zijn rook op, van geslacht tot geslacht ligt het woest, tot in alle eeuwigheden trekt niemand daardoor. (Jesaja 34:9,10)

 ‘Voor altijd stijgt zijn rook op’. Daar zie je hetzelfde beeld als in het boek Openbaring, waar er ook rook uit de afgrond opstijgt. Dan zie je ook nog een heel merkwaardig punt, dat verbonden wordt met dat woest en ledig:

  • Van zijn edelen is er geen, die het koninkrijk uitroept, en geen zijner vorsten is er meer. (Jesaja 34:12)

Als je ‘woest en ledig’ bent, heb je geen koninkrijk meer. Dan is er niemand meer die het koninkrijk proclameert. Je kunt ook vertalen: koningschap. Er is niemand, die het koningschap uitroept. Dan krijg je de toestand van: ieder doet wat goed is in zijn eigen ogen. Dan krijg je de toestand van het boek Richteren. De roeping van de gemeente is nu juist, om het Koninkrijk uit te roepen. Als er niemand van de edelen het Koninkrijk uitroept, wie zou het dan moeten doen! Als Esau dan het Koninkrijk niet uitroept, dan moet Jakob – die Israël geworden is – dat doen. Het is belangrijk, dat de gemeente gaat proclameren. De gemeente moet wel haar mond openen.  De gemeente moet in de geestelijke wereld het Koningschap verkondigen en proclameren. ‘Geen van zijn vorsten is er meer’, staat er in vers 12. En dan krijg je zoals vers 13 dat zegt:

  • In zijn burchten schieten dorens op, netels en distels in zijn vestingen; en het zal een verblijf voor de jakhalzen zijn, een hof voor de struisvogels

Daar zie je weer de dorens en de distels. Het zal een verblijf voor de jakhalzen zijn; dat is het klimaat van de dood. Jakhalzen zijn aaseters, die doen niets dan eindeloos huilen. ‘Een hof voor de struisvogels’. Dat is wel iets anders dan de Hof des Heren. En dan wordt er een uitgebreide beschrijving gegeven van die troosteloze toestand in de verzen 14 tot en met 17: 

  • Hyena’s treffen daar wilde honden aan, veldgeesten ontmoeten elkander; ja, daar zal het nachtspook verwijlen en een rustplaats voor zich vinden. Daar nestelt de pijlslang en legt haar eieren, broedt ze uit en koestert ze in de schaduw; ja, daar verzamelen zich gieren, de één bij de ander. Zoekt na in het boek des Heren en leest; niet één van deze wezens zal ontbreken, zij zullen elkander niet missen, want zijn mond heeft het geboden en zijn adem bracht ze samen. Hij toch wierp het lot voor hen, en zijn hand deelde hun het land toe met het meetsnoer; voor altijd zullen zij het bezitten, van geslacht tot geslacht daarin wonen.

Dat betekent, dat hun gebied wordt ingeperkt. Ze worden allemaal samengebracht daar in het koninkrijk van Edom. Dat betekent, dat ze nergens anders meer kunnen wonen. Er zijn ook vertalingen, die dat laten uitkomen. Die zeggen bijvoorbeeld in vers 15: alleen daar nestelt de pijlslang. En ook: alleen daar zal het nachtspook verwijlen. God gaat hun gebied inperken. Anders zou je op het eerste gezicht denken – als je die verzen 16 en 17 leest – dat God ze juist de ruimte geeft. Maar God gaat hun gebied inperken en zegt: alleen dáár, alleen in Edom. God concentreert ze als het ware in Edom, omdat God Edom niet kan beschermen. Edom wordt prijsgegeven, want die mensen geven zichzelf prijs. Jesaja 34 staat wel in een bepaald verband. En dan zie je de sleutel in vers 8:

  • want de Here houdt een dag van wraak, een jaar van vergelding in Sions rechtsgeding

God is het begonnen om Sion. Het is het rechtsgeding van Sion. God neemt het op voor Sion, en daarom gaat vanuit Sion ook die wraak komen. Dat wil zeggen: dat is de wraak over die machten. Daar zitten dus twee kanten aan: ‘Een dag van wraak’; dat heeft dus te maken met de vijanden. ‘Een jaar van vergelding’. Het woord ‘vergelding’ hangt eigenlijk samen met het woord sjalom (MwlS), vrede. Je zou hier dus ook kunnen zeggen: ‘een jaar van tot vrede brengen’. Een jaar waarin God de dingen weer tot sjalom ( = gaaf) brengt. Dat is dus eigenlijk de tegenhanger van dat woest en ledig. Edom wordt woest en ledig. Sion wordt gaaf. Als de gemeente gaaf wordt, als de gemeente hersteld wordt, dan worden alle vijanden, pijlslangen, jakhalzen, enzovoort, verbannen. Het enige verbanningsoord dat voor hen dan nog overblijft, is dat Edom. Dat is, wat in het boek Openbaring Babel wordt genoemd.

  • en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte (Openbaring 18:2)

Al die machten, aangeduid als dieren, komen daar samen omdat ze nergens anders meer kunnen blijven. De sleutel in dit gedeelte is dus, dat de gemeente het Koninkrijk gaat uitroepen. Dan blijft er nog één woonplaats over, en dat is die afgrond. Dat is hun laatste wijkplaats. Dan kunnen ze nergens anders meer onderdak krijgen. In Sion worden ze immers dakloos, daar worden ze uitgebannen. Uit Sion wordt de chaos verbannen. In Sion gaat God het volk toebereiden, dat dan ook het zwaard gaat hanteren. Want dat staat dan in Jesaja 43:5: 

  • Want mijn zwaard is in de hemel dronken geworden; zie het daalt neer op Edom en ten gerichte op het volk dat door mijn banvloek werd getroffen

Zo komt er orde in Sion, zo wordt de chaos uit Sion verdreven. Als je zo die drie combinaties ‘woest en ledig’ beschouwt, dan blijkt, dat dit te maken heeft met het gegeven, dat God iets gaat scheppen. Dan komen ook de tegenkrachten; maar het scheppingswerk van God gaat het winnen. En dan zoekt God de mens als medeschepper. Die mens wordt geroepen om het Koninkrijk uit te roepen. Dat moest Adam ook doen. Adam moest het koningschap uitroepen over heel de schepping. ‘Laat ons mensen maken opdat zij heersen’. Ook die ‘tweede mens’ is geroepen om het Koninkrijk te proclameren. 

  • En Hij werd in de woestijn veertig dagen verzocht door de satan en Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem  (Marcus 1:13)

Daar zien we de glorie van die ‘tweede Mens’. Die tweede Mens blijft overeind, die regeert over de verzoeking. De satan is de aanstichter van de chaos, dat is de ‘chaotiseur’. Die tweede Mens roept het koningschap uit; ook over al dat onrein gedierte. Daar zie je ook de parallel tussen Adam en Christus. Heersen over de dieren; heersen over de schepping. Dan komen de engelen en gaan die tweede Mens dienen. Dat geldt ook voor de gemeente. Als de gemeente het koningschap proclameert, dan gaan de engelen uit om te dienen; om hen te dienen die het heil beërven. En dan zie je, dat dat koningschap inderdaad wordt geproclameerd:

  • De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen (Marcus 1:15)

 Dat is de roeping van de gemeente. Het Koninkrijk proclameren, de chaos terugdringen, door de Geest uit Genesis 1.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010