Spreuken

29-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

­Inleiding

Ida Gerhardt zegt in een gedicht, en dat heeft ook met het boek Spreuken te maken, het volgende:

Genesis

Oud worden is het eindelijk vermogen

ver af te zijn van plannen en getallen.

Een eindelijke verheldering van ogen

voordat het donker van de nacht gaat vallen.

Dat is de mooiste manier van oud worden: veraf van plannen en ge­tal­len; je hoeft niet meer zo nodig van alles te moeten. Je komt dan uit die dwang en dictatuur van wat er allemaal el­­ke dag zo nodig moet ge­beuren. Je gaat de dingen in een ander per­spec­tief zien; dat is een ver­­heldering van ogen. Het natuurlijke oog zal wel minder worden, maar het innerlijke oog wordt scherper. Over het boek Spreuken wordt in het algemeen toch niet zó veel ge­zegd en geschreven. Het is wel een boek, dat je heel mooi op datum kunt lezen, want het zijn 31 hoofdstukken. Chouraqui heeft de Hebreeuwse Bijbel in het Frans vertaald. Hij heeft hiermee baanbrekend werk verricht, doordat hij deze vertaling heeft gemaakt in de traditie van Buber en Rosenzweig. Met name is hij hier­om baanbrekend geweest, omdat hij de Hebreeuwse werkwoorden met een behoorlijke consequentie in de tegenwoordige tijd is gaan verta­len. Daar­door kwam heel die Hebreeuwse Bijbel uit de sfeer van ‘dat is iets voor vroe­ger’. Dat is toch wel een unieke benaderingswijze. Hij ver­taalt dan niet ‘God sprak’, maar: ‘God zegt’. Hij roept tot het licht: Dag! En tot de duisternis heeft Hij geroepen: Nacht!. Dus telkens al­ler­lei woor­den in de tegenwoordige tijd, om te laten zien: het is een woord, dat heel dichtbij is. Dit woord is dichtbij in uw mond en in uw hart. Het is niet een woord ergens uit een grijs verleden, maar het is een woord, zo nabij. Dit woord van liefde, vrede en recht is in uw ei­gen mond gelegd. Vlak voor u ligt de weg ten leven.

Proverbia en masjal

Via het Latijn is de vertaling van het woord Spreuken: Proverbia. D­at woord heeft dan de betekenis: Spreuken, spreekwoorden. Maar Chou­ra­­qui zegt dan: hiermee heb je het in feite niet juist vertaald. Het boek Spreuken is niet een boek met allemaal spreekwoorden. Met spreek­woorden moet je trouwens ook oppassen. Je hebt ook heel be­denkelijke spreekwoorden. Chouraqui zegt dan: laten we het maar ver­talen met exemples, voorbeelden. In het Hebreeuws wordt dus het woord masjal gebruikt. De Spreuken van Salomo zijn dan de misjlee Sjelomo. Het woord masjal komt van een werkwoord, dat twee betekenissen heeft. De eerste betekenis is heersen, de andere betekenis is gelij­ken, lijken op. Nu is het de vraag, of dat inderdáád twee betekenissen zijn, of dat het toch tot één betekenis kan worden teruggebracht. De oor­­spron­ke­lij­ke betekenis van dat werkwoord masjal (in het Assyrisch ma­salu; in het Aramees metal) –aldus Chouraqui- kan worden terug­ge­voerd tot het be­grip: rechtop staan, iets wat opgericht is. Er wordt een beeld (gelijkenis) neergezet, opgericht, zoals een standbeeld ook wordt opgericht. Van daar­uit betekent het dan: een manier van leven, een manier van zijn.

De rechtvaardige en de afbreker

Dat gegeven heeft dan twee kanten; in het boek Spreuken zul je dat ook steeds tegenkomen. Dat kan dan een ‘exemple’ zijn, een voor­beeld; en wel is het een voorbeeld dat je wel na moet volgen of een voor­beeld, dat je niet na moet volgen. Zo worden in het boek Spreuken ook steeds die twee wegen getoond: de weg van de tsaddiq, de recht­vaardige en de weg van de goddeloze, de rasja, de afbreker. De ene weg is ter navolging, de an­dere weg ter afwijzing.

Concreet onderwijs

Het zijn dan vaak concrete gebeurtenissen, bepaalde feiten, waarmee iets geïllustreerd wordt; hierdoor wordt een bepaalde onderwijzing con­­­créét gemaakt. Als je een onderwijzing alleen maar abstract ver­telt, komt het vaak niet zo goed over, of de mensen onthouden het niet zo goed. Maak het daarom maar concreet. Op die manier kun je vanuit het boek Spreuken ook heel wat leren over het innerlijk van een mens. Het boek Spreuken is ook een boek met heel wat psycho­lo­gie en an­tro­pologie. Er wordt dus heel wat gezegd over de werking van de innerlijke beweeg­re­de­nen van een mens, over zijn streven en ver­lan­­gens. Iemand deed eens de uitspraak: “heilig en neurotisch liggen vaak dicht bij elkaar”. De kerkge­schie­denis kan daar boeken mee vul­len. Hei­ligheid en neurose lijken soms in elkaar over te vloeien. Zodra ie­mand naar heiligheid streeft, wordt hij tevens heel gauw afwijkend. Aan de andere kant, zo werd ook opgemerkt, worden we vaak gecon­fron­­teerd met de dictatuur van ‘het normale’, doe maar gewoon. Het boek Spreuken kan ons hierover weer aan het denken zetten. Die voorbeelden in het boek Spreuken kunnen dan gegeven worden in twee regels, zoals je dat vaak ziet in Hebreeuwse poëzie. Dat gebeurt dan door middel van een parallellisme. Soms is het ook een heel gedicht; soms is het een ver­haal, een gelijkenis.

Heersen en vergelijken

Buber heeft een paar dingen opgemerkt bij zijn vertaling van het boek Spreuken. Buber vertaalt het woord masjal met Gleichspruch; letterlijk vertaald dus een ‘gelijkspreuk’. In dat woord zitten dus die beide be­te­­ke­nissen: het is een gelijkenis, een vergelijking, maar het is ook een spreuk. Buber gaat dan ook uit van die twee werkwoorden: heersen en vergelijken. Hij zegt er dan wel bij: beide werkwoorden hebben de­zelfde wortel. Nu heeft dat woord heersen eigenlijk ook meer de be­tekenis van: ergens voor ínstaan, verantwoordelijk zijn voor. Het heeft ook de beteke­nis van: iets representeren, zoals een koning het volk re­presen­teert. Om­dat die koning dan het volk representeert, spreken wij van heersen. Nu krijgt dat woord heersen door het misbruik dat er van een positie wordt gemaakt wel gauw een negatieve betekenis. Het krijgt dan gauw de betekenis van: de baas spelen. Heersen heeft dus van oorsprong de betekenis: verantwoordelijk zijn voor. Op die manier heerste Jozef over Egyp­­te. Zijn heerschappij had de vorm van brood, van voedselvoorziening. Jozef heerste in de gestalte van brood, Dat is ook precies de manier, waar­op de Messias heerst. Jezus zegt: Ik ben het brood des levens. Jozef heerst over Egypte, dat wil zeggen: hij houdt ze in leven. Hij stelt zich verantwoordelijk voor deze mensen. Dus heersen is eigenlijk: re­ge­­­len, beheren, besturen. En vergelijken is dan: behandelen als over­een­­­komstig.

Parallellisme

Zo krijg je in het boek Spreuken dus heel vaak van die vergelijkingen in de zin van regel a, regel b, die dan een parallel vormen, of ook wel een contrast. Zo wordt door de taal ook een bepaalde vorm gegoten, twee regels die je met elkaar vergelijkt.

Hierbij moet je ook bedenken, dat je in het taaleigen van die oude Oos­­­ter­se wereld vaak parallellistische dichtvormen had. Dat was trou­wens niet alleen bij de oude Semieten, maar bij heel veel culturen het geval. Als ze dus een gedicht gingen schrijven, deden ze dat vaak in pa­rallellen. Dat verschijnsel kom je overal tegen, dat vind je zowel bij de ne­ger­stam­men als bij de hofcultuur van China. Buber zegt: als oorsprong daarvan zou ik willen wijzen op de improvisatie. Die oude culturen wa­ren gewend om te improviseren. Dat ging dan in dialoog of in an­ti­foon, in stem en tegenstem. Bij de Oost-Aziaten gingen ze dan bij be­paalde feesten zin­gen, bij de jaargetijden, en ook als er een bruid ge­wor­ven moest worden. Dat waren dan koren van jongens en meisjes. Bij de oude Finnen tra­den er dan twee zangers op bij het volksgezang, die knie-aan-knie te­gen­over elkaar werden gezet. Die zangers moesten dan in beurtzang een lied ten gehore brengen. Ze zongen elkaar dus letterlijk tegemoet, zo zongen ze dan in wisselzang. Bij dit zingen bo­gen ze dan met hun bovenlichamen ritmisch van elkaar af en naar el­kaar toe. Ook in de Bijbel komen vaak wisselzangen voor. De Hebreeuwse poë­zie heeft ook als oervorm de dialoog. Dat hoort ook eigenlijk bij het wé­zen van het Hebreeuwse denken, dat is die oergestalte, die je dan in die masjal terugvindt. De ene spreker zegt een vers en de ander ant­woordt hem. Dat gebeurt dan tegenstellend: antithetisch, of het ge­beurt uitleg­gend, het beeld verder uitwerkend, of aanvullend, maar al­tijd in de vorm van een bepaalde correspondentie tussen die twee re­gels. Dat noem je dan een masjal, een Gleichspruch, het één gelijkt op het ander.

Wijsheid en dwaasheid

Dat is dan niet alleen een literair spel, maar in Israël krijgt dat dan een veel diepere betekenis. Daar heeft het dan ook te maken met de kern van alle Hebreeuwse ‘spreukdichting’, de strijd tussen de wijs­heid en de dwaasheid. Dat is dan de grondtoon, die er in Israël bij komt: het gaat aan de ene kant om de wijsheid, aan de andere kant om de dwaasheid. En daarmee zitten we meteen in het hart van ons on­derwerp. Wijsheid en dwaasheid zijn de twee oerwoorden, de twee ba­­siskenmerken van het hele boek Spreuken. In dit verband bezien we onderstaande tekst: «Luister naar raad en neem vermaning aan, opdat gij tenslotte wijs wordt» Spr.19:20. «Hoor raad en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt» Spr.19:20 – SV

Het Boek van de Hoop

In uw laatste; daar staat het woord acharit, wat ook kan betekenen: toe­­komst. Opdat gij in uw toekomst wijs zult worden. Het boek Spreuken is dus ook doortrokken van beloften. Het is in we­zen ook een boek van de hoop, de hoop die gelegen is in de wijsheid. Chou­raqui vertaalt hier ook: «om u wijs te maken in uw toekomst» Misschien is dat ook de pijn van de moderne mens, dat er zo weinig hoop meer is. Het trof mij in het boek van George Steiner, die Joodse filosoof, dat hij in de aanhef van zijn boek, ‘Over de Grammatica van de Schepping’, zegt: “in het Westen is de religieuze basis van de hoop ge­staag verzwakt, de hoop heeft geen voedingsbodem meer. Zonder aan God te denken, hoopt men “in Gods naam”. De hoop heeft eigenlijk geen basis meer. Dan is het zo mooi, om dat in het boek Spreuken eigenlijk weer terug te vinden. Wijsheid als een god­delijk geheim. Uit die tekst Spr.19:20 ontdek je ook, dat wijsheid te maken heeft met je levensloop en levenservaring. «Opdat gij in uw toekomst wijs wordt»… Wijsheid is niet iets wat je op staande voet je toe kunt eigenen. Dat is één van de redenen, dat het daarom in deze tijd ook een moeilijk begrip is. Kennis kun je je verwerven, desnoods in een snel tempo. In onze tijd heb je natuurlijk eindeloze bronnen van kennis. Wat je ook wilt weten, je kunt het bij wijze van spreken zó aanklikken op de computer. Paulus zegt: kennis maakt opgeblazen. Als je nu alles wat te weten is, wist, zegt 1 Kor.13, wat dan nog! Maar wijsheid gaat een laag dieper, dat gaat om dat innerlijke weten. Kennis kun je áanklikken, maar wijsheid niet. Wijsheid is een vrucht.

De Boom des Levens

In het boek Spreuken wordt maar liefst vier keer gesproken over de Boom des Levens. Wijsheid heeft dus ook te maken met het terug­komen in het paradijs. Wijsheid heeft te maken met die Boom van het Leven. Die Boom des levens geeft vrucht. Hierbij moet je wel be­den­ken, dat het vruchtgeven van een boom ook een proces van ja­ren is. «Een boom des levens is zij voor wie haar aangrijpen, wie haar vasthouden, zijn gelukkig te prijzen» Spr.3:18. Hier gaat het over die wijsheid. In vers 13 wordt dat al aangekondigd: «Welzalig de mens, die wijsheid vindt, de mens die verstandigheid verkrijgt;» Spr.3:13

Die wijsheid vindt, staat er dan. Vinden is ook weer zo’n sleutelwoord. In het Hebreeuws klinkt deze tekst ook heel poëtisch; een tekst om te reciteren en over te mediteren. Deze tekst bestaat uit maar slechts vier woorden, die heel ritmisch klinken: ..asjre adam matsah chokhmah.. In vers 13 gaat het dus over de Wijsheid, die in de volgende verzen dan nader getypeerd wordt:  «want wat zij opbrengt, is beter dan de opbrengst van zilver, wat zij doet gewinnen, is beter dan goud. Zij is kostbaarder dan koralen, al wat gij kunt begeren, kan haar niet evenaren. Lengte van dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer. Haar wegen zijn liefelijke wegen, al haar paden zijn vrede»   Spr.3:14vv

De Wijsheid is dus (vers 18) een boom des levens. Dat is die boom die daar stond in het midden van de hof. Vanouds wordt ook gezegd: de Boom des Levens is de Torah, dat is de onderwijzing. Je kunt dus ook zeggen: de Boom des Levens is die hemelse Wijsheid. «de HERE heeft door wijsheid de aarde gegrond, door verstand de hemelen vastgesteld»   Spr.3:19

De Wijsheid, het fundament

Zo is de Wijsheid niet alleen maar iets interessants om erbij te heb­ben. Een fundamenteel punt voor het boek Spreuken is, dat wijsheid niet iets bijkomstigs is. Wijsheid is geen luxe artikel, dat je eventueel zou kunnen missen. Het is niet een extraatje voor mensen die het zich kunnen permitteren, zoals filosofen. Bij de oude Grieken was dat vaak iets voor mensen, die niet hoefden te werken, of die door een ander wer­­den onderhouden. Dan kun je het je permitteren om filosoof te wor­den. De gewone man wordt nu eenmaal geen filosoof, die moet zijn handen laten wapperen. Die heeft geen tijd om, zoals bijvoorbeeld So­cra­tes, door de straten van  Athene te flaneren. Die Wijsheid is dus een fundament voor het leven. De aarde is ook op de Wijsheid gefundeerd. «de HERE heeft door Wijsheid de aarde gegrond, door verstand de hemelen vastgesteld» v.19. Letterlijk: «Hij bevestigt de hemel op onderscheiding» «Door zijn kennis zijn de waterdiepten (de afgronden) gekliefd en druppelen de wolken dauw»

Dauw, een schitterend beeld

Dauw op het veld, dankzij de goddelijke Wijsheid. Dat gaat dwars door de afgrond heen. Dat kun je letterlijk opvatten, maar je kunt het ook symbolisch zien. Dat zijn de afgronden, waar een mens soms voor staat, de afgronden van je ziel. Dat woord afgronden betekent ook: oer­­­­vloeden. Dat zijn ook die grondeloze diepten in een mensenziel. Soms kan de mens daar zelf de bodem niet van vinden. «door zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd» (SV). De wolken druppelen dauw (v.20), zodat je ziel weer verkwikt wordt. Zo kan de dauw op een vroege morgen zo schitterend op het veld liggen. Dan kun je daar een prachtig symbool in zien van de Wijs­heid Gods. De Spreukendichter zou zeggen: sta maar eens heel vroeg op en wan­del dan door de velden. Dan kun je al iets herkennen van dat grootse mysterie. Het zijn dus allemaal exempelen, voorbeelden; heel de na­tuur geeft daar uiting aan. Guido Gezelle zei al: …mij spreekt de bloe­me een tale… Alles spreekt van Hèm. Amy Carmichael heeft dat zo mooi in beeld gebracht, door in haar boek bij elk hoofdstuk een bijpassende foto uit de natuur te plaatsen. Ze zegt dan van die foto’s: die beelden verwijzen naar het onzienlijke. Het zijn allemaal – zoals zij het dan noemt – figurs of the true, afbeel­din­gen van het ware, van de goddelijke werkelijkheid. Het zijn scha­du­wen van de hemelse zaken, die overal om ons heen zijn. Amiël zegt dat zo mooi in zijn ‘journal intime’, in zijn intieme dagboek. Want Amiël schreef een prachtig dag­boek, ook in de tijd, dat hij ziek was en dat hij uiterlijk steeds minder kon. Hij zegt dan: “alles wordt trans­pa­rant voor mij. Ik zie de typen, de fundering van de dingen, de zin van de dingen.”

Dat staat ook zo mooi in dat lied:

Gij hebt de bloemen op de velden

met koninklijke pracht bekleed.

De zorgeloze vogels melden

dat Gij uw schepping niet vergeet.

’t Is alles een gelijkenis

van meer dan aards geheimenis.   (Liedb.479)

Amy Carmichael zegt van een paar foto’s van de Alpen, met daarop bergen de dalen: “Als ik nu kijk naar die foto’s, dan valt alles op zijn plaats. Dan worden dat voor mij: figuren van het ware, transparant, vol van de zin van de dingen. Die afbeelding van dat dal met die ber­gen is nu een afbeelding van ons leven. Als we jong zijn, dan staan we op die helling te midden van de pijnbomen. We kijken naar het onbe­kende land, naar de bergen. Daar zijn wolken, maar die wolken zijn af­ge­grensd door licht. We zijn niet bang, als we indalen in het dal en we vrezen de wolken niet. Dank God voor de vreesloosheid van de jeugd”.

Die Hoop moet al ons leed verzachten

Hoop is in de Bijbel altijd positief. Hoop is zekerheid over de toekomst. “Er zijn vele redenen om te hopen en om gelukkig te zijn en er is nooit één reden om te vrezen. Daar is de mist, daar zijn de wolken en het licht in de wolken. En die werken samen als de afzonderlijke no­ten in een melodie. Zelfs de schaduw van de pijnbomen op het gras, ook die schaduw heeft een deel en die speelt haar partij, om het beeld com­pleet te maken. Je kunt er niets uitlaten, zonder dat je iets kwijt­raakt. Zo is het ook met het plaatje van ons leven. We zijn geroepen om dit te geloven en te handelen alsóf wij het geloofden. We hebben de aanwe­zig­heid en de beloften van God. We zijn bedoeld om te mar­che­ren op die grote muziek. Daar zijn de wolken en de ravijnen, de heuvel ‘moei­lijkheid’ en de bergen van de verrukking. Daar zijn de vreugden en de tranen, de beproevingen en de discipli­nes, waardoor de ziel klap­pen krijgt. In dit alles is Hij ons nabij om met ons mee te gaan. Het gaat niet zonder conflict en zonder kruis. M­aar dat alles is een beeld van de onzichtbare werkelijkheid”.

Spreuken 1

In Spreuken 1 hebben we de basis van heel het boek Spreuken. Eerst komen daar de tien begrippen, die de wijsheid omschrijven. Daar be­gint het mee in vers 2:

1.

«om wijsheid en tucht te verkrijgen» Spr.1:2. Het begint dus met wijsheid, dat is als het ware het ‘ver­za­mel­be­grip’. Letterlijk staat er: «om te kennen» «om te weten» (SV). «pour  penetrer»  (om door te dringen)  (Chouraqui)

2.

In de tweede plaats wordt genoemd: «en tucht (discipline) te verkrijgen»

3.

«om verstandige woorden te verstaan» v.2. «redenen des verstands» (SV). «woorden van onderscheiding» (Chouraqui). Daarom heb je die Spreuken ook steeds in twee gedeelten: regel a en regel b. Om te onderscheiden: dit wel, maar dat niet. Dít is wijs, maar dát is dwaas.

4.

«om de tucht aan te nemen die verstandig maakt» v.3. Het vierde punt is dan verstandigheid, het dóórzicht. «goed verstand» (SV). «doorzicht» (Chouraqui). Het moet dus helder worden; dat is die verheldering van ogen. Het is de bedoeling om door de dingen ‘heen’ te leren zien.

5.

«gerechtigheid» v.3. «waarachtigheid» (Buber). «oordeel» (Chouraqui). Je moet de dingen dus leren beoordelen, taxeren. Mensen en dingen tot hun recht laten komen. Niet onder de indruk raken van het ui­ter­lijk vertoon, van de holle klanken. De rijken en de machtigen hebben vaak een uitbundig uiterlijk vertoon, maar het betekent in wezen niets.

6.

«en recht» v.3

7.

«en rechtschapenheid» v.3. «billijkheden» (SV). «’recht door zee gaan’» (Chouraqui). «Geradnis» (Buber). Recht door zee, één lijn in je leven. De bochten in je ziel worden recht ge­trokken. Vaak gaat een mens níet recht door zee. Dat is vaak niet een kwestie van oneerlijkheid, maar een manier om te overleven. Je gaat met een bocht om het probleem heen. Je durft niet meer, je kunt niet meer en je gaat kronkelpaden bewandelen.

8.

«om de onverstandigen schranderheid te geven» v.4. Chouraqui gebruikt hier een woord, waarbij hij als toelichting geeft: «dat is de bekwaamheid om je aan te passen aan elke situatie» Dat bete­kent niet, dat je maar met alle winden meewaait, maar dat je in elke situatie de juiste houding weet aan te nemen. Dan ben je niet met­­een uit het lood geslagen, als er ongewone situaties zich voordoen. «kloekzinnigheid» SV. Daar zit ook iets in van: de situatie het hoofd kunnen bieden; slag­vaar­digheid.

9.

«de jongeling kennis en bedachtzaamheid te geven» «penetration» (Chouraqui). Dan kun je in de dingen dóórdringen. Dat is geen kennis van de bui­ten­kant, maar kennis vanbinnen, kennis van het hart. «wetenschap»  SV

10.

«de jongeling kennis en bedachtzaamheid te geven» «pré-meditation» (Chouraqui). Dan ga je de dingen van tevoren overdenken overwegen. Je zou hier ook het woord bezonnenheid kunnen gebruiken. Het overkoepelende begrip is dus wijsheid (nr.1). En die volgende ne­gen punten omvatten de manier waarop de wijsheid zich uitwaaiert en manifesteert. De wijsheid ontvouwt zich dus in een groot aantal as­pec­ten. Zo begínt dus het boek Spreuken. En dan komt de oproep in vers 5: «De wijze hore en vermeerdere inzicht en wie verstandig is, verwerve overleg» Spr.1:5. En het contrast is dan weer: «de dwazen verachten wijsheid en tucht» v.7. «om te verstaan spreuk en beeldspraak, woorden en raadselen van wijzen» v.6. «om te verstaan een spreuk en de uitlegging» SV. «De vreze des Heren is het begin der kennis; de dwazen verachten wijsheid en tucht»   v.7

Vrezen

Vrezen betekent: ontzag hebben voor…, eerbied, respect. Dat is die in­nerlijke huivering, dat diepe Godsbesef. Dit vrezen heeft dus niets met angst te maken. Dat is die eerbied, die God Zelf ook heeft, dat is de eer­bied, die Hem Zelf eigen is. God heeft ook eerbied voor zijn men­sen. God heeft eerbied voor zijn schepping; Hij heeft eerbied voor alles wat Hij gemaakt heeft. Dat respect zit er bij God onverbrekelijk en on­losmakelijk in. «aan het hoofd van de kennis staat het ontzag voor Hem» (Chouraqui). Dat is het begin, waar ook Genesis 1 mee opent. «Door een begin (of: beginsel) schiep God de hemel en de aarde» Je kunt dus ook zeggen: «door de Wijsheid heeft God de hemel en de aarde gemaakt» Met behulp van die eeuwige Wijsheid heeft Hij de hele schepping tot stand laten komen. Die Wijsheid stond Hem – om zo te zeggen – ter­zij­de. Dat is het woord, waarmee Hij is te rade gegaan.

De Nieuwe Bijbel Vertaling

De Bijbel staat dit najaar sterk in het middelpunt van de belang­stel­ling. Binnenkort komt dan de Nieuwe Bijbel Vertaling uit (NBV). In de Grote Kerk te Naarden werd onlangs ook een Bijbelvertaling gepresen­teerd. Aan deze vertaling is ruim dertig jaar gewerkt. Deze Bijbel is dan uit­ge­bracht onder de naam: “De Naardense Bijbel”. Deze Bijbel is ver­taald door Pieter Oussoren. Deze vertaling is dan helemaal in de lijn van Buber en Rosenzweig en van Chouraqui. Uiteindelijk ook weer in het verlengde van de Statenvertaling. Er kon dan ook gezegd wor­den: eindelijk heeft het Nederlandse taalgebied weer een Bijbel in de lijn van Buber en zijn geestverwanten. Deze Vertaling is uitermate nauw­­keu­rig. Op zich is het ook heel mooi  om te zien hoe verschillende dingen zijn weer­gegeven. Eén opmerkelijk punt viel mij al op, want tijdens die pre­sentatie was daar Henk van Ulsen, die bekend is om zijn voor­drachtkunst. Henk van Ulsen heeft toen Genesis 1 voor­ge­dra­gen in de­ze vernieuwde vertaling. Dan valt het op, dat Pieter Oussoren, als het daar gaat over de mens, en als daar staat: «laat ons een mens ma­ken», hij er dan nog bijzet: «een roodbloedige». Hiermee wil hij aange­ven, dat Adam in het Hebreeuws oorspronkelijk samenhangt met rood (adom). Hij zegt dan: ‘laten zij’, want in de meeste ver­ta­lingen  wordt ge­zegd: ‘dat zij heersen’’. De mens moet heersen, maar daar is in de loop van de geschiedenis al heel wat ellende uit voortgekomen. De mens moest zo nodig heersen: over de vissen en over de vo­gels en over de dieren van het veld. Er is wat dat betreft heel wat afge­heerst. En de schepping zucht ook vaak onder het heersen dat de mens heeft be­oefend. Maar in deze vertaling staat iets anders. Hier staat: «laten zij neer­da­len» Want dat woord radah heeft ook ergens weer klank­verwant­schap met jarat, met neerdalen. Dus hij zegt: «la­ten we mens maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis en laten zij neer­da­len bij de vissen van de zee» Laten zij neerdalen; later komt dat weer terug als tot de mens gezegd wordt: «ga dan heen, ver­me­nig­vuldigt u over­vloedig en dan zullen jullie neer­dalen bij de vissen van de zee en bij het gedierte van het veld». En ik denk, dat het daardoor ei­gen­lijk veel mooier wordt. Het lijkt een beetje op «het neerbuigen van zijn goedheid»  uit Psalm 18.  «zijn neerbuigende goedheid maakte mij groot» Dan zit er in wezen ook iets heel Messiaans in. Net zoals de Messias neer­­daalt tot zijn mensen. Net zoals je dat telkens ook weer als een motief terugvindt. Je vindt het ook in de oude gnostiek, waar de hemelse mens neerdaalt om de lichtvonken weer te verzamelen uit de stoffelijke wereld, dus dat hele motief van neerdalen tot de aar­de. En zo is de mens van meet af aan geroepen om ‘een neerdaler’ te zijn. Daar zit dus iets heel kostbaars in. Wij zijn niet geroepen om heer­sers te zijn in de zin van de baas spelen over de schepping. Maar we zijn geroepen om neerdalers te zijn. Op dezelfde manier waarop Jezus ook een neer­daler was; Hij daalde neer naar het zwakke en het kwetsbare. Hij daalde neer naar alles wat langs de kant van de weg was gevallen. Die barm­hartige Sa­maritaan was in wezen ook een neerdaler. Neer­da­len ten be­hoeve ván. Daar zit eigenlijk al meteen een prachtig stuk bij­belse antropologie in. Over die vertalingen zou nog heel wat te zeggen zijn. Ik vond deze week, om dat even aan te halen, een klein artikeltje in de NRC van Maarten ’t Hart. Hij zegt: binnenkort ver­schij­nen twee nieu­we bijbelvertalingen. De NBV, die er dan over twee weken komt en de Naardense Bijbel. Maarten ‘t Hart zat ook in het comité van aan­beve­ling. Die laatste vertaling wordt genoemd de Naardense Bijbel, omdat de Grote kerk in Naarden prachtige plafond­schil­de­rin­gen heeft. Het is een eiken plafond met prachtige afbeeldingen en oude schil­deringen van bijbelse voorstellingen. En toen de vertaler die schil­­de­rin­gen zag, vond hij die zo mooi, dat hij zei: die wil ik graag in mijn Bijbel hebben. Vandaar, dat die Bijbel nu voorzien is van illu­straties van het Naar­dense plafond. En daarom wordt hij de Naar­dense Bijbel ge­noemd. Hij vertelde zelf: het roept af en toe wat mis­ver­stan­den op. Hij zegt: we waren dus bezig met de laatste voorbe­rei­din­gen, in­pakken van de Bij­bels en zo. Toen was er ook een mevrouw op het kantoor uit Gro­nin­­gen. Die zegt: een Naardense Bijbel, is die geschre­ven in het Naar­den­se dialect? Hij zegt: ik reageerde iets te snel met te zeggen: nee na­tuurlijk niet, waarop die Groningse mevrouw zei: maar, dat zijn ook men­sen. Ja, weten ze in Groningen veel, of Naar­den een dialect heeft. En dan één tekst uit het boek Prediker. Laten wij eens één tekst onder de loep nemen. «Laten uw klederen te allen tijde wit zijn en olie ontbreke niet op uw h­oofd» P­red.9:8. «laat uw klederen te allen tijde wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ont­bre­ken» (SV). Zo staat deze tekst op ongeveer dezelfde manier in heel veel ver­ta­lin­gen. Daar wordt het op die manier weergegeven. Te allen tijde wit en olie zal niet ontbreken op uw hoofd. Welke vertaling je van deze tekst ook op­slaat, twee elementen zullen nooit ontbreken: de kleur wit en die olie op je hoofd. Zo rept men in de Italiaanse vertaling bijvoorbeeld over: «destimenti blanci en olio sul tuo capo»

Een Duitse vertaling zegt:

«Allezeit seien weiss deine Kleider, Öls ermangle nicht dir auf dem Haupt» (Vert.Buber). Zelfs de vaak omslachtige vertaling van de Jehovah-Getuigen rept van wit en schedelolie. «laten uw kleren bij iedere gelegenheid wit blijken te zijn en olie niet ont­­bre­ken op uw hoofd» Ook Oussoren vertaalt ondubbelzinnig wat Prediker daar klip en klaar voor­schrijft: «laten te alle tijd je gewaden wit wezen en olie op je hoofd nooit ontbre­ken» Maar dan de Groot-Nieuws-Bijbel: De Groot-Nieuws-Bijbel vond ken­ne­­­lijk, dat je vandaag de dag met zo’n voorschrift niet meer kunt aan­ko­­men bij de gelovigen. Zij hebben er dus iets totaal anders van ge­maakt. Iets wat belachelijk veraf staat van wat Prediker daar zegt: «kies feestelijke kleren en verzorg jezelf goed» Aldus werden op deze wijze de moderne gelovigen op een ander spoor ge­zet en werd het Woord des Heren veranderd. Maar ja, je moet er wat voor over hebben om bijbelteksten als smakelijke hapjes op te dissen voor de moderne mens, nietwaar. En nu natuurlijk de hamvraag: hoe heeft men deze tekst vertaald in de binnenkort te verschijnen Nieuwe Ver­taling? «draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur» Grappig om te zien, dat het woord feestelijk zo volkomen ten onrechte gebruikt in de Groot-Nieuws-Bijbel, hierin terugkeert. Maar nu niet om je kleding, maar om het te kiezen parfum te karakteriseren. Ja, kies een feestelijke geur…  Het is alsof de vertalers hebben gedacht: dat feeste­lijk in de Groot-Nieuws-Bijbel, al staat het er oorspronkelijk volstrekt niet, het is te mooi om te missen. Dus vooruit, laten wij er­van maken: kies een feestelijke geur. Niettemin, hoe verbijsterend, dat de vertalers hier in de verste verte niet vertalen wat er staat. Om de he­dendaagse bijbelle­zers niet af te schrikken met zo’n bizar voor­schrift, waaruit duidelijk blijkt, dat het Woord ons vandaag de dag ake­­lig weinig meer te zeggen heeft, heeft men kennelijk unverfroren een zinnetje uit een modeshow­fol­der gelicht. Om daaruit te conclude­ren, dat het met de rest van de vertaling ook niet best gesteld zal zijn, zou voorbarig zijn. Maar toch heb ik er, dankzij die vrolijke kleren en die feestelijke geur, weinig vertrou­wen in. Aldus dan Maarten ’t Hart.

Het probleem is ook, dat als je dat woord wit en die olie op je hoofd weglaat, je dan de dwarsverbindingen met andere teksten kwijt bent. Dan heb je ook niet meer dat verband met die witte klederen uit het boek Openbaring. Daar staat immers, dat ze hun klederen hebben wit gemaakt in het bloed des Lams; dat hoor je dan ook niet meer. Je hoort alleen maar: vrolijke kleren. Dus het verband tussen Prediker en het boek Openbaring en nog andere teksten, waarin wit een fun­da­men­tele rol speelt ben je dan kwijt. En het begrip olie als symbool van de Heilige Geest is dan ook weg. Als je zegt: ‘een feestelijke geur’, dan hoor je niet meer de olie als symboliek, die verbinding is dan ook weg. Dan hoor je niet meer, dat daar die heilige zalfolie zal zijn, de olie van de ta­ber­nakel, de zalfolie op het hoofd van de priester en de koning, die gezalfd wordt. Gezalfd, niet zomaar met een feestelijke geur, maar met de hei­lige olie van God. Dat woord sjemen, olie, hangt ook weer samen met sjemini, met de achtste. Al die verbanden zijn dan doorgeknipt. Breukelman schreef in 1952 al, toen de NBG vertaling uitkwam in 20 artikelen: als deze vertaling (de NBG van 1951) op de kansels komt, dan is dat een kerkelijke ramp. Nu zijn we vijftig jaar verder en dan denk je: Breukelman heeft toch wel groot gelijk gehad. Hij zag het als een soort aflopende weg. Als je daar eenmaal mee begint, om woorden in te wisselen en draadjes door te knippen, dan is het eind zoek. Ik sprak een paar weken geleden een kunstenaar, een Christenkun­ste­naar, die mij vroeg: heb je dat omslag van de Nieuwe Bijbel Verta­ling gezien? Hij vertelde mij, dat hij dat omslag had mogen maken. Hij zegt: ik kwam in Heerenveen, bij de firma Jongbloed (waar die Bijbels gedrukt worden) en daar vroegen ze mij: we zoeken nog een kun­ste­naar, die het omslag kan ontwerpen. Kunt u mij soms helpen aan wat namen van kun­stenaars. Hij stuurde een lijstje met namen naar Jong­bloed. Na een poosje kreeg hij nogmaals die vraag van Jongbloed, omdat het resultaat toch niet helemaal bevredigend was. Hij heeft toen zelf het omslag ontworpen. In een nacht had hij een droom, waarin hij zag hoe het moest worden. Hij heeft toen de beginwoorden van Genesis 1 in het Hebreeuws genomen (beresjit bara Elohim) en de beginwoorden van het Johannes-Evangelie in het Grieks (en archèi).  Zoals ik het in die droom heb ontvangen, heb ik het gemaakt en zo is het ook geac­cepteerd. Is het niet te modern? had iemand nog gesug­ge­reerd; maar het is eigenlijk juist heel klassiek. Hier zie je toch een prachtig voor­beeld hoe mensen, ook in deze tijd, geïnspireerd worden door de Hei­lige Geest om iets uit te beelden.

Gedenk uw Schepper

«Gedenk je Schepper in de dagen van je jongelingschap, zolang nog niet komen de dagen van het kwaad en jou bereiken jaren waarvan je moet zeggen: die bevallen me niet. Zolang nog niet duister wordt de zon en al het licht, de maan en de sterren en niet de wolken na de stort­­bui terug­keren. Ten dage dat de bewakers van het huis gaan bib­be­ren en de man­­nen, die alles vermochten, krom lopen. De meel­ma­kers staan te nik­sen, omdat ze met te weinig zijn en de vrouwen zelf ver­donkeren, die altijd uitzagen door de vensters»… (Pred.12 :1-3. Naardense Vert.). Spreuken is het boek, waar veel over de wijsheid wordt gezegd. Een punt van overweging in dit verband is, dat de mens graag alles onder controle wil hebben, alles wil beheersen. Omvat door de Naam van God. In Psalm 136 komt 26 keer het woord goedertierenheid voor. En 26 is het getal van de Naam van God. Dat zijn die vier letters J . . . , die dan als het ware het hele geheimenis aangeven van IK BEN, IK ZAL ER ZIJN. Zo heeft ook Genesis 4 26 verzen. Dat is het verhaal van Kaïn en Abel. En dat hele verhaal van die twee broeders wordt omvat door de Naam van God. Door die Naam is in feite alles gezegd. Dat is dan ook zo ver­troostend, dat er een punt kan komen, dat alles gezegd is. Dan hóef je ook niets meer te zeggen. Dan is er alleen nog maar het be­grij­pen en ook het begrepen wórden. De Gereformeerde oudvaders zeiden dan: “het ligt in God verklaard”.

De Wijsheid roept

In het prachtige hoofdstuk 8 van het boek Spreuken, gaat het over de wijsheid die gaat roepen. De mens gaat op weg om wijs te worden. Dat is de wijsheid, die gaat groeien in een mens. Je hebt dus de wijsheid als eindfase van een groeiproces. Maar je hebt ook de Wijsheid met een hoofdletter. Dat is de Wijsheid die jou omgeeft. Dat is de Wijsheid die er al was, voordat jij er was. Daar gebruikt de Hebreeuwse tekst zelfs een meervoud voor. Het He­breeuwse woord voor wijsheid is chokhmah. Je hebt ook de meer­vouds­­vorm, namelijk chokhmot. Dit laatste moet je niet met ‘wijs­he­den’ vertalen; dat chokhmot is eigenlijk een ‘pluralis majestatis’. Dat is die goddelijke Wijsheid. Je kunt het ook noemen een pluralis inten­si­ta­tus. Dat staat bijvoorbeeld in Spreuken 9: «De Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft haar zeven pilaren uitgehouwen» Spr.9:1. «De opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft hare zeven pilaren gehouwen» (SV).

De opperste Wijsheid’ zegt de SV dus; om aan te geven hier is iets wat uitgaat boven hetgeen wij kunnen bedenken, ver boven ons verstand, ons bidden en verwachten. Dat is die eeuwige Wijsheid, die goddelijke Wijsheid, zoals die van boven komt. Die Wijsheid was er al en daar gaat Spreuken 8 over zingen. «Roept de Wijsheid niet en verheft de Verstandigheid niet haar stem?»   Spr.8:1

Die Wijsheid heeft dus een stem. «Boven de hoogten aan de weg, daar, waar de paden samenkomen, is zij gaan staan,» v.2. «Op de spits der hoge plaatsen aan den weg, ter plaatse waar paden zijn, staat zij» (v.2 SV). Dus op de hoogten, ook op de kruispunten, de kruispunten van het le­­­ven. De hoogten, waar je uitzicht hebt, maar waar je soms ook de moei­­lijk­heden ervaart, de blokkades, daar waar de barrières van het leven zijn. Op de kruispunten, op de plaatsen waar je moet kiezen wel­­ke weg je in moet slaan. «aan de zijden van de poorten, aan de ingang der stad, waar men de poortdeuren binnengaat, roept zij luide» Spr.8:3. De poorten zijn hier de ingangen van je ziel, de entree. Alles wat bin­nen­komt in je hart, in je innerlijk. De ingang van de stad; het gaat hier om al­le indrukken, alle impressies. En aldaar roept de Wijsheid.

«Tot u, mannen, roep ik en mijn stem gaat uit tot de mensenkinderen»    Spr.8:4

«Rijkdom en eer zijn bij mij, duurzaam goed en gerechtigheid» v.18

«duurachtig goed en gerechtigheid»  (SV)

«Mijn vrucht is meer waard dan goud, ja dan gelouterd goud, mijn opbrengst meer dan uitgelezen zilver» (v.19). En dan komt er in de verzen 22-31 een schitterend lied op de Wijs­heid. Een prachtig lied op die voortijdelijke Wijsheid, de prehistorische Wijs­heid. Dat is toch ook heel troostrijk. Voordat alles er was, was die Wijs­heid er al. Die goddelijke Wijsheid heeft alles al vóór de schepping over­zien. Die Wijsheid omvat ook heel de wereldgeschiedenis. God zegt tegen ons: wees nu maar niet bang, want met Wijsheid is het begon­nen en met Wijsheid zal het eindigen. Je hebt dus de wijsheid met klei­­ne letter, daar ben je naar op weg. Maar je hebt ook de Wijsheid met een hoofd­letter, die was er reeds vanaf het begin en die zal uit­ein­delijk alles te­recht­bren­gen.

Het lied van de Wijsheid

22. De Eeuwige heeft mij gegrondvest als het begin van zijn weg. als voorste van zijn werken van weleer.

23. Van oertijd aan ben ik gewijd, Van de vroegte, van de voortijden der aarde.

24. Toen er nog geen oervloeden waren, zwaar van water

25. Voordat de bergen neerzonken, vóór de heuvels ben ik voortgebracht.

26. Toen Hij nog niet gemaakt had de aarde, de buitenwegen en de vroegste stoflaag van het vasteland,

27. Als Hij de hemelen vastzette, was ik daar. Als Hij een cirkel graveerde over de oervloed,

28. als Hij het zwerk daarboven vastzette, bevestigde, en sterk werden de bronwellen van de oervloed,

29. als Hij de zee haar grens zette, dat de wateren zijn bevel niet zouden overschrijden, als Hij de fundamenten der aarde graveerde, was ik er.

30. Ik was een vertrouweling naast Hem ik was er tot plezier dag aan dag spelend voor zijn aangezicht te allen tijd,

31. spelend op het vasteland van zijn aarde en mijn plezier was met de mensenkinderen. (eigen vertaling van Spr.8:22-31)

Het lied van de Wijsheid, zo mooi, zo vóór alle tijden. En dan zie je al die oervloeden, je ziet de aarde en het vasteland. Je ziet de chaos en de kosmos en je ziet wat er allemaal speelt in mensenlevens, waar ook heel wat chaos is, maar soms ook een beetje kosmos. Je ziet alle bui­ten­wegen en ook buitengebieden. En dan denk je: op welke buiten­we­gen wandelen wíj. In welke buitengebieden bevinden wij ons soms. Maar alomvattend is die wijsheid van Hém. Hij is daarvoor en daar­boven, daaromheen en daarbuiten. Op elke bui­­­tenweg, op elk bui­ten­gebied is Híj te vinden! Op wegen die geen mens bedenkt, wandelt Hij. Of dat nu melkwegstelsels zijn of de melk­wegen van het hart, of dat nu donkere plattelandswegen zijn, waar je soms vast kunt raken in de modder, of waar je niet meer weet hoe je terug moet komen. Soms loop je op het platteland van je ziel en je denkt: waar ben ik nu hele­maal? Je denkt: hoe kom ik ooit weer naar de stad? En zo staat het ook in Prediker: het probleem van de dwaas is, dat hij de weg naar de stad niet weet. «het zwoegen van de dwaas mat hem af, omdat hij de weg naar de stad niet weet» Pred.10:15. En dan voel je ook iets van de pijn van een mensenhart: kunt u mij de weg naar de stad vertellen, meneer. En waar is dan de zielenkenner, die de weg naar de stad weet? De weg naar het hart, de weg naar Je­ru­zalem; want uiteindelijk is er maar één stad. En al die andere ste­den daar kom je vandaan. Maar de Wijsheid bouwt haar huis.

Ik was een troetelkind

«toen was ik als een troetelkind bij Hem» Spr.8:30. Als een vertrouweling. Er zijn nogal wat vraagtekens over het woord, dat dan hier vertaald is met troetelkind. «toen was ik een voedsterling bij Hem» (SV). Hier staat in het Hebreeuws het woord ‘amon, wat ook werkmeester kan betekenen. Er zitten dus heel wat nuances in dat woord ‘amon. Het hangt ergens ook samen met het woord amen, de Getrouwe en Waarachtige. Chouraqui vertaalt het met Infante. Een infante is een erf­prins, een prinsenkind. «Ik was als een erfprins bij de Ko­ning» De SV heeft hier dus voedsterling; daar heb je dus het kind dat ver­zorgd wordt, dat gevoed wordt. Buber vertaalt hier met Pflegling; dat is dus ook een kind, dat verzorgd wordt. Als je al die vertalingen bij elkaar op­telt, heb je het Hebreeuwse woord. Het Hebreeuws past ge­woon niet in één vertaling. Een sleutelfunctie heeft hier het woord ‘amon. Van de vertaling van dit woord hangt veel af, omdat dit begrip de relatie beschrijft tussen God en de Wijsheid. Betekent ‘amon nu: lievelingskind, schootkind of werk­­meesteres? Er zijn de volgende moeilijkheden om ‘amon te voca­li­se­ren en te vertalen:

1. ‘Amon, opgevat als variant op ‘amman (of omgevocaliseerd ‘um­man), zoals het voorkomt in Hooglied 7:2. In onze vertaling: «Hoe schoon zijn uw schreden in de sandalen, vorstendochter! De welvingen van uw heupen zijn als sieraden, werk van meesterhanden» Hl.7:1. «Werk van meesterhanden» (NBG). «Schepping van een kunstenaar» (NBV). «Gemaakt door de handen van een meester» (Oussoren). De schrijfwijze ‘amon vinden we behalve in Spreuken 8:30, alleen nog in Jeremia 52:15, waar het meestal als leenwoord uit het Akkadisch wordt beschouwd: umm(i)anu, of ummanu (m): werkmeester, handwerker, kun­­ste­naar.

2. ‘Amon of ‘amun; dan is het een participium passivum qal; zo komt het alleen voor in Klgl.4:5 (in het meervoud) en het betekent: gesteund of gedragen. «Zij die lekkernijen plachten te eten, versmachtten op de straten; die op karmozijn waren verzorgd, omarmden de ashoop» (Klgl.5:4). Het wordt in Klaagliederen gezegd van kleine kinderen. Wanneer het woord dan zelfstandig gebruikt wordt, krijgt het de betekenis: zui­geling, schootkind. Net zoals het actieve deelwoord ‘omeen, opvoeder, wachter, voedster gaat betekenen.

3. ‘Amun of ‘emun: dit adiectivum wordt eveneens van de wortel ‘mn afgeleid. Het wordt met trouw of betrouwbaar weergegeven. Het komt voor in 2. Sam. 20:19; Psalm 12:2, Psalm 31:24 (en in Sirach 37:13). De substantivering van het adiectivum vindt men met de schrijfwijze ‘emun als trouw, betrouwbaarheid in Deut. 32:20; Jesaja 26:2; ook in Spreuken 13:17, 14:5 en 20:6.

4. P.A.H. de Boer leest ‘immon en leidt het woord af van ‘em, moeder. Dan zijn er twee vertalingen mogelijk:

a. Moederfunctionaris, dat wil zeggen: een raadgever, adviseur, coun­sellor; iemand die de functie van een moeder vervult.

b. Moedertje; een verkleinwoord: kleine moeder.

5. ‘Oomeen: een gesubstantieerd participium activum qal. Het komt voor in Num.11:12; 2 Kon.10:1 en 5; Jesaja 49:23 en Esther 2:7 in de bete­ke­nis: opvoeder, wachter, voogd, pleegvader.

6. ‘Oomeen, maar niet in de gesubstantiveerde betekenis; dan kan men het vertalen met: bindend, verenigend, vormgevend. Er komt ook een vrouwelijke vorm voor: ‘omènet; in 2 Sam.4:4 en Ruth 4:16: wachteres, pleegmoeder, verzorgster, verpleegster, voedster, ba­ker.

7. Himmon; dit betekent: onder snarenspel; infinitivus Niph’al van manan. Stecher verwijst daarbij naar Nahum 3:8. Wanneer we kiezen voor de vertaling: werkmeester, zijn er nog twee interpretaties denkbaar. Het woord kan een kwaliteit van de Wijsheid aanduiden of van God Zelf. Een oude berijming van Psalm 145 zegt tot de Here: «Een volmaakt Werkmeester zijt Gij». Gaster vertaalt het woord met: expert. De Septuagint wijst ook in deze richting; zij vertaalt: harmodzousa, dat is: zij die passend maakt, zij die samenvoegt, zij die verbindt, zij die vastzet, zij die vaststelt of ordent. Wijsheid van Salomo 7:21 en 8:6 heeft: technitis; de fem.vorm van tech­nitès (handwerksman), dus technitis is dan: ambachtsvrouw, des­kun­dige, vak-vrouw. Gerleman meent dat hier in de Septuagint en in de Wijsheid van Sa­lo­mo invloed te bespeuren is van de Stoa: het gaat om de harmonie in de gehele kosmos. Bovendien betekent harmodzousa strikt genomen niet werkmeesteres, maar: zij die samenvoegt of passend maakt. In het Akkadisch betekent ummianu of ummanu(m): geleerde, geldge­ver en ook handwerksman, vakman. Pas in het Rijksaramees gaat ‘aman betekenen: architect, beeldhou­wer. Wat betreft de vertaling troetelkind: Aquila, die een zeer letterlijke Griek­se weergave van de Tenakh maakte, heeft voor ‘amon: tithènou­me­nè. Tithèneoo betekent: verzorgen, verplegen (take care of, tend, nurse). Dus dan is het: zij die verzorgd of gekoesterd wordt. Zo vinden we het woord ook in Klaagl. 4:5. In Spreuken 8:30vv staat de Wijsheid centraal. God is alleen aanwezig in drie aanduidingen: naast Hem, voor zijn aangezicht, zijn aarde. De Wijsheid is degene die spreekt en speelt. Opvallend is, dat er tweemaal staat: wa’ ’ehjèh: en ik was. Dat herinnert aan Exodus 3:14, waar tweemaal klinkt: ‘ehjèh: Ik zal zijn. De Wijsheid heeft haar unieke identiteit, die gegrond is in de identiteit van God zelf. ‘Amon is in het Egyptisch: Amun, de Schepper-God.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410642 bezoekers sinds 07-06-2010