Saul te Endor

29-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

1Samuël 28.

In dit verhaal zal – naar mijn idee – meer aan de hand zijn dan alleen maar een spiritistische seance. Alle vormen van spiritisme worden in de Bijbel heel duidelijk veroordeeld. Daar kan God nooit achter staan, want dat is een heel andere wereld. Het Koninkrijk van God en het koninkrijk van de duisternis. Als het hier alleen om een seance zou gaan, kun je je de vraag stellen: waarom wordt dit dan zo uitvoerig beschreven? De Bijbel is er niet op uit om de werken van de duisternis uitvoerig te behandelen. Het heeft weinig zin om een seance uitgebreid te schilderen. Wat speelt er dan wél in dit verhaal?

In die dagen verzamelden de Filistijnen hun legers om een veldtocht tegen Israël te ondernemen. En Akis zeide tot David: Bedenk wel, dat gij en uw mannen met mij in het leger moeten uitrukken. Toen antwoordde David Akis: Goed, gij weet wel wat uw knecht doen moet. Daarop zeide Akis tot David: Dan stel ik u als mijn lijfwacht aan, voor altijd  (1Samuël 28, 1-2)

David zit daar in het land van de Filistijnen. Je krijgt hier dus een heel wonderlijke situatie: Saul is nog koning, de Filistijnen gaan strijden tegen Saul. David zit in het land van de Filistijnen en wordt nu gedwongen om met de Filistijnen mee te gaan doen. ‘Voor altijd’ staat er nog wel in vers 2.

Samuël nu was gestorven. Geheel Israël had over hem rouw bedreven en men had hem begraven in de stad Rama. En Saul had de dodenbezweerders en de waarzeggers uit het land verwijderd  (vers 3)

Dat sterven van Samuël was een heel belangrijk moment. Hij was de man geweest – om zo te zeggen – waar het hele volk op steunde. Alles stond of viel met Samuël. Saul heeft dus het occultisme uitgeroeid. Dat pleit voor hem; hij heeft opruiming gehouden. Het begin van Sauls regering was dus heel positief. Als er staat, dat Saul die dodenbezweerders en waarzeggers heeft verwijderd, blijkt daaruit wel, dat er kennelijk wel het één en ander was op te ruimen. Dat werpt dan wel een schril licht op die tijd. Zo erg zuiver was het dus blijkbaar niet in die dagen.

De Filistijnen verzamelden zich, rukten op en legerden zich bij Sunem. Saul verzamelde geheel Israël, en het legerde zich op Gilboa  (vers 4)

Vers 4 haakt weer in op vers 1. Dan komt het probleem:

Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, werd hij bevreesd en zijn hart beefde zeer  (vers 5)

Dat is vanuit zijn hele achtergrond en situatie ook wel te begrijpen. Hij werd bang; hij werd ook al bang in hoofdstuk 17, bij de confrontatie met Goliath.

En Saul vroeg de Here, maar de Here antwoordde hem niet, noch door dromen noch door de Urim, noch door de profeten  (vers 6)

Saul had vóór die tijd moeten luisteren naar Samuël. Toch zie je hier nog een positieve kant: hij vroeg de Here. Kennelijk is Saul wel op zoek naar God. Hij zoekt aan het goede adres; hij wil inderdaad God raadplegen. Alleen, de communicatie is verbroken: De Here antwoordde hem niet. En Saul heeft dat contact met God op allerlei manieren gezocht: dromen, Urim, profeten. Je kunt je dus wel voorstellen, dat Saul het benauwd krijgt.

Toen zeide Saul tot zijn dienaren: Zoekt mij een vrouw die geesten van doden kan bezweren; dan wil ik naar haar gaan en haar raadplegen. Zijn dienaren antwoordden hem: Zie, er is een vrouw die geesten van doden kan bezweren, in Endor  (vers 7)

Dan krijg je dus het moeilijke punt: Saul heeft ze eerst opgeruimd, en nu zegt hij: Zoek mij een vrouw die dat kan. Letterlijk: ‘een meesteres van geesten van doden’. De plaats Endor komen we tegen in Jozua 17:11, waar het gaat over de verdeling van het land.

In Issakar en in Aser behoorden echter ook bij Manasse: Bet-Sean en zijn onderhorige plaatsen, Jibleam en zijn onderhorige plaatsen, de inwoners van Dor en van zijn onderhorige plaatsen, de inwoners van ENDOR en van zijn onderhorige plaatsen, de inwoners van Taänak en van zijn onderhorige plaatsen, en de inwoners van Megiddo en van zijn onderhorige plaatsen: de drie heuvelstreken.

Al die plaatsen, die hier genoemd worden, hoorden dus bij Manasse. Nu blijkt er echter een probleem te zijn:

De Manassieten konden echter deze steden niet in bezit nemen, want de Kanaänieten slaagden erin in dat land te blijven wonen. Maar toen de Israëlieten machtig werden, brachten zij de Kanaänieten tot herendienst, doch zij verdreven hen niet geheel en al  (Jozua 17:12,13)

Ook de andere plaatsen, die in vers 11 genoemd worden, zijn in de geschiedenis van Israël van belang. Bij Megiddo werd onder andere in de tijd van Debora strijd geleverd. Megiddo is zelfs een naam, die in het boek Openbaring weer terugkomt: Harmageddon. Die naam betekent: ‘Berg van Megiddo’. Endor staat dus ook in dat rijtje; daar zijn dus die Kanaänieten blijven wonen. En dan blijkt, juist daar, in dat Endor, zich een vrouw te bevinden, die met de geesten van doden contact onderhield. Omdat de Manassieten niet in staat waren geweest die Kanaänieten te verdrijven, krijgt Saul te maken met een erfenis van zoveel geslachten terug. Het staat er niet uitdrukkelijk bij, maar het zou kunnen, dat die vrouw, waar Saul dan naar toe ging, een Kanaänitische is geweest.

Toen vermomde Saul zich, hij trok andere klederen aan en ging met twee mannen op weg. Toen zij in de nacht bij die vrouw gekomen waren, zeide hij: Wil mij waarzeggen met behulp van de geest van een dode, en laat mij opkomen die ik u noemen zal  (1Samuël 28:8)

Je ziet, dat hij er niet duidelijk voor uit durfde te komen. Hij vermomt zich en hij gaat in de nacht. Dan is het merkwaardig, dat die vrouw in eerste instantie afwijzend reageert.

Maar de vrouw antwoordde hem: Zie, gij weet, wat Saul gedaan heeft, dat hij de dodenbezweerders en waarzeggers in het land heeft uitgeroeid. Waarom spant gij mij dan een valstrik, om mij te doden? (1Samuël 28:9)

Hieruit krijg je toch de indruk, dat deze vrouw haar ambt niet meer wil uitoefenen.

Toen zwoer Saul haar bij de Here: Zo waar de Here leeft, om deze zaak zal geen schuld over u komen  (vers 10)

Hieruit zou je de conclusie kunnen trekken, dat hij niet los van God is: hij zweert haar ‘bij de Here’. En ook in vers 6: ‘En Saul vroeg de Here’. Hij zweert bij de Here; hier wordt zelfs de verbondsnaam gebruikt: Adonai. Hij beroept zich op de verbondsnaam. ‘Zo waar de Here leeft’. Je moet niet over zulke aanwijzingen in een verhaal heen lezen. Je moet hier ook niet te gauw zeggen: daar meende hij natuurlijk niets van. Dan ga je een verhaal weer zo gauw lezen met een vooroordeel. Eén van de dingen, die God ons wil leren, is juist, dat wij los komen van onze vooroordelen. Ook dat is een aspect van de genezing van een mens: onbevooroordeeld gaan zien naar jezelf en ook onbevooroordeeld gaan kijken naar de ander. Dat is ook iets wat we van Jezus kunnen leren: Hij prikte nooit iemand ergens op vast. Jezus heeft nooit mensen met een vooroordeel benaderd. Dat is ook één van de fundamenten van de Bijbel: bij God heb je altijd een open toekomst. God benadert de mens ook nooit met wantrouwen. God heeft altijd geloof in de mens. Dat is ook één van de belangrijkste dingen door de Bi]bel heen: God gelooft in mensen. Geloof hebben in God is schitterend, maar minstens zo mooi: God gelooft in mensen.

Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden, om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is  (Romeinen 3:25,26)

Vanuit de grondtekst kun je ook vertalen: die uit het geloof VAN Jezus is. Wij zijn immers ook voortgekomen uit het geloof van Jezus. Daarom is Hij ook die hele weg gegaan, omdat Hij in ons geloofde.

Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? Volstrekt niet! (Romeinen 3:3 e.v.)

Hier staat een woord, dat overal in het ‘Nieuwe Testament’ wordt vertaald met geloof. Je kunt hier dus ook vertalen: Als sommigen ongelovig geworden zijn, zal dan hun ongeloof het geloof van God tenietdoen? Zelfs als een mens op een gegeven moment zegt: ik zie het niet meer zitten, dan zegt God: maar Ik heb nog geloof in jou! God blijft dwars tegen alles in geloven in zijn plan. God blijft geloven in mensen, Hij laat Zich niet ontmoedigen.

om deze zaak zal geen schuld over u komen  (1Samuël 28:10)

Saul spreekt die vrouw dus vrij.

Daarop vroeg de vrouw: wie zal ik u laten opkomen? En hij antwoordde: Laat mij Samuël opkomen  (vers 11)

Saul heeft indertijd gefaald in het luisteren naar Samuël. Het merkwaardige is nu, dat hij toch zijn hele leven heeft terugverlangd naar Samuël. Daar zit een stuk heimwee in naar het begin. Dat is iets wat diep in ieder mens leeft: het heimwee naar dat zuivere begin. Zo was het begin en dat zou ik zo graag weer terug willen hebben. In wezen zit er in de Bijbel ook een enorm stuk psychologie verborgen. Dat is iets, waar we ook niet bang voor hoeven te zijn. Je zou kunnen zeggen: dat is ook het verlangen naar het kind in jezelf. Saul zou zo graag nog eens als een kind aan de hand van Samuël willen wandelen. Ik zou zo graag nog eens kind willen zijn en dan aan Samuël vragen: wat moet ik nu doen? Na al zijn falen wil hij zo graag nog eens een keer teruggaan achter zijn mislukkingen. In wezen leeft dat toch in elk mens, dat hij zo graag nog eens opnieuw zou willen beginnen. Saul heeft toch diep in zijn hart een enorme eerbied gehad voor Samuël, hij verlangt weer terug naar dat pure van het begin, toen alles nog goed was tussen Samuël en hem. Daarom denk ik ook, dat Saul hier niet een ordinaire oc­cultist is. Niet iemand die zegt: Als God dan geen antwoord geeft, ga ik maar naar de spiritisten. In wezen is het zijn laatste poging om de zuiverheid terug te vinden. Saul wist natuurlijk wel, dat spiritisme helemaal tegen Gods wil inging. Hij had de spiritisten tenslotte ook laten doden. Zijn gang naar Endor werd natuurlijk ook ingegeven door angst, door verwarring en radeloosheid. Alle andere deuren waren in Sauls gedachten gesloten.

Toen de vrouw Samuël zag, slaakte zij een luide kreet. En de vrouw zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij bedrogen? Gij zijt Saul zelf! (1Samuël 28:12)

Letterlijk: zij schreeuwde met een grote stem. Dat is merkwaardig. We moeten deze tekst ook als een sleutel zien in dit hoofdstuk. Waarom hebt gij mij bedrogen. Ze heeft de zaak ineens door! Zij schreeuwde; hier staat een woord, dat eigenlijk betekent: schreeuwen om hulp. Uit deze gang van zaken zou je mogen concluderen, dat dit niet zomaar een geest uit het dodenrijk was. Die vrouw had natuurlijk al heel wat in haar praktijk meegemaakt. Als het voor deze vrouw ‘normaal’ was geweest, dan had ze ook niet zo hoeven te schrikken. Dat zij hier zo schrikt en om hulp schreeuwt, zou je kunnen afleiden uit het feit, dat God op dat moment de hele zaak ‘doorkruist’. Je zou er in dit geval vanuit kunnen gaan, dat het hier om een gestalte gaat, die de echte Samuël uitbeeldt, en dat het hier niet gaat om een boze geest. Als je een ‘normale’ spiritistische seance hebt, krijg je te maken met boze geesten, die zich voordoen als de overledene. Als het hier dus ‘op de normale manier’ uit de geestenwereld was geweest, had die vrouw dat ook ‘normaal’ gevonden. Maar als dan plotseling die gestalte van Samuël verschijnt, krijgt die vrouw de schrik van haar leven. Dat heeft ze niet verwacht: ze krijgt het gevoel, dat het nu uit de hand gaat lopen. Dit kan zij vanuit haar beroep niet meer hanteren. Dan gaat ze ook plotseling het verband snappen: Nu ze Samuël ziet, moet ze ook aan Saul denken. Saul en Samuël hoorden immers bij elkaar!

Maar de koning sprak tot haar: Vrees niet; maar wat ziet gij? De vrouw antwoordde Saul: Ik zie een bovennatuurlijk wezen uit de aarde opkomen  (vers 13)

De vermomming heeft niet geholpen. Daarom staat er nu ook: ‘de koning’ en niet: ‘Saul’. ‘Een bovennatuurlijk wezen’. In het Hebreeuws staat: ‘Elohim’ en dat is het gewone woord voor god (God). Ze zegt dus: ik zie god (of: goden) opkomen. Dat bevestigt ook weer, dat het hier niet zomaar gaat om de geest van een dode, want daarvoor wordt altijd een heel ander woord gebruikt; dat zien we ook in de voorgaande verzen. Het is alsof God Zelf hier ‘opkomt’. En dan zou je de conclusie kunnen trekken, dat God hier Zelf de hele zaak in de hand neemt.

Daarop vroeg bij haar: Hoe is zijn gestalte? Zij antwoordde: Een oud man komt op, gehuld in een mantel. Toen begreep Saul dat het Samuël was, en hij knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer (vers 14)

Die mantel heeft aldoor zo’n rol gespeeld. Er loopt een hele lijn door het boek Samuël in verband met die mantel. Dat zien we eerst al in 1Samuël 2, waar moeder Hannah elk jaar een kleine mantel voor Samuël maakte. In de tweede plaats zien we, dat als Saul Samuël wil vasthouden, de mantel van Samuël afscheurt. In de derde plaats zien we, hoe David een stuk van Sauls mantel afsnijdt daar bij die spelonk. Iedere keer speelt die mantel dus een belangrijke rol. En hier komt dan een oude man op in een mantel. Toen begreep Saul, dat het Samuël was (vers 14). Toen Saul die mantel zag, begreep hij het. Op zich hoeft een ‘oude man in een mantel’ nog niet ze veel te betekenen. Er lopen wel meer oude mannen in mantels rond. Letterlijk staat er: toen herkende Saul, dat het Samuël was.

Daarna sprak Samuël tot Saul: Waarom hebt gij mij verontrust en mij laten opkomen? Saul zeide: Ik verkeer in grote nood: de Filistijnen strijden tegen mij, en God is van mij geweken. Hij antwoordt mij niet meer, noch door de dienst van profeten noch door dromen. Daarom heb ik u geroepen, opdat gij mij bekend zoudt maken, wat ik doen moet  (vers 15)

‘Ik verkeer in grote nood’. Letterlijk: het is mij zeer benauwd. En benauwdheid is weer één van die kernwoorden in de Bijbel. Vooral in de Psalmen komen we dat woord vaak tegen.

‘Opdat gij mij bekend zoudt maken, wat ik doen moet’. Dat herinnert letterlijk aan de tekst uit 1Samuël 10:8:

Gij zult u voor mij uit naar Gilgal begeven, en zie, ik zal tot u komen om brandoffers te offeren en vredeoffers te slachten. Zeven dagen zult gij wachten, totdat ik bij u kom en u te kennen geef wat gij doen zult.

‘Ik zal u te kennen geven wat gij doen zult’. En toen kon Saul niet wachten. En nu zegt Saul: ‘Wilt u mij te kennen geven wat ik doen moet?’

Toen sprak Samuël: Waarom raadpleegt gij mij; de Here is immers van u geweken en uw vijand geworden. De Here heeft gedaan, zoals Hij door mijn dienst gesproken had: de Here heeft het koningschap uit uw hand gescheurd en aan uw naaste, aan David gegeven. Omdat gij naar de Here niet geluisterd hebt en zijn brandende toorn over Amalek niet hebt doen komen, daarom heeft de Here u op deze dag dit aangedaan. De Here zal ook Israël met u in de macht der Filistijnen geven, en morgen zult gij met uw zonen bij mij zijn. Ook het leger van Israël zal de Here in de macht der Filistijnen geven (1Samuël 28:16-19)

Aan de ene kant zie je: de gevolgen komen, aan de andere kant zeg je: daar zit ook nog een glimp van troost in, namelijk: ‘morgen zul je bij mij zijn ‘. Morgen ben je bij mij, zegt Samuël. Dat houdt dan misschien wel in: in het dodenrijk, maar ‘het bij Samuël zijn’, daar zit toch iets positiefs in. In ieder geval: toch aan de goede kant van het dodenrijk. Die rijke man uit het verhaal van Jezus kon niet bij de arme Lazarus komen. Die rijke man zat dus duidelijk aan de verkeerde kant. Daartussen was een onoverbrugbare kloof (Lucas 16). De rijke man komt op een plaats van pijniging, waar hij dorst lijdt. En hij kan niet komen op de plaats waar Lazarus is. de Here …. en uw vijand geworden …. (vers 16) Dat is inderdaad een moeilijke tekst: de Here is uw vijand geworden. Dat hangt ook samen met wat er staat in vers 18: Saul heeft niet geluisterd en hij heeft de toorn over Amalek niet doen komen. Saul heeft zich toen opgesteld aan de kant van Amalek, althans hij heeft het leven van de koning van Amalek, Agag, gespaard. Hierbij moet je ook twee dingen onderscheiden: in zijn ambt werd Saul verworpen, hij kon geen koning meer zijn. Als mens heeft God Saul echter nooit verworpen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

397297 bezoekers sinds 07-06-2010