Satan als tegenstander

04-02-2013 door Joop Neven

Maar de toorn Gods ontbrandde, toen hij ging en de Engel des Heren stelde zich op de weg als zijn tegenstander”  {Num.22:22}.

“Zend die man heen….. opdat hij geen tegenstander van ons worde in de strijd” {1Sam.29:4}.

“David zeide: Wat heb ik met u te doen, zonen van Zeruja, dat gij thans mijn tegenstanders zijt” {2Sam.19:22}.

“Nu heeft de Here, mijn God, mij rust gegeven allerwege; er is geen tegenstander en generlei onheil” {1Kon.5:4}.

“En de Here deed een tegenstander tegen hem opstaan, Rezon, de zoon van Eljada… En hij was een tegenstander van Israël zolang Salomo leefde” {1Kon.11:23,25}.

“Stel een goddeloze als rechter over hem, een aanklager sta aan zijn rechterhand; voor het gericht gedaagd, ga hij als schuldige uit” {Ps.109:6}.

“Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen” {1Kron.21:1}.

Hierboven de teksten waar het woord “satan” in voorkomt, dat gewoon “tegenstander” betekent, zonder zijn karakter aan te duiden. De engel die Bileam in de weg stond was bijvoorbeeld zijn tegenstander. Het woord duidt in geen enkel geval een bovennatuurlijke vijand van God aan. Het is interessant te merken dat in Psalm 109 de tegenstander de functie bekleedt van een aanklager die aan de rechthand van de beschuldigde staat. Ook dit is een kenmerk van de satan in het N.T waar hij beschreven wordt als “de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God”{Openb.12:10}.

We vergelijken de woorden van 1 Kron.22:1 en 2 Sam.24:1: “Satan keerde zich tegen Israël en zetter David aan, Israël te tellen” met het verslag in 2Sam.24:1, waar staat: “De toorn des Heren ontbrandde weer tegen Israël: Hij zette David tegen hen op en zeide: Ga, tel Israël en Juda”. Hoe moeten wij deze twee passages verstaan? God brengt niemand in verzoeking. De meest voor de hand liggende verklaring is dat het hele volk Israël vervallen was tot nationale trots en zelfvertrouwen en dat God David gebruikte, beïnvloed als die was door dezelfde geest die onder zijn raadslieden heerste, om volk en koning een les te leren. Het vergelijken van deze twee passages geeft ons dus een voorbeeld van wat wordt bedoeld als God zegt dat Hij “onheil schept”. Zoals Hij later door Jesaja zegt: “Zie, Ik ben het, die de smid geschapen heb, welke het kolenvuur aanblaast en naar kunst het wapen vervaardigt, maar Ik ben het ook, die de verderver geschapen heb om te verderven”{Jes.54:16}. De “verderver” is hier de vijand die het wapen tegen Israël hanteert. Geen wapen dat tegen Sion gesmeed wordt zal op zichzelf iets uit kunnen richten omdat degenen die het gebruiken Gods schepselen zijn, en daarom alles wat zij doen onder Zijn leiding geschiedt. In overeenstemming met dit principe is het leger van Assyrië een bijl in Gods hand, een zaag die Hijzelf hanteert om Zijn volk te tuchtigen {Jes.10:5,6,15}. Welk volk heeft zoveel moeten lijden wegens ongehoorzaamheid als de Joden? En toch maakt Deuteronomium 28 duidelijk dat het God is die deze vloek over hen brengt.

Omdat het onmogelijk voor ons is om dit alles in dit leven te begrijpen, willen de mensen de verantwoordelijkheid van het kwaad in de wereld liever op de schouders van een bovennatuurlijke duivel leggen, maar zij zien niet in dat het probleem op deze manier toch niet wordt opgelost. Als wij ons genoodzaakt voelen een duivel in te schakelen als antwoord op de vraag, waar het kwaad vandaan is gekomen, dan zitten we met de nog moeilijker vraag: waar is de duivel dan vandaan gekomen?

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

383935 bezoekers sinds 07-06-2010