Rouw bij de komst van de Messias

06-10-2010 door Aren van Waarde

Volgens het Nieuwe Testament zal er bij de komst van de Messias een rouwklacht worden aangeheven. In de proloog van het laatste bijbelboek vinden we de plechtige verzekering: “Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken, en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen” (Openb.1:7). Het woord, dat in dit vers voor “weeklagen” wordt gebruikt, heeft betrekking op de weeklacht die men aanheft over een gestorvene. Zo “klaagden” de vrouwen in het huis van Jaïrus, nadat diens dochtertje was overleden (Luk.8:52). Ook de vrouwen, die Jezus volgden naar de heuvel Golgotha, beklaagden Hem omdat Hij op weg was naar Zijn executie (Luk.23:27). En zo zullen de kooplieden der aarde rouw bedrijven bij de val van Babylon. Omdat hun handelspartners bij die gebeurtenis zijn omgekomen (Openb.18:9). De tweede passage betreffende een rouwklacht is te vinden in het evangelie van Mattheüs: “En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid” (Mat.24:30). De grondtekst gebruikt voor “op de borst slaan” hetzelfde woord als voor “weeklagen” in Openb.1:7. Het gaat om een uiting van smart en van rouw.

Duiding

Binnen de christelijke kerk heeft men deze klacht doorgaans negatief opgevat. Typerend zijn de volgende commentaren (bij Openb.1:7): “Gelijk de duivelen geloven en sidderen, zo zullen de kinderen der mensen ten dage des gerichts sidderen en rouw bedrijven, zonder dat dit het ware berouw is en de rechte boete wegens hun euveldaden” (E.W.Hengstenberg). “Dit is niet het rouwbedrijven van berouw, maar van hopeloosheid… De uitdrukking ‘weeklagen’ ziet op… wanhoop. De ongelovigen zullen zich verbergen in de spelonken en rotsen der bergen en zullen zeggen: Valt op ons” (W.Hendriksen). “Hier zijn deze woorden geen uitdrukking van berouw, maar hebben betrekking op het komende gericht… Ze zullen de Rechter der wereld als de Gekruisigde zien komen en de diepte van hun schuld moeten erkennen. Alle stammen der aarde, d.w.z. de ongelovige heidenen, zullen weeklagen. Zij allen moeten voor het gerecht verschijnen, en de Gekruisigde zal als de Here het oordeel vellen” (E.Lohse). “Wie Hem met hun ongeloof hebben doorstoken zullen Hem uiteindelijk herkennen, en weeklagen omdat ze de kans om behouden te worden voorgoed hebben gemist” (M.Wilcock). Mattheüs en Johannes zouden dus over wroeging hebben gesproken. Ongelovigen zullen jammeren van spijt, dat ze zich niet eerder hebben bekeerd. Want wanneer Jezus eenmaal op de wolken des hemels verschijnt, dan is de kans om behouden te worden voorgoed verkeken. Aldus de christelijke visie.

Aarde of land?

De verwijzing naar de rouwende stammen heeft iets dubbelzinnigs. We zouden kunnen vertalen: “alle stammen der aarde” (aldus b.v. het NBG), maar ook “alle stammen van het land” (aldus b.v. Voorhoeve). Wie voor de eerste vertaling kiest, veronderstelt dat Mattheüs en Johannes de mensheid op het oog hadden. Wie de grondtekst op de tweede manier weergeeft, meent dat zij spraken over Joden. In het Nieuwe Testament heeft het woord “stam” doorgaans betrekking op de nazaten van Jakob of van Jozef. We lezen over de “twaalf stammen van Israël” (Mat.19:28, Luk.22:30), “alle stammen van de kinderen Israëls” (Openb.7:4-8), “de twaalf stammen der kinderen Israëls” (Openb.21:12) en “de twaalf stammen in de verstrooiing” (Jak.1:1). Sommige stammen worden met name genoemd, zoals Aser (Luk.2:36), Benjamin (Hand.13:21, Rom.11:1, Fil.3:5) en Juda (Heb.7:13-14, Openb.5:5). In Openb.7:5-8 vinden we zelfs de namen van twaalf verschillende stammen. Op grond van dit nieuwtestamentisch spraakgebruik kiezen velen voor de weergave “alle stammen van het land”. In enkele teksten heeft het woord “stam” echter betrekking op niet-Joden. Over passages als Openb.5:9, 7:9 en 11:9 kan men nog twisten. Het is mogelijk om het woord “stammen” ook hier te betrekken op Israëlieten. Joden zijn immers over de hele aarde verstrooid en hebben onder alle volken gewoond. In Openb.13:7 en 14:6 is er echter onmiskenbaar sprake van niet-Joden. Aan het beest zal macht worden gegeven “over elke stam en natie en taal en volk”, terwijl het eeuwig evangelie gedurende die benarde tijd ook aan “alle volk en stam en taal en natie” zal worden gebracht. “Stam” is in deze teksten de aanduiding van een kleinere eenheid binnen een taalgebied of een volk. De meeste Afrikaanse landen worden bijvoorbeeld bewoond door meerdere, onderling soms sterk van elkaar verschillende, stammen. Hetzelfde geldt voor een land als India.

Citaat of niet?

Wie een negatieve verklaring geven van de rouwklacht in Openb.1:7 en Mat.24:30, schenken doorgaans geen aandacht aan het feit, dat in deze passages de profeet Zacharia wordt geciteerd. Sommige uitleggers menen echter, dat Johannes en Mattheüs weliswaar materiaal aan Zacharia hebben ontleend, maar aan dat materiaal een totaal nieuwe betekenis hebben gegeven, zodat er van een letterlijk citaat geen sprake is. In Zach.10:12 staat: “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem [Statenvertaling: Mij] aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als een rouwklacht over een enig kind, ja zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene”. In de volgende verzen (Zach.12:11-13) wordt over de stad Jeruzalem gesproken en over het Joodse land, dat zal weeklagen: alle geslachten afzonderlijk, mannen zowel als vrouwen. Volgens Zacharia zal de rouwklacht in het land Israël plaatsvinden, terwijl alle inwoners van dat land aan de rouw zullen deelnemen. De rouwklacht die de profeet beschrijft is géén wroeging vanwege een voorgoed gemiste kans. Zijn Godsspraak begint immers met de woorden: “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden”. Ze eindigt met de verzekering: “Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging”. De rouwklacht waar Zacharia het over heeft, is een vrucht van de uitstorting van Gods Geest en leidt tot afwassing van zonden. In dit verband worden de zonden van afgodendienst en van valse profetie met name genoemd. Na Israëls rouwklacht zullen die voorgoed uit het land verdwijnen (zie Zach.13:1-6). Israël zal rouw bedrijven vanwege het feit dat men een onschuldige (volgens de grondtekst de Here zelf) heeft doorstoken. Men zal verdrietig zijn vanwege een misdaad die men in het verleden heeft begaan, maar dat verdriet zal positieve gevolgen hebben. De boodschap van Zacharia staat daarom haaks op de uitleg, die in christelijke kring van Openb.1:7 en Mat.24:30 wordt gegeven. Want volgens de meeste commentaren zal de rouwklacht bij de komst van de Messias uitmonden in eeuwig wee.

Andere betekenis?

De vraag die in dit verband op ons afkomt is de volgende: Hebben Johannes en Mattheüs aan de woorden van Zacharia een nieuwe betekenis gegeven? Kondigde Zacharia “berouw en bekering” aan, terwijl dit in het Nieuwe Testament is veranderd in “geween en tandengeknars”? Had Zacharia het Joodse volk op het oog, maar beoogden de latere schrijvers de hele mensheid? Om met die laatste kwestie te beginnen: Uit de evangelietekst blijkt, dat Jezus in Zijn toespraak – net als de profeet Zacharia – het Joodse volk op het oog had. Wie de grote lijn van Zijn rede over de laatste dingen in ogenschouw neemt, zal inzien dat de lezing “alle stammen der aarde” moet worden verworpen. De Here sprak over de afstammelingen van Jakob en niet over de Bantoes in Afrika of de Mizos in India. In Mat.24:30 kondigt Hij aan, dat er bij Zijn wederkomst een rouwklacht zal plaatsvinden. “Alle stammen” zullen zich op de borst slaan, omdat ze “het teken van de Zoon des mensen hebben zien verschijnen aan de hemel”. Wanneer die rouw eenmaal is begonnen, zal de Zoon des mensen komen op de wolken, “met grote macht en heerlijkheid”. Hij zal “Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal [de klank van de sjofar] en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste des hemels tot het andere” (Mat.24:31). Uit vers 31 blijkt, dat de christelijke interpretatie van “zich op de borst slaan” onjuist is. De passage staat niet in het teken van onheil, maar van heil. Israël zal zich in grote verdrukking bevinden (vs.21,29) en eindelijk de langverwachte Messias zien verschijnen. Het eerste wat die Messias doet, is “Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken”. Het gaat om de definitieve opheffing van de diaspora van het Joodse volk, door een rechtstreeks ingrijpen van de Here (vgl. Deut.30:4, Jes.27:13). Bij Zijn komst zal Hij het oordeel van de verstrooiing definitief herroepen (vgl. Zach.2:6). “Alle stammen van het land” staan in Jezus’ redevoering tegenover “Zijn uitverkorenen uit de vier windstreken”. Joden in het land tegenover Joden, die zich buiten het land bevinden. Bijvoorbeeld omdat ze nog nooit naar Israël waren teruggekeerd, of omdat ze tijdens het regime van de antichrist op de vlucht waren geslagen (vgl. Mat.24:15-20). Zowel Zacharia als Mattheüs plaatsen de rouwklacht binnen een kader van heil. Beide geschriften spreken ook over het land Israël. In Mat.24 wordt de stad Jeruzalem genoemd en de heilige plaats [d.w.z. de tempelberg], het land Judéa met haar bergen, en inwoners die de sabbat houden (vs.15-21). De rede van de Here heeft betrekking op Israël, en niet op enig ander land.

En Openbaring dan?

Heeft de schrijver van het laatste bijbelboek de aard van de rouwklacht dan veranderd? Hij zag immers, hoe ongelovigen uit de volken op de dag des Heren tegen de bergen zullen zeggen: “Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam”? (Openb.6:16). Inderdaad heeft Johannes over ontzaglijke natuurverschijnselen gesproken, die de mensheid geweldige schrik zullen aanjagen. Het is echter de vraag, of Openb.1:7 en 6:16 op dezelfde gebeurtenis betrekking hebben. Mijns inziens is dat niet het geval. Als Johannes in Openb.1:7 over het “weeklagen van de stammen” spreekt, dan betreft het een heilsfeit waarnaar hij uitziet. De schrijver verlangt met heel zijn hart naar de komst van Jezus op de wolken en de daarmee gepaard gaande rouw van de stammen. Zodra de weeklacht wordt vermeld, laat hij erop volgen: “Ja, amen!” De ziener gebruikt een tweemaal herhaalde, krachtige bevestiging. In het Nederlands zouden wij zeggen: “Jazeker, zó zal het zijn!” Johannes denkt niet: “Laat de Here nog maar een poosje wegblijven, want als Hij eenmaal komt, dan is het voor de mensheid definitief te laat”. Integendeel, de profeet ziet met brandend verlangen uit naar de komst van de Messias. Aan het eind van zijn boek vinden we de bede: “Amen, kom, Here Jezus!” (22:20). Uit het slot van Openb.1:7 blijkt, dat de rouw van de stammen ook hier in heilbrengende zin wordt opgevat. De ziener van Patmos plaatst hun klacht in een positief kader, evenals Zacharia en Mattheüs. De meeste bijbelvertalers hebben Openb.1:7 als volgt weergegeven: “elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem hebben doorstoken, en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen”. Door het woordje kai met “ook” te vertalen wordt de indruk gewekt, dat de groep mensen waarbinnen “elk oog” Christus zal zien, een grotere is dan de groep die Hem heeft doorstoken. Het voegwoord kai kan echter met evenveel recht als “namelijk” worden weergegeven. Dikwijls staat het aan het begin van een bijzin, die bedoeld is om het voorafgaande te verduidelijken. Sommige vertalers geven Openb.1:7 daarom als volgt weer: “elk oog zal Hem zien, zij namelijk die Hem hebben doorstoken, en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen”. Als zulke vertalers het bij het rechte eind hebben, dan zal de groep mensen waarbinnen elk oog Christus ziet, uit “alle stammen van het land” bestaan, dezelfde stammen die eens de Messias hebben doorstoken. In dat geval is er tussen Zacharia en Johannes geen enkele vorm van tegenspraak.

Troostrijk

Zo opgevat is Openb.1:7 een troostrijk vers. Israël heeft eens geroepen: “Weg met Hem! Kruisig Hem! Wij hebben geen koning dan de keizer!” (Joh.19:15). De twaalf stammen verwierpen hun Messias en lieten Hem aan het kruis nagelen, wat ertoe leidde dat Hij werd doorstoken en dat de basis voor de vervulling van Zacharia’s profetie werd gelegd (Joh.19:31-37). Toch zal diezelfde Messias eens naar Zijn volk terugkeren. Dan zal men Hem begroeten met de bede: “Gezegend is Hij die komt in de naam des Heren!” (Mat.23:39). Het lijkt ongelofelijk, maar het zal beslist gebeuren. God heeft het immers beloofd! Hij is “de Alfa en de Oméga, die is en die was en die komt, de Almachtige” (Openb.1:7-8). Hij verkondigt vanaf het begin de afloop, en werkt in alles naar de raad van Zijn wil (vgl. Efe.1:12). In Openb.1:1 wordt gezegd, dat God aan de Messias een openbaring heeft gegeven, die Deze “door de zending van Zijn engel aan Zijn dienstknecht Johannes te kennen heeft gegeven”. Wanneer wij dit vers lezen, dan vragen we ons af, waarom de engel wordt vermeld. Is het belangrijk om te weten, dat er tussen de Here en Johannes sprake was van een tussenpersoon? Had Jezus niet rechtstreeks tot Zijn “slaaf” kunnen spreken? Voor Joodse lezers is de vermelding van de engel echter vol van betekenis. Israël heeft Gods wet immers “door beschikking van engelen” ontvangen (Hand.7:53, Gal.3:19, Heb.2:2). Door “Zijn engel te zenden” laat de Here zien, dat Hij “zóveel machtiger is geworden dan de engelen als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft” (vgl. Heb.1:4 e.v.). De boodschap, die de hemelse Messias aan Zijn slaven zendt, heeft net zoveel gezag als de wet van Mozes, waaronder elke ongehoorzaamheid rechtmatig werd bestraft (Heb.2:2). Aan de Openbaring mag dan ook niets worden toegevoegd en er mag niets vanaf worden genomen. Dat is een kwestie van leven en dood (Openb.22:18-19). Uit de lofzang die Johannes aanheft nadat hij de eretitels van de Messias heeft vermeld (1:5) blijkt eveneens, dat hij Joodse lezers op het oog had. De ziener roept uit: “Hem die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door Zijn bloed – Hij heeft ons namelijk tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader gemaakt – Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen!” (1:5-6). De woorden “tot een koninkrijk en tot priesters” worden doorgaans op de christelijke gemeente betrokken. Nu is het zeker waar dat de Here Zijn Lichaam liefheeft (vgl. Efe.5:29) en dat Hij dat Lichaam heeft verlost door Zijn bloed (vgl. Efe.1:7). Maar de belofte dat een natie een koninkrijk van priesters mag zijn, is aan Israël gegeven (vgl. Exo.19:6). Tijdens de oudtestamentische geschiedenis is die belofte nog nooit in vervulling gegaan. In de messiaanse tijd zal ze werkelijkheid worden (Jes.61:6). Messiasbelijdende Joden, “de vreemdelingen in de verstrooiing” (1 Pet.1:1) werden eens als “levende stenen ingevoegd in een geestelijk huis” om een “koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk [Gode] tot eigendom” te vormen (1 Pet.2:5,9). In de toekomst zullen ze als zodanig gaan fungeren. Dán zal het “huis” zijn voltooid. Na de “eerste opstanding” zullen deze heiligen als “priesters van God en van Christus” beginnen te regeren (Openb.20:6, vgl. Dan.7:18,22,27; Heb.2:5 e.v.). De rouwklacht van de stammen (1:7) markeert het begin van de toekomstige onderwijstaak van Israël. In de komende eeuw zal de wet van Jeruzalem uitgaan (Jes.2:3) De volken zullen van jaar tot jaar naar de heilige stad optrekken om er het Loofhuttenfeest te vieren (Zach.14:16-19). Israëlieten wier hart verbroken is en die Gods genade persoonlijk hebben ervaren, zullen dan met Christus mogen regeren.

Besluit

In christelijke commentaren wordt ten onrechte een wig gedreven tussen het Oude en het Nieuwe Testament. De Schrift kan niet gebroken worden. Zacharia, Mattheüs en Johannes hadden dezelfde gebeurtenis op het oog, met dezelfde betrokkenen en hetzelfde eindresultaat. De vervangingstheologie heeft de ogen van de meeste christenen helaas verblind. Een hoopvolle profetie werd daardoor als een aankondiging van doem opgevat.

[Dit artikel werd gepubliceerd in het blad Profetisch Perspectief, 7e jaargang, no.33, pag.10-13, 2001.

De inhoud is gebaseerd op het Zachariacommentaar van de messiasbelijdende Jood David Baron.

Zie Baron,D. The Visions and Prophecies of Zechariah, the Prophet of Hope and Glory. An Exposition.

1 comment on “Rouw bij de komst van de Messias”


  1. Brenda Haveman says:

    Lieve mensen,

    Complimenten voor jullie website!

    Ik Verspreid Liefde en Positieve Energie.

    Liefs en Kus,

    De Ene Messias,

    Brenda.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406063 bezoekers sinds 07-06-2010