Romeinen brief

04-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Paulus schreef Grieks, maar hij dacht Hebreeuws. Dat is eigenlijk zo met al die schrijvers: Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. Dat hele Nieuwe Testament, zoals wij dat plegen te noemen. Zelf spreek ik liever over het tweede deel van de Bijbel, dat is dan wel in het Grieks geschreven, maar de schrijvers dachten Hebreeuws. Want dat Hebreeuws dat was hun voedingsbodem, hun moedertaal, hun vaderland. Daar leefden ze in en daar leefden ze uit. Dat was hun hele­maal met de paplepel ingegoten: het Hebreeuws of Aramees. Dat zijn broertje en zusje. Dus als je het Grieks van Paulus tegen het licht houdt, dan zie je het Hebreeuws er nog doorheen. Deze mensen schreven doorschijnend Grieks. Dus af en toe moet je het even tegen het licht houden, dan denk je: hé, alsof je er zo doorheen kunt kijken. Af en toe heb je het gevoel, ja, je gaat het helemaal terugver­talen en dan kom je ook bij die wortels waar Paulus ook uit ­leefde, bij die bronnen. Dat willen we met elkaar proberen: terug naar de bronnen. Dat is voor een kind van God heel belangrijk, om te weten uit welke bronnen je leeft. Dus bij Paulus zie je dat ook, dat Grieks is eigenlijk alleen de buitenkant en het Hebreeuws is de binnenkant. Dan ga je iets ontdekken van het hart. Dat treft mij altijd zo, maar ik weet niet of het u opgevallen is, maar juist uit die brieven van Paulus hebben ze zoveel “leer” gehaald, allemaal leerstellingen.  Dogmatiek en dan vaak heel starre, strakke dogmatiek en daar­aan werd je dan gemeten. Dan werd er gekeken of je wel “zuuver” in de leer was, ortho­dox. Terwijl het Joodse denken veel meer vraagt: ben je orthoprax, ben je recht in de daad? Hoe leef je, wat is de praktijk? Je kunt allemaal prachtige theorieën hebben, maar als het geen praktijk is, dan heb je er nog niet veel aan. Dan zit je hoog in de boom, maar verder heb je niet zoveel. Henk Abma zegt dat ergens zo mooi: toen Paulus dat allemaal ging schrijven toen was het allemaal nog nieuw, toen zat er leven in en het was sprankelend en je hoorde er iets nieuws in. Zo van nou die man heeft iets ontdekt; hij is ergens verrukt van; hij is laaiend enthousiast en dat wil hij vertellen: Mensen dit moet weten iedereen. En toen later zegt – Henk Abma – toen hebben ze die woorden van Paulus eigenlijk helemaal vanuit dat oorspronkelijke Hebreeuws vastgelegd in het Grieks en toen ook nog gesteven in het Latijn. Hele porties stijfsel er over heen, weet je wel zoals vroeger moeder de vrouw de was deed. Dan ging er een hele pot stijfsel bij en dan had je op het laatst een overhemd dat kon staan; een zelfstandig overhemd zogezegd. Je had dan geen knaapje meer nodig, die overhemden stonden zèlf. Zo hebben ze dat vaak met de woorden van Paulus ook gedaan. Die woorden zijn vaak door dat Grieks heen gegaan en door het Latijn heen; en dan was de beweging eruit. En dan zegt – Henk Abma – in het begin was het een karrenspoor; die brieven van Paulus. Weet je wel zo’n karretje dat op de zandweg reed en dan kon je door dat spoor gaan met je huifkar en je ging lekker door dat zand en dat ging niet zo vlug, maar je kwam er wel. Maar later toen kwamen er verharde wegen: naar Wittenberg – Luther en naar Genève – Calvijn. En toen dacht ik: dat is eigenlijk een heel typerende uitdruk­king “verharde wegen”. De wegen werden keihard. Het hart was er uit. En vandaag de dag hebben we ook allemaal van die verharde wegen. En dan denk je: dan kunnen we lekker opschieten; je kunt dus in de file staan. Je denkt: dan zijn we vlugger bij elkaar; maar mensen zijn vaak nog nooit zo eenzaam geweest als vandaag de dag met al die verhar­de wegen. Mensen zijn vaak zo alleen, mensen vaak met hun verdriet en hun tranen en dan kun je iemand wel een heleboel dogmatiek in z’n maag splitsen, maar wat heb je daaraan? Er waren verharde wegen – zegt Henk Abma – en tenslotte kwam er ook nog een tolweg: naar Auschwitz. Naar al die concentratie kampen en daar moest je tol betalen en die tol was heel hoog. En soms hebben ze met de brieven van Paulus in de hand elkaar om de oren geslagen. Zo van ja, daar kun je klappen mee uitdelen, daar kun je een ander mee gaan verketteren.  En zeggen:  óf jij hebt gelijk óf ik heb gelijk, óf jij eruit óf ik eruit. En ja, zo zijn de brieven van Paulus heel vaak misbruikt en hebben de mensen hebben die brieven voor hun karretje gespan­nen door te zeggen: hier hebben we de ware leer. En daarom is het goed die brieven van Paulus dan weer helemaal opnieuw te gaan horen, opnieuw te gaan lezen. Ik heb wel eens gezegd: weet je wat voor mij een sleutel gewor­den is. Paulus was een mens. Dat wordt vaak vergeten. Paulus was dóór en dóór een echt mens. Dat vind ik zo mooi als ik op een gegeven moment aan het eind kom van de 2e Timotheüs brief – die gaan we nu dus niet behan­delen – maar dat is zo’n beetje het “testament” van Paulus, dat is zijn laatste brief. En dan zegt hij in 2 Tim. 4:13 “breng dan de mantel mede, die ik bij Tróas bij Carpus liet liggen” en een paar verzen verder zegt hij: 2 Tim. 4:21 “Doe uw best vóór de winter te komen”

En dan denk ik, daar zie ik niet de stoere dogmaticus, de man die steeds maar bezig geweest is leerstellingen op te stellen. Maar daar zie ik een echt mens. Hij zegt: het wordt straks winter, en dan is het zo koud, kun je voor die tijd nog even m’n mantel brengen. Want anders zit ik zo te rillen van de kou. En dan denk ik: Paulus in z’n menselijke kant en dat wordt zo vaak vergeten. Want ik geloof: God doet niet in leerstellingen, maar God doet in mensen. En zo wil ik ook de Romeinen brief met u gaan bekijken: ook vanuit die menselijke kant, want ik vond dat zo mooi: Ik las vandaag over een predikant bij ons in Noord-Holland, dat is al jaren geleden, die heette Schermerhorn. Dus even een verhaal tussendoor, want ik ben altijd dol op verha­len, want ik denk: daar leef je van. En die Schermerhorn, dat was een unieke man. Hij stond bij ons in Nieuwe Niedorp en hij heeft daar meer dan dertig jaar gestaan.  Dat was ergens aan het begin van deze eeuw. En hij schrijft op een gegeven moment een heel stuk over: “mijn geloof”. En dan zegt hij: ik kan en ik wil niet geloven in een God die zo wreed is; mijn hart en mijn verstand verzetten zich beide. Hij zegt: ik geloof niet in een God die mensen allerlei dingen aandoet; er wordt zo ontzettend geleden in deze wereld. Mijn lieve moeder sterft na een bijna ondraaglijk lijden van vele jaren. Heeft God haar dit aangedaan? Is het God die over zovele miljoe­nen mensen die zee van stoffelijke en zedelijke ellende uitstort? Hij zegt: dat denk ik niet; zo is God niet, God is zo anders. Ik zeg wel eens je zou boven de hele bijbel drie woorden kunnen zetten: God is anders! Ja, God is zo anders dan wat er vaak van gemaakt wordt; Hij is zo anders dan alle machten en alle goden. Hij is de gans andere; deze God Hij heeft een hart; Hij heeft een hart voor mensen. Ik ga een tekst lezen uit Rom. 1, om er even in te komen. Dat is eigenlijk wel prettig bij de Romeinen brief, dat er heel duidelijk bij staat wat de kern van de brief is. Moet je maar eens kijken bij Rom.1:16; dan staat in de N.B.G. vertaling er zo netjes boven: “de kern van de brief”. Dat kan niet missen, wat dat betreft kun je niet verdwalen. En wat is nu de kern van de brief? En dan zegt Paulus: Rom. 1:16 “Want ik schaam mij het evangelie niet” Maar het was een mooie ontdekking dat je het toch eigenlijk een klein beetje anders kan verta­len. Het is niet zozeer “ik schaam mij het evangelie niet”. Het is eigenlijk meer passief; ‘ik word niet beschaamd met het evangelie’. Met dat evangelie kom ik niet beschaamd uit. En ik dacht toen: dan is het voor mijn gevoel veel mooier. Dan ligt de nadruk niet zo zeer op mijn activiteit. Want deze tekst wordt heel vaak gebruikt, eigenlijk altijd in de zin van: mensen wees vrijmoedig, bazuin het overal rond, want Paulus schaamde zich ook niet voor het evangelie. Dan denk ik, dat is wel waar, maar dit gaat dieper. Paulus zegt hier: met dat evangelie kom ik niet bedrogen uit. Dus het is de moeite waard. Dit verhaal van God, dit verhaal van Jezus, daar kan ik mee léven. Het is net als je op zee bent, en je hebt dan een prachtige boot, misschien een rubberboot of zo, en je laat je zakken op die rubberboot en je komt tot de ontdekking dat die boot blijft drijven, daar zak ik niet doorheen. Daar kom ik niet beschaamd mee uit. Dus Paulus zegt hier eigenlijk: dat evangelie van God daar zak ik niet door heen; ik heb grond onder m’n voeten. Dan zit ik stevig, dan zit ik goed. Dat is om dat met de woorden van dat lied te zeggen: “ik heb de vaste grond gevonden waarin mijn anker eeuwig hecht. En een recente vertaling zegt het ook zo mooi: ‘ik sta geheel achter dit verhaal’. Daar sta ik helemaal achter. Paulus zegt: hier ben ik het helemaal mee eens, want, zegt hij dan verder:

Rom. 1:16b “Want het is een kracht Gods tot behoud”

Kracht van God – dunamis – dynamiek van God, daadkracht van God en dan staat er “tot behoud”. En “behoud”  dat is toch wel be­langrijk: Ja, in dat woord daar zit alles in. Dat is niet alleen dat je gered wordt, maar ook dat je verlost wordt, dat je bevrijd wordt. Dat is eigenlijk het hele heils­plan van God; dat is “heel” worden, “hersteld” worden. Het Hebreeuwse grondwoord dat is jasjaen jesjuah Dat betekent bevrijding. Oh, dat is het allemaal. Dus Paulus zegt dat evangelie, daar zit het allemaal in. Ik heb wel eens gedacht – moet je je eens voorstellen -: wij hebben dat Woord, de Bijbel, dat Woord van God en weet je eigenlijk wel wat daar allemaal inzit? In dat Woord van God daar zit de hele herschepping in. De hele herschepping. Dat God zegt: “Ik ga alle dingen nieuw maken” (Openb. 21:5). Wat in Hand. 3:21 genoemd wordt:  “de wederoprichting aller dingen” Dat zit allemaal in dat Woord. En dat gaat er ook uit komen, want wat God er in gelegd heeft, dat komt er ook uit. Het kan lang duren, of het kan kort duren, maar het komt eruit. Dat is een grondwet bij God: wat erin zit, komt er ook uit! Dat vergeet ik nooit van iemand van een leermeester, die zei altijd: ‘je moet maar gewoon dat Woord hebben; want wat erin zit, dat komt er ook uit. Dat kan niet missen.’ Als God iets in dat Woord legt, dan zal dat Woord niet ledig weerkeren (Jes. 55:11). God zegt niet nu stop Ik tien dingen in het Woord en er komen er maar drie uit. Nee, als God er tien dingen instopt, komen er ook tien dingen uit. En als God in dat woord stopt, in het Grieks die ‘apokatastasis pantoon’, die ‘wederoprichting aller dingen’, dan komt dat eruit ook; al moet de onderste steen boven komen. Maar het komt eruit. Want daar heeft God ook Zijn hart aan verpand. Dat wordt zo vaak vergeten: God heeft een hart. God is niet een God die zegt: Ik werk op de klok; en op een gegeven moment dan is de tijd om en dan kappen we ermee. God zegt: Ik ga net zo lang door; want God kijkt niet op de klok; God kijkt naar de mensen. God vindt mensen belangrijker dan de tijd. En als het nodig is ter wille van de mensen, dan gaat Hij de tijd een beetje rekken; tijd is elastiek.

Of Hij gaat de tijd een beetje inkrimpen; maar het gaat Hem om de mensen. Want Hij doet in mensen. Nu, zegt Paulus: dat is dus een kracht van God, tot ‘soteria’, tot jesju‘ah tot bevrijding, tot herstel “voor een ieder die gelooft” en dan zegt hij er meteen iets bij:

Rom. 1:17 “eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek”.

Kijk, en daar gaat het nu precies om in heel die Romeinen brief. Joden en Grieken. Hoe krijg je die nu bij elkaar onder één dak? Want ik vond dat zo mooi toen ik een prachtige studie tegenkwam over Romeinen. En die schrijver zet er boven: Paulus te midden van Joden en heidenen. En hij zegt: voor mij is het hoogtepunt van de Romeinen brief: de hoofdstukken 9 t/m 11. En daar gaat het precies over: het hele punt van Joden en gojim, heide­nen. Hij zegt: dat is een hoogtepunt, want heel vaak is er vroeger gezegd die hoofdstukken 9 t/m 11, dat is een soort aanhangsel.  Want in die eerste acht hoofdstuk­ken, daar krijg je de dogma­tiek, de verlossing, de rechtvaardiging en ja, die hoofdstuk­ken 9 t/m 11, die hangen er zo’n beetje achteraan. Dan denkt Paulus: we moeten het ook nog even over Israël hebben. Een soort p.s. Zo van, o ja, dat is er ook nog. Nee, zegt die schrijver, de hoofdstukken 9 t/m 11 dat is eigenlijk het punt waar alles omdraait. Hoe is nu de verhouding tussen gemeente en synagoge? Want moet je even voorstellen Paulus schrijft hier aan de Romeinen. En ja, die Romeinen die vormden een gemeente en daar was hij nog nooit geweest. Want Paulus schrijft heel veel brieven aan gemeenten, die hij zelf heeft gesticht: Korinthe, Efese en noem maar op. Maar die gemeente van Rome, die was er al. Die bestond allang en op een keer denkt Paulus: daar in Rome wil ik ook nog een keer wezen en dan ga ik via Rome naar Spanje. Maar dan moet ik eerst eens contact leggen met die gemeente in Rome. En nu had die gemeente in Rome al wat meegemaakt. Want er waren dus heel wat mensen tot geloof gekomen uit de heidenen, uit de gojim, maar er waren ook Joodse mensen.  En in het jaar 49 na Chr. was er een keizer in Rome en die zegt: alle Joden moeten Rome uit. Dat was het edict, het bevel van de keizer en die zegt allemaal eruit. Moet je eens even indenken, in dat jaar 49 staat er op de winkels in Rome een bordje: “verboden voor Joden”. Dan denk ik hé, waar heb ik dat meer gezien? Joden waren niet meer welkom en ze moeten vluchten, en ze worden ballingen voor de zoveelste keer. En ze moeten gaan zwerven. Waar moeten we heen dan? Dat maakt niet uit, als je maar vertrekt. En daar gaan ze dan, en na verloop van een aantal jaren kunnen ze zo langzamerhand weer een beetje terugkomen. Maar je kunt je voorstellen dat dat heel moeilijk was. Hoe breng je nu Joden en heidenen samen onder één dak? Kan dat? En dan praat ik er nog niet eens over hoe dat vandaag ligt. Vandaag is dat ook vaak een probleem. Ik heb wat contact met Joodse mensen die ook geloven in de Messias en dan merk je toch heel vaak, dat er in gemeenten geen plaats voor hen is. Daar passen ze niet. Dat is vaak een ongelofelijk spanningsveld. Gemeenten zijn daar vaak niet eens op in gesteld. Dus hoe breng je ze onder één dak? Kan dat? En voor Paulus is dat ook een heel intense worsteling geweest. En nu zegt hij hier in vers 16. Rom. 1:16b “eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek”

Dat is dus alles, wat niet-Jood is. Volkeren, gojim. En dan zegt hij in vers 17

Rom. 1:17 “Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard”

Voor “geopenbaard” kun je ook lezen: “onthuld”.

“Gerechtigheid Gods”. Dus je zou ook kunnen zeggen: waar gaat nu heel die Romeinen brief over: Over één onderwerp: de gerechtigheid. Maar bij gerechtigheid denkt Paulus natuurlijk aan dat oer Hebreeuwse woord ‘tsedaqah en dat is iets totaal anders dan het Romeinse begrip gerechtigheid: ‘justitia’, dat kennen wij ook nog wel: justitie. En bij ons heeft dat ook niet zo’n beste klank, want als je met de justitie in aanraking komt, dan heb je het duidelijk niet goed gedaan en dan ga je “de kast” in, dan deug je niet. En dan weet je wel vrouwe justitia werd vaak afgebeeld met een weegschaal in de hand en met een blinddoek voor: onpartijdig, ziet niemand naar de ogen. En heel vaak hebben mensen dat idee gerechtigheid. Wat is nu gerechtigheid? Dat is: ieder krijgt het zijne. Dat is de populaire opvatting. Gerechtigheid is: boontje komt om zijn loontje. Als er één of andere boef is, een schurk en hij komt op een gegeven moment in de cel terecht en hij krijgt zijn straf, dan zeggen de mensen: ziezo, er is toch nog gerechtigheid. Maar ‘tsedaqah’ dat is iets heel anders. Die oer Hebreeuwse gerechtigheid is een totaal ander begrip. Weet je wat gerechtigheid in de Bijbel is? Dat is dat God zegt: Ik ga meer doen, dan dat Ik moet. Gerechtigheid is wat de één te weinig heeft, heeft de ander te veel. Dat is gerechtigheid als je het heel kort wilt zeggen. Gerechtigheid is dat God naar je toekomt en zegt: heb je te weinig gedaan? Kom maar, dan doe Ik wel teveel. En als je dan naar Jezus ziet, dan zeg je daar heb je dat dan helemaal. Want Jezus kwam om  “alle gerechtigheid te vervullen” (Mat. 3:15)                                                        

En wat heeft Jezus gedaan? Hij deed meer dan Zijn plicht. Gerechtigheid is iets dat totaal uit gaat boven het plichts-denken. Als je nu een gemeente hebt waar iedereen zijn plicht doet, dan kun je de tent sluiten. Dat is een ramp. Vroeger was er zo’n oud lied: ‘Gedenk als christen aan uw plicht’, nou vergeet het maar. ‘Wandel in het licht, wandel in het licht’, zo ging dat dan: gedenk als christen aan uw plicht, klaag nooit of zet een droef gezicht’. Maar dat was dan zo en als we allemaal onze plicht doen, dan heb je zó’n gemeente. Mooi niet. Dat gaat niet door. Want dan wordt het allemaal plichtmatig. Stel je voor dat God Zijn plicht had gedaan, dan zaten wij hier niet. Stel je voor, dat Jezus gezegd had: ‘Vader, Ik zal precies mijn plicht doen’. Dan was er geen gemeente. Dan was er niets. Maar Jezus zegt; Ik zal de tweede mijl gaan. (Mat. 5:41)  Ik doe meer dan Mijn plicht. Kijk dat is nu gerechtigheid: Hij gaat de derde mijl, en Hij gaat de laatste mijl. En als mensen allemaal te weinig gedaan hebben, dan zegt Jezus: Ik zal teveel doen, dan wordt het toch vol. En dan staat er een heel grote ton, een heel groot vat en dan zegt Jezus: kom maar. Heb je te weinig gedaan? Doe het er maar in, in die ton. En dan komt Jezus en Hij doet Zijn teveel er in en dan wordt die ton toch vol. Kijk, dat is nu gerechtigheid. Gerechtigheid is dat Hij meer doet, dan dat Hij moest doen. En dat is waar Paulus dus helemaal verrukt van is en zegt hij: mensen, daar ga ik een hele brief over schrijven: “gerechtigheid Gods”, die wordt “openbaar” in dat evangelie. Dat is dat God zegt: Ik zal meer doen, meer dan het gewone, meer dan het precies afgepaste, van ja tot zover, ja dat moet.

Gerechtigheid dat is dat God kijkt naar mensen met het oog van de barmhartigheid.

Ken je dat verhaal van dat lieveheersbeestje? Weet je waar het zijn naam aan te danken heeft? Dat is toch een typische naam voor zo’n klein torretje. Lieveheersbeestje. Dat ging zo: er was eens een lieveheersbeestje en op een dag toen kwamen alle dieren bij elkaar en toen vroegen ze: hoe komt dat lieveheersbeestje aan zijn naam? En dat vroegen ze aan de vos en die zei: ik zou het niet weten. En ze vroegen het aan de uil, want die had altijd veel wijs­heid, maar die haalde zijn vleugels op, hij wist het ook niet. En ze gingen overal rond en niemand kon het zeggen. En toen opeens toen was er de meikever en die zei: ik weet het, want ik ben erbij geweest, toen het gebeurde. O ja? Vertel dan. Nu, dat ging zo – zei de meikever – er was in het land een heel slechte man, heel boos en die deed altijd verkeerde dingen en hij maakte het steeds bonter en bonter. En toen op een dag toen zei de koning van dat land: deze man mag niet langer blijven leven. Dat kan niet meer, hij heeft zoveel kwaad gedaan, we maken er een einde aan. En de koning zei: het doodvonnis wordt uitgesproken over deze man en er werd een dag vastgesteld en toen zou het doodvonnis voltrokken worden. Onthoofding. En op die bewuste dag zag het zwart van de mensen, want het ging in het openbaar, een openbare terechtstelling en je kunt je wel voorstellen iedereen was gekomen. De een dacht: geluk­kig hij krijgt eindelijk z’n verdiende loon en daar wil ik bij zijn. En al de mensen van zijn dorp en alle jongens met wie hij als kind nog gespeeld had. En er waren mensen die zeiden: zoiets maak je niet elke dag mee. En er waren er die kwamen voor de sensatie en er waren er ook die zeiden: misschien zegt hij nog wat in zijn laatste uur en dat wil ik toch niet missen. Dus het hele dorp was uitgelopen en daar zaten ze met z’n allen, rijen dik. En in het midden zat die man en naast hem stond de beul, met de bijl in zijn hand. De koning was er ook en toen op het laatste moment zei die man: mag ik nog iets zeggen? Ik heb nog één verzoek. De koning zei: maak het verzoek bekend en we zullen kijken of het verzoek ingewilligd kan worden. En de man zegt: ik voel hier iets kriebelen in mijn nek. Er zit in mijn nek een heel klein beestje en misschien wil iemand wel zo goed zijn om dat kleine beestje even weg te halen, want ik zou het heel verdrietig vinden als straks de bijl op mijn hoofd neerkomt en dat kleine torretje dat zou tegelijk met mij gedood worden. Want ja, ik heb het verdiend, maar dat kleine beestje is onschuldig, die heeft niets gedaan, die heeft de doodstraf niet verdiend. Wilt u dat misschien even weghalen? Toen werd het even doodstil te midden van al die mensen. Je kon een speld horen vallen. En de koning ging staan en hij zei: mensen hebben jullie dat gehoord? Het doodvonnis gaat niet door, want iemand die zo bewogen kan zijn over een heel klein torretje, die is het waard om in leven te blijven; u mag blijven leven. De mensen keken elkaar aan en zeiden: dit beestje dat moet toch wel door onze lieve Heer Zelf gestuurd zijn en daarom noemden ze het vanaf die dag: het lieveheersbeestje, en zo is het gekomen. En dan denk ik dat ene verhaal vertelt mij meer over God dan 100 leerstellingen. Verhalen daar leef je van. Dus “gerechtigheid Gods wordt geopenbaard” en dan staat er iets heel wonderlijks bij daar in vers 17

Rom. 1:17 “uit geloof tot geloof”

Hé, wat is dat nu? Er zijn uitleggers die zeggen weet je wat dat betekent? Dat betekent dat je geloof gaat groeien. Je begint met een klein beetje geloof en uit dat geloof komt weer meer geloof, en zo gaat die sneeuwbal rollen en die wordt steeds groter en gro­ter. En toch denk ik dat het wat anders is. Ik vond een andere uitleg. “uit geloof” weet je wat dat is? Dat is het geloof van God. God heeft geloof en daar begint het allemaal mee. Dus waar komen wij uit voort, waar leven wij uit? Uit dat geloof van Hem, we leven niet uit ons geloof, maar we leven uit Zijn geloof. Dat is het begin. En uit dat geloof van God gaan wij tot geloof. Van daaruit gaan we zelf geloven. De basis van ons leven is dat God zegt: Ik heb geloof. Daar zou je een hele preek over kunnen houden, maar dat is één van de grondthema’s van de hele Bijbel: het geloof van God. En toch is het heel typisch dat je daar weinig over hoort: God heeft geloof. God heeft geloof in Zijn eigen plan. En God heeft geloof in Zijn Woord. God heeft geloof in mensen. En toen dacht ik: dat geloof van God en dat geloof van ons. maar heel vaak is alleen maar die ene kant benadrukt. Het is uit elkaar getrokken. De prediking is heel vaak geweest: jij moet geloof hebben. En als jij geen geloof hebt dan ga je er aan. En als jij geen geloof hebt, dan moet God je niet en dan is Hij boos op je. Dan schrijft Hij je af en zegt Hij: wil je niet geloven dan bekijk je het maar. En die andere kant kwam eigenlijk nooit uit de verf, dat God zegt: Ik heb geloof in jou. En daardoor is er vaak veel pijn geweest en bij mensen vaak een gevoel van minderwaardigheid. Omdat ze nooit gehoord hebben dat God zegt: Ik geloof in jou. Er werd altijd alleen maar gezegd: jij moet geloof hebben in die Heilige, Hoge en Almachtige God en jij bent een mens, jij bent beneden. Maar dat God naar je toekomt en zegt: Ik zie wat in je; Ik heb geloof in je. Dan beginnen we direct weg te kruipen en denken: maar dat kan niet, dat ben ik toch niet waard? Ik ben maar zo klein en zo gering en zo zwak en zo verkeerd en dit heb ik niet en dat heb ik niet, en dit deugt niet en dat deugt niet. God heeft toch geen geloof in mensen? Maar God zegt: maar dat heb Ik wel.

Het geloof vàn God.

Dat is de draagkracht van je leven. Dat God zegt: Ik heb geloof in je. Dat God het steeds weer waagt met mensen. Ik vind het zo’n mooi voorbeeld van David Wilkerson, dat hij op een gegeven moment tegen die jongelui zegt, die daar in die samenkomst komen en die van alles op hun kerfstok hadden: willen jullie de collecte ophalen? En dan laat hij ze met die collectemandjes ook nog naar de uitgang gaan en dan heeft hij geen oog meer op ze. En ze kunnen er met de hele collecte vandoor gaan. En er kraait geen haan naar. En dan zegt later ook een van hen: dit heeft me zo geraakt. Dat je vertrouwen in me had. Kijk, wij zeggen zo vaak – en dat zijn van die demonische spreekwoorden – wie eens steelt is altijd een dief. Zo van iemand die gestolen heeft ga je toch niet de kas toe­vertrouwen en dan zeg je niet: hier zijn de centen wil jij er op passen? David Wilkerson deed dat wel. Hij zei: ik waag het met je, ik heb vertrouwen in je. En dat deed Jezus ook. Hij legde Zijn hele toekomst in handen van die discipelen en Hij zei ook niet: nou die Petrus, Ik weet het niet, Ik vraag het me af wat dat gaat worden. En die Thomas, ja, altijd depressief en hij ziet alles van de sombere kant. Daar kun je toch geen Koninkrijk mee bouwen?

Om over Judas maar te zwijgen.

Dat vind ik zo mooi. Jezus heeft met de anderen nooit over Judas gepraat. Niemand wist wat. Hij zei nooit: van jongens Judas is er nu even niet bij; Ik moet het met jullie toch eens hebben over die jongen. Wat vinden jullie nu; moeten we die er niet uitzetten? In de loop van de kerkgeschiedenis zijn wij vaak zo opgevoed met een juridisch denken. En dat speelt ons vaak parten. In feite zie je dat al in de Middeleeuwen naar voren komen: heel sterk die juridische verzoeningsleer. Het wetboek van strafrecht. En het gaat er om dat er aan dat recht voldaan wordt en dan wordt er toch veel meer gedacht vanuit het Romeinse begrip gerechtigheid dan vanuit het bijbelse begrip ‘tsedaqah’. Die bijbelse gerechtigheid. Want dat is de gerechtigheid die God dóet, dat is niet de gerechtigheid die God eist, maar dat is de gerechtig­heid die Hij maakt. Hij geeft het, Hij maakt het. Wat ook zo prachtig staat in Psalm 31:2 “Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid” David had het in de gaten: als God komt met Zijn gerechtigheid, dan kom ik er bovenuit, dan word ik gered. En heel vaak wordt dat als een tegenstelling gezien; zo van God is wel goed, maar Hij is ook rechtvaardig. Terwijl in het bijbelse denken, daar hoort het bij elkaar. God is Rechtvaardig en daarom is Hij ook Barmhartig. Dat hoort gewoon als één geheel tezamen. God is Eén.  Hij heeft één hart, Hij heeft één plan, Hij heeft één doel voor ogen. En dat vind je eigenlijk door de hele Bijbel heen. Denk maar aan dat prachtige

Psalm 116:5 “Genadig is de HERE en rechtvaardig”

Onze God is een Ontfermer. Dat hoort bij elkaar: ‘channun werachum’: Genadig en Rechtvaardig. Omdat Hij Genadig is, is Hij Rechtvaardig. En omdat Hij Recht­vaardig is, is Hij genadig. Dat hoort samen. Onze God is ‘merachem’; Hij is een Ontfer­mer. En toch, weet je wat vaak een probleem is, en nu ga ik even kijken naar Romeinen 2. En er was iets wat mij speciaal opgevallen is, namelijk wat de vertalers er boven zetten. En dan hebben de vertalers er een opschrift boven geplaatst: En nu valt het mij steeds op dat die vertalers gewerkt hebben vanuit bepaalde gedachten. Die hadden al gedachten over God. Geen enkele vertaler begint blanco. De vertaler heeft al een bepaald beeld van God en een bepaalde dogmatiek in zijn achterhoofd en dan kan hij nog proberen zo zuiver mogelijk te vertalen, maar wat hij ergens in zijn achterhoofd heeft, dat speelt mee.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

1 comment on “Romeinen brief”

  1. Hoi ik kwam net je stukje tegen en ikke ben super enthousiast. Er zit een heleboel werk in de artikelen, toch? Geweldig, ga zo door!.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391735 bezoekers sinds 07-06-2010