Romeinen 5

26-05-2010 door Joop Neven

Het is opvallend dat in hoofdstuk 5 vers 1 tot hoofdstuk 8 vers 39 van de Romeinenbrief geen aanhalingen voorkomen uit het Oude Testament, dan alleen een verduidelijking in Rom.7 vers 7 dat de wet zegt: “Gij zult niet begeren” In deze hoofdstukken bespreekt Paulus wat buiten het gezichtveld van het O.T. is. Wat besproken wordt in Rom. 5 tot Rom. 8 behoort tot “ de prediking van Jezus Christus”, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwen lang verzwegen, maar thans geopenbaard is…{Rom.16 vers 25-26}. En het staat geheel buiten de openbaring van Israël. Israël wordt in deze hoofdstukken dan ook niet genoemd. Maar evenmin als over Israël wordt in deze hoofdstukken over het geloof gesproken. De rechtvaardiging van Rom. 3 en 4 was, uit genade door het geloof. Maar het geloof wordt voor het laatst genoemd in Rom.5 vers 1-2 en dan niet eerder in hoofdstuk 9 vers 30. Wat Paulus hier behandeld gaat buiten het geloof om, en wat opvalt, is dat Adam hier genoemd wordt en niet David of Abraham. Wanneer er over David gesproken wordt zijn we op het gebied van het koningschap, wanneer Abraham aangehaald wordt, dan zijn we op het terrein van het land en het volk, die aan Abraham beloofd is; maar wanneer Adam wordt aangehaald dan zijn we op het gebeid van de gehele mensheid, waarvan Adam de vader is. In dit gedeelte wordt de enen mens Adam tegenover de Ene mens Jezus Christus gesteld

In Rom.5 vers 12 staat in de Staten Vertaling de woorden “in welken”. Men leest daarin, dat alle mensen in Adam gezondigd hebben, Adam zondigde en zij zondigden in hem. Zo hebben dus alle mensen mede schuld aan Adams overtreding. Men spreekt dan van een erfschuld. Maar van die erfschuld leert de Schrift niets. Het “in welke” slaat niet op de ene mens van de eerste regel en niet op de zonde van de tweede regel, maar op de dood van de derde en de vierde regel. Wanneer de vertaling goed is, dan staat er in Rom.5 vers 12 niet dat allen in Adam gezondigd hebben, maar dat ze gezondigd hebben in de dood, die tot hen doorkwam. Er staat in het Grieks niet “en hoo” “ in welke”, maar “ep hoo” “op welke”. Het gaat over de dood, op welke allen gezondigd hebben. Allen hebben gezondigd op de dood. Omdat de dood tot hen doorging, daarom hebben ze gezondigd. Het is dus niet zo dat de dood tot allen doorgaat, omdat allen gezondigd hebben. Maar dat allen zondigen omdat de dood tot allen doorgaat. Wij zijn geen stervelingen omdat we zondaren zijn, maar we zijn zondaren omdat we stervelingen zijn. De dood van Adam is in ons en daarom zondigen wij. De dood is de erfenis, die wij van Adam hebben. De dood is het gevolg van Adams overtreding en niet van de onze, zegt Paulus in Rom.5 vers 15. “om de misdaad van de ene stierven de velen” en nog eens in het 17e vers “om de misdaad van de ene regeert de dood door de ene”. In vers 13 en 14 zegt Paulus; Tussen de tijd van Adam en die van Mozes was er wel zonde in de wereld, maar geen overtreding, aangezien er geen wet was. Overtreding wordt gestraft, zonde niet; de zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is. Hoe konden dan de mensen sterven tussen Adam en Mozes? Niet om hun persoonlijke zonde, die niet toegerekend werd, maar alleen omdat de dood van Adam tot allen doorging. Wij hebben geen deel aan Adams schuld, maar hebben deel aan Adams dood. Dat de dood tot alle mensen doorging en dus allen zondigen is van groot belang om te weten; dat de overtreding van Adam en wat daaruit voortvloeide een voorbeeld, een type is van wat komen zou. Men zou ook kunnen vertalen, “welke n.l. Adam, een voorbeeld is van Hem, die komen zou n.l van Christus”. Adams overtreding, de zonde, de dood, die tot alle mensen doorgaat is een type van wat zijn zou. Op dezelfde wijze als het was met Adams daad en de gevolgen daarvan, op dezelfde wijze zal het ook zijn met Christus dood en de gevolgen daarvan.“ Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven” {Rom.5 vers 18}. De St. Vert. heeft het volledig willen maken door de woorden “de schuld en genade” toe te voegen. Maar er is geen sprake van dat de schuld over allen mensen komt. De Schrift leert niet dat de enen mens de schuld van de andere draagt: “een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen” {Ezechiël 18 vers 20}. De enige misdaad die Adam kon doen, zegt vers 18 is het eten van die ene boom dat was hem verboden. Andere geboden of verboden waren hem niet gegeven en hij kon ze dus niet overtreden. In het volgende vers {Rom.5 vers 19} wordt die daad een gehoorzaamheid genoemd. Christus heeft Zichzelf vernederd, gehoorzaamheid geworden tot de dood, ja de dood des kruises. Die dood was de ene daad tegenover de ene daad van Adam, n.l de ongehoorzaamheid. Christus is ten allen tijd gehoorzaam geweest. Zijn leven was een leven van rechtvaardigheid in overeenstemming met Gods wet. Maar met alle gehoorzaamheid aan de wet kon Hij ons niet verlossen. Alleen die ene daad van Zijn vrijwillige dood komt te staan tegenover de ongehoorzaamheid van Adam.. Door de ene ongehoorzaamheid van de ene mens komt het oordeel over alle mensen; door de gehoorzaamheid van de Ene Mens komt de rechtvaardigheid over alle mensen. De vertaling zegt hier “zeer velen” maar dat is verwarrend. Het gaat in deze verzen voortdurend om de tegenstelling tussen één en allen, tussen de ene en de velen. Maar “de velen” van vers 15 en 19 zijn dezelfde als “alle mensen” van vers 12 en vers 18. Alle mensen in vers 12 zijn toch wel alle mensen in de volstrekte zin van het woord; de dood is tot alle mensen doorgegaan allen zondigen, allen liggen onder het oordeel. En dus komt in vers 18 de rechtvaardigheid tot alle mensen in de volstrekte zin van het woord, dat met velen, allen bedoeld wordt, blijkt uit de Griekse vertaling, waar steeds staat “de velen”, en dat betekent; allen. Het gaat hier in dit gedeelte niet om U en mij, het gaat om Adam en Christus, en om de gevolgen, die hun daden hebben voor de gehele mensheid. Temeer er in vers 19 iets opmerkelijk staat: “ Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen{Lett: de velen}zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen {Lett. de velen} rechtvaardigen worden”. Adam wist niet dat hij door zijn ongehoorzaamheid allen tot zondaren gemaakt had. Nee, God verbond aan Adams ongehoorzaamheid een gevolg dat Adam niet kon voorzien: God stelde al de nakomelingen tot zondaren. Maar niet opdat ze zondaren zouden blijven. Want “gelijk – alzo ook” door de gehoorzaamheid van Christus worden diezelfde velen, diezelfde mensen tot rechtvaardigen gesteld. Hij stelt allen tot zondaren. Hij stelt allen tot rechtvaardigen. Paulus zegt in dit gedeelte grote dingen, hij zegt in vers 14, dat Adam een beeld is van de komende. Maar het werk van Christus is niet alleen tegenovergesteld aan het werk van Adam, maar de maat is veel groter. Vandaar die prachtige verzen 15, 16 en 17. De velen sterven om de misdaad van de ene, maar de genade en de genadegave is niet alleen daarmee overeenkomstig, zodat de velen leven door de gehoorzaamheid van de Ene, nee, die genade is over de velen overvloedig. Het is geen mondjesmaat van leven. De genade gave herstelt niet alleen de ene misdaad van Adam, maar herstelt ook de vele misdaden, die daarmee gebeurd zijn. Het tegenbeeld, Christus, overtreft verre het voorbeeld.

Maar de wet is er bijgekomen…vers 20 

Paulus heeft bij zijn Romeinse lezers vele gelovigen uit de Joden en in zijn brief houdt hij dat altijd in het oog. Waartoe dient dan de wet, die God aan Israël gaf? Paulus antwoord is merkwaardig. Men zou menen dat de wet gegeven was om de mens in toom te houden, zodat de misdaad minder werd. Nee, zegt Paulus, “de wet is er bijgekomen, opdat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden” {Rom.5 vers 20}. De wet geeft aan de genade gelegenheid om zich nog groter te openbaren. Want God bedoelt met de wereldgeschiedenis de verheerlijking van Zijn genade. De wereldgeschiedenis in twee zinnen; tot zondaren gesteld, tot rechtvaardigen gesteld. In Romeinen 5 is ons een kijkje gegeven op de verzoening van de gehele mensheid, een verzoening, die niet afhangt van het geloof, maar eenvoudig een feit is, het grote feit in Gods wereldplan is bekend gemaakt en in de loop der eeuwen {aionen} tot ontplooiing gebracht. De Blijde Boodschap voor deze tijd is deze: “in de naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen” {Lett: weest met God verzoend {2 Kor.5 vers 21}.

 

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010