Psalm 22

13-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

Een bijzondere psalm.

Een voorspelling of toch nog wat anders?

Het­ verhaal gaat.

Het verhaal gaat nog steeds, het verhaal is niet meer­ te stuiten.

Het verhaal gaat zijn ongekende gang de eeuwen door,­ een wereld lang.

En zo lang het verhaal gaat, gaan wij. Het ver­haal draagt ons door de tijd heen.

De hinde van de dageraad

Psalm 22 staat in het eerste psalmboek, Psalm 1 tm. 41. Dat eer­ste­ psalmboek gaat over de nacht van de rechtvaardige. De recht­­vaar­­dige gaat zijn weg, vaak eenzaam, vaak door de nacht heen, be­dreigd door de rasja, door de afbreker. En in het hart van het eerste psalmboek staat die Psalm 22. Daar klopt­ het hart, daar heb je ook het dieptepunt van de nacht. Daar­bij is het wonderlijke, dat er als opschrift boven deze psalm staat:­ “De hinde van de dageraad”. Dat kan een aanwijzing zijn voor­ de melodie, maar dat is denk ik tegelijk meer. Het is ook een be­­lofte, een signaal. Het is ook niet een voorspelling, maar wel een­ verwijzing, een teken. Het zijn seinen in de nacht. Die hinde gaat­ door het donkere bos de dage­raad tegemoet. In oude bron­nen­ wordt ook gezegd: die hinde is het beeld van de dage­raad. De eerste zonnestralen werden gezien als het gewei van een hert. Op­ een gegeven ogenblik zie je dat hert de heuvel beklimmen en dan­ is het eerste wat je ziet het gewei. Zo is ook de aanblik van de zons­opgang, als de eerste zonnestralen boven de horizon uit­ko­men.­ Zo vertelt deze psalm over de dageraad die komt, de morgen. Hier­bij wordt ook wel verwezen naar het morgenoffer. ‘s Morgens ging­ de pries­ter het heiligdom binnen en dan werd een lammetje ten­ offer ge­bracht. «Het ene lam zult gij in de morgen bereiden en het andere lam zult gij­ in de avondschemering bereiden» Ex.29:39. ‘s Morgens een lam en ‘s avonds een lam. Dat lam wordt dan geslacht in dat morgenuur, dat is de hinde van­ de dageraad. De rabbijnen leggen dan nog een verbindingsschakel en verwijzen hier­bij naar een vers uit het Hooglied: «Hoor- mijn geliefde!  Zie, daar komt hij, springend over de bergen,  hup­pelend over de heuvelen. Mijn geliefde is als een gazel of het jong­ van een hert» Hoogl.2:8,9. Er zijn oude commentaren, die zeggen: het is de verschijning van de­ be­vrijder. Dat morgenoffer, dat lam werd geslacht zodra de wach­­ter op de tinnen van de tempel uitriep: “De morgen is ge­ko­men!” ­Er zijn ook andere uitleggingen, zoals van Luther, die zeggen: het staat­ in verband met Jezus, die in de nacht gearresteerd wordt en voor­ het San­­hedrin wordt gebracht. En dat gebeurde vlak voor het­ aanbreken van de dageraad – de hinde van de dageraad. Lu­ther­ ver­taalt dit op­schrift dan met: “De hinde die in de vroegte wordt­ ge­jaagd”. Ze maken jacht op die hinde als het nog nacht is. Zo­ wordt Jezus als een hinde, als een hert gevangen genomen, voor­dat de dag kan aanbreken.

De nacht van de rechtvaardige

Deze psalm in het hart van dat eerste psalmboek vertelt over wat An­dré Neher noemt: de eclips, de zonsverduistering. Het opschrift spreekt­ van de dageraad, maar het vertelt van de verduistering, de­ nacht. «Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten»  Ps. 22:2. Verlatenheid, totale eenzaamheid, wie kan het peilen….. Kunnen we deze psalm ergens plaatsen, kunnen we hem ergens da­te­ren? Boven deze psalm zien we een verwijzing naar David. Daar­bij te be­den­ken, dat David in de geschiedenis vaak is ge­wor­den­ tot de mo­del­ko­ning; haast een boven-tijdelijke figuur, boven-his­torisch. Als je dan terugkijkt in de ballingschap dan zie je al die­ koningen komen en gaan, maar uiteindelijk blijft er dan één naam­ over: David.

Psalm 22 – verwantschap met Jesaja en Jeremia

Het is opmerkelijk dat deze psalm een sterke verwantschap heeft met:­

a. Het tweede deel van Jesaja.

b. De levensgang van Jeremia.

Het zou zó een psalm van Jeremia kunnen zijn. A. Neher schrijft daar­­over in zijn laatste hoofdstukken: “Op weg gaan in de nacht”. En­ dan ver­derop: “Op weg gaan in het licht”. Deze psalmdichter gaat­ op weg in de nacht. Hier heb je een stem die de verlatenheid uit­­drukt. En dat is iets wat je in het leven van Jeremia heel sterk te­rugvindt. Er zijn profeten geweest, die af en toe nog een licht­punt­ hebben gezien, een wonder of een beves­ti­ging. Profeten die af­ en toe de hand van de Heer hebben ervaren. En tòch, in het hart­ van het won­der bleef de duisternis en het leed bestaan. Soms­ was er een wonder maar in het hart van het wonder bleef het­ tòch nacht. Soms was er een antwoord, maar ìn het antwoord bleef­ de vraag bestaan. In het hart van de beves­ti­ging bleef de duis­­ternis. Denk bijvoorbeeld aan een man als Elia. Hij staat daar op­ de Karmel en het vuur valt, maar Izebel werd niet overtuigd, zij gaat­ gewoon door. Het vuur valt en Izebel zegt: wanneer val jij? Ize­bel zegt: Elia, jij gaat eraan! En Elia vlucht de woestijn in. Op de­ dag ná het wonder geraakt Elia in de diepste on­rust en ver­war­ring.­ De bevestiging neemt de schrijnende won­den niet weg.

De eenzaamheid van de profeten

Mozes sterft aan de grens van het Beloofde Land. Eze­chiël maakt de bevestiging van zijn woorden mee, maar zijn vrouw­ is er niet bij, die is gestorven. Hierbij te bedenken, dat de vrouw­ van Eze­chiël tegelijk de symboliek is van heel Jeruzalem. Het­ ster­ven van zijn vrouw is het sterven van Jeruzalem. Tenslotte zijn er die noch een wonder hebben gekend, noch be­ves­­ti­ging. Jeremia; niemand stond méér in dienst van het absolute dan hij. En­ toch werd niemand zozeer aan zijn lot overgelaten. Op de tra­gi­sche momen­ten van zijn leven is God afwezig, zwijgend. Jere­mia wordt­ ver­volgd en wordt verlaten. Wat de bevestiging van zijn pro­fe­tieën be­treft, die zou tot stand gekomen zijn. En hij zou de bit­te­re­ voldoe­ning hebben kunnen smaken daarvan getuige te zijn. Hij had­ geprofe­teerd: straks komt de bal­lingschap. En hij hàd het kun­nen meemaken, dat het volk inderdaad in de bal­ling­schap gìng.­ Maar een van de laatste gebeurtenissen in zijn le­­ven brengt hem in Egyp­te. Tegen wil en dank wordt hij mee­ge­no­men naar Egypte. Niet­ in de ballingschap in Babel, ook niet in Jeruzalem, maar mee­genomen naar het Egyptische land. En daar, in Egypte, is Je­re­mia wéér profeet. En zijn laatste profe­tieën rich­ten zich naar die men­sen, die van de laatste catastrofe niets geleerd hebben. Hij staat­ te mid­den van mensen die zeggen: we hebben het al­le­maal mee­gemaakt en al je woorden zijn uitge­ko­men. En toch, ze hebben niets­ geleerd. Jeremia kondigt het on­geluk aan zoals hij veertig jaar­ in Jeruzalem had moeten doen. Maar de beves­tiging zal hij niet­ meer zien. Jeremia sterft met een onvervuld verlangen. Jeremia is de profeet die­ met God vooruitloopt in de nacht. In de stilte, in de een­zaam­heid­ op een smalle weg, aan de voet van gigantische muren, zon­der­ dakvenster, zon­der deuren, zonder vensters. Voor Jeremia be­staan­ er alleen: geslo­ten deuren, een gesloten huis. Jeremia kon niet zin­gen: “Ik zie een poort wijd openstaan”. Jeremia zou deze Psalm 22 hebben kunnen maken, of in ieder ge­­val­ heb­ben kunnen zingen. Bij Jeremia dringt zich de vraag op: waar­om? – de verbijstering. Hij wil weten: wat is de oorzaak en wat is­ het doel van Gods handelen? Wat is de betekenis, want de wer­ke­lijkheid verschaft geen betekenis. Het is allemaal tegenstrij­dig. De­ verkie­zing heeft geen zin en het lijden is zinloos. Het loopt uit op een nederlaag, waarom? Waarom die tragedie die zoveel mensen doet lij­den! En degenen die er­bij staan en ernaar kijken blijven ongevoelig. Mozes in Egyp­te, tien sla­gen, de ene slag na de andere. En de Fa­rao zit erbij en hij kijkt ernaar. Elia staat op de Karmel en hij roept het vuur van de hemel. Izebel staat erbij en ze kijkt ernaar. En straks zit ze misschien gewoon in het paleis met de gedachte: wel, dit gaat gewoon voorbij, dit is de laatste profeet. Gewoon wachten tot het ophoudt, ‘t gaat van­zelf over. Izebel, deed het jou wat? Nou, nee. Vond je het niet aan­grijpend? Nou, nee. Waar dacht je aan? Weet ik niet, moet ik dan ergens aan denken? De volkeren kunnen vaak ook niet denken. Ze weten ook niet waaraan ze moeten denken. Dat is te moeilijk.

Al die waaroms krijgen op Golgotha hun plaats

Die psalm begint met de vraag: Waarom? Dat waarom krijgt wel een plaats, dat waarom mag er wel zijn! Dat waar­om wordt niet weggedrukt. In pastorale pogingen wordt wel gezegd: U moet niet vragen ‘waarom’, maar ‘waartoe’. Maar dat had je dan ook tegen de psalmdichter kunnen zeggen. Op Golgotha komt die vraag weer terug: waarom? Blijkbaar hebben de evangeliën die psalm daar willen plaatsen, ook als een soort herkenning. De evangelisten hebben dat ver­band gelegd, die tijden schuiven in elkaar. Dat waarom mag dus gehoord worden, nie­mand heeft het recht om dat een mens af te pakken. Het waarom ook als een gevecht, een uiting van strijd­baar­heid van een mens. Dat waarom mag niet gesust worden. In Spreuken staat ook, dat je je vrienden niet moet sussen, als ze woedend zijn. Probeer de woede van de ander te plaatsen. Pro­beer die woede niet te temperen door te zeg­­gen: ‘t valt wel mee. Bovenstaande spreuk staat dus niet in de Bijbel, maar komt uit de Jood­se traditie, namelijk uit de “Spreuken der Vaderen”.  “Troost uw vriend niet, als hij verdrietig is, troost hem niet als hij in een rouwproces verkeert, als de dode nog voor zijn aangezicht is. Sus hem niet, als hij woedend is”. «Een zacht antwoord keert de grimmigheid af» Spr.15:11. Dit is natuurlijk een ander aspect. «Als azijn op loog, is wie liedjes zingt bij een treurig hart» Spr.25:20. Ook te vertalen: «Azijn op soda». Dan kun je een explosie krijgen. Ga dus geen liedjes zingen bij iemand die zich van God en men­sen ver­laten voelt. Dat is trouwens een oppervlakkige manier om pastoraat te bedrijven. ‘t Valt wel mee, ‘t is niet zo erg , kijk eens naar die mensen die het veel zwaarder hebben dan jij. Neem het verdriet van de ander serieus, neem de pijn serieus, doe daar recht aan. Al die waaroms komen samen in ‘Hèt Waarom’ van de Messias. Hij neemt alle waaroms van de mensen op in zijn waarom. Al die waar­oms krijgen daar op Golgotha hun plaats. Die worden niet geampu­teerd, die worden niet weggedrukt, die heb­ben recht van bestaan.

Toch in gesprek blijven met de Eeuwige

«Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten»  Ps.22:1. Opmerkelijk is, dat hier toch sprake is van een gesprek. God wordt aangesproken, zelfs met ‘Mijn God’, Eli… Dat is ook het oergeheim van Israël, dat het toch altijd in gesprek is ge­bleven met de Eeuwige, dwars door alles heen. Zoals Job, die toch altijd in het gesprek met God bleef. In deze psalm wordt niet over God gepraat, niet: Hij heeft mij ver­laten. Het is toch in een ik-Gij relatie, in een rechtstreekse dialoog. Waarom hebt Gij mij verlaten, waar bent U dan! In een Joods verhaal gaat het over een aantal mensen, die in een concen­tra­tie­kamp zaten. Op een dag zeggen ze: nu zitten we hier in deze diep­ste ellende, in die Psalm 22. En dan zeggen ze: nu gaan we eens uitzoe­ken of God daar schuldig aan is. Heeft God dit ge­daan, of heeft God dit toegelaten. Waar is Hij dan en waar­om laat Hij ons nu alleen? En dan gaan ze stemmen of God schul­dig is of niet, net of ze een jury zijn. En als dan de stemmen geteld worden, ko­men ze tot de uitspraak: God is schuldig! En de volgende dag bidden ze hun morgengebed: gezegend zijt Gij, die de nacht hebt doen voorbijgaan en die de morgen hebt doen aanbreken. Dat is die wonderlijke paradox, dat is nou Psalm 22. God is schuldig, maar: gezegend zijt Gij! We kunnen het niet begrijpen en toch….. geze­gend zijt Gij. Aan de ene kant de vraag, de verbijstering en aan de ande­re kant tegelijk, je zou haast zeggen: in één adem door…. maar we blij­ven zin­gen, we blij­ven bidden. Het blijft een verbond, het verbond van God en mens. Bij een ver­bond heb je twee partners. En als in een bepaalde periode één part­ner te wei­nig doet, dan moet de ander er gewoon een schepje bovenop doen. Dus als wij het gevoel hebben: we zitten middenin een situatie, waar­in God afwezig is, dan doen wij er maar een schepje bovenop. Daar kom je er­gens op de diepste gronden of af­gronden. Soms hebben mensen zich er­bij neergelegd, neergelegd bij het kwaad. Maar aan de andere kant is daar ook het protest geweest. Daar is iets geweest wat nog dieper gaat: de roep vanuit de diep­te.

Het heiligen van het leven

Een rabbi zat opgesloten in het ghetto van Warschau. En hij voelde: hier kom ik niet uit, dit is Psalm 22. Daar zaten ze als Jood­se men­sen en op de meeste Poolse mensen hoefden ze ook niet te rekenen, die hadden an­dere zorgen. En dan gaat hij in twee Hebreeuwse woorden zeggen wat hij eigenlijk bedoelt. Die twee woorden herhaalt hij en ver­telt hij overal waar hij komt, die twee woorden laat hij uitgaan naar alle wind­streken waar hij nog kan spreken, in de ghetto’s en in de kampen, twee woorden: kedoesj achajim, het heiligen van het leven. Die formule is voor Joodse oren heel frappant, want ze kenden wel een formule die daar op leek: kedoesj ha sjem, het heiligen van de Naam. Dat was juist in heel bijzondere en gevaarlijke situa­ties, aan de grens van het bestaan, dan zeiden ze: en tòch in déze situatie zullen we de Naam van de Eeuwige heiligen. We zullen de Naam van de Eeuwige heiligen, des­noods door ons sterven, door te gaan tot het uiterste. We heiligen de naam is dan zoiets als “martelaar worden”. Het heiligen van het leven. Je bent geroepen om te leven, zelfs als leven meer kracht kost dan ster­ven. Op bepaalde momenten kan sterven makkelijker zijn dan verder le­ven. Er zijn er ook geweest, die gezegd hebben: dit kàn niet meer. Dit wordt zo erg, dit wil ik niet verder mee­ma­ken, ik kàn niet meer leven. En die rabbi riep maar steeds die twee woorden als een laatste appèl. Een laatste appèl ook ten overstaan van een God die Zich verbergt, een God die zelfs veroordeeld wordt. Maar in de diepte is dat het antwoord geworden, dat geëist wordt door het verbond. Het antwoord dat verankerd is, niet alleen in de sym­bo­liek, maar ook in het hele bestaan van Israël. Als één van de partners zich terugtrekt, dan moet de ander zijn inspan­ning verdub­belen. Dat is het verbond: als één partner zich terug­trekt, dan doet de ander dubbel zo veel, dat is gerechtigheid. Dat is ook toch het hele geheim van de Messias. Toen iedereen het liet af­weten, toen heeft Jezus het dubbele gedaan. De inspan­ning verdub­beld, de twee mijlen gegaan. Als de één zwijgt, dan­ heeft de ander nog een woord. Als de stem van de één breekt, het lied op andere lippen draagt mij dan door de nacht. Als een part­ner zich te­rugtrekt, dan zal de ander er dubbel tegenaan gaan om het verbond in stand te houden. Leven, onder welke vorm dan ook en ondanks alle obstakels, ondanks alle weerstanden, in de ghetto’s, in de bossen. In de kampen; om dan toch een stuk matzes voor elkaar te krij­gen, er­gens een stuk on­gezuurd brood vandaan te halen, de ge­beds­riemen aan te doen. Om te­zamen te bidden: geheiligd worde Uw Naam; om toch te zingen, een boven­menselijke inspanning. Dat is het antwoord op de Godsverduistering, op l’eclips de Dieu. “Onze vijanden wilden ons kapot maken, ze wilden onze ziel. Toen heb­ben we ons li­chaam gegeven. Ze wilden onze ziel, we hebben alleen ons lichaam geof­ferd. Het hei­li­gen van de Naam, om de ziel te bewaren. Vandaag wil de vijand het lichaam vernietigen, het hele volk, het Joodse volk, het he­le volk van God. Dat probeert hij kapot te maken, en daarom moeten we nu het leven heiligen”. Voorspellingen maken een mens passief, tot iemand die gaat be­rusten. Het komt toch zoals het komen moet. Het staat allemaal al be­schreven. Je kunt met de Bijbel in de hand ook passief worden en zeggen: ja, het is allemaal al voorzegd. “Rampen en slagen en dreigend geweld heeft God reeds voorzegd in zijn woord.” En dat ga je dan nog zingen ook. Maar dan heb je de neiging om te zeg­gen: spaar je adem voor wat anders. Wat heeft het voor zin te zin­gen over de rampen en de slagen die voorspeld zouden zijn. Gebruik dan je adem liever voor een psalm. Zo begint dan die psalm: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verla­ten?…”. Het verhaal van Jeremia, het verhaal van zoveel anderen.

Psalm 22 en het tweede deel van Jesaja

Er is nog een tweede verband. We hebben dus nu gezien hoe Jeremia die psalm zou hebben kun­nen ma­­ken. Er is ook een verwantschap met het tweede deel van­ Jesaja. Want dan staat er in Psalm 22: «Maar ik ben een WORM en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk»  Ps.22:7. Dat ‘ik’ in de psalmen is meer dan de enkeling, het is tegelijk het hele volk. Dat kun je ook niet tegen elkaar uitspelen. Je kunt niet zeg­gen: gaat het hier nu over één mens of over het hele volk. Het antwoord is: allebei. Ook Job vertegenwoordigde zowel één mens als een heel volk. Het grijpt in elkaar, het is één geheel. «Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zou U loven in het dodenrijk? Ik ben afgemat van mijn zuchten; elke nacht doorweek ik mijn sponde, doe ik mijn bed van tranen vloeien. Mijn oog is dof geworden van verdriet, verzwakt door allen die mij benauwen» Ps.6:6 ev. Ook in deze psalm zie je die vertwijfeling. Hier zie je ook die nacht van­ de rechtvaardige in de dood. De psalmdichter is die ene mens, maar­ dat is tegelijk Israël, dat daar in de nacht zit. En die nacht is te­gelijk de dood, het doden­rijk. En dan de vraag: in de dood den­ken ze toch niet aan U?

De vijfde zoon

Elie Wiesel heeft een heel aangrijpend verhaal verteld. Dat is ei­genlijk ook die Psalm 22. Hij noemt dat: “De Vijfde Zoon”. In de Paasnacht wordt er altijd gesproken over vier zonen. Er zijn vier soorten zonen, die het verhaal van Pasen horen, het verhaal van de uit­tocht uit Egypte. Er is één zoon, die de vragen stelt en hij begrijpt het antwoord ook. Er is ook een zoon, die hoort het verhaal, maar die be­grijpt het antwoord niet. Er is ook een zoon, die misschien nog wel de vraag stelt, maar het antwoord wil hij niet eens horen, het inte­res­seert hem niet. En de vierde zoon zegt: ja maar, daar ge­loof ik niet in. Maar nu de vijfde zoon, daar wordt nooit over gesproken. Er is ook nog een vijf­­de zoon in die Paasnacht. En die vijfde zoon is de zoon die er niet meer is. Dat is de zoon die naar het concentratiekamp werd gede­por­teerd, de zoon die van huis werd weggevoerd. De vijfde zoon is de zoon die op de een of andere manier gewelddadig is omgekomen. De vijfde zoon… dat zijn de doden. En dan is de vader de Paasmaaltijd aan het houden met zijn kinderen. En hij begint het verhaal van die vier zonen te vertellen en dan begint hij ook over die vijfde zoon. En dan zeggen degenen die aan tafel zitten: maar vader, in de Paas­nacht, dat weet u toch, praat je toch alleen over de levenden? Het Paas­ver­haal is toch al­leen voor de levenden! Uittocht uit Egypte, je moet tegen òns praten. Waar­om praat je nu weer over die doden. Ja maar, zegt die vader, die horen er toch ook bij? Mogen wij wèl zingen en zij niet? De doden lo­ven de Here niet, maar waarom dan niet? Je zou haast zeggen: in die Paasnacht moet je nog een stoel klaar­­zet­ten voor die vijfde zoon, een stoel voor Elia maar ook een stoel voor die vijf­de zoon. Zij horen er toch bij, zij die bedroefd zijn, ver van de feestvergade­ring, ze horen toch bij u? Voor die vijfde zoon is het Troostboek. En dan zie je: in de dood is Uwer geen gedachtenis. Maar, zegt die zanger, waaròm dan niet? De doden, waarom mogen zij niet meedoen, waarom zouden zij niet mogen prijzen en wij wèl? Wie trekt er dan een grens en wie heeft het recht om die grens te trekken en die grens aan te ge­ven? Ik ben een worm en geen man

«Maar Ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk».  Ps.22:7. Het beeld van een worm is het beeld van de totale kwetsbaarheid. Een worm kan zich in het geheel niet verdedigen, die kan hele­maal niets. Een worm heeft geen wapens. Hij is ook heel onaan­zien­lijk, niet in tel en niet geëerd. En dan zet je daarnaast: «Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord des HEREN,  en uw Verlosser is de Heilige Israels» Jes.41:14. Hier zie je dan hetzelfde beeld. En dat wordt notabene gezegd tegen het volk Israël in de Babylonische ballingschap. Dus die worm is Israël, dat is Jakob. Overigens is er geen reden om in de­­ze tekst een verkleinwoord te gebruiken, dat staat dus op re­kening van de vertalers. Blijkbaar hebben die gedacht: hier wordt de kleinheid van het volk aan­ge­duid, dus gaan we ook maar een verklein­woord han­te­ren. Hetzelfde beeld zie je dus zowel in Psalm 22 als in Jesaja 41. En als je dan nog even doorleest: «Zoals velen zich over u ontzet hebben – zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der men­senkinderen zijn gestalte­ – zo zal hij vele volken doen opsprin­gen» Jes.52:14. In Psalm 22 werd immers gezegd dat daar de smaad was, de ver­ach­ting, het niet meegeteld worden: ‘zij schudden het hoofd over mij’. En hier in Jesaja 52 zie je hetzelfde beeld. Zie ook: «Hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aange­zien, noch ge­daante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen ver­laten, een man van smarten en ver­trouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat ver­bergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht». Jes.53:2. 

Psalm 22 en Jesaja 53

Dan kan de conclusie luiden: Jesaja 53 met de ruime, brede con­text van Jesaja 41 en Psalm 22 hebben dezelfde achtergrond. Dan is het een interessante vraag, en daar zullen we niet eventjes snel een antwoord op kunnen geven, maar op zich is het boeiend om dat na te gaan: Wat was er eerder, Psalm 22 of Jesaja 53? De Talmud zegt: er is geen vroeger of later. Of was er een Psalm 22 en heeft die dichter van het Troostboek daarbij aangeknoopt? Wat was de grondtekst en voor wie? Of moet je zeggen, dat is dan een derde mo­gelijkheid: hebben die twee: de zanger van Jesaja (40 tm.55) en de zanger van Psalm 22 beiden geput uit dezelfde bron? Misschien waren het zan­gers daar in de Babylonische bal­lingschap, die hun pijn en hun verdriet hebben uitgezongen. Misschien is van daaruit dat ‘waarom’ geboren en is ook dat beeld ver­teld over die knecht in Jesaja 53, die in het donker zijn weg gaat, op weg in de nacht. Zo hebben ze misschien samen een gemeenschappe­lijke bron gehad. Het zou heel goed kunnen, dat ze op die manier voort­ko­men uit hetzelfde gebied, uit hetzelfde taal­gebied, uit het­zelfde gevoels­gebied. Ze hebben het samen door­leefd, de betekenis van het lijden of die worsteling om het lijden betekenis te geven. Blijkbaar hebben die twee bron­­nen op de één of andere manier vanuit die ballingschap dat ge­voel beleefd, dat diepste lijden. De ballingschap wàs inderdaad die ver­laten­heid. Daar in de balling­schap voelden ze zich voorbij de laatste grens, voorbij de laatste einder. Dan ontdek je toch nog iets heel wezenlijks, namelijk dat die Psalm 22 helemaal geworteld is in de ervaring van een hele gene­ratie of van ge­ne­raties, die door die ballingschap heen zijn ge­gaan. Op die manier heb­ben ze uiting gegeven aan hun diepste gevoe­lens. En als dan de evangelisten het verhaal gaan vertellen van Jezus, dan is het wel te begrijpen, dat zij gezegd hebben: nu gaan we, of nu kunnen we eigenlijk niet anders doen, dan dat verhaal van Jezus in­kleuren, ach­tergrond geven met die stem van Psalm 22. Die psalm moet daar haast wel gehoord worden, ook al is het dan in het Aramees, vanuit de moe­dertaal. Jezus heeft ongetwijfeld vanuit zijn moeder­taal gebeden, vanuit de diepte van de misère.

De Mes­sias is Israël

Dan ga je daar iets van verstaan. En hierbij moet je nooit verge­ten: de Mes­sias is Israël. Dat is de betekenis van dat moment dat Hij Zich laat dopen in de Jor­daan. En op het moment, dat Hij daar staat in de Jordaan en de Jor­daanwateren over zijn hoofd gaan, op dat moment wòrdt Hij Israël. Hij wordt één met gans Israël, Hij laat Zich onderdom­pe­len in het water van Israël. Op dat moment krijg je dus de identificatie, de vereenzelviging. Hij wordt helemaal één met Israël, vanaf dat moment zijn ze met elkaar verweven. Niet meer van elkaar te scheiden, je zou haast zeggen: op dat moment gaan ze in elkaar op. En zelfs niet “totdat de dood hen scheidt”, maar zelfs over de doodsgrens heen, tot ìn de dood, tot in de diepte van de uiterste verlatenheid, de Messias wordt Israël en…. Israël staat weer voor heel de mensheid!

Israël staat voor heel de mensheid!

Dat moet je er altijd bij bedenken: Israël staat daar namens de vol­ken. Dat ene volk staat daar namens die allen en Jezus staat daar namens het geheel: Eén voor allen. En dan kan het ook niet anders, dat als Hij gaat bidden, ook in dat laat­ste uur, dan bidt daar gans Israël.

In een afscheidsdienst werd laatst gebeden:

Wij zijn de stem van al wat klaagt en kreunt,

wij zijn de stem van al wat zucht.

Wij zijn de stem van al wat zoekt en niet vindt.

Dat is de gemeente, dat zie je dan ook weer terugkomen. Als Je­zus daar aan het kruis gebeden heeft vanuit die Psalm 22, dan heeft Hij daarmee heel die vraag en heel die roep, je zou haast zeg­gen van al die eeuwen, van al die diepten in Zich opgenomen. Het is zijn vraag geworden, het is zijn roep geworden, het is zijn verhaal ge­wor­den. Dat was dus ook niet weer een voorspelling, het is niet zo dat Psalm 22 een voorspelling is, maar het is wél een herkenning. «Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren» Ps.22:17. «Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leed­vermaak naar mij» Ps.22:18. «Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn ge­waad» Ps.22:19. De gebruikelijke uitleg zegt dan: zie je wel, het is een voor­spel­ling. Het stáát er, dus het moest alzo gebeuren. Het is al helemaal tot in detail en tot de letter ‘voorgespeld’ en voorbeschikt. Alleen, dan missen we een schakel. We moeten hierbij bedenken, dat dit ook weer beelden zijn van­uit de ballingschap.

Handen en voeten doorboord

Zo hebben de ballingen dat ook gevoeld. Als je handen doorboord zijn, dan zijn je daden, dan is je daadkracht lamgelegd. En als je voeten door­boord zijn, dan kun je niet meer gaan. Komt, laat ons voortgaan kinderen, maar ‘t kan niet meer. En je wilde gaan in de weg van de Torah, maar het kan niet meer. En je wilde je han­den uitstrekken naar God en naar de mensen, maar dat kon niet meer. Je handen zijn doorboord en je voelt je ge­kraakt in je doen en in je gaan, in je handel en je wandel.

Al mijn beenderen kan ik tellen

Je beenderen kon men tellen. Je beenderen betekent in het bij­bel­se spraak­gespruik je identiteit, daar is niets meer van over, je identiteit wordt gekraakt. Dat staat ook in Psalm 6:  «Mijn gebeente is ontwricht» Ps.6:3. Je beenderen vormen de kern van wat je bent, die vormen je diep­ste we­zen, je identiteit, wat ‘jou maakt tot jou’. Je hele ge­beente wordt van zijn plaats gerukt. «Zoals men de aarde doorploegt en openscheurt, zo liggen onze beenderen ver­strooi aan de mond van het dodenrijk»  Ps.141:7. Daar liggen die beenderen uitgestrooid aan de mond van het do­denrijk. De identiteit van die mens en van dat volk wordt dus ge­kraakt, dat is de tragiek van Psalm 22. Zij verdelen mijn klederen onder elkander. In vers 19 staat dan, dat de klederen worden verdeeld. Je kle­ding vormt je waardigheid, dat is wat je bent, je status. Zo staat er bijvoorbeeld in het Hooglied: «De wachters, die in de stad hun ronde deden, troffen mij aan, zij sloegen mij, verwondden mij, zij rukten mij het OVERKLEED af, de wachters der muren» Hl.5:7. Vanouds was Israël bekleed met de Torah. En dan in de balling­schap wordt dat kleed hen afgepakt, ze mogen de Torah niet meer heb­ben. Als de Torah is afgepakt, heb je geen klederen meer; waar moet je nu nog in wandelen! Daar in de ballingschap voelden ze zich naakt. En dan kun je be­grijpen dat ze zeggen: ze hebben onze klederen verdeeld en het lot erover ge­wor­­pen. Nebukadnessar had hun de klederen af­ge­pakt,­ de tempel en al­les wat heilig was. Het werd in beslag ge­no­men­ of verwoest en wegge­voerd naar Babel.

Beelden vanuit de balling­schap

Zo wordt een mens beroofd van zijn identiteit, beroofd van zijn waar­­dig­heid, dan is er alleen nog de leegte, dan is er alleen nog de ver­bijste­ring. Woorden van bevrijding, maar die zijn ver weg. De verlossing is ver weg. Zo staan daar dan die psalmdichters en zo  staan daar die mensen in de ballingschap en ze kunnen het niet meer bij elkaar houden, de samenhang is verbroken. En dan wordt er in vers 21 gezegd: «Red van het zwaard mijn ziel, mijn eenzame, van het geweld van de hond» Ps.22:21. Die ziel wordt dus genoemd ‘mijn eenzame’. Alleen het naakte bestaan is overgebleven, de naakte ziel. Al die beelden zijn dus in de eerste plaats beelden vanuit de bal­ling­schap. En later kreeg je dus de tweede fase, waar men zei: dan is dat dus ook terug te vinden in de weg van de Messias. Dan wordt het een her­kenning: hé, met Hem hebben ze het ook ge­daan. Zo heeft Hij, als een herkenningspunt, die hele ballingschap op Zich genomen, zo heeft Hij die hele ballingschap doorstaan. Hij is balling geworden met de bal­lin­gen, eenzaam met de eenza­men, zwerver met de zwervers, dakloos met de daklozen, ont­heemd met de ontheemden, ver­vreemd, samen met al­len in de ver­vreemding.

Van kyrie naar gloria

Dan ga je de verbanden in deze psalm verstaan. Maar dan zie je ook het wonderlijke, dat deze psalm gaat ‘kante­len’. Dan gaat het van kyrie naar gloria. Van klaaglied naar jubelzang. «Gij hebt mij geantwoord» Ps.22:22. «Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen» Ps.22:23. Ineens wordt het een lofzang. Het is net alsof deze psalm de hele Paasnacht doorgaat. En het laat­ste woord van deze psalm is: «Omdat Hij het gedaan heeft» Ps.22:32. Hij heeft het gemaakt! Het laatste woord van deze psalm loopt helemaal parallel met het­ laat­ste woord van Jezus aan het kruis: het is volbracht! Zo staat deze hele psalm dan, maar dan terugblikkend, om het ver­­haal van de de kruisgang van de Messias heen.

«Waarom»…

«Gedaan!»…

«Volbracht!»

Zo omvat deze psalm het hele verhaal van de ballingschap, omvat ook­ het lijden van Jezus. Dan is het herkenning! Je kunt dan ook niet meer spreken van: wat was er nu eerst of wat­ was er later. Je kunt ook niet meer zeggen: ‘t is voorspeld en vervuld, maar het gaat­ een laag dieper. Die psalm is de binnenkant van de Mes­sias. Die­ psalm is ook de binnenkant van de ballingschap, deze psalm is de­ bin­­nen­kant van de geschiedenis. 

De weg van kyrie tot gloria.

Van dieptelied tot hoogtezang.

Van smartelied tot vreugde, van misère tot jubelroep.

Want in de ballingschap wordt het lied geboren.

In de eenzaamheid wordt het antwoord geboren.

In de nacht begint die hinde van de dageraad haar weg af te leg­gen,­ rich­­ting morgen!

Gaan in de nacht, gaan in het licht  –  Toch!

Zo heeft Jezus aan het kruis zijn Naam geheiligd. Maar zo heeft Hij­ ook het leven geheiligd. “Geheiligd worde het leven”. Zo is het laatste woord toch niet aan de ondergang. Het laatste woord is aan deze Mens! Het laatste woord is aan Hem die onderging. Het laatste woord is aan Hem die bereid was om te zwijgen. Hij, die ook bereid was om te roepen, met de Psalmen en met Jesaja. En dan komt Psalm 22 in Jesaja terecht. En de Messias komt ook in Jesaja terecht. En daar wonen ze dan, als een altijd veilig huis, waar je nooit meer­ uit vandaan hoeft.

Te dien dage

Profetie is niet een voorspelling, maar het is een herkenning. Er kun­­nen situaties zijn, waarin je een woord gaat herkennen. Dan ga je dat ver­haal herkennen en wordt het jouw verhaal. «Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal­ haar scheu­ren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zet­ten; Ik zal haar her­bou­wen als in de dagen van ouds»  Amos 9:11. Te dien dage. Dat is een woord waarmee de profeten vaak beginnen om de toon aan­ te geven. En als je dat hoort “te dien dage”, klinkt daar iets van­ verwach­ting in door, van heimwee, van het verwachten van die­ dag. Amos is heel sterk de profeet van het einde. Want in hoofdstuk 5 – het dieptepunt – zegt deze profeet: «Gevallen is zij, zij zal niet meer opstaan de jonkvrouw Israëls, ne­der­geworpen ligt zij op de bodem, niemand richt haar op» Amos 5:2. Ze staat niet meer op, het is dus afgelopen. Het wordt in Amos 5 aan­gekondigd als een klaaglied, als een kina, als een doden­klacht. Het is een lied dat je zingt als iemand gestorven ìs, een soort in me­moriam. Met andere woorden: Amos schrijft het “in memoriam” van Israël. Het­ is voorbij, het is geweest, het doek is gevallen, alle dingen zijn ten­ einde gekomen. Het einde van deze eeuw. En dan ben je geneigd te vragen: kan er dan­ daarna nog iets gezegd worden. Dat is toch wel het laatste woord, dat­ is het slotakkoord, de finale. De nacht valt, het wordt donker en­ dan? Amos, de profeet van het einde, de profeet voorbij de laatste dag. Amos beschrijft dit alles als iets wat zich voltrokken hééft. En dat is­ des te merk­­waardiger, als we bedenken, dat het in de dagen van­ Amos een bloei­­­tijd was. Er was welvaart; Jerobeam II in het noor­delijk rijk en in het zuidelijk rijk, in Juda, regeerde koning Uz­zia. Het waren bekwame koningen, die hun vak verstonden en die­ er wat van maakten. Daar staan die twee koningen, die twee gestalten; ze hebben hun­ best gedaan, ze hebben gedaan wat koningen behoren te doen. En toch…. dan is daar Amos, die schaapherder en hij zegt: ik zie het­ ein­de. Ik schrijf alvast het “in memoriam”. Gevallen is ze (5,2) en­ ze zal niet meer opstaan. En dat het inderdaad de tijd is van het einde, kun je ook aflezen aan­ de geschiedenis van die koning Uzzia. Want deze man met zijn­ prachtige, glanzende carrière eindigt melaats. En dat is méér dan­ alleen het lot van een individu, meer dan een koning die op een­ tragische manier aan het eind van zijn loopbaan komt. Deze me­laats­heid van de koning was tege­lijk symbool voor de toestand van­ land en volk. Een zieke ko­ning is meer dan een medisch geval. Dat is trouwens wel vaker het geval: aan de ziekte van de koning kun­ je aflezen hoe ziek het land is en hoe gebroken het volk is. Een zieke ko­ning is meer dan een medisch geval. Als een koning ziek is, wil dat me­ta­forisch, symbolisch zeggen, dat het land er el­lendig aan toe is en dat het volk er slecht aan toe is. Denk bijvoorbeeld aan de ziekte van Hizkia, die breeduit beschreven wordt in Jesaja 38. Dan heeft het ook weinig nut om de medische symptomen te gaan analyseren en je af te vragen: welke ziekte zou Hizkia nou precies gehad hebben? Zo wordt er in de psalmen wel gezegd door de dichter, dat zijn oog voortdurend schreide. Dan is het niet terzake om te denken, dat de psalmdichter aan een oog­ziekte leed. Die ziektebeelden geven iets aan dat verwijst naar de diagnose voor het he­le volk. Het vòlk is dus melaats geworden. De ogen van het volk en van het land zijn verduisterd.

Amos en ónze tijd

En dan doet de vraag zich voor: Amos, heb je nu nog iets te vertel­len, heb je nog een woord voor nà het einde? Wat dat betreft is dit verhaal ook heel herkenbaar, want in veel opzich­ten leven wij ook in het einde van een cultuur. Dan zie je ook weer: het is een herkenning, niet een voorspelling. Het einde van een cultuur, niet omdat wij nu toevallig bijna bij het jaar 2000 zijn. Dat niet, maar wel om andere redenen. Je zou kunnen ver­wij­zen naar een maatschappij-analy­se van de cultuur­filosoof Dr.F. de Graaff. Hij zegt: deze maatschappij, de­ze samenleving, is steeds meer tot een stuk techniek geworden. Al­les draait om het me­cha­niek, maar waar is de mèns? De mens leeft steeds meer op prikkels, prikkels die ook steeds sterker moeten worden. Hij leeft op prikkels, niet meer op het hart. Wetten wor­den gemaakt met het verstand en niet meer met het hart. Een Poolse cineast heeft een film gemaakt over de tien geboden. Naar aan­lei­ding van het eerste gebod – gij zult geen an­dere goden voor mijn aangezicht hebben – tekent hij dan een tafereel, waarin je een vader ziet met een zoontje, terwijl het winter wordt. Die vader wil weten of het ijs al dik genoeg is om daar met zijn kind te kunnen schaatsen. Daarbij neemt hij de computer ter hand. En via de computer gaat hij elke dag de dikte van het ijs vaststel­len. Uitein­de­lijk komt de dag dat de compu­ter zegt: het ijs is dik genoeg. De vader zegt tegen zijn zoontje: kom, doe je schaatsen aan, want we gaan op het ijs, de computer heeft het ge­zegd. Ze gaan op het ijs, maar daar blijkt toch een kwets­bare plek te zijn, het jon­ge­tje zakt erdoor en verdrinkt dan op jammerlijke wijze. Dan staat daar die vader met het verdriet in zijn­ hart bij de computer. Het appa­raat had het toch gezegd, maar de wer­kelijkheid bleek anders te zijn. Alles was vastgesteld en was­ veilig, alleen, het leven was an­ders. Nog niet zo lang geleden was er een beeld op de TV van een vader met­ een jongetje van negen jaar op het ijs en een zoontje van vier jaar­ daarbij op de slee; ze wilden samen het IJsselmeer over­ste­ken.­ Het kòn volgens de berichten. Of het in de praktijk ook mo­ge­­lijk was, daar werd niet naar gevraagd. Dat moet toch kùnnen! Dat is ook zo de sfeer in de dagen van Amos. Mensen hadden het ge­­voel: we kúnnen het en we hebben het en we hebben alles in de hand.­ De samenleving is ‘maakbaar’ geworden.

De toverformule van het succes

De toverformule van het succes. En juist: midden in het succes komt het­ ein­de, dat is wat Amos ziet. Hij ziet niet het einde aan het eind­ van de tij­den, maar hij ziet het einde in het midden. Hij ziet het­ einde zomaar mid­denin de welvaart, hij ziet het einde zomaar mid­­denin de vooruit­gang. Het einde als een inbreuk, als een breuk­­lijn. Plotseling komt er een barst in, de prachtige droom gaat­ scheuren. En zonder dat ze het in de gaten hadden, en dat is – denk­ ik – de tra­giek in de tijd van Amos, en vaak ook de tragiek in ón­ze tijd, was Gòd verdwenen. Te midden van alle suc­­­ces en al­le wel­vaart, te midden van het feestgedruis en de over­win­nings­­roes, ter­wijl iedereen het glas hief op de progressie en de vooruit­gang, was­ God door de achter­deur naar buiten geglipt. En niemand mis­te Hem….. Onlangs verscheen een boek van de journalist Geert Mak: “Hoe God­ ver­dween uit Jorwerd”. Jorwerd is een schattig klein dorpje in­ Friesland. Hij is daar een paar jaar gaan wonen. Toen heeft hij, al­ pra­tend met de bewoners en al zoekend naar de verhalen van ou­ders en groot­ouders gekeken: wat is er in de jaren vanaf 1950 ge­beurd in het kleine Friese dorp Jorwerd. Hoe God ver­dween uit Jor­werd….. En dan zegt hij bijvoorbeeld: door de techniek werd alles maak­baar,­ al­les werd herstelbaar en men kon alles beheersen. Nu heb­­ben­ we de din­gen in onze hand en er zal niets meer uit de hand lo­pen. We zijn niet meer afhankelijk van de natuur of van het weer,­ het onbe­rekenbare is er niet meer. Het onontkoombare is er ook­ niet meer, we kunnen overal aan ontko­men. Alles in onze hand,­ want we hebben de middelen, we hebben de tech­niek, we kun­nen erover regeren. De tragiek ver­dween, het ontzag, de stilte, het­ raadsel verdween. En daarmee is een mens dan toch iets we­­zen­lijks­ kwijtgeraakt. Als het leven bereken­baar wordt, raakt de­ mens­ iets kostbaars kwijt. Een geheime­nis is dan ook weg, het mys­­terie is weg, de verwondering verdwijnt.

De natuur getemd….

Hij is immers klein!

Amos heeft iets soortgelijks doorgemaakt op zìjn niveau. De eeu­wi­ge va­riant, Amos de profeet van het einde. God is verdwenen en dan?…..­ En dan komt er een dag, en we zijn dan bij Amos 9, dat Amos al zijn vi­si­oenen gezien heeft­. Amos heeft ook gebeden voor zijn mensen en voor zijn volk. Hij heeft­ gebeden voor zijn tijdgenoten. Want dat déden de profeten, bidden; profetische gebeden. En in dat profetische gebed stonden daar de profeten met de tra­nen­ van hun hart. En als je wilt weten hoe Amos gebeden heeft voor­ zijn men­sen, dan kun je dat met name zien in het zevende hoofd­stuk, waar het als een refrein terugkeert: «Zeide ik: Here HERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blij­ven? Hij is immers klein!» Amos 7:2. «Here, HERE, houd toch op! Hoe zou Jakob staande kunnen blij­ven? Hij­ is immers klein!»  Amos 7:5.

Een laatste vraag, een laatste appèl. En waar beroept Amos zich op?­ Hij zegt: ze zijn zo klein, zo kwetsbaar. Ze denken wel dat ze groot zijn. Jakob wil graag groot zijn, maar hoe­ klein is hij. Ook in Genesis wordt steeds van Jakob gezegd: hij­ is de klein­ste (meestal vertaald met ‘de jongste’). Amos doet een­ laatste beroep op de tederheid, op de vertedering van God. U ziet­ die kleine mens toch wel. Hij denkt dat hij zo veel kan, maar is­ zo beperkt. En als God dan verdwenen is uit het dorp en uit de stad, wat dan?­ Waar zal die mens zich naar toewenden, dat wordt de vraag voor­ Amos. Als God dan door de achterdeur is weggegaan, waar­heen zal­ de mens zich wen­den in het uiteindelijk gericht.

 Heer, als Gij niet wordt bewogen

bij het breken van zijn stem,

bij de droefheid in zijn ogen,

is bij niemand heil voor hem.

Kan God nog bewogen worden, kan de tederheid het nog winnen? De­ dag is voorbijgegaan, de nacht is gekomen. En dan in het don­­ker van de wereldnacht staat Amos daar. Hij ziet de mensen, hij­ ziet hoe klein ze zijn. Grote mond, klein hartje en Amos zegt: Heer,­ wat nu? Ik heb het ‘in memoriam’ geschreven, ik heb het laat­s­te woord ge­sproken, is het nu dan ten einde?

Ik schud het huis van Israël onder alle vol­ken

«Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van Israël onder alle vol­ken, gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aar­­de­ vallen» Amos 9:9. Dan zegt de profeet: ze gaan allemaal in de zeef. En in de zeef wor­­den ze heen en weer geschud. En Amos houdt de adem in, hij staat daar en hij wacht; profeet na­ het einde. En dan komt het verlossende woord: Ik zal de vervallen hut doen opstaan

«Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal­ haar scheuren dichten en wat daar­van is ingestort, overeind zet­ten; Ik zal haar her­bouwen als in de dagen van ouds»  Amos 9:11. Letterlijk: «De vervallen hut doen opstaan». Je hoort in deze teksten verschillende malen dat woord ‘opstaan’, qum.­ Het laatste verhaal dat Amos vertelt wordt een verhaal over op­staan. Je zou haast zeggen: het is een Paasverhaal. In de nacht, in het einde, is er dan nog licht? Amos ziet het licht in­ de nacht:  ….te dien dage….

De bedoeling van een metafoor

Maar, waarom dìt beeld? Profeten gebruiken vaak beelden om iets dichtbij te brengen. Soms­ kun je iets alleen maar zeggen in een beeld. Een beeld of een meta­foor. Een metafoor heeft een bepaalde be­doe­­­ling, namelijk om iets heel nieuws te kunnen uitdrukken.

Daar­ wor­den beel­den dus vaak voor gebruikt. Iets uitdrukken wat je­ op geen andere ma­nier kunt zeggen, juist doordat het in een beeld­ binnen kan komen in on­ze leefwereld. Als je iets gaat zeg­­gen­ zònder beeld­spraak, kun je zeg­gen: ja, dat zijn dan feiten. Stel­ je voor dat een profeet zou zeggen: nu zie ik, dat de Blij­ham­­sestraat in Win­schoten in bloei staat, alle bomen daar be­gin­nen­ te bloeien. Dan is dat dus géén beeldspraak, dat zijn feiten, die eventueel ge­con­­troleerd kunnen worden. Maar omdat het geen beeld is, blijft het­ ver weg. Maar profeten doen heel iets anders. Zij geven geen aard­­rijkskun­di­ge of histo­ri­sche voorspellingen, nee, zij gaan de ge­­schiedenis voorbij, ze zijn me­ta­-historisch. Een metafoor is een drager van iets­ anders. De profeten pakken een beeld en in dat beeld kun je binnengaan, dat­ is het mooie. In een letterlijke voorspelling kun je niet bin­nen­­gaan,­ of je moet letterlijk op reis gaan, zoals bij die bloeien­de bo­men­ in Winscho­ten. Maar als het gaat om een beeld, een beeld­wer­kelijkheid, dan kan dat vandaag, hièr beginnen. Beelden brengen de toekomst dichterbij, beelden hebben iets men­­se­lijks. Dan gaat God spreken tot de harten. En waar een hart­ open­gaat en waar ogen gaan zien, daar gaat het gebeuren, dan­ wordt de werkelijkheid trans­­parant. En wat voor het denken en voor­ het hart, dat al zoveel had meegemaakt, onmogelijk leek, dat wordt­ door het beeld dichterbij ge­bracht. Soms kunnen men­sen het­ gevoel hebben: het is onmogelijk, het kan niet, het is te ver weg.­ Maar door het beeld wordt het nabij gebracht. En het komt naar­ mensen toe, hier en vandaag. Het wordt òns verhaal.

Het geloof dat tot een rekstok wordt

Henk Leene zegt het zo mooi: het kan zijn, dat een mens op een ge­­geven moment zijn vertrouwen kwijt is, de ziel is geknakt, het hart­ kan het niet meer pakken, ‘t is buiten je bereik. Die mens heeft­ het gevoel: het is te hoog gegrepen, het is te ver. En wat dan,­ als het voor je gevoel te ver weg is? Je hebt dat verlam­men­de be­­sef: ik zou het willen pakken, maar het is niet meer te be­reiken. Je­ geloof reikt niet ver genoeg. Moet je dan op je tenen gaan staan?­ Wordt het geloof dan een rekstok? Moet je dan pro­beren te rei­ken en je in te spannen en proberen boven jezelf uit te stij­­gen?­ Het geloof als een krampachtige poging om groter te worden dan­ je bent. En misschien zelfs je krampachtig vastklem­men aan een­ tekst: het staat er, dus dan moet het gebeuren. Dan wordt die tekst­ ook weer tot een voorspelling, dan kan die tekst zelfs wor­den­ tot een aan­klacht. Je haalt het immers niet. En je probeert en je­ poogt en je streeft.

Komt, laat ons moedig voor­waarts streven.

Net­ zolang tot het niet meer gaat en je geloof knapt en je hart…

‘t Is­ net als een stuk elastiek waar de rek uit is. Ja, maar je moet. En­ dan komt er nog de veroordeling bij: je had zeker geen geloof ge­noeg. Je verlangen is gebroken. ’t Verlangen had zolang gewacht, maar het­ kòn niet meer, en dan? Wat doet God dan? Als een mens niet meer­ in staat is om te vertrouwen, net als die ballingen in Babel, als­ een mens niet meer in staat is om te hopen, dan kan hij mis­schien­ nog net het ver­haal aanhoren van iemand die hoopt. Niet meer in staat om te vertrouwen, maar je kunt misschien nog nèt­ be­reikt worden door het relaas van iemand die wèl vertrou­wen heeft.­

Plaatsvervangend vertrouwen

Je hoort het verhaal van iemand die vertrouwt. En is dat niet in fei­te het verhaal van de vier evangeliën? Wat anders heeft Jezus ge­daan dan dàt. Te midden van mensen die afgeknapt waren de mens­ zijn die ver­trouwt. Hij was Degene die hoopte te midden van al­ die­genen die de hoop niet meer konden vasthouden. Zei Hij mis­schien daarom: Komt al­len tot Mij, die vermoeid en belast zijt? Ver­moeid van de inspanning en de spanning, vermoeid van het lang­gerekt ho­pen. “De lange duur van de dingen heeft zovelen reeds gebroken”, zegt een­ gedicht van Huub Oosterhuis. En dan staat Jezus daar te midden van al die mensen: Kom maar bij­ Mij als je moe bent en uitgeblust. Als je je gedachten niet meer op­ een rij kunt krijgen, als je gedachten zó gespannen wa­ren, dat ze­ de spankracht niet meer aankonden. Moegedacht, belast en be­la­den, want het juk was zwaar. En dan kun je misschien nog het verhaal aanhoren van déze Mens,­ die hoopt en die vertrouwt. Zo heeft Jezus het vertrouwen beleefd! Dat was beleefd vertrouwen. De filosoof Cornelis Verhoeven schreef onlangs een artikel over het­ woord ‘Beleefd’. Hij wijst erop, dat het woord beleefd in ons Nederlandse taalge­bied­ zo’n wonderlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Je moet be­­­leefd zijn, met twee woorden spreken, beleefd en vriendelijk, goed­ meneer, ja meneer, dag meneer. Terwijl beleefd oorspronkelijk betekent, dat je iets doorleefd hebt.­ Dan zie je hoe de zaak is gaan verschuiven. Bij ons is be­leefd­ een formaliteit ge­worden, keurig, in de plooi, vooral geen on­ver­togen woord. Alles door­slik­ken wat je voelt. Beleefd is voor ons een­ woord geworden van af­stand, alleen de vorm, alleen de bui­ten­kant. Je inhouden en je netjes ge­dra­gen, steriel. En dat terwijl be­­leefd oorspronkelijk betekent dat een mens iets be­lééfd heeft, dat­ hij iets heeft ervaren, dat daar juist wèl een binnenkant is, een­ hart.

Jezus staat daar te midden van al die mensen.

Gij die van hopen moede zijt,

die arm zijt van verlangen.

Kom tot het oordeel dat bevrijdt,

het heil zult gij ontvangen.

Te midden van al die mensen, voor wie het hopen een lange weg was,­ staat Hij die zegt:

Ik zal voor jou hopen,

Ik zal voor jou ver­trou­­wen.

Ik zal je het verhaal vertellen van de hoop,

Ik zal je het ver­haal vertellen van het vertrouwen.

De redding zelf­ is ge­worden tot verhaal

Is dàt het: nog net bereikt worden door het verhaal van Iemand die­ vertrouwt? En op hetzelfde moment, dat wij deze vreemde stem laten uit­spre­ken,­ vertrouwen we toch feitelijk zèlf weer, ook al vertrouwen we niet.­ Op het moment dat je het verhaal laat uitspreken van die an­der, ben je al­weer bezig om te vertrouwen. Je gaat het ver­haal bin­nen. En ongemerkt, daar waar je dacht dat God ver­dwe­nen was,­ daar komt Hij door de zij­deur weer binnen in het ver­haal dat je­ begon te horen. Ons vertrouwen heeft de vorm aan­genomen van­ het luisteren naar een verhaal. Misschien juist daarom was Jezus voortdurend bezig verhalen te ver­­tel­len, verhalen over de Vader, verhalen over mensen, over een zoon­ die thuiskomt. Verhalen over een gewond mens onderweg tus­­sen Jeru­zalem en Jericho en de barmhartigheid, die daar de an­der vindt. En dan is het net alsof je de vogels hoort zingen in die­ eenzame plaats. Troost voor een eenzaam mensenkind. En zo wordt het verhaal onze redding. Vermoeid als we zijn, er­va­ren­ we in en door het verhaal Gods reddende kracht. Het verhaal wordt­ onze redding, omdat we ontdekken, dat niets meer of min­der­ dan de redding zelf hier tot verhaal is geworden. De redding zelf­ is ge­worden tot verhaal. Dat is het beeld. Dat is de metafoor. Mensen voor wie geen uitzicht meer was, situaties zonder zicht. ‘t Was­ nacht geworden en in die nacht kwam het maanlicht. En bij­ het maanlicht wordt goud gevonden. Zoals een Schotse voor­gan­ger aan een vriend schreef: het is mogelijk goud te verzamelen bij­ maan­licht. Mensen die gaan door donkere plaatsen en die toch licht­ zien. Dus daarom de waarde van een beeld. Dus daarom de waarde van­ een metafoor, want een metafoor kan een brug worden. Een brug­ van hier naar daar, naar de overkant. Een beeld kan een brug­ worden van jou naar God en van God naar jou. In een beeld kun je situaties met elkaar verbinden. Dat­ is ook het wonderlijke met profetie; juist omdat het geen voor­­­spel­ling is, kan het een brug worden. Als het een voorspelling was,­ dan zou je op het moment dat de voorspelling uitkwam, het boek­ dicht kunnen doen. Op het moment dat de voorspelling uit­komt, sterft het woord. En dan­ is die voorspelling daarmee verou­derd en verjaard. Dat heb­ben­ we ook weer gehad! Maar een beeld is eeuwig, een beeld is vandaag. Een beeld brengt tijd voort. Een beeld wordt een brug over de grens­ van de tijd heen van ein­de naar begin. Het einde en dan het be­gin. Vandaar dat beeld in Amos 9:11. De vervallen hut van David. «Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten» Amos 9:11. En waarom nu dìt beeld? Waarom zegt Amos nu niet gewoon in ge­wone taal wat er aan de hand is, want dat “verwijt” kun je nog wel­ eens horen. Waarom praten die profeten niet gewoon in hel­de­re­ duidelij­ke taal? Waarom doen ze zo moeilijk, waarom spre­ken ze­ in beeldtaal? De nuch­tere Hollandse koopman zegt: zeg maar waar­op het staat en geef het me kant en klaar en tastbaar in de hand.­ Waarom zegt Amos 9:11 niet gewoon: ‘Te dien dage zal Ik het­ ko­ningschap van David weder oprichten’, dan weet je ten­min­ste­ waar je het over hebt. Dan kun je het ook historisch vast­leg­gen:­ er komt weer een koning op de troon van David in Jeru­za­lem,­ je kunt het dan in het jaartallenboek vastleggen. Want die ver­vallen hut van David betékent toch het koningschap van Da­vid?­ Waarom geen scherp gede­finiëerde uitspraak in dit ver­band, waar­­om nu dit mysterie, waarom dit geheimenis? “Alles wordt transparant voor mij, ik zie de beelden, de fundering van­ de din­­gen, de betekenis van de dingen.” Dat is iets wat we weer mogen terugkrijgen, de betekenis van aller­lei­ din­gen om je heen en ook de betekenis daarvan in een mensenleven. De Bijbel is op zo­veel plaatsen een boek vol beelden. En zo heeft de mens dat eeu­­­wenlang vaak ook beleefd. Een boom kan voor jou tot een beeld wor­den, die oude knoestige boom. Als een symbool van duur­zaam­­heid, als een beeld van het leven dat doorgaat. Bomen zijn in de­ Bijbel vaak sym­bolen. En dan komt een profeet wande­len door het­ veld, hij zag die oude stoere boom daar staan en hij zag er een beeld in. Zo­als die boom de tijden trotseert, zo is de trouw van de Eeuwige. Of­ hij stond aan het strand en hij zag die rotsen, waarop alle gol­­ven stuk braken. Hij zag er een beeld in: Adonai Elohim is een Rots voor eeuwig. Rots der­ tijden.

De mens is de beeldtaal kwijt­­­geraakt

Mensen waren gewend in beelden te denken. Dat is vaak het pro­bleem­ ook voor de mens van vandaag, dat hij de beeldtaal is kwijt­­­geraakt. De Franse cultuur-filosoof Pauger zegt: het pro­bleem­ van de mens van van­daag is de ont-historisering van de ruim­te. De ruimte van de mens in de­ze tijd is vaak beroofd van zijn­ historie. Vroeger lagen in een dorp zo­veel verhalen op­ge­sta­peld.­ Elke boom had zijn plaats en zijn functie. Maar bomen zijn ge­rooid. Overal zijn snelwegen aangelegd, oude ver­trouwde plek­jes­ verdwijnen. Kruispun­ten, rotondes, viaducten, allemaal din­gen­ die geen verhaal meer hebben. Op die manier bestaat een streek­ of land op den duur uit een heleboel plekken zonder ge­schie­­denis; geen verhaal meer. Die boom is verdwenen, dat land­weg­getje is intussen weg of geasfal­teerd, die oude hofstede is ver­dwe­nen. Plaatsen hebben hun karak­ter verloren. Eenvormigheid is­ er voor in de plaats gekomen. En overal ervaar je de dictatuur van­ het verkeer. Vliegveld en par­keer­plaats zijn dominant ge­wor­den,­ de ruimte is beroofd van haar geschie­de­nis. En daardoor voelt­ de mens zich als in een lege ruim­te, leegte van buiten en leeg­te­ van binnen. Een ruimte zonder ver­haal, een mens zonder ver­haal, een mens zonder naam en zonder ge­slacht, een mens zon­der af­komst. Waar kom je vandaan? Geen idee. Ik ben on­der­weg­ van het ene kruispunt naar het andere, van de ene rotonde naar­ de andere. En de enige vraag is nog: wie heeft er voorrang? Mensen jagen door­ het landschap en het landschap is beroofd van zijn karak­ter. De­ beelden terugvinden, de betekenis van de dingen en dan kan het­ beeld het hart vertroosten en iets laten zien van de liefde van God.­ Want Hij geeft dat woord en Hij geeft dat beeld. Amos ziet die hut reeds vallen

Waarom spreekt Amos nu van een hut? Een sukkah. Letterlijk staat er: “een vallende hut”. En dat is toch wel heel merkwaardig, juist omdat in de dagen van Amos­ de bloeitijd op zijn hoogtepunt was. Als je aan de mensen in de­ straat vroeg: hoe gaat het met het koningschap van  Jero­be­am II,­ dan werd er gezegd: perfect meneer, hij heeft het hele­maal ge­maakt.­ En als je vroeg hoe gaat het met Uzzia: uitstekend me­neer,­ kan niet beter. Dat hij achter de schermen leefde als een me­laatse, was voor de meesten verborgen. Dat houd je bin­nens­ka­mers, daar praat je niet over. Natuurlijk niet, je gaat de ziekte van­ de koning niet aan de grote klok hangen. En Amos zegt: ik zie die hut vallen, hij is bezig in te storten. De val­lende hut, die in staat van verval verkeert en met dat vallen door­gaat. Het wordt een onbewoonbaar verklaard huis. Dat is de gestalte van deze eeuw. Deze eeuw loopt ten einde. Deze eeuw­ heeft een doodsgrens. Deze eeuw, waarvan Paulus zegt: wordt­ niet ge­lijk­vormig aan deze eeuw. «En wordt niet gelijkvormig aan deze eeuw».  Rom.12:2 (letterlijk). Wordt niet gelijkvormig aan deze eeuw. Laat je niet inkaderen in het schema van deze eeuw. En dat ligt veel­ dichterbij dan vaak gedacht wordt. Deze eeuw kun je niet keu­­rig vast­leggen in een bepaald tijdperk. Je weet niet wanneer “de­ze eeuw” begint en wanneer hij eindigt. Deze eeuw eindigt in het­ hart van de mens die verandert. Deze eeuw eindigt in het hart dat­ open­gaat voor God. Deze eeuw eindigt daar waar een mens op­houdt erin te geloven. Deze eeuw eindigt waar een mens begint door deze eeuw héén te­ kijken. En wie kan nu het einde van deze eeuw aankondigen en zien? Staan­ wij er dan buiten, zijn wij dan toeschouwers, staan wij dan op­ een uitkijkpost ver buiten of boven deze eeuw? Kan een te­recht­gestelde spre­­ken over zijn eigen terechtstelling? Kan een dren­­­keling spreken over zijn eigen verdrinking alsof hij aan de kant­ stond? Wie is de mens die daar zo vrijmoedig over kan spre­ken?­ En wat is dat voor een gods­dienst, die de val van haar eigen tem­pel procla­meert?

Sukkah

En dat woord sukkah heeft een heel brede betekenis en ook een die­pe ge­la­denheid. Het woord wordt ook gebruikt voor loofhut. Het­ meervoud is sukkoth. Het komt onder andere voor in: «In loofhutten zult gij wonen, zeven dagen; allen die in Israël ge­bo­ren­ zijn, zul­len in loofhutten wonen»  Lev.23:42. Wonderlijk, het is eigenlijk een contrastbeeld, want een hut is heel kwets­­baar. Er staat niet: te dien dage zal Ik het paleis van David weer­ opbouwen. Er staat ook niet: het koningschap, de troon, de heer­schap­pij, de macht, alleen maar een hut. En juist daarom reikt­ dit beeld verder dan alle niet-beelden. Het zou een ramp ge­weest­ zijn, als Amos het beeld­loos gezegd had. De beeldloze taal kan­ tot een dood-doener wor­den, maar het beeld maakt levend. Jezus sprak ook voortdurend in beelden. Een verwant woord is het woord sokh. Dat woord wordt met name in de Psalmen gebruikt, zoals in Psalm 27: Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads. «Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads,  Hij verbergt mij­ in het verborgene van zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots» Ps.27:5. Een prachtig beeld. Die hut is daar beeld van bescherming, een dak­ bo­ven je hoofd, een plek waar je veilig bent. En als dit een psalm­ van Da­vid mag zijn, dan klopt die psalm ook in de meest let­­terlijke betekenis van het woord. David woonde immers in een pa­leis en een tempel was er nog niet. Met andere woorden: als Da­­­vid wilde komen voor het aangezicht van de Eeuwige, dan was hij­ genoodzaakt uit het paleis te gaan en zijn toe­vlucht te nemen in­ een tent, in een hut. Zo kwetsbaar en breekbaar was de woon­ste­de van God. God woon­de in een hut, zo teder in ons midden. God­ woonde zo bena­derbaar, heel an­ders dan het ongenaakbare van­ een burcht of een kazerne en hele­maal niet in een bunker, nee,­ God woonde in een hut. Je komt dat woord ook tegen in Psalm 76: «In Salem was immers zijn tent, en op Sion zijn woning» Ps.76:3. Salem als archaïsche verwijzing naar Jeruzalem, naar de stad van de­ sja­lom, de stad van de heelheid. In Psalm 76 gaat het over al die legerscha­ren van de vijand. Gods ant­­woord op al die machten en krachten die pro­beren dat ko­nink­rijk­ te verbrijzelen is: een hut! Een tent! En die hut gaat langer mee dan al die paleizen. Paleizen komen en­ gaan, maar de hut van de Eeuwige blijft. Al die bunkers en bur­ch­ten gaan voor­bij, maar die tent zal bestaan tot in eeuwigheid. On­der Gods dak, bij God onderdak, voor eeuwig! In de Septuagint is skènè in de regel de vertaling geworden van het woord­ sukkah. Dat woord skènè omvat dan heel dat scala van bete­ke­nis­sen. Het­ betekent tent, het betekent tabernakel, het betekent ook hut. Dan zie­ je de lijn doorgaan naar het Evangelie van Johannes, waar de evan­­gelist zegt in zijn prachtige proloog:

Zie, de tent van God is bij de mensen

«Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons ‘getent’» Joh.1:14. Hier wordt dus ook dat woord skènè gebruikt. “Het heeft zijn tent on­der ons opgezet”. En als je dan naar Jezus kijkt, dan zie je de tent van God te­ mid­den­ van de mensen. En dan gaat de lijn door naar Openbaring 21 met dat prachtige beeld­ in ver­band met de toekomende eeuw: «Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij­ zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn» Op.21:3. Niet: zijn volk, maar: zijn volken. Zo is dat woord sukkah gaan klinken en door gaan klinken tot in wij­de verbanden. En dat bedenk je dan, als je dat slot van Amos leest, die val­len­de hut­ met zijn scheuren en zijn breuken. “Ik zal die hut doen opstaan”. Dan is er in verband met deze tekst uit Amos nog een punt dat de aan­dacht verdient: Waarom heeft Amos nu in deze tekst speciaal gekozen voor dat woord­ sukkah in verband met David? Dat heeft nog een heel spe­ci­fieke reden. Niets is toevallig, althans in de tekst niet. In de tekst­ bestaat geen toeval. Daar buiten is nog weer een ander ver­haal­,­ maar in de tekst is niets toe­vallig.

De beeldtaal bij Amos

De eerste vraag in dit verband was dus: waarom sprak Amos in een­ beeld? En dan de volgende vraag: waarom gebruikt Amos juist dit beeld? Als­ je de basisvraag stelt: waarom spreek je in een beeld, waar­om niet­ de gewone taal, kun je in feite ook de vraag stellen: waarom zijn­ er dich­ters? Dat is in wezen ook dezelfde vraag als: waarom zin­gen wij? Zeg het maar gewoon, maar als je het niet meer zeg­gen­ kunt, dan zing je het maar. En van Goethe is het woord: “Als een­ mens niet meer in staat is om te zeggen wat hij doormaakt, dan­ geeft God hem een lied om het uit te zingen”. Jan Wit zegt: “Het is alles een gelijkenis van meer dan aards ge­hei­me­nis”. De dingen hebben hun zin. Bergen en ravijnen, mist en wolken en het­ licht in de wolken werken samen als de noten in een me­lo­die. Mar­tin Bu­ber heeft daar prachtig over geschreven en hij zegt: wat hier­ beloofd wordt voor de toekomstige tijd, let erop, dat dit ge­richt­ wordt tot één enkele toehoorder. Dat laatste vers van Amos eindigt: «Zegt de HERE, UW God» Amos 9:15. Daar staat een enkelvoud in de Hebreeuwse tekst. In de vertaling kun­ je dat niet zien. Die verzen 11 – 15 zijn dus gesproken tot één­ enkele hoor­der. Wellicht als afscheidswoord aan een leerling. Amos die nog spreekt tot een leerling die achterblijft. Terwijl hij ver­der gaat op zijn omzwer­vin­gen. Hij heeft zijn woord gebracht en­ ze hebben hem eruit gegooid. Dat kun je in hoofdstuk 7 lezen, waar­ hij tot ongewenst vreem­de­ling werd ver­klaard. Daarna spreekt­ hij dus nog een afscheids­woord tot één leerling. Jij hebt mijn­ onderricht gevolgd, hier komt nu mijn laatste woord aan jou. Pro­feten hadden vaak leerlingen. Jesaja had leerlingen en Amos had­ er blijkbaar één. Soms is één leerling genoeg; één leerling om de­ draad vast te houden, om de draad te spannen de geschiedenis in,­ zodat er in ieder geval een overdracht is. Eén leerling als een brug­ over de tijd.

Een hut voor de kudde

Wat hier beloofd wordt is het herstel van de ineenstortende hut van­ Da­vid. Dat wil zeggen: het wordt weer één geheel, die twaalf stam­men. Het koningschap van David wordt hersteld, het wordt weer­ één volk, de twee en de tien stammen niet meer apart. Maar de­ oor­spronkelijke Davi­dische gestalte van vóór de scheuring komt­ weer op de troon. God gaat te­rug naar de oude tijden, toen het­ nog héél was. David staat daar als een boven-historisch mo­del.­ Niet prehistorisch, maar meta-historisch; aan de historie voor­­bij. Het is net alsof David ook tot een beeld wordt, tot een sym­­bool. En nu komt het: “Men mag om het beeld naar betekenis en herkomst te begrijpen, niet­ ver­ge­ten, dat hier de schaapherder spreekt over schaap­her­ders.­ Dat is het beeld van de hut, van de suk­kah. Zulke hutten maak­ten de herders, het waren her­ders­hutten. Zulke hutten van tak­ken en twijgen had destijds, volgens het oude verhaal, ook Jakob ge­maakt voor zijn kud­den”. «Maar Jakob brak op naar Sukkot en hij bouwde zich daar een huis,­ en voor zijn kudde maakte hij hutten. Daarom noemde hij die plaats­ Sukkot» Gen.33:17. Zo gaat dat woord een beetje in zijn oorspronkelijke zetting ko­men.­ En zo ga je nog wat meer in de gevoelswaarde van dat woord komen.­ In Genesis 33 zijn we bijna aan het einde gekomen van het­ Jakob-verhaal. De ontmoeting is dan geweest tussen Jakob en­ Esau. Ze hebben zich na jaren met elkaar verzoend. Je zou kun­nen zeggen: Genesis 33 is de Jom Kippur, dat is de Grote Ver­zoen­dag.

In Genesis 33 zien we dus Jakob de herder als contrast met Esau, de jager. Jakob maakt hutten voor zijn kudde; daarmee klinkt­ een slot­ak­koord in dit verhaal. Jakob, de herderlijke ge­stal­te­ denkt aan de scha­pen. Bij Amos is dat beeld ook al te vinden. Amos was een herder en daar­bij kun je je afvragen: wat was er eerder, het beeld van Amos of­ het beeld dat hier in Genesis wordt getekend. David had zijn ko­nink­rijk gebouwd als een hut voor zijn kudde. En alleen zulk een volks-hut zou er weer moeten komen als in de da­gen van de voortijd. En dat wordt beleefd als een zegen voor de he­le natuur. De man uit het grensgebied van de woestijn verkondigt de te­rug­keer.­ Er zal een dag komen, een dag na het einde. Want de zon is on­der­gegaan (Amos 8:9) in de middag. In de middag is het don­ker ge­­wor­den en het einde is gekomen. Maar voor degenen die ver­­wach­ten en die net als Amos daar op de grens van woestijn en land­ denken aan God, is er een nieuw begin. Zo is daar dat prachtige beeld van de hut van de herder. Daarom heeft­ Amos dat beeld gekozen. Daarom spreekt hij niet over een pa­leis, want dat is een motief dat telkens in de woorden van Amos te­rugkomt, dat God de paleizen zal verbranden. De palei­zen zul­len­ in vlammen opgaan en de burchten zullen verdwijnen. Alles wat­ zich verheft en zich ge­draagt als bunker en bolwerk gaat ten on­der. En wat zal er dan overblij­ven: een hut! Een hut, een his­to­ri­sche ruim­te tegenover alle ont-histori­se­ring. Een bun­ker, een ka­zerne heeft ook iets geschiedenis-loos over zich, dat is alleen maar­ grimmig, daar zit geen verhaal in, of alleen het ver­haal van de­ pijn en de oorlog.

Een hut.

Zo wordt het hier beschreven in de laatste verzen van Amos. De hut wordt opgebouwd, het is een onderkomen voor het volk op het­ land. Dat is het beeld van de toekomende eeuw: een hut! Dan zijn er nog een paar teksten waarin dat woord hut voorkomt. De­ voornaamste, de meest sprekende, komen voor in de eerste hoofd­stuk­ken van Jesaja.

Als een nachthut in een komkommer­veld

«En de dochter van Sion is achtergebleven als een hut in een wijn­gaard,­ als een nachthut in een komkommer­veld, als een belegerde stad»­ Jes.1:8. Ook de profeet Jesaja spreekt in beelden. Hierbij te bedenken, dat Je­saja niet zo veel later spreekt dan Amos, namelijk één ko­ning la­ter. Want Jesaja begint in het sterfjaar van Uzzia, die ko­ning die in­ de dagen van Amos nog op de troon zat en die melaats ein­dig­de.­ En Jesaja staat daar in het sterfjaar van Uzzia; de melaat­se ko­ning legt het moede hoofd neer. En dan beschrijft de profeet in Je­saja 1 de toestand van het volk in zijn dagen in Jeruzalem. Want­ Jesaja verkeerde daar in het brandpunt van het sociale en po­li­tieke leven. En dan gebruikt hij een heel treffend beeld als ver­­­­wijzing naar de ballingschap; alles wordt ondersteboven ge­keerd.­ Wonden, striemen, kwet­suren; en er is geen verband, er is geen­ olie zegt vers 6. De dochter van Sion is overgebleven. Dat speelt in de profetieën van­ Jesaja zo’n centrale rol, daar gaat het steeds over die rest. Je­­sa­­ja heeft zich afgevraagd, direct al in zijn roepingsvisioen in hoofd­­stuk 6, blijft er nog iets over? En dan laat God hem dit beeld zien en de Eeuwige toont hem een suk­kah, een hutje in een wijngaard. Hierbij te bedenken, dat dit een­ heel agra­risch beeld is. De boer bouwde deze hutjes om niet el­­ke dag de af­stand van de oogstplaats naar de woonplaats te hoe­­­ven afleggen. Hij over­nachtte dus in de wijngaard of bij de plaats­ waar hij was gaan oog­sten, hier een komkommerveld, al dan­ niet vergezeld van gezinsleden. Soms waren die afstanden na­­­me­lijk nog­al groot. Bovendien kon hij dan zijn bezit beter in de ga­ten houden met het oog op ongewenste bezoe­kers. Deze hutjes hadden een loofdak, wat dan tevens de symboliek gaf van­ een open hemel, contact tussen de hemel en de aarde; ge­maakt­ van ma­te­riaal van de aarde en open naar de hemel. Na de oogst­ blijft dat hutje achter en de boer maakt zich verder geen zor­­gen meer over dat tijdelijke onderdak, hij vergeet het. En als het­ er het volgende seizoen nog staat, heeft hij geluk gehad. En Jesaja zegt hier: zie je het beeld? Zo is Sion geworden, als zo’n hut­je. Wat is er overgebleven, ze zijn in de ballingschap weg­ge­voerd,­ ze gin­gen naar Babel en ze kwamen niet weerom. Maar, en dat­ is nu het unie­ke in het thema van Jesaja, want daar gaat het door­klinken straks tot in hoofdstuk 4 en dat gaat door­klinken tot in­ verdere verhalen. Want het wordt in Jesaja één van de grond­to­nen,­ één van de basisbeelden. God zegt: bij Mij is het an­ders. Ik ben­ wel net als die boer en Ik heb dat hutje en dat staat daar in de­ wijngaard, want in Jesaja 5 wordt gesproken van die wijn­gaard die­ de Heer heeft. «Ik wil van mijn geliefde zingen, het lied van mijn beminde, over mijn­ wijn­gaard» Jes.5:1. Die wijngaard is het volk Israël, het hele huis van de Heer. Maar wat doet God? Als de oogst voorbij is, dan staat daar dat een­­­zame hutje, achtergebleven. Maar, zegt het profetische beeld,­ God zoekt dat hut­je weer op. God vergeet zijn hutje niet. Hij­ ge­denkt dat eenzame hut­je in de donkere nacht. Dat is de rest. En met dat hutje, met dat overblijfsel, gaat God zijn­ Ko­nink­rijk over­eind zetten. Maar het beeld zet zich voort: «En er zal een HUT zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en­ tot een schuilplaats en een toevlucht tegen stortbui en regen» Jes.4:6. Deze tekst moet je eigenlijk in zijn verband lezen. Dit is namelijk dat prach­­tige gedeelte, waar Jesaja zo intens is bezig geweest met die rest. Hier­bij moet je bedenken, dat die rest bij Jesaja de kiem van het nieu­we vertegenwoordigt. Wij zouden zeggen: die rest is het res­tant,­ maar in de profetische gedachtegang is die rest het begin van­ de toekomst.

De Spruit des HEREN

«Te dien dage (weer die zegswijze) zal wat de HERE doet uitspruiten, tot­ sie­raad en heerlijkheid zijn»  Jes.4:2. Letterlijk staat er: «Wat de HERE doet uitspruiten…..» «De spruit des HEREN» ….Tsèmach Adonai… En die “Spruit des HEREN” is bij de rabbijnen geworden tot een van­ de namen voor de Messias.

Hij is de Spruit.

Dat komt ook in Jeremia weer terug, onder andere in Jeremia 23: «Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan David een­ recht­vaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en­ verstandig hande­len, die zal recht en gerechtigheid doen in het land»­ Jer.23:5.

Hij is de Spruit; dat is door gaan klinken.

Hij is de kiem uit de dor­­re aarde.

Als dat land stil ligt en verlaten, kil en dood, is het winter. De win­ter wordt ook vaak gebruikt als beeld voor de ballingschap. En na­ die win­ter gaat er iets uitspruiten. Het slot van Jesaja 61 spreekt­ daar ook over. «Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaai­sel­ doet uit­sprui­ten, zo zal de Here HERE gerechtigheid en lof doen uit­spruiten voor het oog van alle volken» Jes.61:11. “De kiem waaruit het leven ontstond…” Spruit…..  op de dode akker, op het woestgevallen land, de dorre vlak­te der woestijnen. “De Spruit des HEREN” die zal zijn tot sieraad en tot heerlijkheid. «En de Vrucht des lands (dat wordt dan ook vaak paral­lel gezien als­ een aan­dui­ding van de Messias) tot glorie en luister voor de ont­­ko­menen van Israël» Jes.4:2. En dan blijven daar mensen over, zegt vers 3 en ze worden in­ge­schre­­ven tot het leven. En er wordt gewassen en gereinigd zegt het­ vier­de vers. Alle sporen van het bloed en alle sporen van de pijn­ en de herinnering worden uitgedelgd. En dan komt er in vers 5 een wolk overdag. «Dan zal de HERE over het gehele gebied van de berg Sion en over de­ samen­kom­sten die daar gehouden worden, des daags een wolk schep­pen en des nachts een schijn­sel van vlammend vuur, want over­ al wat heerlijk is, zal een beschut­ting zijn» Jes.4:5.Voor het woord beschutting staat in het Hebreeuws chuppah. En dat­ woord is in de Joodse traditie geworden tot het baldakijn bij een­ brui­loft. Het bruiloftsdak waar bruid en bruidegom onder gaan­ staan als te­ken van hun verbintenis. «Want over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn» Jes.4:5.

Buber en Rosenzweig hebben deze tekst nog net samen ver­taald;­ ze zijn samen tot Jesaja 53 gekomen, daarna heeft Buber het­ alleen afge­maakt. Zij hebben dit aldus vertaald: «Over alles zal als heerlijkheid de bruidshemel zijn». De heerlijkheid van God komt als een bruidshemel over alles. Dat is­ de profetische belofte voor na de ballingschap. Als de pijn van de­ balling­schap daar is, de pijn van de omzwervingen en Je­ru­za­lem­ tot puin ge­wor­den is, de verwoesting, de afbraak, de leegte, de­ ont­historisering, de pijn van de geschiedenis en de ge­schie­de­nis-­loos­heid daar is, dan is daar ook die belofte. Het is goed om dat­ ook eens heel dichtbij te zien, want het is weer een beeld: de bruids­­hemel zal hierover worden gespannen. De profeten ge­brui­ken­ vaak het beeld van het huwelijk, om aan te geven hoe God de Bruidegom voor zijn volk gaat worden. Dan zullen ze daar staan, al die mensen met hun pijn, ze komen on­der het bruidsdak. Jij met jouw bestaan, soms zo gekwetst en ge­­kraakt, jij met jouw leven, met jouw ballingschap, met jouw om­­­zwervingen, God nodigt je uit om onder het bruidsdak te ko­men.­ We gaan samen onder dat baldakijn staan, jij en Ik. Onder het­ bruidsdak wordt de pijn gene­zen, daar wordt de Naam van de Heer­ als een dak over je heen gezet, daar wordt een mens thuis­ge­bracht.­

Er zal een HUT zijn tot een schuilplaats

«En er zal een HUT zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en­ tot een schuilplaats en een toevlucht tegen stortbui en regen» Jes.4:6. De storm kan komen en het noodweer, de winden kunnen beu­ken op­ een mensenleven. Hoeveel windkracht kun je verdragen? De wind­ kan de takken van de bomen scheuren en soms dreigt de boom­ ontworteld te worden. En dan is daar die belofte: er zal een hut zijn. En dan zie je dat dat woord hut geladen is met een heel diepe ge­voelsdi­mensie. Juist die mens, die geconfronteerd wordt met het onbekende, met het­ onberekenbare, want de wind kun je niet be­rekenen en de wind­­­kracht kun je niet voorspellen, de mens die daar staat te mid­­­den­ van de krachten die onbeheersbaar zijn, juist voor die mens is­ daar een hut. Het herstel na en vanuit de ballingschap wordt uitgebeeld als een hut.­ Juist daarin ligt de vertroosting, de genade. Dat is de belofte: Ik ben de kracht van je hart, Ik ben je erfdeel voor­ al­tijd. Gij wordt door Mij niet vergeten. Ik heb je gezien: door storm­ voort­gedrevene, ongetrooste. Ik heb een hut voor je ge­maakt.­ Een hut als een schuilplaats en als een veilige plek. Dus die­ hut is het symbool van de zorg en de tederheid van God.

Een woord uit 4 Esra

In het apokriefe boek 4 Esra staat een prachtig woord. Dit is ook een­ pro­fetisch boek en daar wordt Esra als profeet ingevoerd. De en­gel Uriël komt bij Esra (=God is mijn licht) en vraagt hem: Houd­ je van de men­sen? En Esra antwoordt bevestigend, want Es­ra maakt zich zorgen over de ballingen, over de mensen van zijn­ da­gen, over hun pijn en hun om­zwervingen. En Esra denkt: waar­ is God nu, bekommert de Heer Zich wel om deze mensen met­ hun pijn en hun leeg­te en hun gemis? En dan vraagt de en­gel­ aan Es­ra: Houd jij meer van de mensen dan Hij die hen ge­maakt­ heeft? Denk je dat de liefde van de Eeuwige kleiner is dan jouw­ liefde? Als jij al zo bewogen bent met hen, als jouw hart al­ bijna breekt over hen, hoeveel temeer het hart van de Eeuwige! Als­ mensen al zo bewo­gen kunnen zijn, dat ze kunnen huilen over een­ ander, hoe­veel temeer zal God bewo­gen zijn, hoeveel temeer zal­ Hij hui­len over zijn mensen. En dan is het net alsof die engel zich­zelf ver­liest in zijn bood­schap, zo­dat we Iemand horen spre­ken­ groter dan de engelen. En Deze zegt tot Esra: Wil jij voor Mij tel­len, de men­sen die er nog niet zijn, die nog zul­len komen, wil je voor­ Mij tellen de dagen die nog komen, wil je voor mij verzamelen de­ drup­pels, die overal zijn uitgegaan. De regendrup­pels die op het­ land zijn gevallen? Wil je voor Mij de bloe­men weer groen ma­ken­ die verwelkt zijn en weer kleur geven aan de bloemen en de­ bla­deren die zijn verdord? Wil je voor Mij de kamers ope­nen die­ ge­slo­ten zijn en wil je voor Mij de wind te voorschijn bren­gen, die­ op­ge­sloten is? Wil je voor Mij het beeld la­ten zien van een Stem­ die­ spreekt? Dan zal ik je laten zien het werk dat zal ge­beu­ren.­ Daarin spreekt de liefde van deze God die zegt: Ik zal dat doen. Ik zal­ de dagen tellen en Ik zal de mensen tellen, die verstrooid zijn. Ik­ zal de bloe­men weer kleur geven, die waren uitgebloeid. Ik zal de­ kamers ope­nen die gesloten waren, zoals Ik het deed in het be­­gin.­ Hij is de God die de verwelkte bloemen weer doet bloeien en die de­ ge­sloten kamers weer opent. Hij is Degene die begonnen is en door­ Hem zal het ook voleindigd worden. Dit is niet direct een bijbeltekst, maar het is wel wijsheid die ko­ra­len ver te boven gaat. Hij heeft meer liefde voor de mensen dan zij­zelf kunnen opbrengen. Vandaar dat slotwoord van Jesaja 4: “Ik zal een hut voor je zijn”. Op die manier worden de Schriften vervuld.

Opdat de Schrift vervuld zou wor­den

In Mattheüs staat twaalf keer: «Opdat de Schrift vervuld zou wor­den».­ Daar heb je de twaalf zogenaamde vervullingscitaten. Mat­the­üs heeft dat als een rode draad door zijn verhaal geweven. Is dat dan toch een soort voorspelling die uitkomt? Deze zegs­wij­ze moet­ je echter anders opvatten.

Tom Naastepad heeft een prachtig lied gemaakt, waar onder an­de­re in staat: Scheurt het voorhang van de wolken, wordt uw aangezicht onthuld.

Dan wordt zijn aangezicht openbaar, Hij gaat zich doen kennen. Hij­ wil gekend worden, Hij komt nabij. Dan zullen alle volken wor­­den rechtge­zet.

Vaart de tijding door de volken

dat Gij alles richten zult:

Heer, dan is de dood verzwolgen,

want de schriften zijn vervuld. (Lied 300).

Mattheüs zegt dus twaalf keer: de Schriften worden vervuld. Dan be­doelt hij niet: er is een bepaalde tekst en nu gaat precies ge­beu­­ren wat er in die tekst staat. En dan zou iemand achteraf kun­nen zeggen: Ja, zie je wel, daar stond het al en nu is het al ge­beurd­ en nu heeft die tekst ook zijn werking gehad. Nee, dat be­te­kent­ dat ìn de Messias, maar dan ook ìn allen die met Hem ver­bon­den zijn, die Schriften tot hun recht gaan komen. De Schrif­ten­ komen tot hun recht en dàt is de overwinning over de dood. Die­ Schriften verzwelgen de dood. Als die Schriften hun kans krij­gen,­ als die Schriften, die profetische woorden, maar ook de To­rah­ en de Profeten, als die hun loop krijgen, dan wordt de dood on­der de voet gelopen. Dus telkens zie je in de weg van de Messias die Schriften in ver­vul­ling gaan. Niet als een letter, die dan letterlijk uitkomt, maar als­ de gang van de Schriften, de Schriften die voldragen worden, die­ vrucht voortbren­gen. Zoals je kunt zeggen: het zaad wordt ver­­­vuld in de vrucht. Als die boer daar in het begin over zijn ak­ker­ loopt, is hij aan het zaaien, dat zijn die Schriften. En als dan de­ tijd van de oogst is gekomen, is dat de ver­vulling. Die Schrif­ten dra­gen dus vrucht, die worden gedragen, voldra­gen. De Schriften worden uitgedra­gen, die­ worden de wereld en de tijd inge­dra­gen. De Schriften krij­gen draag­kracht en draagwijdte. Die Schriften krijgen handen en voe­ten,­ die krijgen ogen en oren en die krijgen een hart; ìn Je­zus en ìn­ al die mensen, die in zijn spoor gaan. Die Schriften krij­gen voet­stap­pen. Dan zie je die voetsporen in de aarde en denk­ je: hé, dat zijn de sporen van de Schriften. De Schriften trek­­ken hun spoor door de aarde, door het land. De Schriften wor­­den vlees en bloed, ze wor­den Mèns, menselijk bestaan. De Schriften krijgen gestalte en in die zin worden ze gevuld, ver­vuld.­ Dan zeg je: kijk, daar gebeurt het, daar en toen, hier en nu. Zo kan­ het ge­beuren. Je zou ook kunnen zeggen: de Schriften ge­beu­ren,­ de Schrif­ten geschieden en ze maken geschiedenis, ze ver­wek­ken iets. Ze worden gelezen en ze worden tot een verhaal. En de­ Schriften brengen ook weer verhalen voort.

Dorp der Vertroosting

De Schriften worden tot beelden en die beelden worden tot een brug in het le­ven van mensen en dan worden ze tot troost. Vandaar ook dat Jezus een groot deel van zijn aanvankelijke be­die­ning heeft uitgeoefend in Kapernaüm, “Dorp der Vertroosting” be­­tekent die naam. Er zit de woordbetekenis in: verzoening en ver­­­troosting. Die naam van dat dorp is dus ook veel meer dan een stukje aard­rijks­­kunde. Het is een symbool, het is een beeld. Waarom daar? Ja,­ na­tuurlijk daar. Het dorp kòn haast niet anders heten, het moest­ alzo heten. Het moest zó heten voor al die mensen die geen ver­zoening en geen ver­troos­ting meer hadden. Als het dorp er niet ge­weest was, had je het haast moeten uitvinden. Opdat de Schrif­ten­ vervuld wer­den, want alzo gaan de Schriften hun gang. Des­noods­ maken die Schriften een dorp. Ze maken ruimte, de Schrif­ten­ maken de ruimte heel. De Schriften maken de tijd heel, de Schrif­ten drijven de dood uit, de Schriften drijven alles uit wat boos is­ en wat melaats is, wat een vorm van kwaad is. Zo maken de Schriften hun eigen huis en dat is dan inderdaad het­ leer­huis. De Schriften scheppen hun eigen synagoge. Op die ma­nier wordt de scheiding tussen licht en duister vol­trok­ken.­ En in die Schriften kun je dan wonen. In de Bijbel kun je wonen, dan ben je thuis in de Bijbel, want de Bij­bel is een huis om in te wonen. Woon maar in Jesaja, woon maar in Jeremia. Dan kun je inderdaad zeggen: “In het huis van de Vader zijn vele wo­ningen”.

De werkingsgeschiedenis van Amos 9:11

Van Amos 9:11 is nòg wel het een en ander te zeggen. Men spreekt wel van de werkingsgeschiedenis van een tekst. Profetieën worden geboren vanuit verwachting. Omgekeerd zie je ook, dat profetieën weer verwachting voort­bren­gen.­ Profetie is een dochter van de verwachting, maar aan de an­de­re kant is een profetie ook op háár beurt weer moeder van de ver­wach­ting. Profe­tie is dus moeder en dochter tegelijk; er wordt iets­ ver­wekt, iets voortge­bracht. Een profetie dóet wat en dat gaat zich­ dan weer voortzetten. Dat woord van Amos is ook een van de beelden geworden in ver­band­ met de komst van de messiaanse tijd, waarin dan het ko­ning­­schap van David hersteld wordt, de tijd waarin de terugkeer is­ naar het Land der Belofte, de wederopbouw van de tempel, van het­ Godshuis. Dat alles zit daar in vervat. Dus een drievoudige verwachting. Teksten krijgen vaak op die manier hun leven. Een tekst gaat een le­ven leiden, een tekst gaat op reis. En als zo’n tekst op reis gaat, be­lééft die tekst ook van alles. Je zou een tekst ook haast kunnen vergelijken met een stuk land waar­ telkens weer iets aanslibt. Stukken land worden in­ge­pol­derd,­ stukken land verdwijnen weer, maar op een gegeven mo­ment­ is dat stuk land een flink stuk groter geworden. Zo’n tekst gaat­ dan soms ook ergens ‘landen’. Er wordt ook op gewezen, dat bij­belverzen vaak inhaken op be­paal­de gedachten die al ergens le­ven.­ Dan wordt zo’n tekst tot een bevestiging van een bepaalde leer­stelling die in om­loop is. Tek­sten worden zodoen­de be­wijs­plaats,­ grond onder de voe­ten voor het denken van mensen. Op die­ manier wordt een tekst weer tot een baken, een her­ken­nings­punt,­ een houvast.

Het apostelconvent

Zo is ook die tekst uit Amos gaan leven en die is ook gaan lan­den. Die­ landt bijvoorbeeld in Handelingen 15. Daar zijn de apos­telen bij­ elkaar, in het zogenaamde apostelconvent. Op dit convent ging het­ vooral om de vraag of de gojim erbij hoorden; hoe zien we al­ die mensen uit de vol­keren. Helaas is dat vaak vertaald met hei­denen, maar er is hier ge­woon sprake van de niet-Joden, de vol­keren. Mogen al die volken nu ook binnenkomen in het huis van­ de Heer? Heeft God daar plaats voor? En daar in Handelingen 15 waar de apostelen bij elkaar zijn, ver­tel­len Pau­­lus en Barnabas hun verhaal. «Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet af aan erop bedacht ge­weest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen» Hand.15:14. «Erop bedacht….» Letterlijk: «Er naar omgezien heeft…» «Uit de hei­de­nen….uit de volkeren». «En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk ge­schre­ven staat»  Hand.15:15. «Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen HUT van David weder op­bouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik­ zal haar weder op­rich­ten» Hand.15:16. Die hut van David krijgt dus een plaats in Handelingen, in het ver­­­­volgverhaal van Lucas. Er staat hier dus «weder opbouwen» in plaats­ van «doen opstaan». «Opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle hei­de­nen,­ over welke mijn naam is uitgeroe­pen, spreekt de Here, die de­ze­ dingen doet» Hand.15:17. Nu is er toch iets gebeurd met die tekst. Teksten maken heel wat mee.­ De Joden in Alexandrië hebben die tekst uit Amos overgezet in­ het Grieks. Bij de vertaling werd bouwen het sleutelwoord. God is­ de God die bouwt, die weder opbouwt, de God van de res­tau­ra­tie,­ van de we­der­­oprichting (aller dingen). En het doel was: opdat de­ rest van de men­sen de Here zoeke… (v.17). En in Amos stond: Opdat zij beërven de rest van Edom. «Opdat zij beërven de rest van Edom en van alle volken over wie mijn­ naam is uitgeroepen, luidt het woord van de Here die dit doet» Amos 9:12. Daar staat dus Edom. Dat woord Edom was oorspronkelijk geschreven zonder klinkers en­ van dezelfde letters kun je het woord adam maken. De Ale­x­an­drijnse Joden heb­ben toen vertaald: «De rest der mensen». Van­ Edom naar Adam. De cirkel wordt dus wijder. Edom stond voor Esau, de broer van Jakob. En, zeiden ze, dat zijn­ óók de twee hoofdtypen van de mensheid. Of je hoort bij Ja­kob­ òf je hoort bij Esau. «Opdat zij beërven de rest van Edom» Amos 9:12.

De mensheid wordt dus erfenis van Israël

Jakob zal Esau dus beërven. En later hebben de rabbijnen gezegd: Edom = Rome….. Die wereld buiten Israël, dat grote Romeinse keizerrijk werd toen be­schouwd als Edom. En heel wonderlijk, Herodes was een Edo­miet, die regeerde na­mens­ Rome over Israël. Dus dat was eigen­lijk toen de we­reld op z’n­ kop. Edom was de baas over Israël, Esau was de baas over Ja­­kob.­ Maar de profeten zeggen dan: op een keer is het andersom, het on­­­­derste komt boven. Jakob zal Edom beërven. Maar in plaats van­ Edom kun je ook lezen: ‘Rome’. Rome vertegenwoordigde de ge­hele mens­heid. De mensheid wordt dus erfenis van Israël. En dan zeggen die apostelen in Handelingen: zie je dat, zie je het be­gin, daar staat hij, de hut van David. En dan kijken ze naar wat­ daar in Han­de­lingen bezig is te ontstaan. Dat wordt dan wel de­ eer­ste gemeente ge­noemd. Hierbij wel te bedenken, dat die eer­ste­ ge­meente uit Joden be­stond. Dat waren de apostelen, die 3000 die tot be­ke­ring kwamen en la­ter nog meer. Daarmee begint Lucas dus zijn verhaal. En hij zegt: ik zie die hut weer­ overeind komen, ik zie de hut van David weer oprijzen. En die­ hut krijgt weer gestalte. Nu moet je dit niet lezen als een voorspelling die uitgekomen is, lees­ dat als een herkenning. En zo gaat die herkenningsmelodie van Da­vid door Lucas en Handelingen heen. Mèt die Ene, Jezus van Nazareth, begint die hut weer overeind te ko­men, teken van het begin in de tijd van het einde. Daarom staat daar midden in het boek Handelingen die hut van Da­vid. Het is net of dat boek Handelingen gebouwd wordt rond­om een­ hut.

De hut komt overeind, de kerker stort in

In Handelingen 15 staat een hut.

In Handelingen 16 staat een ker­ker.

Die hut wordt weer opgebouwd, maar die kerker uit Handelingen 16, die ker­ker­ van Filippi valt uit elkaar. Als Paulus en Silas daar in de nacht­ met z’n tweeën gaan bidden en zingen stort die ge­van­genis, stort­ die kerker in. Een lied in het donker en een lofzang in de nacht. Een contrastbeeld in het hart van het boek Handelingen. Die stoe­­re ker­ker, symbool van het Romeinse Rijk, legt het loodje. Die kwets­bare hut, die hut van David, komt weer overeind. De kerker stort­ in el­kaar, het Ro­meinse Rijk gaat voorbij. De vallende hut komt­ overeind. Dat is ei­genlijk de centrale thematiek van het boek­ Handelingen. Handelingen 15 en Handelingen 16. Het is net als­of het de twee schalen van een weegschaal zijn. De weegschaal slaat­ door en die loofhut weegt meer dan die kerker. Die sterke mas­sieve kerker met zijn stok en zijn blok en zijn zwaartekracht is­ kwetsbaarder dan die hut. Daar waar de hut over­eind komt, valt­ de kerker in elkaar. Zoals bij de muren van Jericho…. Dan gaan we nog een lijn bekijken vanuit Jesaja 41 (en 42). Die profeten komen steeds weer met beelden, juist voor mensen die­ het geloof hebben verleerd en die de troost zijn kwijtgeraakt. Als­ de troost kwijt is en de hoop verdwenen, als alleen de pijn nog over­­gebleven is, dan komen daar profetische mensen die zeg­gen: we zul­len nog een ver­haal vertellen. Dan gaan we eerst naar de grens van Jesaja 41 en 42. Op die grens begint het eerste lied over de knecht des Heren.

Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun

«Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een­ welbe­ha­gen heb»  Jes.42:1. Er zijn vier liederen over die knecht. Ik denk dat het ook niet toevallig is, dat het heil hier de gestal­te krijgt­ van een knecht. Als het heil in deze wereld binnenkomt, dan­ kàn het in diepste wezen geen andere gestalte aannemen als die­ van een knecht. Want het heil wil dienen, niet heersen. Het heil­ komt als een dienaar, zonder macht, zonder aanzien, het komt­ in de gestalte van een knecht. En als je die vier liederen in el­kaars verlengde bekijkt (het loopt ten­slotte uit op Jesaja 53), dan wordt het een gestalte, dan wordt het­ een knecht die lijdt.

Waarom dit lijden?

Móest de Messias dit­ alles dan lijden?

Meermalen kom je dan de uitspraak tegen: móest de Messias dit­ alles niet lijden… Moet dat dan? Waarom moest dat? Niet van God uit! Niet omdat God zegt: Ik wil dat er iemand lijdt. Niet­ omdat Gòd dat nodig heeft of nodig vindt of daar behagen in heeft.­ Dan zou je bijna komen tot een grimmig, zelfs sadistisch of dic­tatoriaal gods­beeld: God wil lijden zien, God wil bloed zien, God­ wil dat er iemand pijn heeft, want alléén als er iemand pijn heeft,­ kan een ander verlost wor­den. Dat zou een heel vreemde karikatuur van God worden. Alsof God plezier zou hebben in de afbraak van de één terwille van de­ op­bouw van de ander. Er moet gestraft worden. En dat woord straf­ zit heel diep verankerd in het christelijke denken, zo diep gewor­teld:­ er moet ie­mand straf krijgen. Wie dan ook; als het dan niet de­ dader is dan maar een an­der. Stel je voor dat een vader op die manier met zijn kinderen om zou gaan!­ Zoonlief heeft een ruit ingegooid en het kind moet daarom ge­­straft wor­den. Dan komt er een buurjongetje en dat zegt: neem mij­ dan maar. En de vader pakt zijn stok en gaat dat buurjon­ge­tje eens­ goed te lijf.

Het kwaad loopt zich te pletter­

Wáarom dan het lijden. Ik denk om een heel andere reden: om het kwaad te laten dóód­lo­pen.­ In die lijdende knecht, die liefde is tot het einde, daarin loopt het­ kwaad stuk, daar heeft het kwaad niet van terug. Het kwaad kan­ alles probe­ren, maar Hij blijft liefhebben. Het kwaad kan zijn tan­den stukbijten, maar deze knecht, deze anonieme lij­den­de knecht­ blijft aanvaarden en ver­geven en Hij zegt: Ik houd nog al­tijd­ van je, on­verbrekelijk en on­vernietigbaar. Hij blijft je aan­­kij­ken­ met ogen vol tederheid, zelfs in het laatste uur. Liefde die niet ka­pot te krij­gen is, liefde waarop het kwaad te pletter loopt. Van­daar­ dat Tom Naastepad kan zeggen: ze hebben Hem, Je­zus, ge­dood­ en dat is tege­lijk hun laatste misdaad, want daar ein­digt het kwaad.­ Het kwaad wordt – om zo te zeggen – in de lief­de opge­zogen. Het­ kwaad wordt in de liefde verslonden. Op die manier worden de Schriften vervuld. Tegen zoveel liefde kan het kwaad niet op. Juist die weerloosheid is­ te­ge­lijk oersterk.

Vier liederen over de knecht

In Jesaja krijg je dus die vier liederen over die knecht. Die knecht wordt beschreven in Jesaja 42. De knecht staat daar naamloos. En hierbij moet je bedenken, dat heel­ het tekstverband over de ballingschap spreekt. En te midden van­ al die bal­lingen is daar een naamloze gestalte. En nu is het zo tref­fend hoe Jesaja 41 eindigt: «Zie Ik rond, dan is er niemand; en zie Ik naar hen, dan is er geen raads­man, dat Ik hun zou kunnen vragen en zij Mij antwoord zou­den­ kunnen geven» Jes.41:28. God kijkt rond en zegt: er is geen man. Er is geen vrijwilliger, er is nie­mand die opstaat. En als God naar die ballingen kijkt, is er ook­ niemand die naar voren komt. En ook als God naar de vol­ke­ren kijkt,­ is er nie­mand thuis. Er is niemand die de opdracht op zich­ wil nemen.

Geen man

Zo klinken daar die twee woorden aan het eind van Jesaja 41. Letterlijk: «Ik kan hen niet vragen dat zij een woord doen terugkeren» Jes.41:28. «Zie, zij allen zijn nietigheid; niets zijn hun werken, wind en ijdel­heid­ hun ge­go­ten beelden»  Jes.41:20. Tohoe zijn hun gegoten beelden, staat er letterlijk. En tohoe is dat­ woord uit Genesis 1. Jesaja 41 eindigt met een soort inspectie: God kijkt rond… geen man.­ Niemand die het ambt op zich kan nemen, die bekleed kan wor­den met de waardigheid, geen man. Je kunt de lijn doortrekken tot in Openbaringen 5. Daar staat Jo­han­nes op Patmos en dan zegt een stem: Wie is waardig de boek­rol­ te openen. En er was niemand en Johannes weende zeer. Zie, mijn knecht. Geen man. En meteen daarna staat in Jesaja 42: «Zie, mijn knecht». Juist op dàt punt wordt het verhaal verteld van de knecht. Dan staat­ daar die naamloze knecht. En die knecht vertegenwoordigt de bevrijding. Die staat daar na­mens­ het handelen van God. Die knecht is de nieuwe be­vrij­dings­daad­ van God. Dus die knecht is het beeld van de bevrijding. Aan het eind van Jesaja 41: geen man, niemand was in staat om nog­ te ge­loven. Als God vraagt, komt er geen antwoord. Niemand was­ in staat om antwoord te geven. Niemand was nog in staat om te­ hopen. De bal­lingschap is tot een plek geworden waar geen woor­­den meer klinken. Rutger Kopland noemt dat in één van zijn gedichten: “Een ver­win­­terd­ Eden”, een verwinterd paradijs. Rutger Kopland heeft een aan­­tal heel in­drukwekkende gedichten geschreven. Deze naam is een­ pseudoniem, zijn werkelijke naam is v.d. Hoofdakker. Een verwinterd paradijs was het in die tijd ook inderdaad, er was nie­mand die antwoord gaf, het was stil geworden in Babel. En dan staat daar die knecht en die knecht wordt het verhaal van de­ be­vrijding. Die knecht krijgt soms ook de naam Jakob, want dat speelt daar ook­ in Jesaja 41. «Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van­ mijn vriend Abraham» Jes.41:8. Hier schuiven de beelden dus in elkaar. Dat wordt, om zo te zeggen, dan zijn oernaam.

Eerste lied: Jesaja 42:1-9

Tweede lied: Jesaja 49:1-7.

Derde lied: Jesaja 50:4-11.

In dat derde lied komt die knecht weer tevoorschijn als leerling, leer­ling van de Eeuwige. En dan staat er, dat Hij de moede gaat ondersteunen. De ballingen waren vermoeid, vermoeid en belast. De moede geeft Hij­ kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte. En daar staan­ ze, al die vermoeide ballingen. En die knecht wordt het beeld­ van hun bevrijding, ze hóren wat. Maar het typische is, dat daar ook weer iets aan voorafgaat, na­me­lijk in Jesaja 50: «Waarom was er niemand, toen Ik kwam, en antwoordde nie­mand, toen­ Ik riep? Is mijn hand dan werkelijk te kort om te ver­los­sen, of is­ er in Mij geen kracht om te redden?» Jes.50:2. En daar staat opnieuw dezelfde uitdrukking: geen man. En als er dan niemand is, dan staat daar die knecht. En die knecht­ heeft, of nauwkeuriger gezegd, die knecht is een stem.

Het­ verhaal over een knecht

«Wie onder u vreest de HERE, wie hoort naar de STEM van zijn knecht? Wanneer hij in diepe duisternis wandelt, van licht be­roofd,­ vertrouwe hij op de naam des HEREN en steune op zijn God» Jes.50:10. Dus die ballingen gaan horen naar de stem van de knecht. Ze lo­­pen in het donker en gaan in duisternis, er is voor hen geen licht­glans. En dan vertrouwen ze toch op de naam van de Heer en ze­ steunen op hun God. Daar komt dat beeld tot een hoogtepunt. Het is net als bij kinderen die bij elkaar zitten in het donker. Ze­ wachten tot er iemand komt en die dan een verhaal gaat ver­tel­len.­ In het donker kun je eigenlijk ook maar één ding doen: bij een­ kampvuur zitten en luis­teren naar het verhaal. Of zoals het kind­ dat in donker in bed ligt. Dan komt moeder en zij ver­telt­ een verhaal. Zo wordt het donker vervuld, zo worden de Schriften vervuld. Zo is­ er ge­loof, hoop en liefde in de nacht. En zo is de naam van God daar­ aan­we­zig. Zo wordt dit een beeld van redding. Mensen, vermoeid als ze zijn, ze­ er­varen in en door het verhaal Gods reddende kracht. Die knecht­ gaat daar, naamloos als een onbekende. Zo wordt de knecht­ meta­foor, beeld, drager van het heil, drager van de toe­komst.­ Als God ziet: er is geen man, dan geeft Hij als antwoord een­ verhaal over een knecht. En dat verhaal vult de leegte, dat ver­haal verlicht het donker. Zo wordt het tot een vertroosting in de­ nacht. Dat ver­haal over de knecht is het antwoord.

Want de bepaalde tijd is gekomen

«Gij zult opstaan, U over Sion erbarmen, want het is tijd haar ge­na­dig­ te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen» Ps.102:14. Dit is ook een profetische tekst. Erboven staat: ‘een gebed van een el­len­di­ge’, letterlijk: ‘van een neergebogene’. Gebed van een el­len­di­ge,­ wan­neer hij dreigt te bezwijken. Wanneer hij bezwijkt en voor de Here zijn klacht uitstort. Daar staat­ een mens, die zijn klacht gaat uitstorten. Daar staat een mens,­ die aan het eind is van zijn verwachting. Zijn dagen zijn voor­bijgegaan als een scha­duw, een mens die zich voelt als rook die­ verdwijnt, als gras dat ver­dord is (een beeld dat je ook weer in Jesaja 40 te­genkomt). «De bepaalde tijd» Ps.102:14. Letterlijk: «De afgesproken tijd». En hoe weten die psalmzangers dit? Want uw knechten hebben deer­nis met haar puin. «Want uw knechten hebben behagen in haar stenen, zij hebben deer­nis met haar puin» Ps.102:15. Daar zie je weer de vallende hut, de vervallen hut. Puin, letterlijk kan dat ook betekenen: stof. Er is alleen nog stof over. Wat rest er nog van de tempel….   Vanouds zeggen de rabbij­nen: als er geen tempel meer is, dan kun je alleen nog maar bid­den. En de gebeden worden dan de tempel. De gebeden worden tot het huis van de Heer. God woont in die gebeden. God woont in die lofzang, in dat gebed. In een studie over de lofprijzing werd gesteld: de zin van de lof­prijzing is niet zozeer dat God dat nodig heeft, het is niet: bewie­roken van de Ko­ning. Dan zou je ook weer een wat vreemd beeld van God krijgen, net alsof God altijd maar wil horen dat Hij groot is. Dat is wel een wat narcistische gedachte. Stel je voor, dat ie­mand op de troon zit en het ver­rukkelijk vindt, dat er constant men­­sen lopen te roepen: O, wat bent u groot! O, wat bent u toch mach­tig! Dan heb je ook de neiging om te zeg­gen: als je het nou daar­van moet hebben! Is dat dan een soort koesteren van je ego of een cultus van je ziel? Wil God dan alleen maar mensen om Zich heen, die zich uitputten in vleierijen, misschien wel welge­meend, of zit er iets anders achter?

De Naam van de Heer grootmaken

We zullen de naam van de Heer grootmaken. Maar Hij is toch al groot? En we zullen zijn naam zegenen. Maar Hij is toch al geze­gend? Wat zou een mens kunnen toevoegen aan wat Hij is? Maar …er staat niet dat we Hem­zelf gaan grootmaken, maar zijn Naam! Zijn naam wordt groot ge­maakt en dat is zijn naam hier op aar­de. Doordat God wordt geprezen, krijgt Hij naam op aarde. Een Naam in de hemel heeft Hij al. God krijgt een naam op aarde, door­dat mensen zijn naam gaan bezingen. En daarbij moet je ook bedenken, dat zijn naam bezingen niet wil zeg­gen, dat je de hele tijd zegt: Heer, wat bent U groot. Of: Heer, wij prijzen U, wij roemen U, wij eren U, wij aanbidden U. Dat is alleen maar de in­leidende formule. Zijn naam prijzen is zijn da­den vertel­len, dat is zijn ver­haal vertellen. En dat staat daar ook in Psalm 102:

Opdat men de naam des HEREN vertelle

«Opdat men de naam des HEREN in Sion vertelle, en zijn lof in Je­ru­zalem» Ps.102:22. Als ze dan zijn naam gaan vertellen, dan wordt zijn naam groot op aar­de. Als ze gaan vertellen, wordt het dus een verhaal, een ver­haal over zijn naam. En hoe meer zijn naam verteld wordt, des te meer naam krijgt God op aarde. En de uitwerking is dus, dat de volkeren ervan horen. «Dan zullen de volkeren de naam des HEREN vrezen, alle koningen der aarde uw heerlijkheid»  Ps.102:16. Zo wordt dus zijn naam op aarde verbreid. Dus lofprijzing is eigenlijk een vorm van zending, dat is missionair bezig zijn, dat is een opdracht, een zending, dat je zijn naam gaat uitzenden over de aarde. Lofprijzing is het zendstation van zijn naam. Er moet dus een volk zijn, dat zijn naam gaat vertellen. Dat staat ook uitdrukkelijk in vers 22 … zijn naam vertellen. Drie keer komt die uitdrukking in de Hebreeuwse Bijbel voor, zo ook in: «Opdat men mijn naam verkondige op de gehele aarde» Ez.9:16. «Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen» Ps.22:23. In Psalm 22 zie je dus die omslag: God heeft naar hem omgezien en uit de diepte van ellende heeft hij antwoord gekregen. En nu zal hij de naam van God gaan vertellen aan zijn broeders. Wij met onze westerse gedachtegang zeggen dan: hoe kun je nu een naam vertellen, dan ben je toch gauw uitverteld? Vertel eens hoe je heet, dat duurt niet lang. De naam vertellen is het hele verhaal vertellen, dat in die naam besloten ligt. Dat zijn de verhalen van God, de daden van God, de barmhartig­heid en de ontferming. Alle maten en alle eigenschappen en ook alle ma­ten waar je de maat niet van weet. De Onnoembare met de vele namen. En al die namen komen samen in die ene Naam, die onnoembare, die een geheimenis is. Je gaat vertellen, honderd­uit vertellen. En in dat ver­tel­len worden de Schriften ver­vuld. En zo gaan de Schriften de aarde vervullen, zo wordt de duister­nis uit­ge­dreven door de kracht van die naam.

Het geheim van de lofzang

Dat is het geheim van de lofzang. Zingen is ook profeteren. Je gaat beelden neerzetten van wie God is. Al zingend ga je iets van die hut neerzetten. Het vertellen van de goede wer­ken van God is dus een hele opgave. Een sterve­ling komt er niet zo­maar toe God te roemen, daarvoor moet hij wel diep ademhalen.

 “Adem van God, vertaal ons onvermogen tot in de hoge”. Je kunt je heel onmachtig voelen, kàn ik nu wel zingen, wat komt eruit. Een zanger moet zich concentreren op zijn ver­beel­dings­kracht, of beter gezegd: hij moet aangespoord worden om zich open te stellen voor god­delijke inspiratie. Hem wordt ge­zegd zijn mond wijd open te doen, op­dat de Heer deze vult. (Ps.51:17). Als God die mond en dat hart gaat vul­len, dan komt die naam des Heren eruit. Je kunt niet zeggen: dat gaat allemaal vanzelf, we gaan wel even zingen, we hebben een hele bundel vol. Het gaat in de lofprijzing immers niet om bewieroking van de Allerhoogste, maar om het zoe­ken en benoemen van zijn goede werken. Om het aanwijzen in het turbulen­te wereldge­beu­ren of in je eigen ondoorzichtige le­vens­lot van de dingen Gods. Daar waar je iets gaat ontdekken van de daden van de Heer, daar waar je de vinger Gods herkent, daar ga je zijn naam verkondigen. Dat is het nabij brengen van de naam. En dan zeg je inderdaad: kan het stof U loven, kan dat uw trouw vertellen? De uit stof en leem gevormde mens, wiens ogen dicht zitten, kan door die genade God loven. Gij hebt mij het oor geo­pend, Gij hebt mij lofzangen in de mond gegeven. Een ge­bro­ken mens, wiens gebeente ontwricht is, kan dan toch een lof­zang aanheffen. «Wanneer de HERE Sion heeft gebouwd, en verschenen is in zijn heerlijkheid» Ps.102:17. «Zich heeft gewend tot het gebed van de berooide en hun gebed niet heeft veracht» Ps.102:17. Van de berooide, ook te vertalen: «Van de ontblote». De mens die naakt is, die geen mantel heeft, die geen kleed heeft, die het gevoel heeft: moede kom ik, arm en naakt. De balling­schap wordt soms ook gezien als ontkleed zijn. «Dit worde opgeschreven voor een volgend geslacht, en het volk dat geschapen zal worden, zal de HERE loven»  Ps.102:19. Of: «Herschapen». «Want Hij heeft uit zijn heilige hoogte neergezien, de HERE heeft UIT de hemel OP aarde geschouwd» Ps.102:20.

Om gedoemden te bevrijden

«Om het zuchten der gevangenen te horen, om de ten dode gedoemden te bevrijden» Ps.102:21. Letterlijk: «De kinderen des doods». Kinderen des doods, mensen die het gevoel hebben: wij zijn geke­tend aan de dood, wij dragen de dood in onze leden. We hebben geen toe­komst meer, het leven is weggevloden. Maar Hij hoort hen en Hij ziet hen en zo worden de Schriften ver­vuld. Om te bevrijden de zonen van het sterven, de sterfelijke zonen, de doods­­kinderen. Mensen die het gevoel hebben, dat ze zichzelf niet in leven kunnen houden. «Gedoemden te bevrijden». Letterlijk: «Gedoemden te openen». Het beeld is dus het openen van de gevangenis. Er komt opening van de gevangenis en er komt opening van de ogen. En zo komt er een verhaal op gang, een verhaal van God en de men­sen. Zo krijgt God naam op aarde, naam onder de mensen.

Hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde

Zo krijgt God naam in de ballingschap. Zo wordt zijn naam geze­gend. Zijn naam is zoals Hij onder de mensen is en zoals Hij op aarde rond­gaat onder de volkeren. God is in de hemel, maar zijn naam is nabij, na­melijk daar waar men zijn wonderen vertelt. «Wij loven U, o God, wij loven, want nabij is uw naam, men vertelt uw wonderen» Ps.75:2. En dan zegt Psalm 8: «O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde» Ps.8:2. Zijn naam dat is zijn bekend zijn, zijn naam is zijn roem die gro­ter wordt naarmate er meer over Hem verteld wordt. Hij maakt naam door het ver­haal van zijn werken en zijn daden. «Om u mijn kracht te tonen, opdat men mijn naam verkondige op de gehele aar­de» Ex.9:1. Het loven van God bestaat dus niet hierin, dat men voortdurend roept: “De Here is groot”, maar dat te kennen wordt gegeven waar­òm Hij groot is, waaròm Hij verheven is. Zoals er blijdschap is in de hemel als een zondaar thuiskomt, zo zal de Heer Zich verheugen als zijn naam verteld wordt. Niet om­dat God daar behoefte aan heeft, maar omdat op die manier zijn naam wordt uitge­zaaid over de aarde en dan kan zijn naam zich voortplan­ten. «En geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid VERVULLE de ganse aarde» Ps.72:19

Een stukje hemel op aarde

Dus zingen betekent: zijn naam uitzaaien op aarde, dan komt er een stuk­je hemel op aarde. Een plekje hemel op aarde, soms in het dal, soms in de schaduw, daar krijgt zijn naam vaste voet, daar gaat zijn naam wortelen op de aarde. Dan kun je boven dat plekje schrijven:

“Hemel op Aarde”.

En zo vertelt Amy Carmichael dat zij een kamer had in een kin­der­­tehuis in India, waar boven de deur was geschreven: “In de hemelse gewesten in Christus Jezus”. Die woorden stonden boven de deur. Die kamer was voor allerlei doel­einden gebruikt. Soms lagen er zieke kinderen die daar ver­pleegd wer­den, soms was het een kantoor, soms was het een speel­ka­mer, soms was het een gebedsruimte. Het was niet een ruim­te waar niemand mocht ko­men. Maar de woorden boven de deur hebben vaak de bewoner gehol­pen om daar te leven. Hemel op aarde, plekje waar de naam van de Eeu­wige geroepen en ver­teld wordt. Wij zijn niet overge­leverd, zegt zij dan, aan de wind en aan de golven. Krachten van verdriet en van depressie kunnen ons aanvallen, maar we zijn geroe­pen om te werken van het op­gaan van de morgen totdat de sterren aan de hemel verschijnen. En toch, al die tijd, is daar vanbinnen dat leven van de Geest, waardoor wij levend gemaakt worden. En daarom kan het: leven van binnen, le­ven omdat je de bron hebt van binnen, die bron die niet opdroogt. En daarom staat boven die kamer, waar kinderen verpleegd worden en waar zorgen worden doorworsteld: “Hemelse gewesten”. Je zou er haast boven kunnen zetten: “Hut van David”. Soms is de strijd lang, soms heeft de mens adem te kort. Maar toch: U bent de God die ons draagt en uw Naam mag daar zijn.

En is de strijd soms fel, de oorlog lang,

zacht klinkt in ons oor een verre zegenzang.

En harten zijn weer sterk

en ogen niet meer bang.

U geeft ons adem om te leven.

U bent er, ook als wij ons weleens voelen als de mensen in de tijd van het Troostboek: er is geen man, er is geen antwoord. En dan geeft U ons een verhaal mee, het verhaal van de Knecht, de Stem van de Knecht. En in dat verhaal horen we van Iemand die hoopt en horen we van Eén die gelooft en horen we van Eén die vertrouwen had in U.

En vanwege die Ene krijgen we weer moed.

En vanwege die Ene krijgen we weer geloof.

Dit verhaal doet ons hopen, doet ons geloven en liefhebben in uw kracht.

Uw Naam is als balsem voor ons hart.

Uw Naam is de draagkracht voor onze ziel.

Uw Naam is de veerkracht van ons hart.

Uw Naam geeft ons vleugels, zodat wij verder kunnen.

U omgeeft ons van achteren en van voren, verleden en toekomst.

Gij legt uw hand op ons

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

405521 bezoekers sinds 07-06-2010