Profetisch zien

29-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

«Toen zeide hij: Gaat en ziet, waar hij is; dan zal ik hem laten gevangen­ne­men. Nadat hem gemeld was: Zie, hij is te Dotan, zond hij daarheen paar­den en wagens, een sterk leger; zij kwamen des nachts en omsingelden de stad. Toen de dienaar van de man Gods des morgens vroeg opstond en naar buiten trad, zie, een leger om­ring­de de stad, zo­wel paarden als wa­gens. En zijn knecht zeide tot hem: Ach, mijn heer! wat moeten wij doen? Maar hij zeide: Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn. Toen bad Elisa: HERE, open toch zijn ogen, op­dat hij zie. En de HERE opende de ogen van de knecht en hij zag en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa» 2 Kon.6:13-17. «En ik zag iets als een zee van glas met vuur vermengd, en de overwin­naars van het beest en van zijn beeld en van het getal van zijn naam, staan­de aan de glazen zee, met de citers Gods»  Op.15:2. «En zij zingen het lied van Mozes, de knecht Gods, en het lied van het Lam, zeg­gen­de: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij, Koning der volkeren! Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig. Want alle volken zullen komen en zullen voor U nedervallen in aan­bidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden» v.3,4. «En daarna zag ik, en de tempel van de tent der getuigenis in de hemel ging open; en de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, bekleed met rein en blinkend linnen en de borst omgord met een gouden gordel» v.5,6. In 2 Koningen 6 wordt een strijd beschreven tussen Israël en Aram. Als we het wat nauwkeuriger zeggen, kunnen we vaststellen: het is een strijd tus­sen de koning van Israël en de koning van Aram. En dan ontdekken we, hoe actueel dit verhaal is, want vandaag de dag zien we dat ook weer zich aftekenen: een strijd tussen koningen. Het opmerkelijke in deze geschiedenis is, dat daar midden tussen die ko­nin­gen een profeet staat: Elisa. En dan vraag je je af: wie is nu eigenlijk de beslissende figuur in heel dat gebeuren? En dan ontdekken we, dat het de mens Elisa is. In feite is hij het, die bepaalt wat er gaat komen. Aan de ene kant is daar de koning van Aram, aan de andere kant de koning van Israël; en dan zegt God: Ik zet jou er tussenin. Wat moet Elisa dan doen? Het is goed eens daar op te letten, want dan krij­gen we een beeld van wat God vandaag bedoelt. God bedoelt een profe­ti­sche gemeente. Een profeet spreekt de woorden van God. En dan is het opval­lende, dat wan­neer Elisa gaat spreken, er iets in beweging komt. Het is goed om daar voor onszelf eens op te letten: wat gebeurt er, als wij spreken. Wat zetten wij, als gemeente, in beweging. Je moet niet te gering denken over jezelf. Je moet ook niet te klein denken over de gemeente. Je moet niet zeggen: de wereld zal het misschien niet eens merken, als er geen gemeente meer is. God zegt: jullie zijn belangrijk, want door jullie spreken ga Ik zaken in be­we­ging zetten. Jullie zijn de gangmakers. De gemeente is het middelpunt van de geschiedenis. Zo staat Elisa daar, maar er komt wel het een en ander op hem af. De ko­ning van Aram krijgt ook het een en ander in de gaten en is van plan om Elisa te liquideren. Elisa bevindt zich in Dotan en de koning van Aram om­singelt de stad met paarden en wagens, een sterk leger. En als Elisa dan de volgende morgen uit het raam kijkt, ziet hij dat hij geen kant meer op kan. Hij is aan alle zijden totaal ingeslo­ten. Dan ontdek je iets, wat toch wel heel kenmerkend is voor een profeet en dat ook iets is, wat God ons wil gaan leren. Elisa heeft ook een knecht, en dan zul je zeggen: fijn is dat, dan sta je er ten­minste niet alleen voor. Twee weten meer dan één. Die knecht staat vroeg op, daar ligt het niet aan, en hij ziet ook wat er aan de hand is. En zijn conclusie is: Ach mijn heer! Wat moeten we doen!

Die knecht ziet het niet meer zitten; dit is het einde. Die knecht vertolkt de gedachten, die je zoveel overal tegen­komt: er is geen uitweg meer, het loopt op zijn einde. Nu is er één ding, dat dan speciaal opvalt bij Elisa, en dat God ons ook als gemeente speciaal wil leren. Elisa zegt daar in vers 16: Vrees niet. Elisa is een mens, die zelfstandig denkt; hij huilt niet mee met de wolven in het bos. Dat is ook iets, wat God ons wil gaan leren. Het is Gods bedoeling, dat we zelfstandige mensen worden; zelfstandig ten opzichte van de we­reld om ons heen. In de gemeente ga je je krachten bundelen. In de gemeente ga je steeds meer naar elkaar toegroeien, als het goed is. In de gemeente geldt het prin­ci­pe van het samen doen, je hebt elkaar nodig, je kunt niet in je eentje func­ti­oneren. Maar ten opzichte van de wereld zegt God: wees zelfstandig, laat je niet beïnvloeden. Een profetische gemeente zal anders zijn dan de rest. Daar is in de eerste plaats voor nodig, dat je je losmaakt van de gedachten om je heen. In de tweede plaats moet je leren om in te gaan in het hei­ligdom. Je moet le­ren ingaan in die gedachten van God. Dan word je leeg van al die gedach­ten van de wereld; dan word je helder als kristal, dan word je doorzichtig. Dan word je een venster, dat helder is, dat gereinigd is van alle aanslag, zo­dat je daar doorheen de zon helder kunt zien stralen. Je leven is vaak te vergelijken met een venster. Soms zit daar van allerlei aan­slag op. Misschien is het wel helemaal dichtgevroren. Zo kan ook je ziel zijn dichtgevroren, waar­door je er totaal niets meer door kunt zien. En dan kunnen de mensen jou eigenlijk ook niet zien. Je zit daar ergens achter dat masker, achter dat ondoorzichtige matglas. Dan komt God en zegt: zal Ik je raam eens gaan ontdooien, zal Ik je raam eens helder gaan maken? Dat was ook bij die knecht nodig. Die knecht van Elisa zag alleen maar vij­an­den. ‘t Is toch wel een beroerde tijd, hè! ‘t Is eindtijd, broeder! Hadden we nou maar vroeger geleefd, toen had je zulke dingen niet. Je kunt wel zien, dat het afloopt; daar zitten we nu met z’n tweeën in een stad. Twee in een stad… En dan zegt God: Ik ga dat venster openen; ga jezelf open­stellen voor God. God zegt: Ik wil, dat je zelfstandig gaat worden ten opzichte van heel dat denken om je heen. Jezus was totaal afhankelijk van de Vader, en juist daarom was Hij zelf­stan­dig ten opzichte van zijn omgeving. Dat is een wisselwerking: hoe meer je afgestemd bent op de Vader, des te meer word je zelfstandig naar buiten. We zien dat zo mooi bij Jezus, als Hij op weg is naar het dochtertje van Jaï­rus. Onderweg komt er dan een heleboel oponthoud en uiteindelijk komen ze dan vertellen: Het hoeft niet meer, val de Meester maar niet meer lastig, want het meisje is alreeds gestorven. Dat is iets wat je vaak ook om je heen hoort: het is te laat, het wordt niets meer, stop er maar mee. En dan staat er in dat verhaal zo’n heel klein zinnetje, dat eigenlijk een gouden zinnetje is: en Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd. «Doch Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd» Mc.5:36. Jezus laat Zich niet beïnvloeden, Hij bewaart zijn zelfstan­digheid. En dan zegt Hij tegen die man hetzelfde als wat Elisa zei: «Wees niet bevreesd, geloof alleen» v.36. En geloven betekent, dat je verbonden bent met een gedachte van de Vader. Geloven is niet zomaar een sprong in het duis­ter, het is niet zomaar een stap in de lucht, maar geloven is, dat je een gedachte van God gaat grijpen. Als ze Jezus Koning willen maken, dan zegt Hij niet: fijn, dat jullie het nou ook zien, daar heb Ik al zo lang op ge­wacht, eindelijk eens wat publiek achter Me aan, ‘t gaat goed met het Koninkrijk Gods. Maar dan staat er, dat Jezus Zich terugtrok, geheel alleen. «Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen» Joh.6:15. Jezus wilde zijn zelfstandigheid bewaren ten opzichte van die wereld rond Hem heen. Zo gaat het ook wat de gemeente betreft. Jezus spreekt op een gegeven moment een heel merkwaardig woord. Er komt iemand bij Hem, die zegt: Ik wil U best vol­gen, mag ik ook meedoen?

En dan is de reactie van Jezus: «Meester, Ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. En Jezus zeide tot hem: De vos­sen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen» Matt.8:19,20. Als je Jezus gaat volgen, dan hèb je een paar dingen niet meer. Je hebt geen hol meer en geen nest. Het typische van die vossen is, dat ze een plekje heb­ben, maar ze zich nog eens heerlijk in terug kunnen trekken. Vandaag zit ik in mijn hol, vandaag ben ik niet te spreken. Daar kun je je lekker in verschansen, voor niemand bereikbaar. Als het wat te heet wordt onder je voeten, kun je je biezen pakken, kun je je vleugels uit­slaan en je eens heerlijk in je nest terug­trekken. Heerlijk afgesloten van die boze buitenwereld; ik in mijn knus hoekje. En telkens zie je dan, dat God je nest gaat verstoren. God gaat je uit je nest vandaan roepen. Dat nest is datgene, waar je je zo lekker hebt ingebouwd. Je nest kan bestaan uit een stuk traditie. Zo ben ik het gewend; zo heb ik het altijd gedaan, broeder. Dat nest kan een bepaalde gewoonte zijn; dan krijg je die typische uitdrukking: de macht der ge­woonte. Dan moet je misschien wel oppassen, want wie is er dan aan de macht! Dat zijn die gewoonte­nes­ten, die oude ho­len, waar je je zo lekker in thuis voelde. Maar God roept je te voorschijn. God wil, dat je zelfstandig gaat worden. Jezus had geen plaats om Zich in terug te trekken. Hij had geen rustpunt om Zich daarin te verschansen. De enige woonplaats van Jezus was: de Va­der! Het is goed, om dat in je eigen leven te gaan herkennen. Soms gaat God je uit je nest te voorschijn roepen. Maar dan geeft God je wel een belofte: Hij zal je wel plaatsen op de rots. Als Mozes aan het eind van zijn leven is gekomen, heeft hij heel wat afge­zwor­ven; dan denk je: die man heeft ook niet veel plaats gehad! Veertig jaar dat volk om zich heen; en dat was in het algemeen toch niet zo opwekkend. Ze hadden altijd wat te mopperen. Dan hadden ze dit te veel en dan had­den ze dat te weinig. Dan hadden ze manna te veel, of vijanden te veel, maar weer vlees te weinig. Altijd hoorde Mozes maar: zullen we terugke­ren naar Egypte? ‘t Was daar toch eigenlijk wel beter. In die veertig jaar moest Mozes zich steeds weer realiseren: Hoe bewaar ik mijn zelfstandigheid. En dan gaat Mozes die berg op, in de stilte bij God, en dan zegt Mozes: God, wilt U me nu eens laten zien, hoe U het bekijkt? Mozes wil de dingen bezien vanuit Gods stand­punt; dat is iets wat wij ook steeds weer moeten leren: hoe bekijkt God de dingen, hoe denkt God daarover. Ik wil de din­gen niet van benedenaf bekijken, maar van bovenaf. En dan zegt God tegen Mo­zes: «Zie, bij Mij is een plaats, waar gij op de rots kunt staan» Ex.33:21. Bij Mij is een plaats; en dan kun je vanuit mijn gezichtspunt de dingen gaan zien. Mozes moest zich ook steeds weer losmaken van standpunten, die van benedenaf waren ingegeven. Dat was geen kwestie, dat hij dat één keer moest doen. En op een gegeven moment tuint Mozes er toch nog in, dan slaat hij op de rots. De geest, die dat volk inspireerde, gaat dan ook Mozes besmetten. Want dan staat er, dat de Is­raëlieten Mozes’ geest verbitterden. Daarom moeten we ons ook steeds weer realiseren: we moeten in de gees­te­lijke wereld zelfstandig worden. We moeten er steeds weer alert op zijn, om niet met alle winden mee te waaien. We moeten er ons van bewust zijn, dat er velerlei gedachten zijn, en dat we op moeten passen, niet door aller­lei denkbeelden meegesleurd te worden. Trek je niet terug in je hol of je nest, waar je je gaat inkapselen. God roept je uit dat nest, uit dat hol van­daan en zegt: Ik zal je gaan plaatsen op de Rots, die Ik ben. Een van de unieke eigenschappen van God is, dat Hij ook zelf­standig is. Hij is de Rots in de branding; God waait ook niet met alle winden mee. Daar­om zegt God: Ik wil, dat jullie profetisch gaan denken. Ik wil, dat jullie te­gen­stroom zullen zijn. Het kenmerk van profeten is, dat ze altijd anders denken dan de massa. Daar­om staat er ook, dat Jeruzalem de profeten doodt. De traditie kon met die profeten nooit overweg. Je zult maar zo’n profeet in je samenkomst krij­gen! Dat geeft dan een onrust! Als je net lekker zit, zegt hij: neem uw tent op en ga op reis. Je hebt net heerlijk je nestje gebouwd en dan wordt er ge­zegd: zullen we nu maar niet eens uit gaan vliegen? Je bent geschapen om uit te vliegen, je bent als een adelaar! Je bent niet geschapen om in dat ka­dertje, in dat kerkertje te zitten. Profeten zijn soms erg lastig! Erg lastig voor uw broodno­dige rust. Heer, maak uw bedieningen waar, geef ons pro­feten! Had het nou maar nooit ge­zegd?! God wil ons maken tot een profetische gemeente. Het is dan niet zozeer die eenling, dat individu, maar God zegt: jullie, als gemeente, zullen een pro­fetisch volk zijn. God is anders dan de massa, en Hij wil, dat ook wij anders zullen zijn dan de massa. Als iedereen zegt: de wereld zal vergaan, dan zegt God: Maar Ik ga mijn schepping herstellen. Een pro­feet gaat altijd te­gen de stroom in. Een profeet zegt nooit, wat je in de krant ook wel kunt le­zen. God zegt: een profeet zal spreken, wat uit Mij te voorschijn komt, wat uit mijn hart komt, wat uit mijn Vaderhart komt. Een profeet is anders; gij geheel anders. God zegt: jullie zullen anders den­ken dan de wereld. Als iedereen zegt: het loopt af, dan zal de gemeente zeg­gen: het wordt een opgang. Als iedereen zegt: de gemeente heeft zijn beste tijd gehad, dan zegt God: mijn tijd komt nog, Ik begin pas. Als ie­der­een zegt: het is eindtijd, dan zegt God: het is begintijd. Elisa was ook een man, die zelfstandig was ten opzichte van zijn omgeving. En dan bidt hij of de ogen van zijn knecht ook mogen worden geopend. Hij ziet dan die berg vol van vurige paarden en wagens. Die paarden en wagens waren daar, omdat Elisa daar was. Er staat ook bij: rondom Elisa. Rondom hem waren de hemelse le­gerscharen. Waar zullen in deze tijd de engelen zijn: rondom de gemeente. De engelen waren daar, omdat Elisa daar profetisch had ge­sproken. Elisa bracht de engelen in be­we­ging. De gemeente van vandaag brengt de engelen in beweging. En waar de ge­meen­te gaat, zullen de engelen volgen. De engelen volgden in het voet­spoor van Elisa. Dat beeld zien we weer terug in Openbaring 15. Daar staat die schare van overwinnaars; ze staan aan de gla­zen zee. Je kunt ook vertalen: op de glazen zee. Die zee is dan helemaal tot glas geworden. En dat betekent, dat je er doorheen kunt kijken. En als die zee helemaal van glas is ge­worden, dan stroomt hij niet meer, dan is hij tot rust gebracht. Het kan zijn, dat er in jouw leven nog een zee is met brui­sende golven, met een woeste branding, maar dan zegt God: het zal tot rust komen en het zal glashelder worden in je leven. God zegt: Ik ga jouw zee tot rust brengen. En ook die zee van de volkeren; de mensen die radeloos zijn vanwege het bul­deren van de branding, zij zullen tot rust komen. Dan staat die schare daar en dan zingen ze het lied van Mo­zes en van het Lam. En wat gaat er dan gebeuren: «En daarna zag ik, en de tempel van de tent der getuigenis in de hemel ging open; en de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, bekleed met rein en blinkend linnen en de borst omgord met een gouden gordel» Op.15:5,6. Vanuit de tempel, vanuit de gemeente, komen de engelen. Zo gaat God het in deze tijd doen. Als de gemeente gaat zingen het lied van Mozes en het lied van het Lam, dan gaan vanuit de tempel de engelen hun dienst beginnen. Die zeven engelen hebben de zeven slagen. Er staat dus niet: de zeven pla­gen; engelen zijn geen plaaggeesten. Zij gaan de zeven laatste slagen toe­bren­gen aan het rijk van het beest. Die engelen komen uit de tempel, vanuit de gemeente van God. Laten we ons dat bewust zijn: als wij God gaan prijzen, als volk des Heren, dan zullen vanuit ons midden de engelen uitgaan om de bolwerken te slech­ten. Die engelen zijn bekleed met blinkend linnen; ze zijn gekleed als priesters. Zij zullen de laatste slag toebrengen aan het rijk van de vijand. Alles draait om de tempel. Van daaruit ondernemen die engelen hun acties. De tempel is de plaats van de aanbidding. De tempel is de plaats waar je ziet, wat God ziet. De tempel is de plaats, waar je los bent van het zichtbare. Dat is de plaats, waar je zelfstandig wordt in de geest. Daar ben je immers alleen met God! Daar ben je afgestemd op Hem.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

383937 bezoekers sinds 07-06-2010