Prediker

29-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Het boek Prediker werd vanouds gelezen aan het eind van het Loof­hut­­­tenfeest, op de laatste dag van Sukkoth. Dat is op zich al heel ty­­perend. Het Loofhuttenfeest heeft als slotdag de Simchat Torah, de vreugde der wet, of beter ge­zegd: vreugde van de onderwijzing. Het is dat laatste grote feest, waar­in je bezig bent met de tocht door de woestijn. Je bent uit Egyp­te gegaan en dan trek je door de woes­tijn. Als dat feest ten einde is, moet je weer het leven in. Dan be­gint, om zo te zeggen, de feest­lo­­ze tijd. Sukkoth is het herfstfeest en daarna ga je de winter in.

 De bomen dorren in het laat seizoen

En wachten roerloos de nabije winter.

Als het feest voorbij is, wat dan? Dat is net als aan het eind van de sjabbat op zaterdagavond, dan begint het lieve leven weer. En hoe lief is dat leven dan? Dan moet je er weer tegenaan! Het maandag­och­­tend-syndroom. Het Loofhuttenfeest is het feest van de allerhóógste verwachting, het is het feest van de hoop. Maar je bent nog onderweg door de woes­­tijn heen. Je bent nog op weg naar het Land der Belofte. Je komt vanaf de Berg van de Openbaring, dus je zit eigenlijk tussen open­­­­ba­ring en voleinding in. Aan de ene kant de Berg van de Open­ba­ring en aan de andere kant de uiteindelijke verlossing. Het is een soort Romeinen 8 situatie. Je bent kind van God, maar je bent nog op weg. «De hoop, die nog niet gezien wordt»  zegt Paulus dan in Rom.8. «We verwachten met volharding de verlossing van ons li­chaam» We verwachten de uiteindelijke wederoprichting. Je bent nog op weg naar die tikkun, het Hebreeuwse woord voor de wederoprichting, het wederherstel, het herstel van alle dingen. Je bent dan ook aan het eind van de Torah, want op de laatste dag van het feest wordt Deuteronomium 34 gelezen, maar ook tegelijk weer Genesis 1. Je komt aan het eind van de vijf boeken en je gaat weer terug naar het begin. Degene, die voor mag lezen heet bruidegom van de To­rah. Maar hij wordt altijd ‘bruidegom’ genoemd en niet ‘echt­ge­noot’. Het is net alsof je in die bruiloft blijft hangen. Daarom is het niet toevállig, dat men juist op dàt moment het boek Prediker heeft geplaatst; dan krijg je de ontnuchtering. Als je voor het laatst de geur van de sjabbat inademt en als daarna de gewo­ne dag weer gaat beginnen. Dus die ontnuchtering wordt in het feest op­ge­nomen. Daar zit natuurlijk iets heel heilzaams in. De ge­­brui­ke­lijke gedachte is, dat je feestviert zolang als je kunt en dan de vol­­gen­de dag met een kater zit. Dat is de geest van deze eeuw, dan komt de kater na het feest. Wat de Hebreeuwse mens doet, is veel mooier, want hij bouwt de nuch­­terheid alvast in het feest ín. Je komt niet opeens op straat te staan om je dan pas te realiseren, dat het feest voorbij is. In het feest zit aan het eind al de bezinning en ben je je bewust van het feit dat je loofhutje in de woestijn staat. Je zit niet ergens in een soort luilekkerland, in een droomwereld, maar ‘die loofhut staat met beide benen op de grond’. Het centrale motiefwoord. «IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! A­lles is ijdelheid!  Pred.1:2. Het sleutelwoord waar het boek Prediker  mee begint, staat meteen al in Prediker 1:2 en is hier vertaald met ijdelheid. In het He­breeuws is dat het woord hèbhel. (hèbhel havalim is ijdel­heid der ijdel­heden). Dat woord komt maar liefst 38 keer in het boek Pre­­­di­­ker voor, dus dat is hèt centrale motiefwoord. Hier wordt het dus ver­taald met ijdel­heid – in het Engels ‘vanity’ – en dat woord be­te­kent eigenlijk damp. Hèbhel is damp, een ademtocht. Je komt het bij­voorbeeld ook tegen in Psalm 39: «Als een ademtocht gaat de mens daarheen». Het leven van een mens is als een hèbhel. «Ja, ieder mens staat daar, enkel een ademtocht» Ps.39:6. Je zou het misschien nog het best kunnen weergeven met het ab­sur­­de, want dat woord hèbhel heeft in het boek Prediker in die 38 ke­ren heel verschillende aspecten en nuances. De ene keer valt het accent op het kortstondige, de andere keer op het alledaagse, het banale, het triviale, het gewone. Is het nu eigenlijk wel de moeite waard? Soms valt de nadruk op het ‘gaan ten dode’, soms op het zinloze. Heeft het nu allemaal wel zin? Het beste zou het dus kun­nen worden weergegeven met ‘het absurde’. Er zijn meerdere uitleggers die heel veel verwantschap signaleren met de betekenis van ‘het absurde’ in het denken van Albert Ca­mus. Deze schrijver heeft ook veel over het absurde nagedacht. ‘De my­the van Sisyphus’ gaat over een man, die steeds maar een steen de berg oprolt en als hij bijna boven is, gaat de steen weer naar be­neden. Dan moet hij weer van voren af aan beginnen. Het menselijk gedrag. Je kunt vier punten noemen waar dat woord hèbhel gebruikt wordt. In de eerste plaats heeft het betrekking op het menselijk ge­drag, wat de mens allemaal dóet en moet doen. Dat kun je dan onderverdelen in:

1a: De inspanning, de moeite.

De moeite, die een mens zich getroost. Een voorbeeld daarvan staat in Prediker 2: «Toen ik mij nu wendde tot alle werken die mijn handen hadden ge­wrocht, en tot het zwoegen waarmee ik mij had afgetobd om die te vol­­brengen – zie, alles was ijdelheid (ha-kol hèbhel)» Pred.2:11. Hier gaat het dus over de moeite, die een mens heeft. Een mens kan zich inspannen, zwoegen, zich aftobben en van alles onder­ne­men om het te volbrengen. Daar heb je dus een heel typerende tekst over al die dingen, waarmee een mens zich vermoeit om iets te presteren en iets te produceren. Je zou kunnen zeggen dat er een gericht, een doorlichting gaat over heel de prestatie-maat­schap­pij, over heel de productie-cultuur. Als Prediker vandaag geleefd had, zou hij zien dat er heel wat werd af­ge­­draafd en gepresteerd en geproduceerd. De productie mag voor­­­al niet stilstaan en de prestatie moet tot een topniveau worden op­ge­zweept om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden. In Prediker 2 staat: «Alle werken» Kol ma ’asai, al mijn daden. Hier betekent dat woord werken eigen­lijk meer: daden. «Al mijn daden, die mijn handen hebben gedaan en met alle moeite waar­mee ik mij vermoeid heb» Pred.2:11. Letterlijk: «Al die moeite waarmee ik mij vermoeid heb om te doen en zie: haqol hèbel. Het alles is ijdelheid (of ‘absurd’) en re ‘ut ru­ach, najagen van wind. En er is geen voordeel, geen profijt onder de zon» Eén van de sleutelwoorden is het woord ‘amal (moeite, inspanning). Dat woord hangt samen met een woord dat overblijfsel betekent, re­sidu. Wat houd je nu over van al die moeite waarmee je je ver­moeit. Hij geeft een heel diepgaande analyse van wat een mens nu doet en waar hij voor werkt. Om straks lekker met pensioen te kun­nen gaan, maar wat dan? Wat doe je als je met pensioen bent? Wat is dan uit­eindelijk de zin? Je bent steeds maar bezig, want dan kan ik straks…met alle tragiek die daaraan verbonden kan zijn. Al die moei­te waarmee je je vermoeid hebt. Je kunt aan heel concrete voor­beelden denken. Een buurman van vroe­­ger bereikte uitein­de­lijk zijn pensioen en toen  werd zijn vrouw ziek. Hij heeft haar tot het eind moeten verzorgen en zelf is hij nu de­ment. Daar heb je iets van dat absurde. Die man heeft z’n hele le­ven gewerkt en na zoveel jaar trouwe dienst tenslotte zijn pen­si­oen bereikt en wat is zijn be­lo­ning? Wat blijft er over? Wat is zijn winst? Een sar­cas­tisch mens zou zeggen: tel uit je winst. Waar gaat het naar toe met al die ‘amal, al die moeite? Dus hier in Prediker 2:11 gaat het over de ‘homo faber’, de mens als werkman, de mens die pro­du­ceert en presteert.

1b: De vreugde.

Het woord simchah, vreugde, blijkt ook één van de sleutelwoorden te zijn in Prediker. Dit boek werd immers juist gelezen op de laat­ste dag van het feest. Dan vierde men de simchat torah, de vreugde van de onderwijzing. Nu gaat Prediker eens doorlichten, wat nu de vreugde ís en wat die vreugde inhoudt. Je zou kunnen zeggen dat het hier dan gaat over ‘de spelende mens’, de homo ludens, de ludieke, de speelse mens. Er zit toch ook wel een speels element in het leven. Willem Barnard zegt: “G­od geeft een mens speelruimte om mens te zijn”. In Prediker 2 komt het motief van de vreugde naar voren: «Ik zeide tot mijzelf (lett.: ik zeide in mijn hart): Welaan (kom aan, lek­ha-­na, kom toch), ik wil U op de proef stellen met vreugde (simchah), ver­lustig u dus in het goede. Maar zie, ook dit is ijdelheid (absurd). P­red.2:1. Je komt het ook weer tegen in Prediker 5: «Wie geld liefheeft, wordt van geld niet verzadigd, noch wie rijkdom liefheeft, van inkomsten» En dan luidt weer het refrein: «ook dit is absurd» Pred.5:9: Het absurde is datgene, w­at anders is dan je zou verwachten. Je ver­­wacht iets, maar er gebeurt iets anders. Dus het is eigenlijk iets wat onrechtvaardig is, iets wat tegen de haren instrijkt. Het is iets dat een ‘waarom’ oproept. Je verwacht dat iets goed gaat, dat iets vol­­doening schenkt en dat je er iets mee bereikt, maar dat gebeurt níet. Je bewandelt een bepaalde weg en je verwacht dan dat je er­gens komt, maar je komt nérgens. Het kenmerk van het absurde is, dat je steeds te maken hebt met twee dingen, namelijk met een ver­wachting en een uitkomst, die ánders is. Je verwacht a en je krijgt b. Iets is alleen absurd als het tegen een bepaalde verwach­ting in­gaat. Het absurde is iets ánders dan het onbegrijpelijke of iets dat een my­s­­terie is. Je kunt zeg­gen dat je iets niet begrijpt, maar daarom kan het nog wel móói zijn. Je begrijpt het heelal ook niet helemaal, maar het is best indrukwekkend. Hoe bijvoorbeeld het melkweg­stel­­­sel in elkaar zit, is een mysterie, maar het is niet absurd. Het gaat wel boven ons begrip uit – althans in veel gevallen – maar het is niet absurd. Absurd is, dat het ergens van binnen botst en waar­bij je denkt: dit kán toch niet. In wezen is Prediker bezig met de vraag naar het onrecht. Het on­recht in het leven, in de maatschappij, in de structuren. Je zou ook kun­nen zeggen: het structurele kwaad. Er is een heleboel struc­tu­reel kwaad, waar niemand wat aan kan doen. Er zijn een aantal za­ken, waar je geen oorzaak en gevolg van kunt ontdekken in de zin van: als je dít doet, krijg je dát. ‘Als je gelooft, krijg je zegeningen’

Als je gelooft, krijg je zegeningen. Zo werd het in die tijd vaak gepredikt en dat gebeurt nú nog. Als je dít doet krijg je dát. In Amerika zijn ze daar vaak heel sterk in geweest. Je had daar op een gegeven ogenblik het succes-evan­ge­lie: heb geloof en je krijgt welvaart. Je krijgt welvaart van God, want er staat in 3 Joh.: «God wil dat het u in alles wèl gaat»  3 Joh.1:2: Die tekst werd dan ook vaak uit het verband geplukt. God wil, dat je het goed hebt. Er zijn mensen die echt helemaal nog in dat denk­patroon zitten. Er was een getuigenis van iemand in een samenkomst, waarin ver­teld werd, dat zowel zíj als de buren een nieuwe koelkast nodig had­den. De vrouw vertelde, dat  ze graag een góede koelkast wilde heb­ben. Het slot van het verhaal luidde als volgt: we zijn tenslotte kó­ningskinderen en wat denk je? We krijgen nog een betere koel­kast dan de buren, want God geeft zijn kinderen altijd het beste! In het boek Prediker kom je dingen tegen die je niet kunt rijmen. Aan de éne kant heb je dingen, die prachtig zijn en aan de ándere kant zit je met dat absurde. Er waren twee verhalen in verband met de ramp in de Bijlmermeer. Er was een gezin uit één van de ge­trof­fen flats,  die ’s middags naar de Pinkster­ge­meen­te was ge­weest en op de terugweg naar huis een lichte aanrijding kreeg. Door deze vertraging waren ze niet thuis op het moment van de ramp. Wonderlijk, zeg je dan, die mensen zijn be­waard. Daarbij moet je je niet afvragen of God dan zorgt, dat je een kleine aanrij­ding krijgt. Daarnaast is er dat andere verhaal en dan zie je dus de wor­steling van Prediker. In de getroffen flat woon­de op de 9e ver­die­ping een jong gezin, waar pas een baby  was ge­bo­ren. De kamer waar de moeder was, werd ge­spaard en de kamer waar de baby lag, werd getroffen. Het kind heeft maar twee dagen ge­leefd. En het waren al­le­bei chris­te­lijke ge­zinnen. En dan kun je je ook afvragen of God alleen christenen bewaart. Lo­­gisch doorgeredeneerd zou je kunnen zeggen dat de mensen, die niet chris­­telijk zijn, God  nog harder nodig hebben. Het wordt an­ders zo gauw weer selectief. Dan kun je de vraag stellen, waar je voor gaat bidden. Dat kan ook iets absurds zijn. Neem bijvoorbeeld het verhaal, dat je in de straat  waar je woont, een huis in brand ziet staan en je bidt dat het niet jóuw huis zal zijn. Dat huis stáát al in brand, dus het heeft geen zin om te bidden of dat maar niet jóuw huis zal zijn. Bovendien bid je heel egocentrisch. Het is een worsteling: je hebt dus vreugde en in hoeverre heeft deze zijn grenzen? Bij het absurde zit er dus altijd iets in van het feit, dat je a verwacht en dat b gebeurt en waaróm dat dan zo is. Er is een botsing, een conflict. Het is een aanval op je denken, een aanval op het redelijke. Het heeft iets onredelijks, denk maar aan het verhaal van die moeder, waar­van het kind omkwam. Negen maanden heeft ze het kind ge­dra­gen, misschien zelfs moeite doorstaan en dan gebeurt die ramp.

Toeval.

Het is de vraag of hier het woord toeval op zijn plaats is. Het woord toe­­­val komt ergens wel in de bijbel voor. Er wordt vaak gezegd: toe­val bestaat niet. In de praktijk kun je zeggen, dat dingen gewoon ge­­­béuren. Misschien kun je daar soms achteraf de hand van God in zien, maar soms ook niet. Dat kun je niet altijd keurig in een sys­­teem onderbrengen. Het is juist de worsteling van Prediker, dat het systeem niet klopt. In Prediker 9 staat in onze vertaling het woord toeval. «Wederom zag ik onder de zon, dat niet de snelsten de wedloop win­nen, noch de sterksten de strijd, noch ook de wijzen het brood, noch ook de schranderen de rijkdom, noch ook de verstandigen de gunst, want tijd en toeval treffen (ontmoet) hen allen» Pred.9:11. Pega (toeval) kun je vertalen met het woord treffing, datgene wat je treft. Er is nog op een tekstverband te wijzen, namelijk in Deute­rono­mi­um 28 – het hoofdstuk over de zegen en de vloek – en de parallel­tekst in Leviticus 26. Tot het volk Israël wordt gezegd: «Indien gij gaat in de wegen van het verbond, dan zal Ik ook met u gaan in de we­gen van het verbond» Er staat een heel merkwaardige uitdrukking, die 7 keer voorkomt in Leviticus 26, dat is het woord qeri als zelfstandig naamwoord. H­et werkwoord qara wordt ook in Pred.9:11 gebruikt en dat is ver­taald met treffen: «die treffen hen allen». Het is een puzzel hoe men het woord keri moet vertalen. Het NBG zegt: «U tegen Mij blijft verzetten» Die vertaalt qeri dus met verzet. Het wordt onder andere zo vertaald in Leviticus 26: «Indien gij u verzet» Lev.26:21. Op meerdere plaatsen, wel 7 keer, wordt qeri dus vertaald met het woord verzet; de mens die zich verzet tegen God. Dat woord wordt ook wel vertaald met tegenheid. Daar zit in: Iemand tegenkomen. Q­ara is ontmoeten. Indien gij in tegenheid blijft wandelen. André Neher heeft nog een heel interessante vertaling  en zegt: Het is hasard, toeval. Je komt in de sfeer van het toeval en dat ge­beurt als je het op het toeval aan laat komen in je relatie met God. Óf je leeft in het Verbond óf je leeft in de wereld van het toeval. Dat is dus even de sfeer die in Leviticus getekend wordt. God zegt dan: «Dan zal ook Ik met U wandelen in hasard, in toeval» Met andere woor­den: zelfs in het toeval is God dan toch Degene die je tegemoet komt. Dat is eigenlijk heel mooi; zelfs dán (en dat wordt dan zevenvoudig gezegd) laat Ik je niet in je sop gaar koken, maar in dat sop ben Ik ook bij je. Het is dus in­derdaad voor een heel groot deel een kwestie van hoe je ge­beur­te­nis­sen gaat in­ter­prete­ren, hoe je ze gaat verstaan. De één kan zeggen: dat heb ik bereikt gewoon door mijn in­span­ning. De ander zegt: aan ’s Heren zegen is het al gelegen en er is niets van mezelf bij. Dat is in wezen weer een kwestie van hoe je het verstáát. De één zegt: ik héb me bekeerd en de ander zegt: Gód heeft me bekeerd en weer een ander zegt: ik heb me láten bekeren. Daar blijkt toch de interpretatie een heel belangrijke rol te spelen. Dat is op zich ook geen ramp.

Je moet altijd oppassen, dat je er geen systeem van maakt en zeker niet voor een ander, want daar loop je dus vast. Prediker zit dus met de worsteling over het onrecht. En de vreugde, de simchah, heeft ook zijn schaduwkanten.

1c. De wijsheid  (chokmah).

De homo sapiëns is de wijze mens, de mens die wijs wil worden. H­et boek Prediker hoort ook bij de zogenaamde wijsheidsliteratuur, net zoals het boek Spreuken. De wijzen (chakamim) zochten naar in­­zicht en ze probeerden de werkelijkheid te verstaan. Prediker is op zoek naar die wijsheid, zoals je bijvoorbeeld ziet in: «en ik zeide bij mijzelf (weer: ik zeide in mijn hart): Wat de dwaas we­der­vaart (wat de dwaas toevalt), wedervaart ook mij (valt mij ook toe): waartoe ben ik dan zo uitermate wijs geweest? Toen sprak ik bij mij­zelf (in mijn hart), dat ook dit ijdelheid (absurd) is» Pred.2:15. Wat valt je toe, wat overkomt je, wat komt er op je weg, wat komt je tegemoet, waar doe ik dat dan voor? Je kunt je toeleggen op wijsheid, maar wat bereik je er uiteindelijk mee? Je moet dit niet zien als fatalistisch, maar meer als realis­tisch. Ik wil die dingen eens heel reëel onder ogen zien en niet de vragen even vlot wegmoffelen. Dat zie je bijvoorbeeld ook in H.9 vanaf v.13. Onze vertaling heeft er keurig boven gezet: ‘Wijsheid niet in tel’. «Ook dit zag ik als wijsheid onder de zon en het maakte grote indruk op mij (het was groot, dit was groot voor mij): er was een kleine stad met weinig inwoners, en een groot koning trok tegen haar op en om­sin­gelde haar en richtte hoge belegeringstorens tegen haar op; en in die stad bevond zich een arme, wijze man, die haar had kunnen red­den door zijn wijsheid» Pred.9:13-16. Letterlijk: «in die stad vond hij (namelijk die koning) een arme, wijze man» Beter is om te vertalen: «die haar redde door zijn wijsheid» De uitleggers zeggen: het is niet een mógelijkheid, dat hij haar had kun­nen redden, maar hij dééd dat ook inderdaad. Hij redde die stad door zijn wijsheid. Dus die koning die de stad gaat belegeren, vindt in die stad een arme, wijze man. Die arme, wijze man redt de stad door zijn wijsheid en dan zegt het slot van H.9:15 (letterlijk): «hij deed de stad ontkomen door zijn wijsheid en niemand gedácht die arme man»  Hij werd dus vergeten.

Vergeten en gedenken

Dat vergeten is ook één van die absurde dingen. Het vergeten van de moeite, van de inspanning. Iemand zet zich in en niemand ge­dénkt hem. Let op dat woord gedenken. Daar wordt niet  zomaar: ‘dacht aan hem’ mee bedoeld. De verhalen komen vanzelf naar je toe en dan zie je dat het boek Prediker zich duizend malen her­haalt. Elie Wiesel vertelt, dat hij in Babijar – het huidige Kiev – kwam,­ waar tien­tallen Joden zomaar waren neergeschoten. Het ravijn, waar­­­­bij dat gebeurde, bleek tot zijn verbijstering midden in de stad te liggen. In 1970 hebben de Russen daar voor al die slachtoffers een groot mo­nument neergezet. Elie Wiesel was daar uitgenodigd als offi­ci­ë­le spreker. Hij ontdekte tot zijn ontzetting, dat op dat mo­nu­ment met geen letter te zien was, dat het om Joden ging. Daar heb je toch weer dat vergeten van de geschiedenis. In zijn ope­nings­­toe­spraak heeft Elie Wiesel toen wel gezegd, dat ze bezig wa­ren om de ge­schie­denis uit te wissen. Wijsheid wordt vergeten. Het zou in Pred.9:15 mee kunnen spelen, dat het om een arme man ging, waardoor er niet naar hem geluis­terd werd. Dit zou daarop kunnen duiden, ook omdat dat woord her­­haald wordt.

Wijsheid is beter dan kracht

«Wijsheid is beter dan kracht» Pred.9:16. Prediker citeert vaak gangbare wijsheden, spreuken uit die dagen. Wij zeggen bijvoorbeeld: na het zure komt het zoet. Het betekent niét, dat ik het daarmee eens ben, maar ik citeer iets en daar­ná geef ik mijn commentaar. Bij Prediker is alleen het probleem dat er niet bij wordt gezegd of het om een citaat gaat. Bij het boek Pre­diker moet je bedenken, dat je bij verschillende uitspraken aan­­­ha­lings­­te­kens zou kunnen zetten. Het lijkt alsof het begin van Predi­ker 9:16 ook zo’n citaat is. «Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht» Pred.9:16. Dat is een uitspraak, die je je overal kunt horen, zegt Prediker. Wat vind je nu beter, wijsheid of kracht? En dan is het antwoord: wijs­heid natuurlijk! Prediker geeft in het vervolg van de tekst zijn eigen commentaar: «­m­aar de wijsheid van de arme wordt veracht en naar zijn woorden luistert men niet»   Pred.9:16. Prediker geeft een tekst en een commentaar daarop. Wijsheid is beter dan kracht, maar dan moet je wel wat op de bank heb­ben staan! De praktijk is dat je wel de krácht moet hebben om het dóór te drukken! Als je wijs bent, is er niemand die naar je luis­­tert. Als je naar de politiek kijkt, vraag je je af of het wel de wij­zen zijn die aan de top komen. Bij de verkiezingscampagnes in Ame­­­rika maken ze elkaar uit voor alles wat lelijk is en op die ma­nier moeten ze hun zetel verdienen. Als hij het geambieerd had, zou een man als Derek Prince (inmiddels ver op leeftijd) – met zijn in­­zicht – president van Amerika kunnen zijn. Er wordt weer geke­ken naar iemand die de grootste mond heeft, naar de kracht, maar niet naar de wijsheid. Het is weer een kwestie van kapitaal, want het kost veel geld om zo’n verkiezingscampagne te kunnen voeren. Iemand die wijs is, maar arm komt daar nooit. Het probleem is, dat de onzienlijke wereld weinig aan bod komt, om­­­dat deze te weinig voet aan de grond krijgt in mensen. Er zijn te wei­nig mensen die zich daarop instellen. De geestelijke wereld heeft op aarde weinig kans en daardoor gaat er structureel een he­le­boel anders dan wat God bedoelt. Als Gód nu de kans kreeg, hoe zou het dan gaan? «de wijsheid van de arme wordt veracht en naar zijn woor­den luis­tert men niet (zijn woorden worden niet gehoord)»  Pred.9:16. Er is een commentaar dat – op grond van Pred.9:16 – kiest voor de ver­taling van het NBG van Pred.9:15: «hij hád de stad kunnen red­den» Maar door de hele context en het woordgebruik moet je toch kie­zen voor: «hij heeft de stad gered», alleen achteraf: «niemand geeft meer gedachtenis aan hem. Hij wordt niet in gedachtenis ge­hou­­den». De homo sapiëns is de mens die de wijsheid zoekt en die de wijs­heid wil verkrijgen. Wijsheid functioneert altijd via mensen, men­sen zijn dragers van de wijsheid. Wijsheid is nooit los verkrijgbaar.

1d – Het terrein van het spreken.

Het woord.

De sprekende mens, de homo loquens. «Laten er vele woorden zijn, zij vermeerderen slechts de ijdel­­heid. W­elk voordeel heeft de mens daarvan?» Pred.6:11. Letterlijk: «de woorden kunnen veel zijn, zij vermeerderen hèbhel. W­at is de winst voor de mens?» «Want er zijn dromen in menigte, zo zijn er ook talrijke ijde­le woor­den; vrees echter God»  Pred.5:6. Een veelheid van dromen en een veelheid van woorden, die ook weer getypeerd worden met dat begrip absurd. Wat kan een mens niet al­le­maal zeggen! Wat wordt er veel vergaderd en gediscussieerd en wat brengt het voort? Wat is de zin van al die woorden? Dat is dan ook de con­clu­sie in H.5 en daarmee begínt dan ook H.5: «Wees niet overijld met uw mond, en uw hart haaste zich niet om een woord voor Gods aangezicht uit te spreken; want God is in de hemel en gij zijt op de aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn» P­red.5:1. Als je met God spreekt, wees dan niet onnadenkend in wat je zegt. Je kunt beter één woord spreken en dan luisteren in de tegen­woor­dig­­­heid van God dan dat je maar eindeloos tegen God aanrebbelt. Je moet dat goed onderscheiden. Je mag best wat je op je hart hebt, bij God brengen. Het betekent niét dat je moet zeggen: dit kan ik God niet vertellen en dat niet, want je moet uitkijken. Je mag best je hart uitstorten, zo­als er ook staat in: Stort uw hart uit voor zijn aangezicht «stort uw hart uit voor zijn aangezicht» Ps.62:9.

Met wat je bezighoudt, mag je best bij Hem aankomen. Maar in Pre­diker 5 gaat het meer over overmoed, het overmoedig spreken. Bijvoorbeeld: allerlei goede voornemens aan God bekend maken in de trant van: ik zal dít en ik zal dát gaan doen. Dan spreek je in over­moed. Of dat je hele preken tegen God gaat houden. Een voor­beeld hiervan zijn de vergaderingen van vroeger, die met gebed geo­pend werden. Dan had degene, die de vergadering leidde, een be­paal­de planning in zijn hoofd en verwerkte dat alvast in het ope­nings­gebed. Jouw in­zichten ging je dan in een gebed naar voren bren­­gen. Je kon dan een gebed beluisteren als volgt: Geef dat de Anti Revolutionaire Partij groot wordt! Dan kun je via je gebed even zeggen op welke par­tij de mensen moeten stem­men. Je kunt dan via je gebed ma­ni­pu­leren of eventueel via je ge­­bed God proberen te manipuleren. Je gaat al je planningen aan God be­kend­­maken en God hoeft alleen nog maar zijn handtekening te zet­ten. Ik had dít en dát en zó ge­dacht en ik hoop dat U het er mee eens bent. De rabbijnen zeggen in dit verband: (dat staat ook in de Tal­moed) dat je ook bij het uitspreken van de Berachot (letterlijk: ze­gen­­spreu­­ken) in overmoed kunt spreken. Iemand begint te bid­den als volgt: “Here God, U bent groot en mach­tig en U bent heerlijk en fan­tas­tisch…” en zo gaat hij maar door. Een rabbijn hamert hem af en zegt: Mozes zegt ook maar drie din­gen in Deut.10:17: «U bent groot, sterk en geducht» Meer zei Mozes niet. Je moet niet met zo’n enor­me stortvloed van woorden maar door­­­­ratelen. Wees bedachtzaam in wat je zegt. Beter één woord dat ter­zake is dan een heleboel woorden, waarbij je jezelf voorbijpraat. De rabbijnen zeggen in dat verband ook: als je tegen een miljonair zegt dat hij rijk is, dan is dat haast een belediging.

IJdele woorden

Jezus zegt ook in Matt.12: «Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels»  Matt.12:36. Een ijdel woord is een woord dat geen gewícht heeft, waar je niet ách­­ter staat. Het is een woord, dat je alleen maar uitspreekt, om­dat je denkt dat het zo hóórt. Als je maar voor de vuist weg zingt: “heel mijn leven wil ik wijden”, is het beter om het niet te zíngen, maar te dóen. Hier kan je ook het woord hèbhel gebruiken; het is ab­­­surd, tegenstrijdig. Het is in con­­flict met wat je bént. Je bent a en je zegt b. Of je bent nog maar aan het begin en je praat al over het eind van het alfabet. Wij zullen dít en wij zullen dát doen en dan zegt God: Begín eerst maar eens. Doe maar eens een stapje en dan praten we wel eens ver­der. Blaas niet direct zo hoog van de toren en zeg niet meer dan je kunt dragen en dan je kunt overzien. We denken hierbij bijvoorbeeld aan Petrus, die op een gegeven ogen­blik zegt: «Ik ben bereid om met U te sterven» En dan denk je: man, je overziet niet wat je zegt. Dat is dan ook een woord dat nog geen ge­wicht heeft. Je kunt ook iemand hebben, die misschien een paar woorden zegt, maar door het hele leven dat erachter staat, zijn die woorden van gewicht. Een voorganger heeft eens gezegd, dat échte profetie ‘doordreunt’, daar zit gewicht in. In Prediker 5 gaat het er speciaal over, dat je niet een heleboel be­loften moet doen. In dit hoofdstuk staat, dat wat je beloofd hebt, ook in­ge­lost moet wor­den. «Als gij God een gelofte gedaan hebt, talm er dan niet mee die in te lossen, want Hij heeft geen welgevallen aan de dwazen; wat gij be­loofd hebt, moet gij inlossen» Pred.5:3. «Het is beter, dat gij niet belooft dan dat gij belooft en niet inlost»  Pred.3:4.In Lucas18 staat het gebed van de Farizeeër, die God dankt, dat hij niet is zoals al die anderen. Die man maakt er ook een prachtig op­stel van.

Het lot der mensenkinderen.

Het woord hèbhel wordt ook gebruikt in verband met levende we­zens en de tijden in het leven. «Want het lot der mensenkinderen (het lot van de adamszonen) is ge­lijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen» Pred.3:19. Het woord lot (miqrèh) is een wat typische vertaling. Het woord mi­q­rèh hangt weer samen met het woord dat ook vertaald wordt met treffen (qara). Datzelfde woord wordt ook vertaald met toeval.

Buber vertaalt het met Widerfahrnis, dat wat je wedervaart. Het woord lot is een wat onbijbels woord. Dan krijg je associaties met noodlot, lot, fatum. Je kan beter zeggen: «het wedervaren van de mensenzonen en het wedervaren van het gedierte, één wedervaren is er voor hen: gelijk dezen sterven, zo ster­­ven genen, en allen hebben enerlei adem (één ruach), waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren (er is dus geen voordeel, geen winst van de adam boven het gedierte), want alles is ijdelheid (want het alles is absurd), alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof» Pred.3:19,20. Dat laatste is een citaat uit Genesis 3. «Wie bemerkt (bekent), dat de adem van de mensenkinderen (bene adam) opstijgt (opgaat) naar boven en dat de adem der dieren neer­daalt naar beneden in de aarde?» Pred.3:21. Prediker gaat gewoon observeren en als je dan strikt zijn ge­dach­te­gang volgt, zie je dat het bij het sterven, zowel voor mens als dier, op aarde is afgelopen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391574 bezoekers sinds 07-06-2010