Paradijs heropend

29-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Als je een Bijbel zou hebben met alleen het boek Gene­sis erin zou je al heel veel kunnen ontdekken over het karakter van God. Ik moet dan vaak denken aan Frans Breukelman, die in 1950 het boek Genesis ging lezen met een aantal predikanten op Walcheren; en dat is eigenlijk een begin geworden. Hij zei tegen het eind van zijn leven: Ik ben nu zo’n 40 jaar met het boek Genesis bezig geweest. Veertig jaar met één boek. En er zijn zoveel mensen geweest, die daardoor de Bijbel opnieuw zijn gaan ontdekken. Er zijn heel wat predikanten geweest, die daardoor weer hebben leren preken, waardoor het Woord van God weer tot leven kwam. Ik begin vaak met een uitspraak van de Joodse denker Ernst Bloch, die zei: Genesis komt aan het eind. Dat wil ik er ook boven zetten: Genesis komt aan het eind. Wat bedoel ik daarmee? Er wordt zo vaak gezegd: Hoe lang is dat nu allemaal geleden? Hoever moet je dan teruggaan in de tijd? Maar er is nog iets heel iets anders. Het boek Genesis komt nog, dat is profetisch. Ik geloof dat wij op weg zijn naar het boek Genesis­. Dat staat zo mooi in het boek Prediker: Pred. 3:14, God zoekt weer op wat voorbijgegaan is. Dat is het! Wat voorbijgegaan is, zoekt God weer op. En het boek Genesis komt weer onder het stof van­daan en wordt een blauwdruk voor de toekomst. Ik zie er met vreugde naar uit, dat we Genesis weer krijgen. Dat komt aan het eind. De Franse Jood Edmond Fleque zei: We gaan terug naar de toekomst. Dat kun je inderdaad boven het boek Genesis zetten. In dat eerste bijbelboek heeft God eigenlijk Zijn hele plan al neergelegd. Genesis is het zaad en dat zaad komt op, dat gaat­ vrucht­ dragen. Als je het boek Genesis een beetje gaat begrijpen, krijg je ook meer zicht op de toekomst. Genesis is de deur tot het boek Openbaring. Via Genesis ga je ook het laatste bijbelboek meer verstaan. Dus als je het boek Openbaring wilt begrij­pen, begin dan bij Genesis want via dat eerste boek kom je binnen in het laatste. Bij ons heet het Genesis en dat betekent dan­ wording of geboorte. Een geboorteboek of een boek over de wording. Maar oorspronkelijk werden de vijf boeken van Mozes genoemd naar de beginwoorden. Dus Genesis wordt dan genoemd naar de beginwoorden van Genesis 1. En dan moet je eens kijken naar die eerste tekst. Gen. 1:1, “In den beginne”. Dat is in het Hebreeuws Beresjit, in den beginne. Dus Genesis is het boek van het begin. Dat is een begin dat komt! Een begin waar we naar uitzien. Resjit, hangt samen met het woord rosj; dat bete­kent hoofd. Dus “resjit” is het begin, maar het is tege­lijk ook het hoofd. Dus je kunt tegelijk ook zeggen: Genesis is het begin van de Bijbel en je kunt ook zeggen: Genesis is het hoofd-stuk van de Bijbel. Dus als je Genesis te pakken hebt, dan heb je het hoofd-stuk te pakken, de kop van heel de Bijbel. Dan weet je waar het in heel dat denken van de Eeuwige God om draait. Willem Barnard vertaalt dan ook: “Van hoofde aan” in plaats van “in den beginne”. Hij zegt: Dan begin je weer bij het hoofd, bovenaan. Dan begin je weer helemaal vanuit God. En diep in het hart van elk mens leeft een intens verlangen naar een begin. Dat is voor mij de basis. Elk mens draagt – bewust of onbewust – in zich mee een verborgen heimwee naar een nieuw begin. Dat kan misschien wel eens helemaal ondergesneeuwd zijn. En mensen gaan hun weg en leven op deze aarde en proberen er het beste van te maken. En toch ergens, misschien helemaal in de onderste laag van je ziel of van je wezen, zit dat diepe heim­wee: Ik wou dat ik eens opnieuw kon beginnen.

U kent die vraag van Nicodemus.

Hij komt bij Jezus en hij zegt: Nu ben ik oud, kan ik nog een keer die moederschoot vinden (Joh. 3:4)? Dat is niet een domme vraag van of je weer een baby’tje kunt worden als je inmiddels een oude man bent. Het is een diep geestelijke vraag, het is de vraag van  het heimwee in ieder mens. Zou dat kunnen? Terug naar de moederschoot? Want de moederschoot is in de Bijbel de plaats van de ontfer­ming. Een mens begint in de moederschoot, vervolgens wordt hij eruit gemikt en moet hij het leven in en dan moet  hij maar zien hoe hij het klaarspeelt; vaak in een kei­harde wereld.

Dan denk je: Kon ik nog maar eens die moederschoot vinden, de plaats van erbarming. Het plekje van ontferming waar je helemaal veilig bent. Nicodemus vraagt daarnaar (Joh. 3:4). En Jezus zegt: Ja, dat kan, als je van boven geboren wordt (Joh. 3:5). Daar heb je het eigenlijk weer: Van Hoofde aan; vanaf het begin geboren. Gewoon weer terug naar Genesis. Elk mens hunkert naar een begin, want mensen zijn vaak zo aan het eind. Dan hebben ze het gevoel: Nu heb ik alles gehad. Daarom, als ik die eerste woorden lees waar het boek  Genesis mee gaat starten, zeg ik meteen dat we de Bijbel weer moeten leren lezen met ons gevoel. Want de Bijbel is geen informatieboek. De Bijbel is niet een boek met een aantal zakelijke mededelingen. De Bijbel is het verhaal van God en in dat verhaal van God mag je thuiskomen. En dan kom je dat verhaal binnen en ga je die eerste regel lezen van Gen. 1 en dan lees je “in den beginne”. Dan kom je binnen in het verhaal en dan wordt dat jouw begin. En dan neemt het verhaal je op en word je in het ver­haal meegenomen en vanaf dat moment is er geen andere  werkelijkheid meer dan de werkelijkheid van Genesis. Het verhaal pakt je en je wordt meegenomen in het verhaal van God. De Bijbel is geen prekenboek. Als God in je leven komt gaat Hij ook niet tegen je preken. Als je kinderen hebt, moet je ook niet tegen ze gaan preken, dat werkt meestal averechts. God gaat niet tegen je preken, maar Hij zegt: Kom maar, Ik ga je verhalen vertellen. En dan vertelt Hij een verhaal aan je net zo lang tot je in dat verhaal thuiskomt. Tot je zegt: Maar God, wat U nu vertelt, dat is m jn verhaal. “Precies”, zegt God, daarom vertel Ik het ook. Ben je nog een beetje bang? Dan vertel Ik nog een verhaal. Voel je je nog niet zo happy in deze wereld? Dan vertel Ik nog een verhaal. God vertelt genezende verhalen. Verhalen waarin je eindelijk op verhaal komt. “In den beginne”. Elk mens zoekt naar dat verloren begin. En daar zit nog iets in, de God van Israël, Hij is de God die begint. En het is goed om dat ook even te onderstrepen, want daarin ontdek ik iets van het wezen van God. De God van Israël, Hij is de God die begint. Tom Naastepad zegt het zo mooi in een gebed. ‘Als alle wegen zijn doodgelopen, weet je wat het volk van God dan zegt? Dan gaan ze bidden en zeggen: Alle wegen zijn doodgelopen. Er is geen ander begin dan bij U, die de hemel en de aarde gemaakt hebt.’ Dat is onze diepste belijdenis. Dat is voor mij ook het meest kostbare en meest funda­mentele in deze eindtijd om te belijden: Here God, bij U is een begin. De Joodse denker André Neher, zegt zo mooi: Na het einde komt het begin. Bij God is het altijd anders. Mensen zijn geneigd om te zeggen: Weet je waar het allemaal naar toe gaat? Naar het eind. Dan komt de Bijbel en zegt: Als je het eind gehad hebt, komt het begin. Want Hij is de God die zegt: Als het allemaal afgelo­pen is en afgelopen lijkt, als je denkt dat de genade ten einde is, dan gaat Ik beginnen. André Neher zegt zo mooi: Na de jongste dag komt er altijd nog een morgen. Over die volgende morgen, over dat begin gaat het boek Genesis vertellen. Zo wordt het ook vanouds genoemd in de Joodse Bijbel: Het boek “In den beginne”. Gen. 1:1. “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”. Dat is één tekst en daar zit al zoveel in. Het eerste wat opvalt is, dat het in Genesis 1 gaat over het scheppen van God. Scheppen is in het Hebreeuws dat prachtige woord bara. En bara kan betekenen vorm geven aan wat vormeloos is. Vorm geven aan wat helemaal geen vorm heeft, geen structuur en geen orde. Er zijn ook uitleggers die zeggen dat het woord bara komt van een Hebreeuws woord dat “rooien” betekent, het rooien van bomen. En dan ga je er ook iets van begrijpen. Het scheppen van God is eigenlijk net zoiets als iemand die bomen gaat rooien, dan komt er een open plek. Dus het heeft eigenlijk te maken met “ruimte scheppen”. Die uitdrukking kennen wij ook. Dus als God gaat creëren, dan schept Hij ruimte. Dan komt er ruimte om te leven. Hij duwt al die dingen die er niet moeten zijn opzij, zodat er ruimte komt om adem te halen.

Is God opgehouden met scheppen?

Was Hij alleen maar heel vroeger eenmaal de Schep­per? Er zijn teksten, onder andere ook in Jesaja, waarin  zo prach­tig tot uitdrukking komt, dat God nog altijd de Schepper is, bijvoorbeeld: Jes. 42:5, Zo zegt God (eigenlijk staat er dé God, met nadruk), de HERE, die de (letter­lijk uit het Hebreeuws) heme­len  schept en uitbreidt met alles wat daaruit ontspruit. Als je dat leest in de Hebreeuwse tekst, wordt daar een woord gebruikt dat ook de tegenwoordige tijd omvat. De oude klassieke dogmatiek zei dan ook: Dat is een “creatio continua”. God gaat continu door met scheppen. Hij is niet op een gegeven moment opgehouden, met wat Hij ooit heel lang geleden gedaan heeft. Het gaat voort! Net zoals iemand een horloge maakt. Dit horloge is al jaren geleden gemaakt en degene die dit horloge ge­maakt heeft, kijkt er nooit meer naar om. Ik word nooit opgebeld door de fabrikant van dat hor­loge met de vraag: Hoe gaat het nu met dat horloge? Loopt hij nog? Is alles in orde met hem? Want ik wil toch een beetje weten hoe dat nu verder gaat. Nee, die fabri-kant belt mij nooit. Hij heeft dat ding ooit een keer gemaakt en opgewonden en gezegd: Bekijk het verder maar. Maar zo is het met God niet. Het is met God niet zo, dat Hij ooit een keer de hemel en de aarde gemaakt heeft en toen gezegd heeft: We zullen het zaakje opwinden en dan zien we wel hoe het afloopt. Nee, God is nog altijd de Schepper, vandaag en morgen. Hij is de creatieve God en dat blijft Hij tot het laatst der dagen. Daarom is dat één van zijn wezens- kenmerken. Je moet de Bijbel verstaan vanuit het karakter van God. De hele Bijbel is een openbaring van Gods Wezen om te gaan ontdekken wie Hij is. Hij is nog altijd de God die doorgaat met scheppen.

Een vriend van mij begint zijn diensten vaak zo: “Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft en tot voltooiing brengt”. De hemel en de aarde heeft Hij niet alleen ooit een keer gemaakt, maar die brengt Hij ook tot voltooiing. Want dat woord “maken” in het Hebreeuws betekent ook: afmaken. Wat Hij maakt, dat maakt Hij af. Dus God blijft de Creator, de scheppende God. En nu gaat Genesis 1 ons vertellen hoe het zit met dat “scheppen”, dat “bara” van Elohim.

God gaat iets scheppen, namelijk: Gen. 1:1, de hemel en de aarde

Daar word ik altijd helemaal jubelend van, dat vind ik zo kostelijk, want God schept twee dingen: de hemel en de aarde. Het is zo fijn dat er niet staat: In den beginne schiep God het heelal. Gelukkig niet. Er staat niet dat Hij in den beginne de kosmos schiep, maar er staat: “In den beginne schiep Hij de hemel en de aarde”. En wat is nu het verschil? Als je het heelal hebt, is dat één grote kosmische ruimte en in een heelal voel je je ontzettend eenzaam. Vooral als het ook nog een uitdijend heelal wordt, dan denk je: mensen, ik vind mezelf nooit terug. Eén grote zwijgende ruimte. Hoor je wat? Nee, en dan krijg je inderdaad dat pro­bleem van die Russische ruimtevaarder Gagarin die ze1: Ik ben er geweest en ik ben God niet tegengeko­men. Alleen maar zwijgen.

Maar in Genesis 1:1 staat niet dat God het heelal schiep (het Hebreeuws heeft niet eens een woord voor heelal), maar het Hebreeuwse denken ziet het altijd in tweeën: hemel en aarde. Als je er nu twee hebt, heb je een gesprek. Want de hemel is in gesprek met de aarde. En daarom ben ik zo blij dat er in Gen. 1:1 twee ge­noemd worden.

Niet een zwijgend heelal, maar de hemel die in gesprek is met de aarde. Het punt met de hemel is, dat God daar woont. (In het Hebreeuws staat er eigenlijk altijd een meervoud). En in die “hemelen” zijn ze geïnteres­seerd in de aarde. Als je luistert naar de gesprekken die in de hemel gevoerd worden, dan is het hoofdthema: de aarde. Je zou haast kunnen zeggen, dat God aan de aarde zijn hart heeft verpand; daar heeft Hij zijn Naam aan verbonden. Je komt wel eens de vraag tegen of er leven is op andere planeten. Ik heb altijd het idee dat ze in de hemel een andere vraag stellen. Daar vragen ze: Is er nog leven op aarde? Het is goed je bewust te worden dat God veel meer verknocht is aan de aarde, dan wij vaak denken. De aarde is voor Hem de hoofdzaak en de hartezaak. Wij moeten schatten verzamelen in de hemel(Mat. 6:20) God verzamelt schatten op aarde. Want waar zijn schat is, daar is zijn hart. Als de aarde zou mislukken, dan is voor God alles mislukt. Dan kun je niet tegen God zeggen: Ach, pech gehad; U maakt gewoon weer wat anders. Dat is net als wanneer je tegen een beeldhouwer zou zeggen: Je beeld is kapot gegaan, ach je maakt toch gewoon weer een ander beeld. Of wanneer je tegen een moeder zou zeggen, wier kind over­leden is: Ach, u kunt toch wel weer een ander kind krijgen. Dat is geen troost, dat is een pastorale miskleun eer­ste klas. Dat kan je niet maken, dan trap je zo’n moeder op het hart. Want geen enkel kind kan ooit dat gestorven kind vervan­gen. En voor God is het zo, dat Hij in de werken die Hij gemaakt heeft – om het zo te zeggen – zijn ziel  heeft gelegd. Dat heeft Hij gedaan als een beeldhouwer, daar heeft Hij Zichzelf in gelegd. De schepping is voor God niet zomaar iets uitwendigs, waarvan Hij zegt: Dat maak Ik even, dat schud Ik uit mijn mouw. Maar als God gaat scheppen, is Hij daar  met Zijn hele Wezen mee verbonden. En dan is dat voor Hem Zijn grootste vreugde en tegelijk ook vaak een groot verdriet.

Want je zou kunnen zeggen: met de aarde gaat God  naar bed en daar wordt Hij mee wakker. De rabbijnen zeggen dat Hij er slapeloze nachten van heeft. De aarde is voor Hem het één en het al. God is er full-time voor de aarde. Die andere planeten doet Hij er even tussen­door in zijn vrije tijd. Dat is een bijbaantje. Maar de aarde is voor Hem hoofdzaak. Daarin heeft Hij zijn Naam gelegd. In het begin is er dus de hemel en de aarde en is er een gesprek. Dan ontdek je meteen in die eerste tekst van de Bijbel iets heel wezenlijks, wat fundamenteel is voor heel de structuur van de Bijbel. God is de God van het gesprek. Hij wil een gesprek met zijn mensen. Hij wil een gesprek met die mensen als partner. De hemel wil het gesprek met de aarde. Dus in die eerste tekst van Genesis, zijn hemel en aarde verenigd in één tekst. En daar gaat het ook weer naar toe. Denk maar aan dat oude lied van “die Ene Naam, die hemel en aarde verenigt tezaam” (Johan de Heer 33). In die Ene Naam “Jezus”, zegt Paulus in Efeze 1:10, daar gaat het naar toe, dan zal alles weer: komen. Ef. 1:10, opnieuw onder één hoofd. Dat woordje opnieuw heeft de N.B.G.-vertaling wegge­laten, maar er staat dus eigenlijk dat alles weer opnieuw samengebracht wordt onder één hoofd. Want in Genesis 1 was alles ook onder één Hoofd. Van daaruit gaat God het gesprek tussen hemel en aarde scheppen. Daar zie je dat heel de schepping eigenlijk aangelegd is op het gesprek, dat zit er van meet van af aan struc­tureel in. Dáárvoor heeft God die schepping bedacht, want God wilde niet alleen zijn. God wilde een partner, een bondgenoot hebben. Gen. 1:2, “De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag op de vloed”. Geen blijde tekst. Dan denk je dat er een prachtig scheppingsverhaal komt waar we ons hart aan kunnen ophalen en wat wordt het? “Woest en ledig; duisternis en vloed”. Daar word je ook niet blij van. Maar valt het je op waar het tweede vers over spreekt? Vers 1 sprak over de hemel en de aarde, maar vers 2 spreekt alleen over de aarde. Daar zie je het hele probleem als je alleen de aarde hebt. De aarde kan niet zonder de hemel. De aarde alleen, dat gaat niet goed.

Wat is nu het doel van God?

En daar gaat het in heel dat stuk van Genesis 1 over. Als Hij gaat scheppen heeft Hij als doel, hoogtepunt de zesde dag (1:26-31) voor ogen. Dan gaat Hij de mens creëren. Dat wordt de uiteindelijke verbondspartner van de Eeuwige. Dus toen God begon, had Hij de mens al voor ogen. Daar gaan we naar toe werken.

En wat God  eerst gaat doen – en daar gaat heel Genesis 1 over – Hij gaat een plekje gereed maken voor de mens. Daar gaat God voor aan het werk. Hij gaat een plaats bereiden voor zijn mens. Dus in heel Genesis 1 gaat het in wezen om één ding: dat er een mokum komt voor de mens. Want mokum, dat is het sleutelwoord, betekent in het Hebreeuws: plaats. Maar dan wel plaats met een gevoelswaarde. Niet zomaar een aantal vierkante meter, maar een ­­­plaats waar je je thuis voelt. Daar gaat het om in heel de Bijbel. Dat zegt Jezus ook: Joh. 14:3. Ik ga heen om u plaats te bereiden. In 1492 werden de Joden uit Spanje verdreven en  moesten ze vluchten. Keizer Ferdinand en keizerin Isabella hadden gezegd dat ze weg moesten. Ze worden er uitgestuurd in hetzelfde jaar als waarin Columbus Amerika ontdekt. Ze weten niet waar ze heen moeten. Ze worden zwervers. Ze gaan naar Frankrijk en andere landen, maar zijn eigenlijk nergens welkom. Tenslotte komt er een groep in Amsterdam aan. Daar zijn ze welkom. En toen zeiden ze: Dit is mokum! Nu zijn we eindelijk op onze plaats. Daarom wordt Amsterdam “Mokum” genoemd. Maar elk mens zoekt naar een mokum. Naar een plek waar hij eindelijk kan leven, waar hij thuis is. Dus Genesis 1 is het verhaal over hoe God een mokum gaat maken voor de mens. En dan zie je nu in :2, dat de aarde woest en ledig is. In het Hebreeuws staat er ‘tohu wabohu’. Dat woord komt driemaal voor in de Bijbel. Het betekent eigen- lijk ‘ordeloos en vormeloos’.

Willem Barnard vertaalt het met ‘wanorde en waanzin’.

Er zit iets in van dat het eigenlijk één grote wanorde was, één grote chaos. En dan was er ook nog duisternis op de oervloed. Oervloed betekent ‘oertumult’, ‘draaikolk’, de kolken- de vloed. Kun je hier een mens neerzetten? Woest en ledig en dan helemaal pikdonker en ook nog een kolkende, wilde vloed. Daar kun je toch geen mens neerzetten? Als je daar een mens zou neerzetten, zou  hij geen hand voor ogen kunnen zien en had hij geen been om op te staan. Daar kun je niet leven. Wat hier in Gen. 1:2  getekend wordt is een onbewoon- baar veklaarde woning. Dat is een rampgebied. Daar moet wat gebeuren. Zo is die aarde niet klaar om te zitten, te staan of adem te ­halen. Hier kun je niet kijken. Alles wat een mens zou willen of verlangen, kan daar allemaal niet. Een soort doodsgebied. Daar moet wel het een en ander aan gesleuteld worden. Wat gaat God nu doen aan die chaos, aan die oervloed, aan die duisternis, aan dat dreigende en onherbergzame gebied? Dan is er natuurlijk altijd de beroemde vraag: Hoe is die aarde nu zo woest en ledig geworden? Want als God gaat scheppen dan maakt Hij toch geen chaotische toestanden? Nu is er één puntje waar we even op moeten letten. Er zijn namelijk uitleggers, die zeggen: je moet eigenlijk zeggen: De aarde werd woest en ledig in plaats van was. Alleen: dat kan niet, er staat in het Hebreeuws: “de aarde WAS woest en ledig”. Dat kun je vanuit de grondtekst niet vertalen met ­­­­”werd”, dan zou er een andere vorm moeten staan. Dan krijg je een heel andere zinsconstructie, want de werkwoordsvorm die in het Hebreeuws gebruikt wordt duidt een toestand aan. De Joodse bijbelcommentator Benno Jakob, zegt dan ook: Dit is een toestands-zin. Je zou kunnen zeggen dat de aarde aan de ene kant ongevormde materie was, zoals een beeldhouwer die met een klomp marmer of steen begint en er nog vorm aan moet geven. Zo is het hier eigenlijk ook; het is dus eigenlijk nog helemaal ongevormd. God moet er nog structuur in aanbrengen. Vorm geven aan wat vormeloos was. Aan de andere kant hebben de rabbijnen er ook over nagedacht – en ik zeg dit met een zekere schroom, want ik weet niet wat mensen er allemaal bij gaan denken -maar de rabbijnen zeggen: Voordat God déze schepping maakte, had Hij er al 26 gehad. Hierbij moet je bedenken, dat het getal 26 een heel belangrijke rol speelt in de Bijbel. Als je gaat tellen van Adam tot Mozes, zijn dat 26 generaties. Dan krijg je die perioden waarin het vaak moeilijk gaat en waarin de mensheid ontspoort en de weg kwijt is. Denk maar aan de tijd van Noach en daarvoor en daarna. En na die 26 geslachten komt Mozes. En bij Mozes  geeft God het Woord, de Torah, en het Woord is het licht. Na 26 generaties komt het licht. God gaat spreken en God gaat Zijn Woord zenden en dat Woord gaat genezen en herstellen. 26 is ook het getal van de Naam van de Eeuwige: JHWH. Die Naam die je niet uitspreekt. Want die eeuwige Naam van de Allerhoogste: JHWH, die spreek je vanouds vanuit de Joodse traditie niet uit, want die Naam is een geheimenis. Die kun je niet op één hoop smijten met al de namen van al die goden van het heidendom, waar de een Wodan heet en de ander Donar, Jupiter en noem ze maar op. Er zijn volkeren geweest in het Oosten die hele lijsten van goden hadden. En dan is er de God van Israël. En dan vraag je aan Israël: Hoe heet jullie God? Dan is het antwoord: Een ieder draagt zijn eigen naam behalve Gij, wie kan U noemen? Want die Naam van de Eeuwige gaat alle namen en etiketten te boven.

Die Naam is: Ik ben (Ex. 3:14). De Naam die Hij aan Mozes bekend maakt en eigenlijk betekent: Ik zal er zijn. Die Naam is dus een werkwoord: ik zal er zijn. Want stel je voor, dat je zou kunnen zeggen: God heet zo en zo. Dan zou je daarmee God vastpinnen. Dan zou je God in wezen ook beperken, lamleggen en begrenzen. Dan zou je Hem kunnen bijzetten bij de namen van al die goden, dan wordt Hij bijgezet. En als je wordt bijgezet is dat meestal niet best. Dus de Naam van God moet niet bijgezet worden in het rijtje van al die godennamen, want dan ga je Hem verlagen, degraderen. De Naam van de Eeuwige is verheven boven al de namen, etiketten, uitdrukkingen en beperkingen. Dus: Ik ben, Ik zal er zijn. 26 is het getal van JHWH. De aarde was dus woest en ledig en er was duisternis op de vloed.

Dan zijn er twee problemen.

1. Er is duisternis

2. Er is een vloed

Dus moet God twee problemen aanpakken. Hij pakt ze in omgekeerde volgorde aan. Hij pakt eerst de vloed en daarna de duisternis aan. Want er staat er aan het eind van :2: de Geest Gods zweefde over de wateren. De “Ruach van Elohim”, de adem van God, zwevend over het aangezicht van de wateren. Zie je hoe God die vloed gaat aanpakken? Door Zijn Geest, de Ruach, de adem van God die over de wateren gaat.De vloed wordt tot wateren. Eerst was het nog een oervloed en als de adem van God erover gaat, is daarmee de vloed al een heel stuk getemd.De vloed wordt tam gemaakt tot wateren. Dat is al een stuk beter. Want in een vloed kun je niet leven. Maar nu zijn het wateren geworden dankzij de adem van God, die zweefde over de wateren. Het Hebreeuwse woord zweven dat hier gebruikt wordt, komt zegge en schrijve tweemaal voor in de vijf boeken van Mozes. Hier dus in Gen. 1:2, helemaal aan het begin van de Torah en dan komt hetzelfde woord zweven helemaal aan het eind van de Torah weer voor in Deut. 32. Daar wordt gesproken over God, die het volk Israël gevonden heeft in de woestijn. Deut. 32:10, Hij vond hem in een land van steppen, in een woest land van gehuil in de wildernis. Hij beschutte hem, lette op hem, bewaarde hem als zijn oogappel. En dan! Deut. 32:11, als een arend, die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen ZWEEFT. Daar heb je datzelfde werkwoord. Dan zie je weer hoe prachtig de Bijbel gecomponeerd is. Aan het begin van de Torah zweeft de adem van God over de wateren en aan het eind van die vijf boeken, staat: de arend die zweeft over zijn jongen. Dat is in het begin en aan het eind van de Torah. Het begint met de adem van God die over de wateren zweeft. Met het doel om uit die wateren, die doods-wateren, leven tevoorschijn te roepen. En aan het eind van de Torah gaat die arend – ook een beeld van God – zweven over dat nest; over al die jongen, – dat zijn de volkeren – om er eentje uit te pakken. En dat is het volk Israël en dat haalt Hij uit het nest. Het begin en het eind van de vijf boeken van Mozes reiken elkaar de hand. Dat woord zweven staat aan het begin en staat aan het eind. Het is niet toevallig, dat zo’n woord uitge- rekend twee keer voorkomt in die vijf boeken. Dan zie je hoe mooi de Bijbel gecomponeerd is. Het begint met “de Adem van God”, “de Ruach”. Het woord “Ruach” wordt vaak vertaald met Geest, maar adem is veel concreter. Buber vertaalt het ook met: “Braus”, die bruisende Geest, Wind; het zit er allemaal in. En de Geest is altijd bezig om iets te creëren, iets tevoorschijn te brengen. Het staat er zo mooi in het Hebreeuws: over het aangezicht van de wateren. De Joodse denker Levinas zegt: Waar God komt daar krij­gen de dingen weer een gezicht. God komt in die chaos en die oervloed en dat hele chaotische bedrijf.En doordat Hij daarin komt, krijgen de dingen een gezicht. Als God in je leven komt, krijg je ook weer een gezicht. Dan ga je weer kijken, dan ga je je ogen open doen. Dan krijg je “een levend hart en nieuwe ogen”, zoals het lied zo mooi zegt. Je krijgt weer een gezicht, een aangezicht. En God zegt: Kijk Mij maar aan, want Ik wil jou ook aankijken. Ik wil je ontmoeten. Maar nu is dat andere probleem er nog: De duisternis. Want er staat duisternis lag op de vloed. God heeft het tweede probleem aangepakt en nu moet Hij het eerste nog aanpakken. Gen. 1:3. En God zeide: Er zij licht. Dat klinkt in het Hebreeuws veel mooier. Dat is de oertaal. Jan Engelman noemde het: “de gong die mijn ziel doorzong”. Letterlijk staat er: Er geschiede licht, zegt God. En dan gaat er licht geschieden. Daar begint eigenlijk de geschiedenis: Licht. Als je Gen. 1 bekijkt, dan staat er tien maal: God sprak en God zeide. Dat hele verhaal is gebouwd op tien scheppings- woorden. Met tien woorden heeft God de hele hemel en aarde vorm gegeven. En let er maar op, elke keer als God iets belangrijks zegt, spreekt Hij tien Woorden. In het boek Exodus is er de farao, die zegt dat het volk Israël niet weg mag, ze moeten in Egypte blijven. En God spreekt dan tien keer in Egypte. Dat noemen wij “de tien plagen”. Het waren eigenlijk tien woorden, tien gerichtswoorden. God spreekt tien keer en dan gaat Egypte open. Met het tiende Woord is de farao uitgepraat en moet hij het volk Israël laten gaan. Dan komt de Paasnacht (Gen. 12) en Egypte moet__ijn deuren ontsluiten. De farao kan de kinderen Israëls niet meer vasthouden. Na die tien gerichtswoorden zie je het volk Israël uit Egypte trekken. Een poosje later staan ze bij de berg Sinaï en daar krijgen ze wat wij in de christelijke traditie “de tien geboden” noemen. Maar eigenlijk weer: tien woorden. Ex. 20:1. Toen sprak God al deze woorden. Voor de derde keer tien woorden. Telkens de woorden één tot tien. Dus in Genesis eerst de tien scheppingswoorden. Dan in Exodus de tien gerichtswoorden. En in Ex. 20 de tien bevrijdingswoorden. Waar komen die teksten woest en ledig nog meer voor? De eerste keer is dus Gen. 1:2. De tweede keer vinden we ze in: Jes. 34:11. Pelikaan en roerdomp nemen het in bezit, uil en raaf huizen daar; Hij spant daarover het meetsnoer der woestheid en het paslood der ledigheid. Woestheid en ledigheid, “tohu wabohu; dus chaos. Hier in Jesaja wordt het gezegd in verband met het gericht over Edom. De profeet zegt dat het hele koninkrijk van Edom “tohu wabohu” wordt, net als in het begin van Genesis. Al die machten en machthebbers worden teruggebracht tot de toestand zoals die in Gen. 1 beschreven werd. En daarmee wordt op dat moment die chaos teruggebracht tot een beperkt gebied. God gaat de chaos inperken.

Onze vertaling zet er boven: “Het gericht Gods over Edom”, maar als God met Zijn gericht komt heeft dat altijd een positief doel. Een gericht is bij God nooit: vernietiging. Bij God is het gericht niet het einde maar een nieuw begin. Het is net alsof in het begin van Genesis de adem van God komt. Het zit allemaal verstopt.Het moet open-geblazen worden. De Ruach van God is er altijd op uit om vastgelopen gebeurtenissen weer door te blazen. Gericht is in de Bijbel rechtzetten. In het begin was God er, een Eenheid. Dan komen hemel en aarde en worden het er twee. En uiteindelijk is het doel dat het weer één wordt. Je begint bij één, van één ga je naar twee en van twee kom je uiteindelijk weer tot één. Gods doel is weer de totale eenheid van de schepping.

1 comment on “Paradijs heropend”


  1. Piet Mosterd says:

    Vraag: Ik ben op zoek naar een artikel over de machtsverhoudingen in de geestelijke wereld. Toegespitst op het de volgende paradox.
    Enerzijds zegt de Bijbel dat Satan de overste van deze wereld (eeuw) is en anderzijds is Jezus de baas van hemel en aarde (Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde)

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406064 bezoekers sinds 07-06-2010