Open toekomst

26-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Wachten op het einde  

Soms zijn er mensen die op het einde wachten. Onlangs sprak ik een voorganger, die vertelde dat hij eens in een groep kwam, waar ze 23 jaar lang alleen maar hadden gehoord: Let op wat er allemaal gaat gebeuren. Die mensen zaten alleen maar te kij­­ken en te wachten op wat er straks zou gaan ge­beu­ren. Er ge­beur­de dus niets. Dan zie je dat voorspellingen een mens of een ge­meen­te helemaal lam kunnen leggen, en tot passiviteit kun­nen bren­­­gen.

Profeten schakelen de mens in

Maar profeten schakelen de mens juist in. Profeten stellen de mens altijd voor de keus, die geven een al­ter­natief. Als jij dit doet dan ge­beurt er dat, maar als je je nu om­keert dan kan het ook nog anders. Dus een profeet kondigt niet een noodlot aan. Soms is de grootste zegen voor een profeet dat zijn pro­fe­tie niet uitkomt, kijk maar naar Jona. Profeten kondigen heel vaak het ein­de aan, opdat het niet zal ko­men. Als ze het niet aankon­di­g­den, dan zou het juist komen. Maar als ze het aankondigen, dan zit er nog een kans in dat het wordt af­ge­wend. Kijk maar naar Ninevé. Over 40 dagen wordt Ninevé omge­keerd (Jo­na 3:4). En als die mensen dan omkeren, ge­schiedt het won­­derlijke, dat God dan óók omkeert. De men­sen in Ni­ne­vé keren óm en zeg­gen: Wie weet, bekeert God Zich, en wij­zigt Hij Zijn plan. (Jona 3:9). De profeten gooien de toekomst open. Profeten hebben open ven­sters. Daniël had ook open vensters naar Jeruzalem (Dan.6:11). Dus een pro­feet is geen voorspeller. Waar herken je een profeet aan? De ech­te pro­feet herken je niet eens zozeer aan de fei­ten, want iemand kan alle feiten op een rijtje hebben en toch een valse profeet zijn. Er staat heel wonderlijk aan het eind van Deuteronomium 18: Als er een profeet komt, dan kun je hem daaraan toetsen: als zijn profetie niet uitkomt, is zijn profetie niet uit God. (Deut.18:22) En als het wel uitkomt? Dan weet je nog niets. Dat staat er namelijk niet bij. Er staat niet, dat als het wel uitkomt, dat zijn woorden dan wèl van God zijn. Daar zit wel even een addertje onder het gras, want een waarzegger kan ook wel eens dingen vertel­len die uitko­men. Voorspellingen kunnen mensen zo in hun ban nemen, dat men er ge­loof aan gaat hechten. En soms gaat het dan nog uitkomen ook!

Een profeet zonder gevoel is geen pro­feet

Dus de feiten zijn niet beslissend. De echte profeet herken je aan zijn hart. Je kunt nog een stapje verder gaan en zeggen: De ware pro­feet herken je aan zijn gevoel. Je zou zelfs kunnen zeggen: je her­kent hem of haar aan zijn of haar tranen. Een profeet zonder gevoel is geen pro­feet. Wat dat betreft zeg ik het expres een beetje extreem, maar ik geloof toch dat het waar is. De échte profeet heeft hart voor mensen. Ik wil dat ook illustreren aan de hand van een paar voorbeelden, want dan weet je meteen dat je naar bepaalde stemmen niet hoeft te luiste­ren. Dan vallen bepaalde ‘eindtijd-boeken’ ook al door de mand. Er is nogal het een en ander op de markt, waarvan ik denk: daar moet je erg voorzichtig mee zijn. Maar je kunt dat ook vaak weer me­ten aan dat punt van het gevoel. Een profeet zonder gevoel is geen pro­­feet. Natuurlijk moeten we dan ook naar onszelf kijken; we moeten zelf ook uit­kij­ken dat we niet gevoelloos gaan spreken. Een valse profeet kan bik­kelhard zijn. Als iemand bijvoorbeeld met een stalen gezicht zegt: men­sen, straks vergaat de wereld, kijk dan eerst eens naar zijn ogen. Als iemand dat koelbloedig en zakelijk zegt, alsof het mededelingen zijn, zo van: dat heb ik ook weer eventjes gezegd, geloof hem dan niet!  W­ant als iemand werkelijk gelooft wat hij zelf zegt, dan moet hij zijn eigen boodschap ook serieus nemen. Als iemand echt gelooft dat de wereld vergaat, dan moet hij vanaf dit moment ook niet meer la­chen. Hij moet dan huilend door het leven gaan, dan is er ten­min­ste enige reden om geloof te hechten aan wat hij zegt. Als ie­mand zegt dat straks de wereld vergaat en vervol­gens vraagt of er nog kof­fie is, dan kun je zeggen: dat klopt van geen enkele kant. We zullen straks een paar basispunten noemen, waarvan ik per­soon­­lijk het gevoel heb dat ze heel fundamenteel zijn. Ik wil een paar basispunten noemen vanuit de Torah, de vijf boeken van Mozes. Want de basis van onze eindtijdvisie ligt al in Genesis en in Exodus. Daarom geloof ik ook op grond van het hele getuigenis van de Schrift dat de aarde niet zal vergaan. Ik geloof niet dat de aarde zal ondergaan, want het is de schepping van God en God heeft hart voor Zijn schepping.

God is verknocht aan zijn schepping

Basispunt 1

Dat is voor mij heel grondleggend. God is verknocht aan de werken van Zijn handen. Een kerkdienst begon en begint nog met: Onze hulp is in de Naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft, en die trouwe houdt tot in eeuwigheid en die niet laat varen de werken Zijner han­den.” Als je dat gehoord hebt, dan heb je eigenlijk al genoeg gehoord. Dan kan de dienst al niet meer stuk. Dan heb je de zegen al binnen. Wat wil je nog meer? Hij is de God die hemel en aarde gemaakt heeft en Hij laat niet varen de werken van zijn handen. God is zo ver­knocht aan Zijn schepping, dat Hij die nooit loslaat. Dat is één van de ba­sis­punten voor je eindtijd-visie. Je kunt God en zijn schepping niet van el­kaar scheiden. Wel onderschei­den, maar niet scheiden. A­n­­­­­­­ders ga je het hart uit de zaak halen. Dus een profeet herken je aan zijn gevoel. Kijk bijvoorbeeld maar naar een man als Jeremia; dat vind ik steeds meer een indruk­wek­kend mens. Jeremia zegt op een gegeven moment: «Ach, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een bron van tranen, dat ik dag en nacht kon bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks!» Jer.9:1. Jeremia had bewogenheid voor zijn mensen. En als je kijkt naar de grootste Profeet aller tijden, naar Jezus Zelf, dan staat er: «En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad (=Jeruzalem) zag, weende Hij over haar»  Luc.19:41. Jezus zegt niet met een stalen gezicht: mensen die tempel gaat plat hoor, dan weet je dat alvast. Nee, Hij weende over Jeruzalem. Dat is het kenmerk van de ware profeet.

De ware profeet neemt het oor­deel op zich

Basispunt 2

De ware profeet slingert niet met oordelen, maar hij neemt het oor­deel op zich. Kijk maar naar Jezus. Hij zegt in één adem: straks blijft er van de tempel geen steen op de an­­dere (Matt.24:2) en even later zegt Hij: die tempel ben Ik. (Joh.2:21). Breek Mij maar af, want Ik kan het beter hebben dan jullie. De ware profeet blijft zelf niet buiten schot. Die gaat niet fijn op een afstand zitten kijken en zeggen: Ja, ik heb het toch wel gezegd en je zult wel merken dat ik gelijk heb. De ware profeet is het er niet om te doen om gelijk te hebben, want wat heb je aan je gelijk, als er nie­mand meer is om je gelijk te géven. Daar zit je dan met je gelijk. Ja, ik had het toch wel bij het rechte eind….De ware profeet zoekt wat anders. Die zoekt niet zijn gelijk, maar die zoekt het hart van die ander. De ware profeet herken je aan zijn be­wo­­genheid. Daar wil ik nog één concreet voorbeeld van noemen, al is het een beet­­je riskant. Je komt af en toe uitspraken tegen waar ik heel fel op in ga. En ik denk: dat mág ook, want het boek Open­ba­ring is af en toe ook een heel emotioneel boek. Dus wij mogen af en toe toch ook echt wel onze emoties tonen. Soms hoor je mensen zeggen of lees je in bepaalde publi­caties: weet je wat er met Israël gaat gebeuren? Straks wordt er van Israël 2/3 uit­geroeid en 1/3 wordt in het vuur gebracht. Dus dat wordt niet best. En dan zegt men: ja, maar dat staat er toch maar in Zach.13. Dan heb ik de neiging om te zeggen: Ga nu eerst die tekst eens in zijn verband lezen. Dat is immers een basisregel van bijbellezen: een tekst staat in een verband. En dan is het volgende punt: kijk eens naar zijn gezicht. Als iemand dat met een stalen gezicht zegt, klopt er iets niet. Iemand vertelde, dat er eens een preek was in de gemeente en daar was in gezegd – en nu gaat het mij er niet om, om kritiek te leveren op preken – maar ik noem dat als voorbeeld. Er werd gezegd, dat wat Israël in de Tweede Wereldoorlog had meege­maakt, nog maar kinder­spel was in vergelijking met wat Israël nog te wachten zou staan. D­an denk ik: zo’n preek moet je subiet afhame­ren; dat is geen evan­ge­lie. Dat is nu zo’n typisch voorbeeld van een voor­spelling. Af en toe houd ik mijn hart vast als ik merk wat sommige mensen schijnen te weten over wat Israël nog te wachten staat. Dan denk ik: mensen, zo kun je niet met de Bijbel omsprin­gen. Dan denk ik ook, als je zegt dat het maar een kleinig­heid was, weet je dan wel waarover je praat? Iemand beseft dan ook niet meer de draagwijdte van zijn eigen woor­­den. Dat is vaak ook het riskante als je het over de eindtijd gaat heb­ben, dat je soms zelf niet meer beseft waar je het over hebt. Dan wordt er soms gesproken over zoveel duizenden of miljoenen mensen, alsof het geen mensen meer zíjn. Als iemand dan zegt: tweederde wordt uitgeroeid en eenderde wordt in het vuur gebracht dan denk ik:

a. Die tekst staat in zijn verband

b. Is dat woord niet allang uitgekomen? Áls het al uit moest komen.

c. We moeten ons maar niet wagen aan voorspellingen in dit verband.

Dus wat dat aangaat zou ik toch willen pleiten voor een stuk voor­zich­­tig­heid en vooral om niet allerlei uitspra­ken te doen zonder dat je ge­voel daarin meespeelt. Ik merk weleens, dat de mensen graag alles ‘op een rijtje’ willen heb­ben. Wat komt er eerst, wat komt er dan en wat komt er daar­na? Ja, zo is de hamvraag bijvoorbeeld: gaat de gemeente door de grote ver­drukking? Misschien ga ik daar nog iets over zeggen, hoewel ik daar niet een definitief antwoord op ga geven. In elk geval ga ik niet zeggen welke opvatting beslist goed en welke beslist fout is. Alle feiten op een rijtje. Soms kom je zelfs hele tabellen over ‘van eeuwigheid tot eeuwig­heid’, met alles precies op volgorde. En dan denk ik: Weet je eigen­lijk wel waar het nu in het boek Openbaring om gaat? Daar gaat het niet om een systeem dat klopt, maar om een hart dat klopt. God doet niet in sy­s­temen. God doet niet in feiten en in rijtjes. God heeft wel wat an­ders aan zijn hoofd. God doet in mensen!

Het boek Openbaring is een boek over mensen

Basispunt 3

Het boek Openbaring – en dat mogen we nooit vergeten – is een boek over mensen. Niet een boek over dingen, maar een boek over men­sen. Daarom kan één verhaal mij vaak meer vertellen over het boek Open­­­­­baring dan honderd theorieën. Het boek Openbaring is geen theorie. God doet niet in theorieën. God heeft hart voor mensen. Daarom zullen we ook telkens als we het boek Openba­ring bestude­ren, acht moeten geven op verhalen. Want soms kan één verhaal je meer vertellen over dat laatste bijbelboek dan allerlei beschouwin­gen.

Het boek Openbaring is een Hebreeuws boek.

Basispunt 4

Dat lijkt misschien een beetje vreemd, want iemand zal misschien tegenwerpen: ja, maar het is toch in het Grieks geschreven. Ja, al­leen daar is wat mee. De uitleggers hebben zich in de loop van de tijd er al vaak over ver­baasd, dat Johannes toch zo’n merkwaardig Grieks schrijft. En daar heb­ben ze weer allerlei theorieën op gebouwd. Dan zeiden ze bijvoor­beeld dat het in grote haast geschreven was. Dat zou kun­nen, want als je in haast gaat schrijven, dan loopt het anders dan wan­neer je de tijd hebt om eerst na te denken. Dan kan het zijn, dat je ook wel eens iets fout schrijft. Er is echter een andere verklaring mogelijk. En dat geldt in wezen voor al die schrijvers van wat meestal het Nieuwe Testament ge­noemd wordt. Ik spreek liever niet over Oude en Nieuwe Testament; ik zeg dan nog liever Eerste en Tweede Testament, of Tenach en Evan­­­gelie. Al die schrijvers van Mattheüs tot en met Johannes van het boek Open­ba­ring schre­ven Grieks, maar dachten Hebreeuws. Het punt is, dat hun denken Hebreeuws was. Die schrijvers kwamen op uit de synagoge, daar lagen hun wortels. A­ls die dus beginnen te schrijven, schrijven ze als het ware ‘door­schij­­nend Grieks’. Als je dat Grieks tegen het licht houdt, zie je het He­breeuws er nog doorheen, je ziet transparant Grieks. Dat is hetzelfde als wanneer iemand Engels gaat schrijven, maar zijn moedertaal Nederlands is; dan komt af en toe dat Nederlands er nog een beetje doorheen. Vandaar dat Johannes af en toe ook allerlei Semitismen, of Hebra­ï­s­men – of hoe je het ook noemen wilt – bezigt. Hij is voortdurend bezig met te zinspelen op de profeten en de Psal­men en andere bijbelge­deel­­ten. Hij citeert bijna nooit; citaten heb je bijna niet, maar wel verwij­zin­gen, zinspelingen. Soms tien zinspelingen in een heel korte peri­koop. Bij­voorbeeld in Open­ba­ring 6:12-17. Dat gedeelte bestaat uit zes verzen en in die zes verzen verwijst hij tien keer naar de Tenach. Johannes is helemaal grootgebracht en gegrond in de synago­ge. En dat is hij nooit kwijtgeraakt. Natuurlijk niet, daar kom je nooit meer van los. Dat is ongeneeslijk als je dat eenmaal hebt gekregen. Dus hij is helemaal doordrenkt van de Schriften, van de Torah, van de Pro­feten en de Psalmen.

Het boek Openbaring is niet los verkrijgbaar

Basispunt 5

Het boek Openbaring is niet los verkrijgbaar. Dat wil zeggen: je kunt dat laatste bijbelboek niet losma­ken van de rest van de Bijbel. Als je Johannes wilt begrijpen, zul je eerst iets moeten verstaan van dat­gene waar hij doorheen gegaan is. Daarom moet je íets begrijpenvan Genesis, van Exodus, van Jesaja, van Ezechiël, van de Psalmen. W­ant als je het boek Openbaring lossnijdt van de voorgaande 65 bij­bel­­boe­ken, dan krijg je een ontworteld boek. Dan gaat het boek Open­­­­­baring een eigen leven leiden en kun je er alle kanten mee op. Dat is het probleem bij sommige eindtijdvisies van van­daag de dag, na­melijk dat het boek Openbaring losgekoppeld wordt van de Torah en de Pro­feten. Dan kun je wel allerlei beelden uit dat laatste bijbel­boek pak­ken, maar, wat ga je er mee doen!? Vandaar dat een zoge­naam­de moderne bijbeluit­­leg­ger kan zeggen bij die sprinkhanen uit Open­b.9: dat zijn heli­kopters, de helikop­ters die in Vietnam ope­­reer­den. (Op.9:3,7). Sprinkhanen zijn helikopters?! Dergelijke theorieën ontstaan, door­dat je het boek Openbaring losgekoppeld hebt van zijn achtergrond. Wat is nu de grondregel? Als je zo’n beeld in het boek Openbaring te­genkomt, zul je eerst moeten kijken of dat beeld of dat gegeven al eer­der in de Bijbel voorkomt. En dan kom je tot de ontdekking, dat in het boek Exodus reeds spra­­ke was van sprinkhanen; dat was één van de tien plagen, of sla­gen. (Ex.10:1-20). Dus geen helikopters. En lees het boek van de profeet Joël eens. Joël begint ook over een sprink­hanenplaag. Als je nu in Exodus en in Joël in beeld hebt ge­kre­gen wat er aan de hand is rondom sprink­­ha­nen, dan kun je gaan kijken waar het in het boek Open­ba­ring over gaat. Je zult dus altijd via die omweg van Torah en Pro­feten moeten gaan. Dan duurt het – denk ik – iets langer voor je de uitleg te pakken hebt, maar dat is een van de problemen van vandaag: wij willen al­les vlug. De overleden cultuur-historicus dr.F. de Graaff schrijft in een arti­kel: “Ongeduld is een van de kenmer­ken van de moderne mens”. Dat is denk ik ook een van onze problemen bij de uitleg van de Bij­bel: wij willen alles meteen in hapklare brokken. Wie brengt nog het ge­duld op om te zeggen: die tekst snap ik nog niet. Misschien snap ik hem over een jaar of over tien jaar. Ik vertel u maar alvast dat ik nog niet alle teksten van het boek Openbaring in beeld heb, dus ik weet nog niet alles. Maar ik hoop dat ik nog een poosje vooruit kan. Dus alleen “samen met alle heiligen” ga je er iets van begrijpen. (­Ef.3:18). Je ziet het nou eenmaal niet allemaal op je eentje. Opeens ontdek je weer dat er een steentje wordt aange­reikt. Daarom ben ik blij met al die mensen die vóór mij zijn geweest en die er ook iets van gezien heb­­ben. En op hun schouders mogen wij weer een stukje verder gaan. Het punt is dus, dat het boek Openba­ring niet los verkrijgbaar is. Dat hoort helemaal in het totale ver­band van de Bij­bel. Ik heb het weleens vergeleken met een concert. Stel je nu voor, dat je naar een concert gaat. Je hoort eerst de hobo en dan de clavecimbel, je hoort allerlei stemmen, de sopraan, de alt. Je hoort de piano en allerlei prachtige stukken worden ten gehore ge­bracht. Dan, aan het eind van de avond gaat de dirigent op het po­di­um staan en roept alle artiesten naar voren. Alle instrumenten en alle stemmen, om één groots slotakkoord te laten horen. Eén gran­di­o­­ze sym­fonie om het concert te besluiten. Dát is nu het boek Openbaring. Dat is het slotakkoord. Dan krijg je nog één keer al die stemmen van Torah, van Mozes en de Profeten en de Psalmen. In één grootse sym­fonie wordt dat sa­men­ge­bun­­deld. Als je naar een concert gaat, dan ga je toch ook niet een kwartier voor het einde van de avond pas in de zaal zitten. Dan wil je het hele con­cert meemaken. En als je alleen dat slotakkoord hoort, denk je: wat is dit? En dan waardeer je dat ook niet. Dus het boek Open­ba­ring komt pas tot zijn recht tegen de achtergrond van al die stem­men; die komen daar nog één keer aan bod.

De toekomst van God – Toekomst is thuiskomst

Basispunt 6

Wat is eigenlijk het thema van het boek Openbaring? Ik ga dit op verschillende manieren omschrijven. Je zou kunnen zeggen dat het thema van het boek Openbaring is 

a. De toekomst van God.

Heeft God nog toekomst? Want af en toe denk je: het hangt aan een zij­den draadje, het gaat wel tot de bodem. Als er op een gegeven mo­ment in Openbaring 13 staat, dat de hele aarde achter het beest aan­­gaat, dan denk je: wat houdt God dan nog over? Waar moet Hij het dan mee doen? Waar moet God dan zijn Koninkrijk mee bou­wen? En als er in Openbaring 11:7 staat, dat het beest, dat uit de afgrond op­komt hen de oorlog aandoet en hen zal overwinnen en hen zal do­den, dan is dat ook zo’n tekst waar bijna nooit over gepreekt wordt. Wat moet je daar dan mee? Die heiligen worden over­wonnen. Die gaan er­aan. Dat past in geen enkel schema, dat lijkt heel somber, heel on­heil­spellend. Vandaar die vraag: heeft God nog toekomst? 

b. Toekomst is thuiskomst.

Mijn eindtijd-visie wordt steeds korter. Ik kan hem nu in drie woor­den zeggen: Toekomst is thuiskomst. Dat is in wezen het hart van het hele boek Openbaring: toekomst is thuiskomst. Maar dan wel thuiskomst in dubbele zin. Mensen komen thuis bij God en God komt thuis bij mensen. Want daar gaat het naartoe in het boek Openbaring. «De tent van God is bij de mensen» Op.21:3. Dan komt eindelijk God ook thuis. Daarom is dat boek Openbaring ook doortrokken van wat mijn gelief­de Joodse denker André Neher zo treffend genoemd heeft: het heim­wee. Hij zegt: er is een dubbel heimwee. “Nostalgie de Dieu” en “nostalgie de l’homme”. Een heimwee van God en het heimwee van de mens. Dat zijn de basisprincipes waar het in het boek Openbaring om draait, maar waar het eigenlijk ook in heel de Bijbel om draait: God heeft heimwee naar Zijn mensen. En in heimwee zitten die twee ele­men­­ten: heim en wee. In wee zit die pijn, ook die geboorteweeën en ook het verlangen naar heim. Neher gebruikt dan het woord Heimat, een woord dat je eigen­lijk niet kunt vertalen. Je kunt het vertalen met patrie, vaderland. God verlangt ook naar die thuiskomst, naar die ren­trée. Om dan eindelijk thuis te zijn.

Het boek Openbaring is een heel emotioneel boek

Basispunt 7

Het boek Openbaring is vaak een heel emotioneel boek. Dat is vaak een van de problemen die wij hebben bij het bijbellezen: wij hebben vaak de emoties eruit gehaald. Het Joodse volk is van­ouds ook een volk geweest dat heftige emoties gekend heeft. Maar wat wij vaak gedaan hebben is, dat wij de emoties eruit ge­haald hebben. Om te beginnen vaak al op de manier waarop de Bij­­bel ver­taald werd, maar ook op de manier waarop wij het inter­pre­teren. Wij hebben de Bijbel getemd, gedomesticeerd, tam gemaakt. Net als bij een huisdier. En dan doet dat beestje ook niets meer, al­leen op­zit­ten en pootjes geven en lief zijn. Maar het boek Openbaring is soms een boek van tranen, soms is het een boek van woede. Soms vliegen de vonken eraf. Met het boek Open­­­baring moet je uitkijken als je het in je boekenkast hebt staan. Het brandt je boekenkast uit. Dat is niet zomaar een tam boek, dat je keurig in een rijtje kunt zetten. Wij maken het tot een keurig getemd boek en dan zetten we het erbij. Dan wordt het bijgezet. Kleijs Kroon heeft daar heel indrukwekkend over ge­schreven. Hij was vroeger predikant in Amsterdam, een heel aparte figuur. Dat zijn van die mensen die je in ere moet houden. Eerst heette de beweging die hij leidde “Kerk en Israël” en later “Tenach en Evange­lie”. Hij zegt: In het boek Openbaring heb je soms gedeelten, waar de woe­de van af­spat. Een van de merkwaardige punten is bijvoorbeeld, dat ze voor de dui­vel alleen maar scheldwoorden hebben. Heb je er wel eens op gelet, dat in het bijbels-Hebreeuwse denken de dui­vel helemaal geen naam heeft? Ze hebben voor hem alleen maar een paar scheld­woorden. Die komen in Openbaring 12 ook weer te­rug. Dan wordt er gezegd: de diabolos werd uit de hemel gesmeten. «En hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem» Op.12:8,9. Diabolos is een scheldwoord, dat betekent: de uiteen-smijter. De chaotiseur zegt Kleijs Kroon dan; hij die altijd de chaos veroor­zaakt. En dan staat er bij: de satan dat is de hinderaar, de dwarsligger, maar ook dat is geen naam, dat zijn scheldwoorden. Een oude slang, zeg­­­gen ze er dan ook nog bij. Ze kunnen alleen maar op hem schel­den. In die zin geeft de Bijbel ook geen keurige leer over de duivel. Daar ga je geen beschouwing over geven. Je kunt hem ook niet ergens plaat­sen. Je kunt hem alleen af en toe de huid vol schelden. Hij is niet te plaatsen. Er staat ook: «Zijn plaats werd in de hemel niet meer gevonden» Op.12:8. Dus het boek Openbaring is vaak heel emotioneel.

Het boek Openbaring is voor degenen die het nodig heb­ben

B­asispunt 8

Is het boek Openbaring voor iedereen? Het antwoord is in de eerste plaats: het is niet voor iedereen. Het is niet voor de nieuwsgierigen. Dus niet voor de mensen die zeggen: dat vind ik wel leuk, dat is interessant, ik wil dat ook allemaal wel eens onderzoeken. Profeten spreken nooit voor nieuwsgierigen. Maar voor wie is het boek Openbaring dan wel? Dat kun je eenvou­dig zo zeggen: het boek Openbaring is voor degenen die het nodig heb­ben. Als je het nodig hebt, dan is het voor jou. Want God schrijft zijn boe­ken nooit als luxe artikelen. Voor mensen die zeggen: leuk om dat er­bij te hebben. God schrijft voor wie zijn boeken broodnodig hebben, nodig als brood. En dit zeg ik expres op deze manier omdat ik merk dat in bepaalde the­orieën het boek Openbaring aan mensen ontnomen wordt. Het wordt ze afgepakt. Juist door al deze beschouwingen is vaak gezegd: maar het boek Open­­­baring is niet voor jou. Nee dat is niet voor ons en dan wordt het op allerlei manieren opgesplitst. Na Openbaring 3 zou het dan bijvoorbeeld niet meer voor de ge­meente zijn. Dan krijg je van die theorieën waar het allemaal in vak­jes wordt in­ge­deeld. Maar daar moet je toch mee oppassen, want God schrijft Zijn laatste boek juist voor die mensen die het op aarde vaak geestelijk niet zo breed hebben. Voor mensen in de be­nauwd­heid; voor mensen in de strijd en de beproeving, voor de klei­nen. Dat staat zo mooi in Zacharia 13: «Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden» Zach.13:7. Voor hen schrijft God Zijn laatste boek, voor de kleinen, voor de ver­ach­ten. God schrijft Zijn laatste boek voor de uitvallers, voor dege­nen die misschien geen succesverhaal kunnen aanbie­den. De Bijbel is ook geen succes-agenda, maar God schrijft speciaal voor hen.

Het boek Openbaring is geen tijdloos boek

Basispunt 9

Het boek Openbaring is geen tijdloos boek. De Bijbel is niet tijd-loos. Als de Bijbel tijdloos zou zijn, zou het zonde van je tijd zijn om het te lezen. God is ook niet tijdloos. God is eeuwig, maar dat is wat anders dan tijdloos. De God van Israël gaat in in de tijd. God komt bin­nen in de tijd van mensen. En dan moet je eens even die ach­tergrond be­den­ken van waaruit Jo­han­nes schreef. Er staat in Open­ba­ring 4: «Er was een deur geopend in de hemel» Op.4:1. Dan gaat er iets gebeuren op aarde. Kijk maar naar het Onze Vader: «Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo op de aarde» Matt.6:10. Let op de volgorde: eerst de hemel en dan de aarde. Daarom moet je het ook niet omdraaien. Op aarde zoals in de hemel, anders ga je de mist in. Nee, het is: «Gelijk in de hemel alzo op de aarde». De hemel gaat voorop en dan zal de aarde volgen. En als er een deur opengaat in de hemel dan is er hoop voor de aar­de, dat kan niet missen. Maar Johannes zit daar op Patmos in balling­schap. Dus aan wat voor mensen schrijft Johannes?

Johannes schreef voor mensen in de verdrukking

Basispunt 10

De mensen aan wie Johannes schreef, hadden het geestelijk ook niet breed, die hadden het soms Spaans benauwd. Laten we eerst eens een paar dingen op een rijtje zetten van die eer­ste eeuwen. Dat begon al in het jaar 49. Dan komt er een edict van de Ro­meinse keizer, het edict van Claudius, waarin hij zegt: Alle Jo­den moe­ten Rome verlaten. Dan voel je de spanning al. Rome, de gro­te we­­reldstad; het middelpunt van de toenmalige we­reld was ver­bo­den voor Joden. Op de winkels van Rome stond: Joden niet welkom. Dan denk je: hé, waar heb ik dat meer gezien? De geschiedenis lijkt zich te her­ha­len. En dan gaan ze daar. Dat kun je lezen in het boek Hande­lingen on­der andere in Handelingen 18. Waar ze heen zullen gaan moeten ze zelf maar uitzoeken. Zo worden ze vluchteling en banneling. Een lan­­ge rij van vluchtelingen gaat in bal­­­lingschap. Kort daarna regeert keizer Nero van 54 tot 68. Het was geen onver­deeld genoegen om Nero als keizer te hebben. Hij was eerder keizer, dan dat hij volwassen was. Dat komt trouwens meer voor. Nero be­gon wel aardig, maar langzamerhand werd hij steeds meer psy­cho­pa­tisch. Toen Rome in brand stond vond hij dat toch zo’n mooi ge­zicht, daar kon hij uren naar kijken. Een hedendaags componist heeft daar een lied op gemaakt.

“And Nero watched the video when Rome began to burn”.

Nero zat heerlijk video te kijken toen Rome begon te branden. Dat wil ik op de video hebben, dan kan ik er nog een keer naar kijken. Mooi zo’n brand, indrukwekkend. En natuurlijk werd er weer een zondebok aangewezen. En wie hadden het weer gedaan? Dat was altijd raak: de Joden of de Chris­tenen of allebei. Ja, want iemand moet het toch gedaan hebben. In 68 eindigt de regering van Nero en daarna krijg je de soldaten-kei­zers: Galba, Otho en Vitellius, je krijgt dan een periode van politieke onrust. Tenslotte komt Vespasianus aan de regering. In het jaar 70 valt Jeruzalem. Titus, de Romeinse opperbevelhebber, neemt Jeruzalem in. Van het jaar 66 tot 70 woedde in Palestina de Joodse oorlog. De Jo­den hebben van alles geprobeerd om de Romeinen tegen te houden, maar moesten tenslotte zwichten. Tegen die overmacht konden ze niet op. De laatste verzetsstrijders hebben zich nog verschanst in de tem­­pel van Jeruzalem en in de burcht Massada, maar tenslotte valt in het jaar 70 de tempel van Jeruzalem. Er is trouwens nog iets merkwaardigs. Er is onlangs iemand ge­weest die daar een dissertatie over geschreven heeft. Hij heeft aller­lei bron­nen geraadpleegd en heeft toen ontdekt, dat daar iets bij­zonders aan voor­­af is gegaan. In het jaar 69 was er weer een grote brand in Rome. Keizer Vespasianus was toen juist aan de macht. Tijdens die grote brand van Rome is toen een belangrijke tempel, de tempel van Jupi­ter, in vlammen opgegaan. En er was een voor­spelling gedaan bij de Romeinen dat er een vorst zou opstaan vanuit het oosten en die zou het Romeinse rijk onder de voet lopen. Moet je even voorstellen: Ze waren bang dat er iemand zou komen uit het oosten en dan het afbranden van een tempel. Dat was een slecht voorteken. Want dan kun je wel nagaan: als er een tempel afbrandt, zijn de goden boos of ze worden het. En dan begrijp je ook dat het jaar daarop Vespasianus tegen Titus zei: Ga jij die tempel van Jeruzalem ver­woesten, neem dat zaakje in be­zit. Want het kan best zijn, dat die vorst uit het oosten uit Jeru­za­lem komt, Jeruzalem lag immers in het oosten. Dus dan zie je dus in het jaar 69 de verwoesting van een tempel in Ro­me en in het jaar 70 de verwoesting van de tempel van Jeruzalem. In dat jaar 70 waren er, die nog konden vluchten. Rabbi Jochanan ben Zakkai had nog gevraagd of hij uit Jeruzalem mocht en een school mocht stichten. En daar gaan ze dan, de vluchtelingen, de ballin­gen. Ze kijken nog één keer om. “Jeruzalem dat ik bemin, wij treden uwe poorten in”. Maar dat is verleden tijd. «Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd, naar u verlangt mijn hart». Maar ik zal er nooit meer komen. Nog één keer omzien en dan afscheid voor altijd. Daar gaan ze dan, maar waar moesten ze heen? Aan zulke mensen schrijft Johannes: aan bal­­lingen, aan zwervers. Men­sen die daar de puinhopen van Je­ru­zalem zien en den­ken: is al­les nu voorgoed afgelopen?

Liedboek voor ballingen

Basispunt 11 

Heb je er weleens op gelet, en dat is iets dat ik bijna nergens tegen in al die eindtijd boeken tegenkom, dat het boek Openbaring zoveel lie­de­ren bevat? Elke keer lees of hoor je een lied. «En ze zingen een nieuw gezang» Op.5:9; 14:3. De engelen en die vier wezens en die schare die niemand tellen kan, el­ke keer maar weer zingen ze het ene lied na het andere. Het boek Open­baring is dus een liedboek, een liedboek voor ballingen met af en toe een stukje verbindende tekst. Maar die liederen die zijn zo belangrijk. Want die zijn er niet om de zaak een beetje op te fleuren. Dat is niet een stukje franje, die lie­de­ren zijn het hart van het laatste bijbelboek. Het is een liedboek geschreven aan mensen die soms niet meer kon­den zingen. Openbaring is een boek over mensen. Ergens in een samenkomst zit een man, die tegen zijn vrouw had ge­zegd: vrouw, soms gaat het niet meer, soms is de strijd zo zwaar, dan kan ik er niet meer tegenop en dan zit ik me weleens af te vra­gen: God, hoe­lang nog? De voorganger ging staan en zei: broeders en zus­ters, er is een boek binnengekomen van Johannes. Dat heeft hij ge­schre­­ven op het eiland Patmos en op de een of andere manier is het hier clandestien binnenge­smokkeld. En wat denkt u ervan? Ik stel voor dat we vanmorgen dat hele boek Openbaring gaan voorle­zen. Dat is goed, zei de gemeente. Ja, zegt de voorganger, het is een lang boek. Het zijn tweeëntwintig hoofdstukken. We laten de zang­dienst en de preek maar zitten vandaag. Zo werd het werd een lange samen­komst. En het hele boek Openbaring werd voorgelezen en aan het eind keek die man zijn vrouw aan en zegt: Vrouw, dat boek Open­­ba­ring kwam precies op tijd. Het had geen week later moeten komen; ik kan weer zingen, ik zie het weer zitten. Gelukkig stuurt God zijn bijbelboeken precies op tijd. Openbaring, liedboek voor ballingen, liedboek voor mensen die niet meer kunnen zingen. Boven het boek Openbaring kun je zetten: Kun je niet meer zin­­gen, zing dan mee. Voor mensen die hun laatste lied versnoept had­­­den en dan zegt God: Ik heb nog een lied voor je. En Johannes zegt: zal ik het voorzingen? Gaat het niet meer? Dat be­grijp ik wel; ik heb nog wel een lied. Johannes is dus eigenlijk ook, om het met een uitdruk­king van onze geliefde W.G.Overbosch te zeggen, voor­zanger. Hij is voorganger, maar ook voorzanger. Net zoals Overbosch zegt: “Jezus is onze Voor­-gan­ger, maar Hij is ook onze Voor-zanger”. Als ik het boek Openbaring lees dan moet ik denken aan een ver­haal. We leven van verhalen en zonder verhaal vaart niemand wel. Het gaat over een predikant die af en toe moest preken voor demente bejaarden. En hij zegt: soms dacht ik weleens: wat moet ik ze nu weer ver­tellen?  Er werkte ook een arts in dat verpleeghuis, die had in een mis­moe­di­ge bui gezegd: al die mensen die hier zitten hebben toch geen toe­komst meer. En de predikant zei: nee, zo wil ik er toch niet naar kijken. Dan ver­telde ik vaak maar een heel simpel verhaal en dan pakte ik een heel oud lied, waarvan ik dacht: dat hebben ze in hun kinderjaren nog ge­leerd. Dan zat er zo’n heel oud vrouwtje vlak vooraan, stokdoof. Dan ging ik het podium af, ging naast haar staan, en ging vlak in haar oor staan te zingen. En meer­malen gebeurde het, dat ze het bij het tweede of derde couplet pakte. Ze begon dan met haar oude, be­ven­de stem mee te zingen. Kijk, dat is nu het boek Openbaring. Johannes zingt vóór en hij zegt: pak je het al? Nee, nog niet. Dan zing ik nóg een lied. Gaat het al? Nee, nog niet. Dan zing ik nog een cou­­plet. En ik zal net zolang voor je zingen tot er in jouw hart een snaar begint te trillen. En op een gegeven moment zeg je: Johannes, wat je nu zingt dat is pre­cies mijn lied. En dan zegt Johannes: Juist, daarom zing ik het ook. Speciaal voor jou zing ik dit lied en jij begrijpt wel waarom. ‘Het voorbedachte lied’ naar de woorden van Frits Mehrtens. Dat is het: Liedboek voor ballingen. Die mensen hadden wel wat anders aan hun hoofd dan een theorie over de “eindtijd”. Dus ik kan ook zeggen: het boek Openbaring is ook een boek om te overleven. Nog even iets over die basispunten. Ik heb gezegd: Ik haal eigenlijk mijn eindtijdvisie uit de Torah, de vijf boeken van Mozes. Dus ik zeg weleens: als je het boek Openba­ring wilt begrij­pen, dan moet je bij Genesis beginnen. Genesis is de deur tot Openbaring. En wie van elders inklimt, die krijgt het wel moeilijk. Vanuit de Torah ontdek je de fundamenten waarop het boek Open­ba­­ring rust. De Torah, de vijf boeken van Mozes, van Genesis tot Deu­­­­tero­nomium, vor­­men het funda­ment heel de Bijbel.

De aarde is voor God hoofdzaak

Basispunt 12

De aarde is van God. Er is een veel hechter en intenser verband tus­sen God en de aarde dan wij meestal veronderstellen. Kan de aarde vergaan en kan God dan vrolijk voortleven? O, want dan maakt Hij wel weer een nieuwe? Neen, dat is on­mo­ge­lijk. Als de aarde zou ver­gaan, zou God ophouden God te zijn. Want Hij heeft Zijn NAAM aan de aarde verpand. De aarde is voor Hem hoofd­zaak. Daarmee staat of valt zijn identi­teit, zijn reputatie.

God houdt van de aarde en Hij blijft haar trouw

Basispunt 13

God houdt van de aarde en Hij blijft haar trouw.

Soms worden er een paar dingen door elkaar gehaald en dan wordt er gezegd: Je moet niet ‘aardsgezind’ zijn, maar dat is heel wat an­ders.

Basispunt 14

Een Christen houdt van de aarde.

Hoe meer je met God leeft, hoe meer je ook van de aarde gaat hou­den. Soms zijn er in de christelijke eindtijd-visies bepaalde idee­ën bin­nen­geslopen zo van: “Wijk thans o wereld uit mijn oog”. Maar de we­reld is de aarde niet! Dat is iets anders. Ik heb in een samenkomst meegemaakt, dat er in de zangdienst ge­zegd werd: Je ziet dat het allemaal achteruit gaat, het milieu gaat ach­­­teruit, de lucht­verontreiniging, het klimaat, en….. Het gaat al­le­maal steeds minder worden. Maar, werd er toen gezegd, gelukkig komt de Heer ons straks halen en dan gaan we naar de hemel. En dan denk ik: nu moet je toch oppassen, wat zeg je nu toch! Dan bekruipt mij toch ergens het gevoel dat dit niet de echte vertroosting is. En dan zeg ik het nog heel voorzichtig. Want dan ga je eigenlijk die aarde prijsgeven en zeggen: dat is ver­loren terrein. Die aarde gaat straks toch verdwijnen, maar goed, God maakt wel een nieuwe. Ja, maar zo is het niet. Daar kun je God niet mee troosten, door te zeggen: Here God, U maakt toch gewoon een nieu­­we aarde. Dat is voor God geen troost, want er staat: «Zie, Ik maak alle dingen nieuw» Op.21:5. Maar God maakt geen nieuwe dingen. Dat is een heel verschil. Hij maakt geen nieuwe din­gen. Hij maakt alle dingen die er zijn weer he­­le­maal nieuw. Dus het gaat niet om een andere planeet, maar het gaat erom dat deze planeet vernieuwd wordt.

Met reikhalzend verlangen

Dat hebben de profeten ook altijd gezegd: «En de heerlijkheid des HEREN zal zich openbaren» Jes.40:5. Deze aarde zal de heerlijkheid Gods zien. En als je dat loslaat, dan kun je wel ophouden, dan ga je over op een soort doemdenken.

Pau­lus zegt ook in Romeinen 8: «Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het open­baar worden der zonen Gods» Rom.8:19. Dat vind ik zo’n stevig fundament. Waar zien ze naar uit? Niet naar het einde, maar naar de onthulling, (de apocalyps staat er) de onthulling van de zonen Gods. En dan staat er zo mooi: «met reikhalzend verlangen». De SV zegt: «met opge­sto­ken hoofde». Ik stel me dat zo voor, zoals je vroeger in de rij stond te wachten als de Koningin langs zou komen. Ze stonden dan soms drie rijen dik voor je. Dus «met reikhalzend verlangen» staat die schepping ook zo te wachten. De schepping wacht niet op het einde, niet op het mo­ment dat het doek valt, maar op het moment dat het doek opengaat. Ont­hul­ling staat er, dan gaat de bedek­king eraf. En dan staat er in Rom.8: «Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen in hope echter….»  Rom.8:20. Dus heel die schepping is doortinteld van hoop. Heel de schepping hoopt, alleen de mens moet dat vaak nog leren. Wat dat betreft is de mens vaak een laatkomer. In heel de schepping zit die hoop, al die schepselen willen leven. Een dier wil niet dood, het zal alles doen om te leven. Dus heel die schepping is in hope, die is in ver­wachting, want die is niet vrijwillig onderworpen aan de vruch­­­te­loos­heid. Die ziet uit naar de bevrijding. Dat zegt Paulus ook in Romeinen 8: «Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wijzelf».  Rom.8:22,23

Een drievoudig zuchten

Ook wij zuchten in onszelf en de Geest pleit… «met onuitsprekelijke verzuchtingen».  Rom. 8:26

Dus er is een drievoudig zuchten:

1. de schepping

2. de gemeente

3. de Geest

De schepping is «in barensnood», er staat niet «in stervensnood». Als er sprake is van barensnood, dan duidt dat op een nieuw begin. Niet op een einde maar een geboorte!

God geeft Zijn schepping niet prijs.

Hij heeft eenvoudigweg geen andere aarde; we zouden kunnen zeg­gen: God heeft geen uitwijkmogelijkheid. Aan deze aarde heeft Hij zijn Naam verbonden en zijn hart verpand. Daar heeft Paulus zo’n oer-Joodse, oer-Hebreeuwse en oer-bijbelse ge­­­dach­tegang over. Paulus zegt niet: deze schepping gaat ten onder en dan maakt God gewoon een andere. Neen, volstrekt niet. Straks op de vernieuwde aarde zal er een leeuwerik zingen die nog een nakomeling is van de leeuwerik die we hier nu hebben. Want er is bij God continuïteit. Hij gaat dóór met de werken zijner han­­den. Dus je kunt God niet troosten door te zeggen: er komt wel een andere aarde; dat is precies hetzelfde als wanneer je tegen een moeder zegt die een kind verliest: Ach, maar je kunt toch wéér een kind krij­gen. Dat is natuurlijk geen troost, dat is een pasto­rale blun­der eerste klas, daar troost je iemand niet mee. Dus tegen God kun je ook niet zeggen: Ach, dan maakt U gewoon weer wat nieuws. Nee, zegt God, Ik maak déze aarde nieuw, want God is ten zeerste ver­knocht aan Zijn schep­ping. Schepping en Openbaring horen bij elkaar. De Joodse denker Frans Ro­senzweig zegt ook: Je hebt die drie­slag: schepping, openbaring, ver­lossing; dat hoort bij elkaar. Als God de hemel en de aarde schept, dan is dat voor Hem niet iets uitwendigs, maar dan is Hij daar met zijn ganse hart bij betrokken, net zoals een beeldhouwer die een beeld maakt. Stel je voor dat er ie­mand komt, die dan dat beeld kapotslaat en zegt: Ach, je maakt toch weer gewoon een ander beeld. Maar de kunstemaar heeft iets van zich­zelf in zijn werken gelegd. Het is interessant om eens na te gaan wat de invloed van bepaalde stromingen is op het denken over de eindtijd. Wij leven in een weg­werpcultuur. Wij zijn zo gewend om bijvoorbeeld een auto na tien à twaalf jaar naar de sloop te brengen. Je gebruikt allerlei dingen en werpt ze na een tijd weg. En dan vat onwillekeurig de gedachte post, dat God het ook wel op die manier zal doen. Dus wij moeten uitkijken dat wij niet de eindtijd­visie invullen vanuit onze moderne, 21e eeuwse, West-Europese denkwijze, van­­uit een ge­­dach­­te­­­patroon van afdanken en wat nieuws maken, zoals je dat met ge­bruiks­voorwerpen doet. Maar de aarde is voor God niet een ge­bruiks­­voorwerp. De aarde is zijn schepping en dat is heel wat an­ders. Kijk, want we komen toch weer op de aarde terug, hoe je het ook wendt of keert. Er zal uiteindelijk nooit een mens kunnen zijn zon­der aarde. Wij zijn uiteindelijk toch weer bestemd om adam op de ada­­mah te zijn, mens op de akker.

Basispunt 15.

Je kunt nooit thuiskomen zonder je broeder.

Dat is ook zoiets wat ik uit de Torah probeer te verstaan. Het hele boek Genesis is daar vol van. Jakob en Esau; Jozef en Benjamin; tel­kens zie je dat patroon door heel de Bijbel heen. Je kunt niet thuis­ko­men zonder je broeder. Jezus wilde ook niet alleen naar huis; Hij zegt: Ik neem mijn broe­ders mee. Daarom kon Hij Zichzelf niet redden. Hij kon anderen red­den, maar Zichzelf niet. Dat is een grondprincipe van de Torah, wat in Leviticus 25 staat:

«Opdat uw broeder bij u in het leve blijve» Lev.25:37.

Dat blijft dus in de toekomst ook zo. Je kunt alleen overleven samen mèt je broeder. Daar wil ik een -wellicht riskante- consequentie uit trekken en ik hoop niet dat ik hiermee mensen kwets, want dat is niet de be­doe­ling. Het is ook niet de bedoeling om theorieën omver te gooi­en, al­leen het risico zit erin, dat je dat op deze manier doet. Als je nu zegt: Je kunt niet thuis komen zonder je broeder, heeft dat voor mijn besef dan ook consequen­ties voor je toekomstvisie. Dan kun je in dit verband doordenken over Israël en de gemeente. Er zijn opvattingen die zeggen: straks wordt de gemeente opgeno­men en dan gaat Israël door de grote verdrukking. En de gemeente gaat feest­­­­vieren bij God in de hemel, maar in diezelfde tijd gaat Is­ra­el door de groot­ste misère heen. Als ik dit hoor, leg ik mijn hand op de Torah, op de boeken van Mo­zes, en dan zeg ik: Maar vanuit de Torah, als je iets daarvan begre­pen hebt, kan dat dan niet. Hoe kan de één feestvieren, terwijl de an­der door de ellende gaat? Als je dan iets van het hart van de To­rah begre­pen hebt, dan zou je eigenlijk moeten bidden: God wilt U het feest­­maal nog even uitstellen, tot mijn broeder er ook is. Anders word je schizofreen, dan ga je jezelf opsplit­sen. En dan denk ik: óf geen van tweeën door de ver­drukking heen, óf allebei. Maar niet de één wel en de ander niet. Je komt thuis samen met je broe­der. Daarom zeg ik: Je moet bij de Torah beginnen en als je niet bij Gene­sis begint, dan kom je er in Openbaring ook niet meer uit. Dan staat de deur open voor allerlei dwalingen, dan zijn alle theorieën mogelijk. Maar als je vanuit de Torah begint dan ga je ‘thoratisch’ leren den­ken. Ik weet niet of dat woord bestaat, anders bestaat het vanaf nu. In ie­der geval moet je thoratisch leren denken, want de vijf boeken van Mozes zijn de vijf boeken van de Torah. En Torah betekent niet wet, maar onderwijzing, wegwijzing. Weisung zegt Buber zo mooi. H­et zijn ook de vijf boeken van de ontferming. Daar begint de Bijbel mee; niet met een wet maar met de vijf boeken van de ontferming. Daar ga je dan in ontdekken: zo is God, zo barm­­hartig. En dan is God in het laatste bijbelboek niet plotseling an­ders. God maakt niet ineens tussen het 65e en 66e bijbel­boek een hele om­wenteling door.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010