Oorspronkelijk heten de Psalmen: Tehelim.

08-10-2012 door Dr. K.D. Goverts

Het is altijd bijzonder boeiend om eens met de Psalmen bezig te zijn. 150 liederen. Wat voor gevoel je ook hebt, er is altijd wel een Psalm voor je, waar je jezelf in kunt terugvinden. Je hebt Psalmen op de hoogte en in de diepte, je hebt liederen op de bergtop en je hebt liederen in het dal, dat hoort er allemaal bij. Op die manier ga je steeds weer iets herkennen. Het Nederlandse volk is eigenlijk heel intens met de Psalmen groot gebracht. Je zou het een van de erfenissen van Nederland kunnen noemen. Een Nederlandse kerkmusicus vertelt dat Nederland een van de weinige landen is, die alle 150 Psalmen in de berijming heeft. In andere landen hebben ze niet al die Psalmen in hun kerkboeken en dan vragen de kerkmusici aan hem: ‘Hebben jullie al die 150 Psalmen in je kerkboek staan? Die kun je toch niet zingen?’ Ik denk dat het juist een uitdaging is om ook die erfenis terug te vinden. Heeft u er wel eens op gelet wat Paulus zegt in Efeze 5 : 19? “ Spreekt onder elkaar in Psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.” En dan begint Paulus met de Psalmen. Dat moet je niet vergeten, daar zit een heel kostbaar geheim in en ik geloof dat die Psalmen weer terug gaan komen. Want heel vaak zijn ze door en door profetisch. Er zit zoveel in!  Als je alleen de Psalmen zou hebben en je zou daar je toekomstvisie uit putten, dan ben je de koning te rijk!

Ik zou er ook een opschrift boven kunnen zetten: Liederen om te kunnen overleven! Vaak hebben de Psalmen mensen door heel donkere tijden heen gedragen! Het staat ook zo mooi in Job 35 :10 : “Hij geeft psalmen in de nacht!” Job is ook een van de donkerste boeken van de Bijbel. Daarom is het zo kostbaar als je die Psalmen in huis hebt! En dan niet alleen maar ergens op je boekenplank, maar van binnen, in je huis en in je hart! Je kunt ze nog eens nodig hebben! Want soms maak jij een lied, en soms maakt een lied jou! Er zijn tijden dat een mens zelf niets meer kan bedenken, en dan kun je misschien geen gebed meer bedenken, en dan kun je geen lied meer bedenken, en wat is het dan heerlijk als er dan zo’n oude Psalm naar je toekomt en die zegt: ´Zal ik voor je zingen?’ Je zou ook boven de Psalmen kunnen zetten: “ Kun je niet meer zingen, zing dan mee!” Het zijn ook vaak liederen die geboren zijn vanuit de diepte. Er zit een stuk emotie in, een stuk bewogenheid en dat mag er ook allemaal weer in terugkomen. Als je ook eens nagaat in welke omstandigheden ze vaak gedicht zijn, let eens op de opschriften, dan staat er bv boven: ‘David in de spelonk.’ Dan zat David in een spelonk, en dan had hij maar één wapen, dat was zijn harp! En dan komt er weer een lied, dat lied wordt dan geboren in die spelonk. Je zou zeggen in een spelonk heb je niet veel ruimte, het is daar heel benauwd en heel beperkt en klein. Het enige voordeel is misschien dat je een goede akoestiek hebt. En dan zat hij daar met een stel mensen, die het ook niet breed hadden. En David, hij moest altijd maar vluchten, vluchten voor Saul, en hij was zijn leven niet zeker , dan zegt hij ergens: “er is maar één schrede tussen mij en de dood! Ik weet niet of ik er morgen nog ben,en daarom zing ik vandaag maar een psalm! Morgen kan het misschien niet meer!” En dan voel je, die psalmen daar tintelt iets doorheen van dat: “En tóch!” En tóch God vasthouden en Hij houdt jou vast! Dat is zo waardevol! David maakte die psalmen vaak in donkere tijden, dan valt het mij op, dat die psalmen in andere donkere tijden weer boven komen! Ik vind het altijd zo ontroerend als je er op let dat in de tijd in Nederland met die Spaanse overheersing in 1560, enz., dan heb je daar die koning van Spanje, en die gaat daar de lakens uitdelen in ons Nederlandse volk, en daar is die hele strijd aan de gang van: wat zal er nu winnen? Zal er vrijheid zijn om te geloven, vrijheid om te denken en om te bidden? En dan was daar een man, Petrus Datheen, en die ging de Psalmen berijmen. Die Petrus Dathenus die maakte ook heel wat mee in strijd en beproevingen, en die gaat dan de Psalmen berijmen! Alle 150! En soms loopt die berijming niet zo erg goed, en dan denk je : het is allemaal wat krom en wat moeilijk geschreven, maar in 1566 komt die Psalmberijming klaar, en dan denk ik: mensen, daar hebben ze wat aan gehad in die tijd! Die Psalmen , dat waren vaak strijdliederen, dat waren vaak liederen om het vol te houden! Wat denk je van het Wilhelmus? Ik heb wel eens gezegd: Je zou het Wilhelmus zo tussen de Psalmen kunnen zetten en het zou niemand opvallen, het zou er zo helemaal tussen passen. Want het is toch precies hetzelfde wat Willem van Oranje daar doorgemaakt heeft? En David, die moest vluchten voor Saul, en Willem van Oranje had het moeilijk met die koning Philips van Spanje! Hij zegt ook ergens in het Wilhelmus: “ Zoals David moesten vluchten voor Sa-oul den tiran….” Kijk,daar heb je het! “En de koning van Hispanjen, heb ik altijd geëerd!” Het is precies hetzelfde, want dat zegt David ook: “Ik wil mijn hand niet uitstrekken naar Saul, want dat is de gezalfde des Heren! Ik blijf er vanaf!” Dan denk je toch: dit is precies hetzelfde verhaal! En hebt u er wel eens op gelet: het Wilhelmus is tegelijk ontstaan in het Nederlands en in het Jiddisch?! Ik heb het thuis naast elkaar in twee kolommen. Dan zie je dat Willem van Oranje twee groepen van mensen had die achter hem stonden, dat waren de Calvinisten en dat waren de Joden. Heel wonderlijke combinatie, ik weet niet, of je die wel eens meer samen tegenkomt, dat gebeurt niet elke dag. Maar die groepen zeiden allebei: Wij staan achter je! Dat zijn nu uitgerekend de twee groepen die begrepen hadden waar het om ging: om de vrijheid van godsdienst! Dat je mag geloven wat je wilt! Dat het je niet opgelegd wordt, zodat je kunt zeggen: we zijn niet onder dwang, maar we mogen geloven naar ons hart! En zo zijn die Psalmen door de eeuwen heen meegegaan en telkens hebben mensen daar weer uit geleefd en weer kracht uitgeput. Daarom zeg ik wel eens: geef mij maar één lied, dat is mij meer waard dan honderd theorieën. Je kunt zoveel theorieën hebben en beschouwingen en er zijn eindtijdvisies bij de vleet met ‘hiervoor’ en ‘hierna’, maar één lied kan mij soms meer vertellen over het hart van God en over de toekomst dan al die theorieën bij elkaar. En als dat volk van God die Psalmen weer terugvindt, wat zou dat de moeite waard zijn! Heeft u wel eens gelet op Lucas 24 :44? Dat is een heel wezenlijke tekst in dit verband. Dat is dan een Paasverhaal, waar Jezus zegt tot zijn leerlingen: “Dit zijn mijn woorden die ik tot u sprak, toen ik nog bij u was, dat alles wat over mij geschreven staat in (1) de Wet (de Thora,de onderwijzing van Mozes!), (2) de Profeten en (3) de Psalmen(!) vervuld moet worden.” Deze 3 delen die bij elkaar opgeteld vormen het door ons zo genoemde “Oude Testament”. Ik noem het liever met de Joodse benaming de Tenach! Dit is precies die oude driedeling die je vindt in de Joodse canon. De Bijbel begint met de Thora, de boeken van Mozes, dan krijg je de tweede cirkel , dat zijn de Profeten en dan krijg je de derde cirkel, die begint met de Psalmen! En dan komt de hele rest: Job en Spreuken en Prediker enz. tot en met de laatste; in de Joodse bijbel is dat Kronieken. Dus Jezus neemt daar die hele drieslag die vanouds in de Joodse traditie bekend was, en Hij zegt: “Alles wat daar geschreven is wordt vervuld!” Jezus heeft ook heel bewust en diep geleefd vanuit die Psalmen. Toen Hij aan het kruis van Golgotha hing, bad Hij: “Mijn God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten!” Heeft Hij dat zelf bedacht? Nee, dat is Psalm 22. En “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest!” Heeft Hij dat dan misschien zelf bedacht? Nee, dat is Psalm 31. Het Avondgebed van de kinderen: “Vader, in uw handen leg ik mijn ruach, mijn geest, of adem,” en dan bidt Jezus nog eenmaal dat gebed dat Hij als kind zovele malen heeft gebeden voor het slapen gaan. En zo zie je dat Jezus tot in het laatste uur geleefd heeft vanuit die Psalmen. Psalmen gaan met je mee. In 1940 maakte Hitler zijn opmars richting Nederland. Toen werden de dagen heel donker en toen was er een Nederlandse schrijver Menno ter Braak, die kon de ellende allemaal niet meer aanzien en nam gif in. Toen zei Anton van Duinkerken: “Je kunt beter Psalmen  innemen dan vergif!” Daar zit wat in! Je kunt beter Psalmen innemen, dat is de beste medicijn, dat is tegengif! Liederen om te overleven! Een lied om het vol te houden!

Is het u wel eens opgevallen dat die Psalmen uit vijf boeken bestaan? In de meeste Bijbels is dat wel aangegeven. Het eerste boek: Psalm 1 t/m 41; het tweede boek: Psalm 42 t/m 72; het derde boek: Psalm 73 t/m 89;  het vierde boek: Psalm 90 t/m 106, en dan de rest, het vijfde boek: Psalm 107 t/m 150.

Vijf boeken met Psalmen, dat geeft al een aanwijzing. Bedenk dat die Psalmen in heel wat perioden zijn ontstaan. Sommigen zijn heel oud, anderen wat jonger. Soms zijn die Psalmen in de tijd nog gegroeid, en hebben ze een ontwikkeling doorgemaakt. Mensen hebben ze gezongen en er soms weer iets in geactualiseerd, want als je een lied gaat zingen, dan gaat zo’n lied ook dwars door je heen. Zo zijn er telkens die tempelzangers geweest, die Korachieten bij voorbeeld. Dat is zo mooi, die Korachieten hebben ook heel wat liederen gemaakt. Eigenlijk staat er: de zonen van Korach! Is het u wel eens opgevallen, want wie was die vader? Die Korach vind je in Numeri 16, dat was een opstandeling, die kwam tegen Mozes in actie! Daar waren dan Korach, Dathan en Abiram, en dat wordt een hele club die ingaan tegen Mozes, en die zeggen: ‘Wij willen niet langer dat Mozes hier de leiding heeft, wij gaan er tegenin!’ En die Korach was de leider van die rebellen en dan opent de aarde haar mond en dan verdwijnt die Korach met die hele club in de geopende aarde. En dan staat er een klein zinnetje in Numeri 16 : 11, waar we vaak overheen hebben gelezen, daar staat: “en de kinderen van Korach stierven niet.” Die zonen, die “bene” van Korach stierven niet en die zijn tempelzangers geworden! Die hadden geen aardje naar hun vaartje! Dat was niet: de appel valt niet ver van de stam! Zij gaan zingen,en dan zijn ze daar in het heiligdom, en die tempelzangers, och mensen, die hebben vaak wat gezien! Zangers zijn vaak zieners geworden. Dat gaat vaak samen. En in dat heiligdom hebben ze vaak heel wat meer gezien dan mensen die niet in dat heiligdom waren. In dat heiligdom waren geen ramen, geen vensters, daar was alleen maar het licht van de kandelaar, en daar hebben ze geZIEN! Daar kon je zeggen: “Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog!” Dat was wat! En dan werd er weer een lied geboren!

Dus vijf boeken Psalmen.

Er zijn ook vijf boeken van Mozes,  en dat gaat gelijk op! Die kun je naast elkaar zetten. Dus naast dat eerste boek kun je Genesis zetten. Naast dat tweede boek Exodus, naast het derde Leviticus, naast het vierde Numeri en dan naast dat vijfde boek van de Psalmen Deuteronomium. We zullen er nog wel eens wat voorbeelden van bekijken, dan zult u zien dat het helemaal parallel gaat. En er zijn ook sterke aanwijzingen dat het in de synagoge ook vaak zo gedaan is, dat ze die boeken van Mozes gingen lezen en dan die Psalmen er naast hebben gezongen. Vijf boeken van de Thora, het woord van God, en vijf boeken Psalmen, het antwoord van de mensen. Woord en wederwoord. Stem en tegenstem, springen op voor Hem. God spreekt, en de mens antwoord in allerlei toonaarden. In lof- en klaagzangen, in hoogte en diepte, in allerlei manieren. En zo gaan die twee keer vijf boeken samen op.

We beginnen nu bij dat eerste Psalmboek: Psalm 1 t/m 41.

Die Psalm 1 is een apart geval, je kunt zeggen: dat is de Deur tot het hele Psalmboek. Die Psalmen hebben een deur, want je kunt de Psalmen ook vergelijken met een Heiligdom, het is eigenlijk zelf ook een heiligdom! En hoe kom je nu die tempel van de Psalmen binnen? Door de deur, Psalm 1 is eigenlijk de deur van de Psalmen, het begint met een welkom, een zaligspreking. En als in de bijbel een zaligspreking begint moet je opletten. Want dat is zo mooi: Welzalig de man! Is de vrouw dan niet zalig! Nu, let op, dat hier nu “de man” staat, betekent niet dat de vrouw hier uitgesloten is. In het Hebreeuws is het een woordspeling. Er staat: Welzalig hashreh, de man a-ish, die asher. Hashreh a-ish hashreh asher. Daarom staat er ”de man”, dat past helemaal in dat ritme. Dat is een prachtig stukje Hebreeuwse poëzie. En zo begin je met dat Psalmboek, met dat “welzalig”, word je uitgenodigd: “Kom maar, deze mens is welkom in het heiligdom!”

Wat is nou zalig? Betekent dat zoiets als gelukkig? Of wordt er iets anders mee aangeduid? Let er op, het is niet een wens of een belofte! Het betekent niet : deze man verdient gelukkig te worden, of deze man zal dat ooit een keer zijn. Nee, het is een vreugdevolle uitroep, een vastgestelde zekerheid: deze mens is zoals hij bedoelt is! Zalig is dat je beantwoord aan je bestemming. Dat is het verborgen “ware geluk” zegt Martin Buber in zijn commentaar op Psalm 1. Martin Buber, de Joodse Bijbelvertaler. Zulke mensen moet je in ere houden. Als je de Psalmen en helemaal als je de Bijbel gaat uitleggen, sta je altijd in die eeuwenlange traditie. En dan zijn er zoveel Joodse denkers en schrijvers die ons zijn voorgegaan, en dan mag je inderdaad af en toe de slip van zo’n Judeese man vastpakken. En dan pak je die slip van Martin Buber en zeg je: Help me eens een eindje op weg! Vertel me eens welke kant ik op moet? En dan pak je weer eens de slip van Franz Rozenzweig en dan pak je de slip van Andre Neher en dan zeg je: Toe, loop eens een eindje voor me uit, en dan lopen die mensen voor je uit en ze wijzen je weer een stukje van de weg. Kijk dat is het nu: samen met al de heiligen ga je er iets van verstaan, van die lengte en die hoogte en die breedte en die diepte, en dan ben ik altijd zo intens dankbaar dat ik niet op mijn eentje hoef te geloven. Gelukkig zijn er al zoveel mensen voor ons geweest, die geloofd hebben, en die hebben het pad gebaand. Dus Martin Buber zegt: “Dat is het verborgen geluk, het ware geluk!” En het kan zijn dat de Psalmdichter die mens wil bemoedigen, juist te midden van alle aanvechting en alle tegenstand. En hij helpt hem om het schijngeluk van het ware leven te onderscheiden. Dat ashreh, dat welzalig, heeft ook nog een andere betekenisnuance, want Samsom Raphael Hirsch, een Joodse Bijbeluitlegger in de vorige eeuw heeft ook veel nagedacht over de betekenis van het woord van God en zegt dat het woord ashreh te maken heeft met een ander woord en dat betekent “een stap” . Een stap doen, of een schrede. Dus “welzalig”  is dat je stappen kunt doen. Je zou kunnen zeggen dat je uit de voeten kunt. “Uit de voeten kan de man….” En dan komt het! Maartje van Tijn, een Joodse Bijbelvertaalster in deze tijd, moeder van zes kinderen die af en toe nog tijd vindt om met de Bijbelvertaling bezig te zijn, zegt dat het betekent: “sterk en rechtgezet!” Ashreh, sterk en rechtgezet, dan sta je op je voeten! Die verschillende betekenissen zitten erin. Je kunt voetstappen zetten. “Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden.”En dan? Wanneer ben je dan zalig?

Welzalig de man die niet wandelt…. En dan staan er drie punten, drie dingen die hij niet doet. Hij wandelt niet in de raad van de goddelozen. Dat woord voor goddelozen betekent eigenlijk “de afbrekers”. Het gaat hier om iets wat veel meer is dan er in de vertaling uitkomt, want zo op het eerste gezicht zou je denken dat het hier over atheïsten gaat, over mensen die niet geloven, maar hier wordt iets heel anders aangeduid. Het gaat hier niet over keurige vriendelijke mensen, het zijn  afbrekers. Een andere vertaling zegt: de doemenden. Die bezig zijn een doem te leggen op een ander, die afbreken. Die met hun handen en hun woorden de dood ontbieden. Die kwaadaardig zijn, die zich aaneensluiten in een valse aanklacht, om de zwakke, de weduwe en de wees de grond in te trappen. Ze plegen meineed voor het gericht, ze laten armen ter dood veroordelen en ze nemen  bezittingen in beslag. Zo breken ze systematisch het leven van de kleinen. Ze breken de rechtsorde af, ze doemen, leggen een doem op de ander. En welzalig de man die daar niet in wandelt, in de raad van die afbrekers.  En dat is meteen een heel opvallend punt! Als je die eerste 41 Psalmen bekijkt, dat eerste Psalmboek, dan zul je ontdekken dat het daar telkens gaat over twee gestalten tegenover elkaar. Dat is de afbreker, de rashah, en daartegenover de tsadik. Die vormen met elkaar een contrast. De rashah, de afbreker, meestal vertaald met goddeloze, en de tsadik, meestal vertaald met de rechtvaardige. Maar dat is ook weer een woord met een meerwaarde. De rechtvaardige is eigenlijk de waarachtige. Dat is de mens die helemaal leeft in de verbondenheid met God. Dat woord heeft ook een heel sterke gevoelswaarde. Ik zeg weleens: Laten we de Bijbel weer leren lezen met ons gevoel! Dat zijn we vaak wat kwijtgeraakt; heel veel woorden in de Bijbel hebben ook een gevoelsdimensie, en als er gesproken wordt over de rechtvaardige dan is dat degene die zich het leed van anderen aantrekt. Die het leed van andere mensen aanvoelt, en het draagt tot op God. En dan ga je ook begrijpen dat Jezus in de Evangeliën genoemd wordt de Tsadik, de Rechtvaardige. Als Jezus daar aan het kruis hangt, Lucas 23 : 47, dan staat daar die hoofdman en zegt:

Waarlijk, (Amen), deze mens (Adam) was een Tsadik.” Dat is puur Hebreeuws wat hij daar uitsprak! Daar was geen woord Romeins bij, dat was het meest prachtige getuigenis wat iemand over de Messias kon geven. Hij was een Tsadik, want Hij heeft het leed van de mensen aangevoeld en Hij heeft het gedragen tot in Gods handen. Je voelt wel, een tsadik is veel meer dan iemand die zegt: “ik doe alleen maar goede dingen…” Een tsadik is iemand die meer doet dan het gewone, iemand van de tweede mijl. En dat zie je dan ten voeten uit in de gestalte van de Messias. Om de rechtvaardigen bestaat de wereld voort. Er is een oud Joods verhaal dat zegt: “Er zullen altijd 36 rechtvaardigen zijn op de wereld en ter wille van die rechtvaardigen zal de wereld bestaan .”

Die man wandelt dus niet in de raad van de  afbrekers, hij staat niet op de weg van de zondaars, hij zit niet in de kring van de spotters. Eerst gaat het over een raad, dan over een weg en dan over een kring. Dat woord spotters betekent eigenlijk de brutalen, de driesten, dat hoeft niet perse te betekenen dat ze altijd aan het spotten zijn, dat kan betekenen: ze buigen nergens voor. Ze hebben nergens respect voor, ze gooien hun kop er dwars tegenin. De brutalen! En dan is er wel een spreekwoord : “de brutalen hebben de halve wereld”, maar in de Bijbel staat: “de zachtmoedigen beërven de hele aarde!” Die brutalen blijven dan nergens meer. Hij zit dus niet in die kring van de brutalen, maar wat doet hij wel? In vers 1 staat wat hij niet doet, maar in vers 2 staat wat hij wel doet! Twee dingen doet hij wel: “Maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft.” Daar heb je dat woord “Thora”, in de Thora van de Eeuwige heeft hij zijn welbehagen, daar leeft hij in, dat is zijn lust en zijn leven! Hier zie je dat Psalm 1 direct terugverwijst naar die vijf boeken van Mozes, want dat is de Thora! Het Psalmboek begint dus met: wie mag binnenkomen in dat Psalmboek? Hij, die zijn welbehagen heeft in dat Woord, de Thora van de Eeuwige, Adonai! En daar staat een tweede zin bij : En die Thora overpeinst bij dag en bij nacht. Twee keer die Thora en in beide regels staat dat woord helemaal aan het begin van de zin. Dus die krijgt de volle nadruk! In de Thora heeft hij zijn welgevallen en de Thora overpeinst hij dag en nacht. Wat dat betreft is de zinsbouw in Hebreeuwse poëzie vaak heel veelzeggend. Soms kan een dichter het de nadruk geven door een woord twee keer voorop te zetten. Het is ook zo kostbaar om een beetje gevoelig te worden voor taal, voor poëzie. Ik denk, als je bij God in de leer gaat, dan ga je ook weer taal leren. Ik geloof dat wanneer de mens verlost wordt, hersteld wordt, dan krijgt hij ook de taal terug. Net zoals hij ook de kunst terugkrijgt, en de cultuur, dat is ook vaak allemaal afgepikt. Maar al te vaak hebben christenen gezegd: “O, dat hoeft allemaal niet, wij hoeven geen kunst en geen cultuur” en dat werd dan allemaal maar overgelaten aan “de wereld”. Maar dat hoort ook bij het koninkrijk van God. En als Jezus gekomen is om de losprijs te betalen dan heeft Hij ons gekocht met Zijn bloed, maar Hij heeft ook heel die Schepping teruggekocht, Hij heeft ook de kunst en de cultuur teruggekocht. Dat wordt allemaal teruggenomen en mag komen aan de rechtvaardigen. De mens is vaak de taal kwijt en door de zonde is hij ook vaak taalarm geworden. Op het laatst is er dan bijna geen woord meer. Zoals in een gedicht van Gerard Achterberg: “Een taal, waarvoor geen woorden zijn in dit heelal verstond ik voor de laatste maal. En nochtans moet het woord bestaan dat met u samenvalt.” Hij gaat op zoek. Zo zijn wij ook altijd weer op zoek naar de taal. Naar woorden die het houden, waar je houvast aan hebt, die je raken. Daarom is het zo mooi, dat hij bezig is met die Thora, hij zit niet in de kring van de driesten! Dat woord overpeinzen, haga, is een heel apart woord in het Hebreeuws, want dat betekent eigenlijk zoiets als murmelen. Je zou dus ook kunnen vertalen: “De Thora des Heren, die murmelt hij dag en nacht.” Dat gebeurde ook en dat is een kostbaar geheim, dat hardop reciteren, dat ten gehore brengen, want dat Woord moet klinken en dat mag gehoord worden! En dan spreek je het voor de ander en je spreekt het ook voor je eigen hart en zo gaat het steeds verder tot je binnenste doordringen. Murmelen, als een soort onderstroom van je ziel, als een cadans, als een ritme van je bestaan, als de hartenklop van je ziel. Daarbij is het ook heel wonderlijk dat dat woord haga speciaal een rol speelt in de ballingschap. Juist in de ballingschap in die donkere tijden lieten ze dat Woord van God weer horen, weer klinken, want juist in die ballingschap had je dat nodig. En toen ze daar zaten in die gevangenschap, in Babel, hebben ze een paar dingen opnieuw ontdekt. Zoals de waarde van de gemeenschap, en toen werden daar kringen gevormd, leerkringen. Ze gingen daar toen samen zitten en zeiden: Laten we daar nou eens induiken. Vertel eens wat! Verhalen! Liederen! En die leerkringen rondom de rechtvaardigen, dat werden de leiders, vormden zich gemeenschapskernen. En zo zijn ze bezig geweest met die boeken van Mozes en ook met de Psalmen, en dat is een stroom geworden van leven, wonderlijk! Een stroom van leven in de ballingschap. Wij hebben er vaak geen idee van hoe juist die ballingschap vruchtbaar geweest is als een tijd van geboorte. Juist in die ballingschap, net als in de woestijn, want dan kom je tot bezinning en denk je: wat is nu ons eigenlijke fundament. Dan ga je terug naar de basis, terug naar de bronnen. En dan kom je tot de ontdekking: ”Al mijn bronnen zijn in U!” En dan begint dat te murmelen, net als een beekje dat komt vanonder de rotsen, en dat beekje dat begint te murmelen, en je hart begint te murmelen; en dan begint daar zo’n leerkring te ontstaan en ben je met elkaar bezig met die Psalmen en met die Thora en alles murmelt mee! Dan ga je heel wat ontdekken vanuit het hart van God!

Dat murmelen is ook typisch een ballingschapswoord. Je zou daar heel wat teksten over kunnen lezen, maar het wonderlijke is dat als je kijkt naar het begin van het boek Jozua, dan staat het er ook weer. Jozua krijgt de opdracht dat land binnen te gaan dat beloofd is, en wat moet Jozua meenemen het land in? Het Boek van de Thora. Er staat dan in Jozua 1: 7,8: Overpeins het bij dag en bij nacht, opdat u op uw wegen uw doel bereikt. Dan zul je kunnen doorstoten, dan gaat dat land voor je open. Dat is zo’n prachtig beeld! Hoe gaat Jozua het land binnen? Niet met wapengekletter en geweld! Waar kon je Jozua aan herkennen? Hij was de man met het Boek! Hij had een boekrol, en daar leefde hij uit, dat boek van de Thora. En die Thora is de Weg, om zo te zeggen de Routebeschrijving, het Handboek voor de weg; dat is de Waarheid, het Leven, het goddelijk Model. En met die Thora kom je het land binnen. Zonder Thora vaart niemand wel! Dus die mens die dat Psalmboek binnengaat, die gaat ook met de Thora in de mond en in het hart bij dag en bij nacht. De dag is als het licht is, maar de nacht is een donkere tijd. Let er op, dat woord nacht heeft ook een meerwaarde, want heel vaak is het nacht in het leven van die rechtvaardige, die tsadik. De nacht is niet alleen maar die 12 uren dat het geen dag is, maar ook de tijd van je leven en ook van de wereldgeschiedenis als het donker is. En er zijn heel wat nachten! En juist in dat eerste Psalmboek, Psalm 1 t/m 41 wordt heel veel verteld over dat donker. Je zou haast boven dat eerste Psalmboek kunnen zetten: De Nacht van de Rechtvaardige! En juist dan in die donkere tijden, dan zijn daar die Psalmen en dan is daar die Thora als een Woord en een Lied voor onderweg! En dan krijg je in dat derde vers dat prachtige beeld: Want hij is , of zal zijn, zal worden, als een boom, geplant (letterlijk betekent het in wezen: overgeplant) aan waterstromen. Hieronymus, de oude kerkvader heeft in zijn gewone vertaling : Hij is als een boom ‘geplant’. Maar hij heeft ook nog een vertaling gemaakt van de Psalmen “volgens de Hebreeën”. Hieronymus was een hele aparte kerkvader, die is in het land geweest en in de leer bij de rabbijnen en wilde weten hoe het er werkelijk stond. Hij ging naar de bron. In die Hebreeuwse vertaling schreef hij: Hij is als een boom ‘overgeplant’! Hier zie je het gevoel voor taal! Overgeplant aan waterstromen. Een andere vertaling zegt: ‘gestekt aan watergleuven’. Dus het is eigenlijk eerst een klein stekje, en dat stekje wordt gepoot bij vertakkingen van water. En wat zie je dan? Dat hij zijn vrucht geeft op zijn tijd! Dat is zo mooi, want  ook in een mensenleven hoef je niet altijd vrucht te dragen, daarin zijn ook seizoenen, dat is heel ontspannen. Aan een boom groeien ’s winters ook geen vruchten! Misschien gaat een mens in zijn leven ook wel eens door een winter heen. Laat dan niemand beschuldigen; je mag door die winter heenkomen, God beoordeelt heel anders dan er zo vaak gedacht wordt. God heeft zelf de seizoenen ingesteld, en daar houdt Hij zich ook aan. Dat is heerlijk ontspannen.

En dan staat er verder dat ‘zijn loof niet verwelkt’. Voor verwelken staat nabal (de b wordt uitgesproken als een v)en dat betekent ook dwaas worden, denk aan Nabal! Van hem werd gezegd, ‘Nabal heet hij, en een dwaas is hij’. Daar zit dus die dubbele betekenis in van dat loof dat verwelkt en van een mens die verdwaast. Dwaas worden. En nu zie je het geheim, als je leeft vanuit die Thora van de Eeuwige, dan gaat je loof niet verwelken en wordt je hart niet verdwaasd. Dan wordt je bewaard voor allerlei dwaze dingen. En in dwaas zit ook dat je niet meer weet wat je moet denken, dat je geen houvast meer hebt voor je gedachten. En dan zie je hoe prachtig dat beeld is van die boom. Als laatste regel in vers 3 staat dan: Al wat hij onderneemt, letterlijk “maakt”, gelukt. Daar staat hetzelfde als in Jozua 1. Beter zou het vertaald kunnen worden met : al wat hij maakt, dat werkt door! “ Gelukken” is een beetje riskante vertaling, want dan krijg je zo gauw een succesevangelie, en dat is het niet altijd. Het leven van christenen en mensen in de Bijbel is vaak helemaal geen succesverhaal. Als een gelovige iets doet, werkt het iets uit, ook al zou je het in je eigen leven niet meemaken. Net als mensen die in de Middeleeuwen hebben gebouwd aan kathedralen en zelf de voltooiing niet hebben meegemaakt. Dat is wat van dat oergeheim, al wat hij maakt dat stoot door! Dat is de oerbetekenis van dat woord, het haalt wat uit! Misschien op den lange duur, want dat is juist het beeld van die boom. Bomen zijn schepselen van de lange adem! Want bomen trotseren vaak de tijden. Dat gaan we zo meteen bekijken, want dan krijg je het contrastbeeld. Dan kijken we naar vers 4. Wat kunnen we dan over de goddelozen zeggen, over die afbrekers. Eigenlijk maar twee woorden in het Hebreeuws: niet alzo! Dat is niet veel! Over die afbrekers kun je eigenlijk geen verhaal vertellen. Een mens met God wordt altijd een verhaal! Maar over een mens zonder God ben je gauw uitverteld. Misschien kun je er een krant mee vullen of wat nieuwsberichten, maar de psalmdichter zegt: Ik heb er maar twee woorden voor: niet alzo! Dan ben je uitgepraat! Want – en dan komt er nog een beeld bij – die afbrekers, die toch zijn als kaf, dat de wind verstrooit!

De ruach, de wind, de adem die komt en dat kaf wordt verstrooid. Nu moet je dat eens tegenover elkaar zien, de tsadiq is als een boom en de afbreker is als kaf. Nu zie je het verschil, een boom, geplant aan water – dat water, beeld van de Thora,dat levende woord, stroom van levend water. En dan dat kaf,op een ademtocht verwaaid. Bij die boom zie je het duurzame en bij dat kaf zie je dat het zo weg is. Dat kaf heeft ook geen doel, geen richting, geen bestemming, dat waait zomaar weg en dan is het kwijt. Die boom heeft een doel, vruchtdragen. Duidelijk staan ze daar tegenover elkaar. En daarom, zegt vers 5, daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht – die kunnen niet opstaan in het gericht – en de zondaars niet in de vergadering der rechtvaardigen. En dan eindigt die psalm door te spreken over de weg. Daarbij is het goed om er even op te letten dat onze vertalers boven deze psalm hebben gezet: De twee wegen. In feite zou je er ook een ander opschrift boven kunnen zetten: Er is maar een weg! In dat zesde vers wordt de tegenstelling helemaal helder gemaakt, daar staat: Want Adonai – de Here- Hij kent de weg van de rechtvaardigen! Het frappante van die weg van de rechtvaardigen is: die wordt gekend! En dat kennen betekent eigenlijk één-zijn-met. God is één met die weg van de rechtvaardigen. Heel opvallend is dat God alleen in dit laatste vers onderwerp is van de zin! God ként! Dat duidt op intimiteit, innige verbondenheid. Rabbijn Soetendorp vertaalde dat woord bij voorkeur met één-zijn-met. De Here is één met de weg der rechtvaardigen. En wat wordt er aan de andere kant gezegd van de weg van de afbrekers. Die vergaat! Let erop, er staat niet: de Here vernietigt hun weg of zo! In die laatste regel van die psalm is de Naam van God verdwenen! Er staat helemaal niets over God. Maar bij die weg is God ook niet!

Er is een Joodse schrijver geweest, A.L.Strauss, de schoonzoon van Martin Buber, die zei dat je er eens op moest letten of de naam van God in de psalmen voorkomt, of niet! Daar kun je soms heel wat uit leren! Want soms kom je die naam van God in een bepaald gedeelte tegen, en dat duidt er dan op dat Hij daar aanwezig is, en soms krijg je een regel of een aantal verzen waar de naam van God ontbreekt, en dat duidt erop dat Hij afwezig is. Dat kan heel veel vertellen over hoe de zaak gesteld is. Hier in vers 6a is de naam van God, Hij kent de weg van de rechtvaardigen; in vers 6b is de naam van God opeens verdwenen. Het betekent eigenlijk ‘die weg van de afbrekers gaat teloor’. Er staat gewoon ‘die verdwijnt’, ‘houdt op’ , dus dat is een omweg, die loopt dood. Net als je  wel eens kan hebben dat je op een weg komt en die houdt opeens op. Misschien gaat hij nog even over in een zandpaadje, maar dan is het gebeurd. En dan kun je denken: Hoe nu verder? Maar er is niets meer. En zo is het hier met die weg van de afbrekers. Ze worden weggeblazen als kaf, ze houden geen stand in de rechtspraak, hun weg verliest zich, leidt nergens heen. Psalm 1 heeft vanouds gefunctioneerd in de Paasnacht. In de vroege kerk had je de metten, het morgengebed. De eerste antifoon in de metten van Pasen luidt als volgt: ‘Ik ben die Ik ben, en  mijn raad is niet met de goddelozen, maar in de Torah des Heren is mijn wil, Halleluja!’ In de ik-vorm. ‘ Ik ben die Ik ben’. De opgestane Heer zingt daar het Paaslied met de woorden van Psalm 1. Zo heeft men vanouds Psalm 1 als een Paaslied verstaan. Een lied als een overgang van de nacht naar de Paasmorgen. Want zo is Psalm 1 het begin, de deur. En via die Psalm 1 kom je binnen en ga je iets verstaan van waar het in dat hele Psalmboek om gaat.

In de eerste 41 Psalmen zie je die strijd waar de Rechtvaardige vaak doorheen gaat, vaak door diepten heen. Andre Jouracqui, een Algerijnse Jood, vertelt dat hij in zijn kinderjaren helemaal opgevoed is met de Psalmen. Hij vertelt dat zijn vader regelmatig zijn werk onderbrak en dan ging hij Psalmen zingen. Zijn vader kende het hele Hebreeuwse Psalmboek uit zijn hoofd. Deze Andre is om zo te zeggen met dat Psalmboek opgegroeid vanaf de moederschoot. Als zijn vader dan zijn werk onderbrak reciteerde hij zo ongeveer 20 Psalmen en dan had hij in een week het hele Psalmboek doorgenomen. Bovendien kwam er een paar keer per jaar een club van Psalmenlezers bij elkaar in dat kleine dorpje, net als in al die Joodse gemeenschappen in Noord Afrika, en dan gingen ze zingen, de hele nacht door. Alle 150 Psalmen. “Onvergetelijke nachten!” Met het ritme van oude melodieën, geërfd uit de oudste tijd van Israel. “Nachten van mijn kinderjaren. Nu ben ik al een man geworden , met grijze haren, maar dat ritme dat trilt nog in het diepst van mijn hart en dat klopt nog in mijzelf.” Hij is het nooit meer kwijt geraakt en heeft toen de Psalmen in het Frans vertaald en ook de hele Bijbel.

Over dat eerste Psalmboek, Psalm 1 – 41, zegt hij dat de Rechtvaardige vaak heel kwetsbaar is, die gaat vaak door de nacht heen, maar hij heeft één wapen, niet meer, maar dat betekent zoveel, dat ene wapen is zijn stem! Hij kan nog zingen! In een lied van Tom Naastepad staat: “God, als dan de benauwenissen komen, en als de aanvechting komt,  geef dat uw rechtvaardigen dan tenminste de stem niet ontnomen wordt om tot u te roepen en te zingen in de diepte van deze eeuw!” ‘Geef dat hun stem hun niet ontnomen wordt!’ Ze hebben nog een stem en ze kunnen nog roepen. En misschien kunnen ze nog zuchten. Voor God maakt dat ook niet zoveel uit of je het één of het ander kunt. Maar het is genoeg, want God hoort het. In een ander gebed zegt Naastepad zo indrukwekkend: “God hoort zelfs het zwijgen van hen die moegestreden zijn.”

In dat Psalmboek komen allerlei soorten liederen voor. Er staan er ook in waarvan ik wel eens zeg: die komen in geen enkel korenboekje: Psalm 44, dat is een van de donkerste Psalmen van het hele boek. Dat is echt een lied vanuit het concentratiekamp waarin mensen zeggen: ‘God , wat hebt U nou gedaan, U hebt ons voor een spotprijs verkocht! God , U hebt ons in de uitverkoop gedaan!’ Er worden soms dingen in die Psalmen gezegd, daar wordt je koud van, en dan denk je: Maar dat kun je toch niet zeggen? Maar ze doen dat! Dat oude volk van God kan soms dingen zeggen waarvan je denkt: dat past in geen enkele bidstond. Maar God zegt: Zeg het maar! Toe maar, van mij mag je het zeggen! En dan Psalm 88, dat is de donkerste van het hele Psalmboek! En toch is het  zo waardevol dat die er ook instaat. Ik heb altijd de neiging om het voor die Psalm 88 op te nemen. Soms zeggen mensen wel eens: Wat moet je daar nou mee? Moet die er wel in?

Hoe heten de Psalmen eigenlijk, want door het vertalen is er een heleboel verloren gegaan. Toen de Hebreeuwse Bijbel indertijd in het Grieks vertaald was door die 70 Alexandrijnse Joden, was dat de eerste Bijbelvertaling ooit. Toen ze er mee klaar waren hebben ze een dag van rouw afgekondigd! Daar zit wat in, want als je gaat vertalen, raak je wat kwijt! Dan ga je niet staan juichen: Hoi, we hebben de Bijbel vertaald! Nee, dan ga je even stil worden en een traantje wegpinken. Al vertalend valt er wat onder de tafel. Maar toch moet het gebeuren, dat vertalen, dat kan niet anders, want het Woord moet door de talen heengaan, het moet al die talen doortrekken tot de uitersten der aarde. Dus het kan niet anders. En de geschiedenis kan ook niet zonder pijn, net zo min als je een bevalling hebt zonder pijn. De Joodse denker Levinas heeft gezegd: ‘Er zijn principes, die hebben de Grieken nooit gekend en die moeten wij ze brengen.’ Hoe zullen de Grieken anders horen? Ze moeten toch die geheimenissen horen die vanuit het Hebreeuws komen; die moeten toch de wereld door, in al die talen. En het Woord komt er dan toch door heen, ook door die Ballingschap.

Oorspronkelijke heten de Psalmen: Tehelim.

150 Tehelim. Dat woord betekent Lofzangen. Dat is bij mij blijven haken. In gedachten haal ik ze dan op het podium en dan zeg ik: Kom nu eens allemaal hier staan! Al die Psalmen, 1, 2, 3, tot en met 150. Dan zie je ze daar zo staan en je kijkt ze eens aan! Ja, er zijn echte lofzangen bij, neem 150, Looft Hem!…. Ja , dat is een echte lofzang! Met de harp en de citer en de tamboerijn, in de oude vertaling deed het orgel ook nog mee! Ja, een lofzang! Maar dan die 44, dat is toch geen lofzang? En 88, dat eindigt met “duisternis”! Dat kan geen lofzang zijn! “Mijn vrienden zijn één en al duisternis” en daar stopt hij mee. En dan zie ik ze daar allemaal staan op dat podium, en dan stel ik me zo in gedachten voor dat wij ze allemaal allang geselecteerd zouden hebben. 44, ga jij er maar uit! 88, jij mag niet meedoen met je zwarte pak! Dat is niks, dat kun je niet zingen, dat past in geen enkel korenboekje. Nee bedankt, 88, gaat u maar naar huis! En dan komt God binnen en die ziet ze daar staan, al die 150 op het podium, en Hij zegt: Ja, ze mogen allemaal blijven staan. 44? die mag ook meedoen! Ja, en 88 ook! En dan staan ze daar alle 150, en dan zegt God: Weet je hoe ik jullie nu allemaal met elkaar noem? Tehelim! Allemaal lofzangen! God beoordeelt dat altijd heel anders dan wij meestal, voor Hem geldt: als het uit het hart komt, is het een lofzang! Al is het een kreet vanuit de diepte. Al is het een jubellied of een angstkreet, ze horen er allemaal bij. God zegt, Psalm 88, laat staan, die hoort erbij! Misschien zit er vandaag of morgen iemand in je samenkomst die zich helemaal herkent in Psalm 88. En misschien dat volk daar in die 22 concentratiekampen, die mensen in Auschwitz! Ze hebben zich herkent in Psalm 88. Dan zie je dat die Psalm 88 er niet voor niets instaat. Opdat niemand ooit het gevoel zal hebben ‘Oh, ik val erbuiten, voor mij is er geen Psalm, ik zit verder in het donker dan dat Psalmboek ooit geweest is!’ Nee, zegt God, kijk eens, er is er een speciaal voor jou! Speciaal voor jou zing ik nu dit lied, en jij weet wel wat ik bedoel! Zo spreekt God tot het hart van Jeruzalem. En zo zijn die Psalmen een antwoord van de mens, maar ze zijn tegelijk ook de stem van God voor de stemmelozen. God zegt: Als jij niet meer kunt zingen, dan zing ik voor je. Ik heb nog wel een lied voor je! Ik zal wel voor je zingen. Kijk, zo komen die Psalmen naar je toe.

Er staat heel vaak ‘ik’ in de Psalmen. Wie is dat? In de Psalmen is dat tegelijk één mens, maar het is ook heel Israel, het hele volk. Die ene mens spreekt namens dat geheel. In de Talmoet staat: Elke zoon van Israel is Israel. Je bent niet zo maar een los individu maar tegelijk stem van dat hele volk. En die  ene mens spreekt voor het geheel. Zo was het met Jezus ook, Hij werd gans Israel, één met Zijn volk, Hij heeft gebeden namens hen allen. Zo is het met die Psalmen ook, als die ene mens roept vanuit de diepte, dan is dat tegelijk dat hele volk Israel dat roept vanuit de diepte en dat van daaruit gehoord wordt. De Tsadiq heeft één wapen, dat is zijn stem, en dat is genoeg! Want die stem komt aan. Die komt aan bij Hem!

Psalm 65 zegt: Tot u komt alle vlees! De NBG vertaalt: Tot u komt al wat leeft. Maar er staat ‘vlees’. Waarom staat er dan vlees? De rabbijnen leggen uit: ‘De zwakheid van het vlees is voor God geen belemmering om te horen.’ Daarom staat er ‘vlees’, want vlees is zwak, dat kan niet zoveel.

Hoe zwak het gebed ook is, God hoort het!

 

 

 

 

 

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384683 bezoekers sinds 07-06-2010