Omgaan met lijden

25-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Het beloofde niet verkregen         

«Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gege­ven is, heb­ben het beloofde niet verkregen» Hebr.11:39. Er zijn van die teksten, waar je overheen leest, of waarvan je zegt: wat moet ik daar nu mee. In de voorgaande verzen wordt verteld over al die mensen die geloof gehad hebben. Al die allen; daar worden ze sa­mengevat: Mozes, Abraham, Jakob en al die anderen, al die men-sen die geloof gehad hebben. Ze hebben geloof gehad, maar ze heb-ben het beloofde niet verkregen. In de Bijbel kom je die mensen te­gen en vandaag kom je ze ook te­gen. Hier worden heel wat mensen ge­noemd uit de Bijbel en zo zou­den we ook heel veel mensen kunnen noemen, die vandààg leven. Ze hebben gebeden, geworsteld, gewacht en toch het beloofde niet verkregen.  Dan ga je ontdekken, dat God met andere ogen kijkt. God geeft die mensen toch een plaats in Hebreeën 11. Een galerij van ge­loofsge­tui­gen door de eeuwen heen. Bij God worden ze niet afge­schreven, maar bij Hem tellen ze mee, helemaal. Ook vandaag, zijn er mensen die een plaats krijgen in Hebreeën 11. Ik denk aan die veertigjarige zus­ter, die aan kanker is over­leden. Er was veel voor haar gebeden en zelfs gevast. Ze heeft het beloofde niet verkregen, maar ze is wel meegeteld bij God, een kost­baar mens. Wat me de laatste tijd steeds meer gaat treffen is niet: wat was nou het resultaat op hun gebed, in de zin van: wat hebben ze nu verkregen op hun bidden, maar kijk eens naar die mensen, het zijn pracht mensen, kostbare mensen. Kijk bijvoorbeeld eens naar Mozes. Deze man heeft heel wat mee­ge-maakt in zijn leven en dan moet je eens kijken, hoe zijn leven ein­digt. In dat verband is het laatste hoofdstuk van Deuteronomium, hoofdstuk 34, voor mij een heel kostbaar gedeelte geworden. Dat vind ik een van de mooiste hoofdstukken van de Bijbel. In dit laatste hoofdstuk zie je Mozes daar staan op de berg, op de berg Nebo. Dan laat God hem zien, naar het Land van de Belofte. Mozes mag dat land van alle kanten in ogen­schouw nemen, maar hij komt er niet in. Met zijn ogen mag hij erin, maar met zijn voeten niet. Hij eindigt als een buitenstaan­der. Mozes, toch één van de grootste gods­man­nen die er waren, hij eindigt buiten het Land der Belofte. Als Mozes zijn getuigenis zou moeten geven, kan hij heel wat ver­tellen. Maar hij zou zijn getuigenis moeten eindigen met de woorden: ik heb het beloofde niet verkregen. En toch, als we naar Mozes kijken, kun­nen we zeggen: een mens van goud. Een mens van God, om jaloers op te worden. Dan zegt die oude En­gel­se zanger Isaak Watts:

O, laat ons staan als Mozes hier,

hoog in uw zonneschijn,

en geen Jordaan, geen doodsrivier,

zal scheiding voor ons zijn.

Mozes staat buiten het land, maar met zijn hart staat hij er binnen. Voor hem zijn er in wezen al geen grenzen meer. Het zal niet toeval­lig zijn, dat God die vijf boeken van Mozes, de Torah, de vijf boeken van de barmhartigheid laat afsluiten met het beeld van die eenzame gestalte daar op de berg. Mozes, die daar zijn leven eindigt als ont­erf­de. Een voorbeeld, een vertroos­ting voor al die mensen, die ook ge­­leefd hebben als buitenstaan­ders. Zij, die ook al die jaren hebben gezocht, maar toch moeten zeggen: ik heb het beloofde niet verkre­gen.

Ik heb een klaaglied in mijn hart

De laatste tijd ben ik steeds meer tot de overtuiging gekomen, dat er in de gemeente plaats zal moeten zijn voor de lijdende mens. Ik merk wel eens, dat dat vaak nog wat moeilijk ligt. Ik kom wel mensen te-gen, die het gevoel hebben: er is eigenlijk geen plaats voor me. Er kwam laatst in een gemeente een vrouw naar me toe, die zei: je zou eigenlijk in de gemeente een klaagmuur moeten hebben. Dat klinkt op het eerste gehoor wat vreemd, maar het is enorm funda­menteel, dat we gevoelig worden voor het verhaal van de ander. Elk mens heeft zijn verhaal en elk van die verhalen is interessant, al is het ogen­schijnlijk soms saai. Het is zo belangrijk, dat de mens zijn ver­haal kwijt kan. Als iemand blij is, kan hij in de gemeente wel terecht. Als iemand zegt: ik heb een loflied in mijn hart, dan is er keus genoeg. Als je een lie­derenbundel pakt, dan is er voor degenen die blij zijn keus ge­noeg. Maar als er nu iemand in de gemeente komt, die zegt: ik heb een klaag­lied in mijn hart, mag dat dan ook? Staat daar dan ook het een en ander van in de liederenbundel? Vaak zie je, dat in een zang­dienst van een half uur à drie kwartier je niets anders hoort dan al­le­maal heel enthousiaste, juichende liederen. Juichende liederen m­et dienover­eenkom­stig handgeklap. Dan krijg je toch de gedachte: stel dat daar nou ie­mand zit met een verdriet, is er dan voor zo iemand ook iets bij? Een lied, waarin zo iemand zich kan herkennen? Het is heel belangrijk, dat we leren eerlijk te zijn. Wat dat betreft, is het be­langrijk, je te re­aliseren, wàt je nu eigenlijk aan het zingen bent. Zo was daar het lied, dat altijd heel enthousiast werd meege­zongen: “altijd vrolijk, al­tijd vrolijk, alle dagen zonne­schijn”. De vraag is: zouden we dat nu nog steeds zingen? En hoe zit dat dan? Als iemand dan binnen zou wandelen, kan hij zich afvragen: die mensen maken zeker nooit iets mee. Als iedereen zo zijn hart op slot doet en altijd vrolijk is, zou die ene het gevoel kun­­nen krijgen: kennelijk ben ik de enige, die wel eens wat door-maak. Daarom is het zo goed eerlijk te zijn en te zeggen: maar de zon schijnt niet altijd. Als je zo door de Bijbel en zeker de Psalmen bla­­dert en leest, zie je, dat het volk van God vaak genoeg door de diepten gaat. Door de nacht van strijd en zorgen schrijdt de stoet van pel­grims voort. Dan zingen ze misschien wel liederen van de mor­­­­­­­­­gen, maar ‘t is nog nacht. De pelgrims gaan toch ook door nacht, door diepten, door leed, door onbeantwoorde vragen.

Een God die tranen heeft

Een basispunt is: de God van Israël gaat met zijn mensen mee. Hij gaat door de diepten heen, Hij gaat ook in de ballingschap met zijn mensen mee; Hij is de God, die met zijn mensen meevoelt, die zelfs met hen meehuilt. Dat is één van de unieke punten van God: Hij heeft gevoel! Dat vind je in geen enkele godsdienst: een God, die tra-nen heeft, een God die kan huilen met of over zijn mensen! Dat is het verschil tussen deze God en alle goden, alles wat zich als god aan­­­dient en presenteert. Hij is niet de God, die hoog en droog zit en van een afstand zit toe te kijken. Hij staat niet ergens als toe­schou­wer te kijken, hoe wij het eraf brengen. Hij is de God die af­daalt, die verdriet heeft als jij verdriet hebt. «Berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smart­te Hem in zijn hart»  Gen.6:6. God kent tranen over de mensen. God had verdriet, toen Hij zag, hoe de mens, die Hij gemaakt had zich misging. Deze tekst moet je niet opvatten in de zin van dat God dacht: Ik wou, dat Ik die mens nooit gemaakt had. Dat is een verkeerde uitleg. Je ziet dat er soms heel sterke afweermechanismen zijn, als het gaat om het lijden. Het is een onderwerp ook, waar men toch niet zo vaak over spreekt. Er zijn ook vaak heel wat pogingen om dat lijden dan maar een beetje te camoufleren, of bij voorkeur, om het te ver­klaren. Dat zie je ook bij die vrienden van Job. Job, je zult wel iets uitge­haald hebben, er zal wel ergens een oorzaak zijn. Je hoeft je alleen maar even te verootmoedigen en je schuld te belij­den en dan is het al­lemaal weer voor elkaar. Maar, met al hun rede­ne­ringen hebben ze het probleem voor Job al­leen maar zwaarder gemaakt. «0, dat mijn verdriet toch goed gewogen werd, en men mijn leed in een weeg­schaal daarnaast legde» Job 6:2. Het verdriet van de ander moet je in een weegschaal leggen, je moet doorschouwen, zover dat mogelijk is, hoe zwaar dat verdriet is. Ie­mand zei: als je een ernstig zieke bezoekt, moet je eerst een weeg­schaal nemen voordat je een fruitschaal geeft. Over dat verdriet moet je niet te licht denken of het van je af­schuiven, er zomaar even over­heen huppelen.

God stapt ín het lijden

“De God van Israël verklaart het lijden niet, Hij stapt erin”. Hij maakt Zich er één mee. Hij gaat met die mens op weg, om er sa­men doorheen te komen. Hij is je Bondgenoot, ook en juist in het lij­den. Hij is je Bondgenoot tegen het kwaad, Hij is je Bondgenoot te­gen de wanhoop, tegen de ontmoediging, tegen de frustraties, te­gen het onheil. We gaan samen, zegt God, en samen komen we erdoor! Je kunt het lijden niet verklaren, je kunt het niet ergens in een sys­teem inpassen. Soms zeggen mensen: waarom moest mij dit juist over­­­komen. Of: ik zit altijd in de hoek waar de slagen vallen. Als er in bepaalde kringen een groot onheil is geschied, wordt zelfs gezegd: gelukkig weten we, dat het geen mènsen zijn, die het je aandoen. En wie dan wel? Eerder wordt dan in die kringen bij zo’n onheil aan God gedacht in plaats van aan de duivel. Waarom? is de grote vraag dan. Weet dan één ding: het komt niet van God. Je moet er maar in berusten, wordt soms nog gezegd. Het wordt je niet door een mens aangedaan, God beschikt het, Hij deelt het je toe, Hij weet wat goed voor je is. Zijn wil geschiede. Maar dan kom je bij de God van de Mohammedanen terecht. In advertenties kom je nog wel eens tegen: het heeft de Here be­haagd uit dit leven weg te nemen. Maar dat heeft God helemaal niet be­haagd. Hij is niet de God, die het lijden aan mensen toedeelt. Daar­om moet je altijd vasthouden: als je door het lijden heengaat: God staat aan jouw kant. Hij is Degene die met je meestrijdt tegen de af­braak, tegen het kwaad, tegen het verderf, tegen alles wat in de­ze we­­­reld het leven wil verwoesten. Hij is de God van het leven, Hij is de God die het herstel wil. Hij is de God, die mensen weer wil op­rich­ten; de wederoprichting van al­le dingen is wat Hem voor ogen staat. «Toen gedacht God Rachel, en God verhoorde haar; Hij opende haar schoot en zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zeide zij: God heeft mijn smaad weg­genomen» Gen.30:22. Het leven van Rachel was niet altijd zo gemakkelijk. Als ze een zoon krijgt, zegt ze dat beroemde zinnetje: God heeft mijn smaad wegge­no­­men. Smaad kan van alles zijn; dat kan datgene zijn waardoor je vertrapt wordt, waardoor je vanbinnen verwond bent, datgene wat je bestaan heeft gekraakt en gebroken, waardoor je geworden bent tot een ge­knakt riet. In deze tekst staat dan voor weggenomen: ‘asaph. Dat woord kan twee betekenissen hebben. Dat woord ‘asaph is voor mij ook een sleutel geworden in verband met dit hele onderwerp. Want het woord ‘asaph kan inderdaad betekenen wegnemen, dat is een kant van de zaak, maar het gaat nog veel dieper. Dat woord kan ook bete­kenen: in­zamelen. Dat woord wordt ook ge­bruikt voor de oogst. Weet je wat God gaat doen met al datgene wat een mens door­maakt? Hij gaat het niet alleen wegnemen, Hij gaat het inzamelen. Als het inge­zameld wordt, betekent het dat het niet kwijt is, het komt bij God te­recht. Bij God worden al die verhalen van mensen in­ge­zameld. «Mijn omzwervingen hebt Gij te boek gesteld, doe mijn tranen in uw kruik; zijn zij niet in uw boek?» Ps.56:9. Wanneer bij een oosterse begrafenis de klaagvrouwen goed op dreef waren en overvloedig tranen plengden, werden die tranen daadwer­kelijk ingezameld. Dat gebeurde in een klein flesje, (kruikje) met een tuitje (tranen met tuiten). Na de begrafenis kreeg het ver­zegelde kruik­je een ereplaats in het huis.

God verzamelt verhalen

God verzamelt verhalen van mensen. Dat is een gedachte om eens goed over door te denken. Elie Wiesel, een Jood, die als jongen van vijftien jaar Auschwitz heeft overleefd, heeft hierover een boek geschreven: “De Nacht”. In dit boek stelt hij de vraag: waarom heeft God nou de mens ge­maakt? Hij  geeft geen lange beschouwing, hij zegt het in één zinne­tje: omdat God van verhalen houdt. God gaat al die verhalen van men­sen inza­me­len, in zijn boek schrijven. Al die ver­halen, al die mensen mogen bij God thuiskomen. Daarom is het ook zo belangrijk, dat de mens zijn ver­haal kwijt kan. Zoals ook dat kind dat na schooltijd naar huis rent en daar zijn verhaal kwijt kan. Soms hoort een kind: de sleu­tel ligt bij de buren; dan slen­tert hij meestal naar huis. De sleu­­tel kan hij nog wel vinden, het slot ook en de goed gevulde koel­­kast ook, maar eigenlijk komt hij niet echt thuis. Maar bij God mag je echt thuiskomen, daar mag je je verhaal vertel­len en God luistert aandachtig en schrijft het in zijn boek. Waarom heeft God een huis? De Bijbel spreekt zo veel over het huis van God. Dat is niet de tempel, want het Hebreeuws heeft in feite niet eens een woord voor tempel, God is niet zo tempel­achtig. Al die goden hebben een tempel, maar God heeft een huis. God heeft een huis om al die verhalen van mensen in te zamelen. Bij Hem mogen die verhalen terecht komen, dan komt een mens ten­minste eindelijk op verhaal. We moeten het lijden niet trachten te verklaren. We moeten het ook niet verkleinen. We mogen niet spreken in de trant van: er zijn er die het veel erger hebben dan jij, daar help je iemand niet mee. Of nog erger: je moet maar zo denken, na het zure komt het zoet. Maar na het zure komt lang niet altijd het zoete, het blijft zuur, het is bitter! Over een poosje zie je de dingen best wel heel anders. Een pastor, die jarenlang gewerkt had in een psychiatri­sche inrichting, zei: één woordje moet je in je pastorale gesprek­ken nooit gebruiken en dat is het woordje: toch. Hoe gemakkelijk gebruik je dat woordje niet: je kunt toch nog … je hebt toch nog… En soms wordt dan gezegd: je hebt de Heer toch..? Als je steeds dat woordje toch gebruikt, ga je in we­zen de vraag van die ander wegstoppen. Je legt hem in feite het zwij­­gen op.

Troost niet altijd welkom

Een oude Joodse spreuk zegt: “Troost uw vriend niet, zolang zijn dode nog voor hem is…..Tuchtig hem niet, als hij woedend is”. Op het eerste gehoor is dat heel vreemd: verboden te troosten! Dat is nou juist wat je wilt: troosten. Als iemand woedend is, dan heb je toch al gauw de neiging om dat te sussen. Trou­wens, een Christen mag toch niet woedend zijn? Het is zeer de vraag, of een Christen nooit boos mag worden. Troost hem niet, zolang die dode nog voor zijn aange­zicht is. Uit res­pect voor die ander, uit eerbied voor die mens. Als je in aanraking komt met het verdriet van de ander, begin je die ander te res­pec­teren. Het verdriet van die ander, moet je ook met respect behan­de­len. S­oms hebben mensen de neiging om overal zogenaamde troost te brengen en dat ook liefst nog zo snel mogelijk, zodat als je de deur dan weer uitgaat, het allemaal weer koek en ei is. Stel je voor je komt bij iemand om hem te troosten en als je dan de deur uit­gaat is hij nog net zo bedroefd als toen je kwam. Dan hebben sommigen het gevoel als trooster mislukt te zijn. Ik heb het ze­ker niet goed gedaan, of hij pakt het niet, of hier klopt iets niet. Dan kan dat woord je mis­schien op weg helpen: troost hem niet, zolang dat verdriet nog fel is. Dat is een heel wezenlijk punt: geef die ander, geef ook jezelf de tijd om iets te verwerken. Bij God krijg je de tijd om het te ver­wer­ken; anders zou je ophou­den mèns te zijn. Het zou in strijd met je menszijn wezen, als je van het ene moment op het andere je gevoelens zou kunnen omturnen. Het hoort bij het menszijn, dat je tijd nodig hebt om iets te ver­wer­ken. Als je die verwerkingsperiode geforceerd in gaat kor­ten, pluk je daar vroeg of laat de wrange vruchten van. Soms heb je van die moei­­lijke troosters. Ie­mand vertelde mij, dat hij als vijftienjarige jon­gen met suikerziekte in het ziekenhuis terecht kwam. Toen kwamen er lieve, goedbedoelende gemeenteleden en die zeiden: jongen, als je nu alles opruimt tussen God en jou, dan zal God je ge­nezen. Dat klinkt heel aardig, maar toch kan dat heel gevaarlijk zijn. Als ie­mand dan niet genezen wordt, heeft hij dan niet alles op­ge­ruimd? Zo gauw wordt de zaak dan omgedraaid. Iemand kwam laatst naar me toe en zei: God heeft me nu al van ver­schillende ziek­ten genezen, maar één kwaal heb ik nog, zou er soms een scheurtje in mijn wa­pen­rusting zitten? Blijkbaar is die gedach­te hier en daar nog aan­we­zig. Ik heb zeker iets verkeerds gedaan, er staat zeker nog een deur open in mijn leven. Dan ben je toch weer bezig om het trach­ten te ver­­klaren. Daarom is het zo mooi, dat God zegt: Ik ga niet verklaren, maar Ik ga inzamelen. God verzamelt die tranen in zijn kruik. Die tranen ra­ken niet kwijt. Dat is een fundamenteel punt. God raakt nooit iets kwijt. God pakt ook je verhaal niet af. Als de mens dan bij God komt, zegt Hij niet: nou, dat heb je dan allemaal beleefd en doorge­maakt en nu is het plotseling weg. In diepste zin zou dat onrecht­vaar­dig zijn. Onrecht boven op het onrecht.

Onvoltooide verhalen

God pakt mensen hun verhaal niet af, maar God zamelt dat verhaal in, Hij schrijft het in zijn boek. Zoals dat kleine meisje, dat dacht: al die personen, die in de Bijbel hun verhaal hebben, zoals Mozes, Abra­­ham, David, zijn gestorven. Dus als wij gestorven zijn, komen we ook in de Bijbel te staan. Dat was nog niet zo’n gekke gedachte. Jezus’ levenswerk was: verhalen van mensen te verzamelen en te dra­­gen in Gods handen. Hier vallen de onvoltooide verhalen ook on­der en die zijn er nogal wat. Mensen, die niet de kans heb­ben ge­kre­gen om hun levensverhaal af te ma­ken. Dat is tra­gisch. Er wordt wel eens gevraagd: kan een mens in de Bijbel tra­gisch zijn? Ik denk het wel; neem nou die moordenaar aan het kruis. Wat zal dat voor iemand geweest zijn? Wij spreken altijd van moorde­naar, maar eigenlijk was het een terrorist, een verzetsstrijder, die man heeft gevochten voor de bevrijding van Israël. Mis­schien heeft hij wel gedacht: “God maakt op hun gebeden gans Israël eens vrij”. Mis­schien hoopte hij dat ook nog mee te maken. Als ik dan oud ben en ik ben opa, en al die Romeinen zijn verdreven, dan komen mijn klein­kinderen en zeggen: opa, vertel nog eens, vertel nog eens van vroe­­ger. Dan zeg ik: kom maar, ik heb een heel lang verhaal. Jullie wo­­nen nu in een vrij land, he? Daar heeft opa nog voor gevochten. Opa zat in de ondergrondse. Maar, opa maakte het niet mee, opa werd geen opa. Hij dacht: ik pak die Romeinen, maar op een dag pak­­ten de Romeinen hèm. Hij werd gearresteerd en berecht: dood­von­nis. Dan hangt hij daar op de laatste dag van zijn leven. Op een moment kijkt hij opzij naar die man, die daar naast hem hangt. Dan stelt hij de laatste vraag, die hij op aarde zal stellen: Here, gedenk mij als U in uw koninkrijk komt. Het wonderlijke is, dat die man naast hem antwoord geeft en zegt: Ik neem je mee het pa­radijs in. Dat doet Je­zus. Hij zamelt het onvoltooide verhaal van die man in en Hij draagt het tot in Gods handen, Hij draagt het het paradijs binnen. Dat was nou het hele werk van Jezus ten voeten uit, daar was Hij altijd mee be­zig. Die terrorist had een onvoltooid verhaal, die man was nog in de kracht van zijn leven; hij had nog zoveel willen doen, hij had nog zo­veel willen bereiken. Jezus zal dat onvoltooide verhaal dragen tot in de handen van de Vader. Tweede Wereldoorlog. Zes miljoen onvoltooide verhalen. Zes miljoen keer één. Zo zijn er zo veel. Mensen als bloemen in de knop ge­broken. Mensen, die niet de kans hebben gehad om hun verhaal uit te schrij­­­­­­­­­­ven. Dan mogen toch al die verhalen bij God terecht ko­men. Men­sen, die geleefd hebben zonder antwoord, die geen antwoord kre­­­gen.

De nacht van de recht­vaardige.

Psalm 41

In dit verband wil ik nog eens even stilstaan bij Psalm 41. Deze psalm gaat over mensen met hun verborgen verdriet, met hun verbor­gen tranen. De laatste Psalm van het eerste psalmboek. Die honderd­vijf­tig psalmen zijn namelijk gerangschikt in vijf boeken. Dus die eerste 41 psalmen vormen één geheel ze hande­len in wezen over één the­ma, namelijk over: de nacht van de recht­vaardige. De rechtvaardige is de centrale figuur in die 41e psalm. Die rechtvaar­dige is de mens, die met God verbonden is. Die recht­vaardige gaat vaak door heel donkere dagen, nachtelijke dagen. Die rechtvaardige heeft vaak maar één wapen en dat is het vertel­len. Natuurlijk kan hij bidden, soms alleen nog maar zuch­ten, maar misschien is dat ook genoeg.  God hoort ook het zwijgen. God hoort wat niemand hoort. Soms is de mens niet meer in staat een gebed te formuleren. Soms zit de mens zo in het lijden, dat hij alleen nog een zucht op kan heffen, zuch­­ten vanuit de diepte. Dan zegt God bij wijze van spre­ken tegen de engelen: even ophouden met zingen, Ik hoor wat beneden! God is als de moeder, die dwars door alle geluiden en druk­te heen haar kind hoort huilen. God is als die moeder, die waakt in de nacht bij haar kind.

Welzalig hij, die acht slaat op de geringe

«Welzalig hij, die acht slaat op de geringe; ten dage des onheils zal de HERE hem uitkomst geven» Ps.41:2. Een andere vertaling zegt: «Welzalig hij, die bedacht is op de zwakke». Dit is een heel mooie zaligspreking. Aandacht voor het zwakke. Hier-bij moet je bedenken, dat je sterk en zwak niet keurig in kunt delen. Misschien ben je vandaag sterk en morgen zwak. Nog een andere ver­taling zegt:  «Zalig degene, die zich bezint bij een zieke». Een pas­tor van een verpleegtehuis schreef een brochure met als ti­tel: ‘Aan­dacht voor zie­ken is gezond’ en een andere brochure gaf hij als titel mee: ‘De zieke als leraar’. Het komt voor, dat je een zieke gaat be­zoe­ken met de ge­dachte: wat moet ik daar nu doen, wat moet ik daar nu zeggen. En als je er vandaan komt kun je soms zeggen: ik heb wat geleerd. Ik dacht dat ik kwam om iets te brengen, maar ik ben er geweest en ik heb iets ontvangen. Die zieke is dan degene bij wie jij in de leer gaat. Aandacht voor het verhaal van de mens. Ik kom steeds meer tot de overtuiging, dat als je het verhaal van de mens gaat beluisteren, je ook niet zo snel gaat oordelen. De vrienden van Job hebben heel wat geoordeeld en veroordeeld. Het wonderlijke is echter, dat toen ze voor het eerst bij Job kwa­men, ze zijn begonnen met zeven dagen lang geen woord te zeggen. Dat is pas­­toraat van de bovenste plank. Hadden ze het daar nu maar bij ge­laten. Zo was er een predikant, die op bezoek ging bij iemand, die een sterfgeval had in de familie. Hij zei eigenlijk een half uur niets. Toen hij opstond waren zijn woorden: morgen ben ik er weer. Men heeft dat wel genoemd: “De pantomime van het heil”. Er kunnen situaties zijn, waar je maar één ding kunt doen: alleen maar aanwezig zijn. Een hand op een schouder en zeggen: ik sta naast je, ik ga met je mee, soms kun je een klein stukje met ie­mand meegaan. In de Talmud is die prachtige uitspraak: “Daar waar geen men­sen zijn, wees jij daar een mens!” Dat heeft Jezus ook gedaan; waar geen mensen waren, daar was Hij een mens voor die ander. Een ou­de Joodse wijsheid zegt: als er iemand verbitterd bij je komt en zegt: ik heb zoveel meegemaakt, de mensen zijn slecht en God is er niet, ga dan naast hem staan en zeg: maar ìk ben er toch. Dat gaat heel diep. Dan ga je niet preken, dan ga je naast hem staan, misschien zwijgend. Soms wordt er dan gezegd: je bent ne­ga­tief, je moet positief zijn. Met het woord negatief kun je ook ie­mand dood­gooien. In zo’n situatie moet je ook niet pro­beren om God te ver­de­digen; dan ga je niet zeggen: maar God is er ècht wel hoor! Het ge­­beurt gelukkig nog af en toe, dat als een mens door de diepte gaat, er dan iemand is, die naaste wordt voor die mens. Dat is iets wat we mogen leren, al gaande. Misschien wordt er dan toch wel een lied geboren. In de Bijbel kom je ze tegen: mensen, die geen ant­woord kregen op hun vragen. Het hoort bij het bijbelse denken, om dat heel reëel onder ogen te zien. Het hoort bij het bijbelse denken om de moeilijke kanten van het leven maar niet een beetje weg te werken of om je kop in het zand te steken. Ik denk aan een man als Jeremia, die met de ballingen meegaat naar Egypte. Ik denk aan een man als Ezechiël, profeet en priester. Op een dag is ‘s morgens alles nog goed en ‘s avonds is zijn vrouw er niet meer. Later staat Ezechiël daar bij het dal met dorre doodsbeen­de­ren. En God zegt: predik maar, laat de roeach Elohim maar ko­men. Gods adem komt over die doodsbeenderen en ze komen tot le­ven. Ezechiël staat erbij en hij ziet, hoe ze tot le­ven gebracht worden. Alleen, zijn ei­gen vrouw heeft hij niet terug. Je moet die bijbelse ver­halen lezen en dan opmerken, dat er soms dwars door zo’n verhaal heen heel wat verborgen tranen zijn. We moeten de Bijbel weer leren lezen met ons gevoel. Als je bij voor­beeld de Psalmen leest, dan kom je heel wat gevoelens tegen. Daar zijn lofliederen, maar er zijn ook lie­deren vanuit de diepte, zo­als Psalm 44, een psalm waar nooit over ge­preekt wordt of ook psalm Psalm 88. Psalm 88 is wel de donkerste psalm van heel het psalmboek. Het laatste vers van deze psalm luidt:

Psalm 88

«Vriend en metgezel hebt Gij van mij verwijderd; mijn bekenden zijn een en al duisternis»  Ps.88:19. Zo zie je, dat er niet altijd een ‘happy end’ is. Ik stel me zo voor, dat al die 150 psalmen bij elkaar komen. Dan staan er juichliederen tus­sen, strijdliederen, zegepsalmen; en daar staat ook nr. 88 tussen in zijn zwarte pak. Wij hebben al gauw de neiging om te zeggen: la­ten we nr. 88 maar weg­sturen. Maar als God binnenkomt en die 150 daar ziet staan, zegt Hij: nr. 88 hoort er ook bij, die zet Ik ook in mijn boek. Als al die psalmen dan bij elkaar gebundeld zijn, krijgen ze de naam: Tehillim, lofzangen. Wij zeggen dan: maar dat kan toch niet, nr. 88 is toch geen lofzang! Maar God beoordeelt dat blijkbaar toch een beet­je anders. Als daar een mens gaat roepen vanuit de diepte, van­uit zijn hart, dan is dat voor God een lofzang. Je hebt lofzan­gen in allerlei toon­soorten, in majeur, maar je hebt ook lofzan­gen in mi­neur. Bij God tellen ze mee. Bij Hem zijn ze allebei even kostbaar. En Ps.88 is voor mij ook heel kostbaar geworden, omdat ik mensen ken die zeg­gen: dat is mijn psalm. Daarom mogen we dankbaar zijn, dat ook zo’n Psalm 88 in de Bijbel is terecht ge­komen, dat hij voor God he­le­maal mee mag doen. Toen dacht ik aan het lied van die oude Engelse zanger William Cow­per. Daar zat ook weer een verhaal achter. Die man had een heel moei­­­lijk leven. Vaak zag hij het helemaal niet zitten en zat hij in een diepe depressie. Hij leed aan het leven en aan het onrecht en aan al­les, wat er om hem heen gebeurde. Af en toe brak het licht door en dan maakte hij een lied.

Soms groet een licht van vreugde

de christen als hij zingt:

de Heer is ‘t die met vleugels

van liefde hem omringt.

Loopt alles ons ook tegen,

Hij zal ons ‘t goede doen,

Hij geeft na donk’re regen

een mild en klaar seizoen.

Al zal geen wijnstok dragen,

geen vijgenboom zijn vrucht,

al ligt het veld te klagen

onder een lege lucht,

God doet zijn hand toch open,

zijn lof krijgt stem in mij,

Daar ik op Hem mag hopen,

ben ik alleen maar blij.           G.448.

Als je het verhaal achter dit lied kent, dan klinkt dat toch heel an­ders dan: blij, blij, mijn hart is altijd blij. Soms is daar een licht van vreugde. Hij heeft de moed om te zeggen: Soms. In de oorspronkelij­ke En­­gelse tekst staat: Toch, waar­achtig, een licht! Een onverwacht ge­schenk. Een grondthema in de Bijbel is de ballingschap. Door de Bijbel heen vind je dat thema steeds weer terug. Als je als gemeente sa­men­komt, heb je eigenlijk een reünie van ballingen. Je voelt je ver­bon­den met al die mensen. Soms in gemeenten, soms daarbuiten, men­­sen, kost­baar voor God, mensen met een verhaal. Al die mensen, al die juichers en zuchters, al die mensen die door de diepten heengaan, God zegt: het is mijn volk, Ik ben zuinig op ze, ‘t zijn mijn mensen en Ik zal ze kronen met mijn licht. Hij is de God, die de tranen telt en ze in zijn hart bewaart.

Ballingschap en lijden

We willen nu het thema van het lijden speciaal bekijken vanuit het ge­­zichtspunt van de ballingschap. Ik kom steeds meer tot de ont­dek­king, dat dit een van de belangrijkste thema’s is uit de Bijbel. De mens, en ook speciaal de mens, die met God verbonden is, verkeert in bal­lingschap. Ik wil dan eerst beginnen met een tekst uit Rom.8, een tekst die mij toch ook al weer jaren bezighoudt, als het gaat over dit onder­werp. Het is al weer een aantal jaren geleden, dat ik zou spreken in een ge­meente. Een paar dagen daarvoor kreeg ik een telefoontje van een van de oudsten van deze gemeente. Hij zei: we hebben net een paar dagen geleden een sterfgeval gehad; het ging om een meis­je van veer­­­tien jaar, dat leukemie had. Er was voor dit meisje heel intens ge­beden. Hieromheen waren nogal wat vragen. Een paar dagen daar­voor had ze zelf gezegd: jullie hoeven niet meer voor mij te bidden, of God mij wil genezen, je hoeft alleen nog te vragen, wannèèr Hij het wil doen. Zozeer was ze zelf van haar genezing overtuigd. Toen moest ik toch ook denken aan dat woord uit Romeinen 8. Dat is een van die wonderlijke punten, waar dan ook Paulus op komt. Dat hoofd­stuk 8 is een soort hoogtepunt van de eerste acht hoofdstukken.

Het lijden van de tegenwoordige tijd

«Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet op­weegt tegen de heerlijk­heid, die over ons geopenbaard zal wor­den» Rom.8:18. Paulus heeft het hier over het lijden en over de heerlijkheid. We le­zen in vers 19, dat de schepping wacht op het openbaar worden van de zonen Gods. De hele schepping ziet dus ergens naar uit met reik­halzend verlangen. De SV zegt hier: met opgestoken hoofde. Heel de schep­ping is dus doortrokken van een wachten, een ver­wach­ten. Dat zit helemaal in alles wat leeft, in alles wat bestaat. Er moet iets komen, we wachten ergens op, we zijn nog onderweg. En won­­derlijk, waar wachten we dan op: op het openbaar worden van de zonen Gods. Je zou het ook zo kunnen zeggen: heel de aardbo­dem, de ada­mah, wacht op het openbaar worden van de ware adam, van de ware mens. Want oorspronkelijk hoorden ze bij elkaar. Mens en ak­ker horen bij elkaar. De mens is ook uit de akker genomen, keert ook tot die akker terug, zoals ook wordt verteld in het begin van Ge­ne­sis. «Want de schepping is aan de vruchteloosheid onder­worpen, niet vrij­wil­lig, maar om de wil van hem, die haar daaraan onderworpen heeft» Rom.8:20. Het NBG heeft hier Hem, ik lees liever hem. Dat hem slaat niet op God, ik geloof niet dat het God is, die de schepping in de vruch­te­loos­heid heeft gedompeld. Het is begonnen met die eerste mens, die de deur voor het kwaad heeft opengezet. Die schepping is dan inderdaad aan die vruchteloosheid onder­ge-schikt geworden. In dat hem speelt dan ook dat hele rijk van de duis­­ternis mee. Maar er staat ook: «In hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heer­lijkheid der kinderen Gods».  Rom.8:21

De schepping ziet uit naar bevrijding

Dus de hele schepping ziet uit naar de bevrijding. Dat is een ge­loofs­punt om nooit op te geven: te weten, dat heel de schepping bevrijd zal worden. Als je dàt loslaat, wat heb je dan nog te verwachten? Maar dat is die hoop, die door heel de schepping heentrilt. In heel de schepping zit de hoop. Hoop is een heel fun­damenteel punt als het gaat over dit onderwerp. Hoop is een hou­ding en hoop is ook heel sterk. Er wordt wel eens gezegd: je moet niet hopen, maar je moet ge­­­­loven; net alsof dat een tegenstelling zou zijn. Geloof en hoop ho­ren bij elkaar. De bijbelse hoop is niet: we zullen het beste er maar van hopen, zo wordt het vaak in het populaire spraakgebruik gehan-teerd. ‘t Is niet: ‘t kan vriezen en het kan dooien. In die hoop zit een heel sterk element van on­zekerheid. De bijbelse hoop is iets wat on-ge­lofelijk taai is. Het volk van God is altijd door de eeuwen heen blij­ven hopen, blijven verwachten.

Andre Neher zegt in verband met het lijden van de Joden: het Jood­se volk heeft constant de keuze gehad tussen de hoop en het ge­loof. “Zij die geloven zijn het dapperst, zij die hopen zijn het sterkst”, aldus Andre Neher. Dat is iets wat je in de woestijn, in de ballingschap leert. Je kunt het een ook niet uitspelen tegen het ander. In heel de schep­ping zit die hoop, zit dat verlangen om te leven. Een dier bijvoorbeeld zal alles doen om het leven te behouden. De hoop is een oergeheim van de mens door de tijden heen. «Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping zucht en in ba­rensnood is».   Rom.8:22

Het ganse schepsel zucht.

En let op: de schepping is niet in stervensnood, maar in barens­nood. Opvallend is, dat Paulus als het ware in een adem door­gaat en zegt: «En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ont­vangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoon­­­­schap: de verlossing van ons lichaam».  Rom.8:23. De schepping zucht en wij ook! We zitten niet ergens op een eiland. Die zuchtende schepping, daar maken we deel van uit; daar zitten we midden in. Het volk van God gaat door die ballingschap heen; het gaat ook door dat zuchten heen. Iemand zei eens, aan de ene kant ontroe­rend, aan de andere kant naïef: een kind van God overkomen nog wel kleine ongemakken, maar voor het erge worden we beschermd. Nou is de praktijk toch wel even anders. Hier zie je weer de neiging, om dat kwaad buiten je denken te houden, om je af te sluiten voor de rea­li­teit van het lijden. Paulus zegt: wij zuchten ook bij onszelf; wij zijn dus verbonden met dat zuchten van de schepping. Wat zou de schep­ping trouwens aan de gemeente hebben? Stel je voor, dat er te-midden van die zuchtende schepping een gemeente is, die nooit iets meemaakt; nooit strijd, problemen, beproevingen of diepten. Dan zou iedereen zeggen: die mensen hebben makkelijk praten. Die men­sen snappen toch niet wat wij meemaken, zegt de wereld dan. De ge­meente is geroepen om juist stem te zijn van die zuchtende schep­ping. De gemeente is bedoeld om dat zuchten van de schepping te vertolken. Dat deed Jezus ook aan het kruis: mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Daarmee maakte Hij zich stem van heel die zuch­tende werkelijkheid. Die schepping kan dat zelf vaak niet onder woor­den brengen. Gelukkig is er Een, die dat lijden stem geeft. Juist hierin wordt Jezus voluit Messiaans. Hij draagt het zuchten van de schepping tot in Gods handen.

Het opheffen van handen

Dat is ook de taak van de gemeente onder andere; dat heeft ook weer te maken met het zingen en het bidden. Dat zuchten van de schep­ping moet gedragen worden tot voor het aangezicht van God, dat moet eigenlijk opgeheven worden. Daarom hef je ook je handen op. Het opheffen van de handen is in de Bijbel veel meer dan een uiting van enthousiasme. Zo wordt het echter nog wel eens geïnterpreteerd. Als je blij bent onder het zingen steek je je hand op; als je heel erg blij bent steek je twee handen op. Het kan zelfs tot een criterium wor­den waaraan je kunt aflezen of iemand blij is. Met het gevolg, dat er nog wel eens een hand omhoog gaat van iemand die helemaal niet zo blij is; blij zijn moet immers? Blij zijn, goed voor u! Als je in een samenkomst blijft zitten en niet klapt en geen hand op­steekt, dan is er alle kans, dat er ie­mand naar je toe komt en zegt: is er iets broeder, bent u niet blij vandaag? Dan wordt er zo gauw weer een beoordeling aan gekoppeld. «Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan, het opheffen van mijn handen als avondoffer» Ps.141.2. Het Hebreeuws heeft twee woorden voor hand, namelijk jad en kaph. De jad is de hand waar je wat mee doet, waar je iets mee grijpt. Het woord kaph duidt in feite de handpalm aan, de holle hand. Dat is het teken, niet van daden, maar van ontvankelijkheid. Je breidt je lege han­den uit naar God. Dat woord staat er ook in deze Ps.141. Je draagt dat zuchten van de schepping tot voor Gods aangezicht. Dat opheffen van de handen had in de Bijbelse tij­den en ook daarna een veel bredere betekenis. Het kon dus heel duidelijk de houding van af­hankelijkheid aangeven. We zijn dus deel van die zuchtende schepping; we zijn ook met dui­zenden draden verbonden met die zuchtende schepping. Wanneer de gemeente het contact met de zuchtende schepping verliest, dan ver­liest ze tegelijk haar bestaansrecht. Je moet niet zó hard en zó voort­durend halleluja roepen, dat je het zuchten van de schep­ping niet meer hoort. Zo overstem je de stem van de zuchtende schepping. Je moet als het ware zo nu en dan je adem eens even inhouden.

Tien ballingschappen

Er is een tijd geweest dat men sprak over dé ballingschap. Men be-doelde daarmee de wegvoering van het volk Israël naar Babel en men verbond hier vooral de naam Nebukadnesar mee. Die balling­schap wordt dan beschreven als een tijd van zeventig jaar en dat was dan dè ballingschap. In de Joodse traditie leren we, dat men in Israël tien ballingschappen heeft onderscheiden. Als je dat bij elkaar optelt, dan zeg je: ze zijn meer in de ballingschap geweest dan eruit. Af en toe waren ze even in het Beloofde Land. En wàren ze in het Beloofde Land, dan waren ze daar in diepste zin óók nog in ballingschap. De eerste ballingschap is het verblijf in Egypte geweest. Dat begrip bal­lingschap is eigenlijk een manier van denken, een denkpatroon. «Vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken» Gen.46:3. Dit is toch wel een heel bijzondere tekst. Letterlijk staat er: «Vrees niet naar Egypte af te dalen». Als je naar Egypte gaat, is dat in de Bij­bel al­tijd een afdaling. Geestelijk is het een afdaling. Egypte is net zo­iets als het do­denrijk, dan ga je inderdaad naar beneden. Egypte is het land, waar je eigenlijk niet echt kunt leven, het land van de be­nauwd­­heid. Letterlijk staat er: «Want Ik zal u tot een groot volk maken aldaar». D­at woord aldaar staat helemaal aan het eind van de zin, dat krijgt dus alle nadruk. Uitgerekend in het land van de balling­schap wordt Is­raël tot een gro­te natie. Wanneer Jakob met zijn 70 zielen afdaalt naar Egypte, dan is Kanaän weer leeg, althans wat het volk Israël be­treft. Dan ben je in fei­te weer terug bij af. «Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer te­rug­voeren»  Gen.46:4. In het Hebreeuws staat dat Ik met nadruk. Ook hier weer staat het woord afdalen. God daalt dus ook af naar Egypte. Nu komen we op een fundamenteel punt: ballingschap hoort heel we­­zenlijk bij het volk van God. Door de eeuwen heen heeft het volk van God altijd op de een of andere manier in ballingschap gezeten. En ook wij, wij zitten ook in ballingschap. Als West-Europa, als Ne­der­lands volk, als gemeente, zitten we op allerlei manieren in bal­ling­schap. Op vele manieren zitten wij in ballingschap. Het won-der­lijke is, dat God zegt: Ik ga met je mee. Dus als Israël in balling-schap gaat, gaat God ook in bal­lingschap. De rabbijnen hebben daar een woord voor: sjechina. De sjechina be-tekent zoiets van: de heerlijkheid van God, de woonstede van God. Maar die sjechina is ook heel speciaal de term geworden voor God in ballingschap. Hij is de God die meetrekt met zijn mensen. Hoe lan­ger hoe meer vind ik dat één van de meest indrukwekkende pun­ten van het bijbelse denken.

God nabij in de ballingschap

In de Joodse overlevering is een vraag: waar is God nu het meest na­bij? Dan wordt het antwoord gegeven: in de ballingschap. Dat lijkt op het eerste gezicht een vreemde uitspraak. De gangbare gedachte is: in de ballingschap waren ze God kwijt. Nee, zeggen dan de rabbij-nen: in de ballingschap is God meer nabij dan ooit. Er was een koning. Die koning werd van de troon gestoten. En in  één klap is die koning alles kwijt. Geen troon, geen kroon, geen lijfwacht, geen pa­leis, geen leger, alles weg. Hij gaat zwerven. Als een eenzame arme vreem­de­ling loopt hij door het land, dat een­maal van hem was. Dan valt de avond en hij denkt: waar moet ik heen. Straks wordt het nacht, waar zal ik onderdak vinden? Hij ziet in de verte op het platteland licht branden in een klein huisje. Na enige aarzeling klopt hij aan bij de deur van het kleine huisje. De man doet open en in één oogopslag ziet hij: daar staat de koning! Hij gooit de deur wagenwijd open en zegt: komt u binnen, Majesteit! U zult wel honger heb­ben en u zult wel moe zijn. Want hij ziet wel, dat de kleren van de ko­ning stoffig en bemodderd zijn. Koning, zegt de man, we hebben nog erw­ten­soep, zou u dat wel lusten? De ko­ning gaat aan tafel zitten. En de vrouw zegt: We zijn maar eenvou­di­ge mensen, we hebben geen gouden scha­­len, u zult het moeten ne­men zoals we het hier hebben. De koning eet. Als de soep op is, zegt de vrouw: we hebben ook nog stamppot, wilt u ook daarvan mis­schien een beetje? En de koning eet. Hij heeft nog nooit zo lek­ker ge­geten als die avond. Als het op is, be­gint de koning te vertellen. Hij ver­telt over zijn zorgen, over zijn verdriet, over de pijn in zijn hart en over de plannen, die hij toch nog wel heeft. De man en vrouw zitten bij hem aan tafel en ze zijn één en al oor. Af en toe stellen ze een vraag; af en toe heb­ben ze ook nog een goede raad. Zo gaat de a­vond voorbij. En als de avond ten einde is, gaat de man staan en hij zegt tegen zijn vrouw: de ko­ning is ons nog nooit zo nabij geweest. Vroe­ger in zijn paleis praatte hij met zijn mi­nisters en met zijn hove­lin­gen. Maar nu de koning in bal­ling­schap is, is hij zo dichtbij. Als God in ballingschap is, dan is Hij nog nooit zo nabij geweest. G­od gaat mee de ballingschap in. Al die tien ballingschappen, dat is zijn sjechina, God in de vreemde. In dat verband is het zo mooi: er is een Joodse leraar geweest, waar-van de leerlingen verschillende lessen op schrift hebben gezet. Dat is een prachtig artikel geworden over de ballingschap. Er wordt in dit boek op gewezen, hoe het woord galah twee betekenissen kan heb-ben. Het betekent in de eer­ste plaats: in ballingschap gaan. Maar dat­zelfde woord heeft ook nog de betekenis openbaren. Dat is een sleutel; blijkbaar heeft dat met elkaar te maken. God openbaart zich bij uit­stek in de ballingschap, in de galoeth. Dat is aan de ene kant de bal­ling­schap, maar dat is tegelijk de plaats, waar God zich openbaart. Hoe langer hoe meer raak ik tot de overtuiging, dat heel de Bijbel een ballingschapsverhaal is. Dat begint al bij de eerste mens, die eer­ste adam, die ook verbannen wordt. Je vindt dat weer te­rug bij Ka­ïn; hij wordt ook een balling. Hij zegt: zwervend en zwal­kend zal ik zijn op de aarde. Dus direct in Gen. 3 en 4 vind je het thema van de ballingschap al naar voren komen; dat begint niet pas bij Ne­bu­kad­nézar.

In een kist uit Egypte

Je moet eens letten op de laatste tekst van Genesis. Genesis is het boek van de wording, van de geboorte. Maar het boek van de geboor-te eindigt met een doodskist. «En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud, en men balsemde hem, en hij werd in een kist gelegd, in Egypte» Gen.50:26. Een kist en dan ook nog in Egypte! Is dat nou het boek van de wor­ding?! Toch zit hier iets fundamenteels in: we moeten weer le­ren den­­ken vanuit paradoxen. Het leven is soms heel paradoxaal. Het le­ven is vaak niet te rijmen, vaak rijmt het helemaal niet. Dan rijmt het nergens op. Je kunt het ook niet keurig rechtpraten door te zeggen: je moet maar zo denken: na het zure komt het zoet, of ‘t valt wel mee, of: wij kijken tegen de achterkant van het bor­duur­werk aan. S­traks zien we de voorkant van het borduurwerk en dan zien we een kroon! Maar dat klinkt net iets te glad. B. van Ginkel zegt: dat zijn de rappe troosters. Die komen bij men­sen binnen en schud­den heel vlotjes een aantal troostwoorden uit hun mouw. De Bijbel is hele­maal niet zo’n glad boek, het is niet zo keurig gepolijst. Het loopt niet als een trein, het loopt soms helemaal niet! In een doodskist in Egypte! Het laatste woord van Genesis is Egypte, het land van de benauwdheid en dan valt het doek. W.G.Overbosch zegt in een prachtig artikel over de ballingschap: “O­ok christen-mensen dienen te weten, dat zij nog ver van de Heer in de vreemde zijn, het besef als balling te leven in deze tijd”.

De twaalf stammen in de verstrooiing

«Jakobus, een dienstknecht van God en van de Here Jezus Christus, groet de twaalf stammen in de verstrooiing»  Jak.1:1.Voor dat woord verstrooiing staat dan diaspora. Hoe moet je zo’n woord nu verstaan? Dat is ook weer even een oefening in bijbels den­­­­ken. Die ballingschap moet je niet zien in de lijn van de straf. Er zit­ten twee kanten aan, trouwens het Hebreeuws heeft niet eens een woord voor straffen. Helaas kom je dat begrip straf in kinderbij­bels nogal eens tegen, dan wordt er voortdurend links en rechts straf uitge-deeld. Soms is die ballingschap een gericht, maar daar zit ook het as­pect aan: het samen mèt God in ballingschap gaan. Diaspora betekent dus: verstrooiing, ze worden verstrooid over de lan­­den en volken. Dat woord heeft ook weer een dubbele klank. Als men­sen verstrooid worden, kun je ook zeggen: ze worden uitge-strooid, ze worden uitgestrooid als zaad. In het woord dias­pora zit trouwens dezelfde stam als in sperma. Je kunt in plaats van verstrooiing dus ook spreken van uitzaaiing. De mensen worden uitgezaaid temidden ook van de heidenen. Temidden van culturen en tradities wordt dat volk van God verstrooid. De ballingschap is dus ook een tijd van zaaien. Je wordt zaad op de akker. Die brief is geschreven aan de twaalf stammen en hij is ge­schreven door Jakobus. Je kunt ook zeggen: Jakob. En dat is zo mooi, Gene­sis eindigt met de zegening van de twaalf zonen door Jakob. En Jakobus gaat schrijven aan de twaalf zonen in de uitzaaiing.

Ballingschap: lot of roeping

Een kernpunt is: ballingschap is niet alleen een lot, dat je overkomt, het is ook een roeping, het is een opdracht. Andre Neher zegt zo mooi: “Israël gaat in ballingschap, God gaat mee. De sjechina is de compagnon van Israël in de woestijn van de volkeren. En dan begint een nieuwe open­baring”. Want openbaring en ballingschap is hetzelfde woord. Overal waar zo’n balling heengaat, gaat God mee. Dus met elk frag­mentje van het volk van God gaat die sjechina mee. Overal waar die bal­lingen hun voet zetten, ‘die plaats zal Ik u geven’. Vandaar dat ze hun voet moe­ten zetten in al die landen, in al die ballingschappen, opdat die bal­lingen overal zullen komen, opdat Gòd overal zal ko­men. God kòmt er­gens via de voetstappen van mensen. De balling­schap is voor het volk van God dus een zending, een op­dracht. Wat zou er terecht ko­men van de wereld, als die ballingen niet zouden uitgaan? Jezus zegt: de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen. Jezus werd ook een ontheemde, een mens zonder plaats, balling te midden van de ballingen. Hij werd tenslotte verbannen naar het kruis. Geen plaats in de hemel en geen plaats op de aarde; toen hebben ze Hem er maar tussenin gehangen. Daar hangt Hij dan, verbannen, door God en door mensen verlaten. Dat is een ge­heim: Jezus heeft de ballingschap gedragen, door­staan. Het betekent niet, dat wij nu van de ballingschap af zijn, maar ìn de ballingschap gaan wij samen met Hem, in zijn voetspoor. Daarom denk ik, dat heel onze theologie, en heel onze manier van denken, dat balling­schaps­­element in zich moet verwerken. Een Joodse schrijver, Günther Anders, schrijft: weet je wat ik nu zo moeilijk vind van de Christenen: ze wekken de gedachte, dat zij als Christenen alles al hebben. Het moeilijke is, dat er dan geen ver­wachting meer is. Een he­leboel Christenen zien nergens meer naar uit. Alles ìs er al voor hun ge­voel. Ten dele is dit waar. Voor sommige Christenen geldt dit, het besef van ballingschap is verdwenen. Dan komt er mis­schien een gevoel van zelfvoldaanheid, zelfgenoegzaamheid. Iemand zei in een zang-dienst: het gaat toch wel snel achteruit met deze wereld, milieuver-vuiling, het geweld neemt toe. Maar, zei ze er dan achteraan, geluk-kig komt straks de Heer en die haalt ons van deze aarde vandaan. Maar dat is toch wel een beetje griezelig. Daar zit het gevaar in: laat die aarde nou maar verkwijnen, laat die aarde nou maar vergaan. Voor ons is dat alle­maal niet zo erg, wij ontspringen de dans wel. Maar dan is het net alsof die aarde je niet ter harte gaat. Hoe meer je Christen wordt, hoe meer je van de aarde gaat houden! Dan word je verknocht aan de aarde, God is ook verknocht aan de aarde; als je aan de aarde komt, kom je aan God. Je kunt niet zeggen: voor mij is het niet zo erg, mijn woning staat boven. God heeft zijn hart verpand aan déze aarde. Als het met de aarde niet lukt, dan, om het extreem te zeggen, is het plan van God mislukt. God zegt niet: als ik deze aarde er niet doorheen kan slepen, maak Ik wel een andere. God heeft zijn hart aan déze aarde verpand. Er staat ook: déze aarde zal de heerlijkheid Gods zien. Déze schepping zal bevrijd worden, niet een andere, dan zou Romeinen 8 niet ver­vuld worden. «En de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren, en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond des Heren heeft het gesproken» Jes.40:5. God draagt die aarde op zijn hart. Dat bedoelt Günther Anders te zeggen: we moeten het besef heb­ben van het ‘nog-niet’. Er is een heleboel nog-niet. Die aarde is nog niet her­steld, er is nog heel veel pijn en verdriet op aar­de, daar kun je niet overheen huppelen.

Zingen en geloven

Er is een heel diep verband tussen wat je zingt en wat je gelooft, lied en leer; wat je vandaag zingt, dat ga je morgen leren. Je kunt de grootste dwalingen zingen en na een poosje ga je het nog geloven ook. Want je zingt het ook bij jezelf naar binnen, dat gaat ongemerkt. Al zingend zing je ook tot jezelf en dat sijpelt toch ook door in je den-ken. Je hebt liederen, waar knotsen van dwa­lingen in staan. Inder-tijd werd het lied gezongen: “O, heb ik wel mijn best gedaan voor Jezus…” Daar zit toch weer die prestatiege­richtheid achter. Of ook: “Moet ik gaan met lege handen, zo mijn Heiland tegemoet, zonder één geredde zondaar neer te leggen aan zijn voet?” Je moet toch wat presteren. In de kerkgeschiedenis zie je een bepaalde golfbeweging. Op een ge-geven ogenblik ontdekken mensen wat nieuws en dan gaat het oude vaak overboord. Toen je de bundel van Johan de Heer kreeg, gingen prompt alle psalmen overboord. Toen kwamen de Glorieklokken van Zr.Alt en Johan de Heer raakte in de vergetelheid. Daarna kwamen de opwekkingsliederen en de rest werd nog nauwelijks gezongen. Soms slaat men in dat opzicht dan door. Maar er staat: samen met al­le heiligen zullen we die hoogte, breedte en diepte vinden. Er zijn lie­deren van misschien al honderden jaren oud, die behoren tot de schat van de eeuwen, liederen met zoveel diepgang, zo indruk­wek­kend. Helaas zie je dan, dat wat je aan de ene kant aan liederen erbij krijgt, je aan de andere kant kwijtraakt. In een goed lied zit altijd een ‘knik’; een goed lied is nooit rechtlijnig. Zo’n rechtlijnig lied is bij voorbeeld: “Jezus is Heer, je ziet het om je heen”. Een mooi lied aan de ene kant, maar soms zie je het helemaal niet om je heen, dat Jezus Heer is. Er zit geen knik in dit lied. Als kin­de­ren zongen we vroeger: recht door zee is de kortste weg; alleen, dat gaat lang niet altijd op in het Koninkrijk van God. God gaat ook vaak langs allerlei omwe­gen, God gaat door al die woestijnen heen, door al die balling­schappen heen. Het volk Israël ging ook niet linea recta van Egypte naar Kanaän.

Een rechtlijnig lied uit ‘het rijke Roomse leven’:

Aan U, o koning der eeuwen

aan U blijft de zegekroon.

Onsterfelijk schittert uw glorie

door alle haat en hoon.

De volkeren verdwijnen,

maar luider klinkt het lied:

de wereldzon blijft schijnen,

haar glanzen sterven niet.    (Schaapman)

Degene, die dat lied heeft overgenomen, heeft als contrast ernaast een andere tekst geplaatst.

Aan U, o Koning der eeuwen

aan U vragen doodgewoon

de mensen zonder uw Glorie

bij alle haat en hoon:

Uw volk, kom het bevrijden,

steeds luider klinkt verdriet.

Kom met de basis strijden,

rem haar beweging niet.

In dat laatste lied zit een knik, dat is niet zo rechtlijnig, van:  zo gaat ie goed, zo gaat ie beter… Hier zit iets in van diepte­werking. Het is niet allemaal zo rooskleurig; mensen zonder uw Glorie, doodgewone mensen; God houdt van doodgewone mensen. Vaak zijn dat mensen met hun tranen, met hun ballingschapsbestaan. Steeds luider klinkt verdriet. Ja, dat verdriet is er ook en dat wordt niet weggemoffeld.

E­en tegenhanger van het lied: “Altijd vrolijk, altijd vrolijk, altijd zonneschijn”  is bijvoorbeeld: “Al schijnt geen zon, al licht geen maan”. Vanouds zijn er wat betreft de zang in de eredienst altijd twee as-pec­­ten geweest: Gloria en Kyrië eleison. Lofliederen en de roep om ont­­­ferming. Deze twee aspecten dienen altijd aan bod te komen. Zo heb­ben ze dat in de loop van de eeuwen ook verstaan. Deze indeling gaat al terug tot de tijd van de profeten en de psalmen. Als je een zang­dienst hebt met drie kwartier juichliederen, dan vraag je je af: komt de zuchtende schepping nog wel aan bod? In een goeie zangdienst zit op een gegeven ogenblik daarom ook zo’n breekpunt. Glo­ria en Kyrië eleison horen dus bij elkaar en je kunt nooit het één hebben zonder het ander.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410642 bezoekers sinds 07-06-2010