Naar Zijn Beeld

25-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

«De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden;  Hij voert mij aan rustige wateren; Hij verkwikt mijn ziel».  Ps.23

Hij verkwikt mijn ziel

Een klein zinnetje, waar geweldig veel in zit. Dat is dan ook wat Da­vid ontdekt heeft, wat God verlangt te doen. Er wordt hier dus iets ge­zegd over de ziel van de mens. De ziel is vaak het probleemgebied. Hier wordt gezegd: God gaat die ziel verkwikken. Een andere vertaling zegt: «Hij herstelt mijn ziel». In sommige Engelse vertalingen staat dan: ‘Hij restaureert mijn ziel’ . Dan ontdek je, waar God eigenlijk mee bezig is: Hij is bezig met een res­tauratie. Dat betekent dus, dat je het weer he­lemaal terug gaat bren­­gen in de oorspronkelijke staat. Het moet weer helemaal zo wor­den als het van het begin af ge­weest is. Als je het helemaal letterlijk gaat vertalen, staat er: «Hij brengt mijn ziel terug». Hij doet mijn ziel terugkeren’

De Bijbel spreekt nogal veel over het aspect van het terug­keren. In de Profeten wordt ook vele malen gezegd: ‘Keer terug!’ Als je nu terugkeert, kom je weer bij het punt waar je be­gonnen bent. Dan ben je geneigd om te zeggen: dan ben ik dus weer net zo ver als toen ik begon; dan ben ik ook niet erg opgeschoten! Toch is dat een heel positieve zaak. Als je nu terugkeert naar waar je begon­nen bent, dan is de volgende vraag: Waar ben ik dan begonnen als mens?

Bij God !

Daarom is het juist zo belangrijk, dat we dat gaan zien. God wil de mens terugbrengen tot zijn oorsprong. Dat heeft dan ook alles te ma­­­­ken met de ziel van de mens. De mens heeft met zijn geest Gods­be­wust­zijn. Met je geest heb je besef van God. Door middel van je geest heb je aan­­sluiting met de geestelijke we­reld. Door middel van je lichaam heb je ‘wereldbewustzijn’. Door middel van je lichaam heb je contact met de wereld om je heen. Via het li­chaam, de zintuigen, sta je in ver­binding met de buiten­wereld. En dan zit de ziel -om het populair te zeggen- tussen de geest en het li­chaam in. Met je ziel heb je zelfbewustzijn. En nu gaat God de ziel van de mens terugbrengen. Door je ziel ken je jezelf. En dan zie je hier, dat David dit geheimenis ontdekt heeft. Het geheimenis, dat God je ziel gaat terugbrengen. Dus God gaat mijn zelf­­bewustzijn herstellen. En als dat zelfbewustzijn is hersteld, kan de mens heel wat doorstaan. Want dan zegt die herstelde mens: «Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis,  ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij».  Ps.23:4. In verband met het herstel van dat zelfbewustzijn, gaan we eens wat lezen uit Handelingen 17. «Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht» H­and.17:28. Paulus houdt hier een preek in Athene. Een openlucht-samen­komst op de Areopagus. Dit lijkt zo op het eerste gezicht geen preek voor be­­­gin­­ners! Geen eenvoudige evangelisatie­woorden. ‘Wij zijn ook van Gods ge­slacht’. Maar dat zeg je toch pas na jaren bijbelstudie?! Paulus gaat toch uitgerekend op dat punt beginnen, en dan vraag je je af, waarom hij dat dan doet. Paulus sluit hier aan bij een basisprincipe, namelijk: welk beeld had­­den de Atheners van zichzelf. Wat voor beeld heb je van jezelf: het is goed om je dat eens te realiseren, tot je bewustzijn te laten door­­­drin­gen. Het was Paulus al opgevallen, dat er in Athene nogal wat tem­pels ston­­­­den en evenzo veel afgodsbeelden. Wat zit daar nu achter, ach­ter al die beelden? En dan zie je, dat daar een geweldig stuk beeldvorming aan de gang is. Dat zie je vandaag de dag ook in het leven van een mens, ook in het leven van een kind van God. Er is van alle kanten eigenlijk een stuk beeldvorming gaande. Op al­ler­­­lei manieren wordt eraan gewerkt, dat de mens een beeld krijgt van wie hij nu eigenlijk is. Welk beeld heb ik van mezelf? Van daaruit worden een heleboel reacties van de mens bepaald. W­aar­­om doe je bepaalde dingen, waarom laat je bepaalde din­gen? Waarom re­a­geer je op een bepaalde manier? Als je nu weet welk beeld een mens van zichzelf heeft, kun je al veel verklaren. Veel van de reacties en handelingen van de mens komen van daaruit voort, al gebeurt dat meest­al onbewust. Hoe kòm je dan aan dat beeld van jezelf? En je ziet dan, dat een mens een bepaald beeld gaat opbou­wen van­uit zijn ervaringen. Dat begint vaak al in de kinderjaren. En die er­va­rin­­gen, die je meemaakt, gaan zich dan opsta­pelen. Al die opge­sta­pelde ervaringen bij elkaar gaan samen dat beeld vormen van jezelf: het beeld van wie je bent. Als iemand als kind nu niet zoveel durft, niet zo goed durft mee te doen met anderen, niet ontspannen meespeelt met leeftijdgenoten, daar bovenop nog wat pesterijen over zijn bangheid heeft te incas­se­ren, dan ontstaat er een bepaald beeld, dat zich vastzet, dat vaak ook zijn verdere leven bepaalt. De mens heeft een beeld gekregen van zich­zelf, waar hij heel moei­lijk nog van los kan komen. Ik ben een laf­aard. En alles wat hij dan nog hoort, ziet of leest over lafheid versterkt dat negatieve beeld en drukt hem dieper terneer. En dan leest hij ook nog: «de lafhartigen – hun deel is de poel» (Op.21:8). Voor mij is er geen toekomst meer! Zo zie je, hoe het met zo’n mens wat zijn zelfgevoel be­treft, bergafwaarts kan gaan. En met dat negatieve beeld gaat die mens het leven in. Dat betekent dan, dat er in feite niets nieuws meer kan gebeuren. Alle volgende reacties worden bepaald door dat beeld, dat hij nu een­maal van zichzelf heeft, een beeld dat ook steeds meer gefixeerd wordt. Dan zie je ook, hoe de duisternis er ook een groot belang bij heeft, om zo’n negatief beeld op een mens te leggen. Zo kun je een beeld hebben van jezelf, maar zo kun je ook een beeld hebben van een ander. Soms heeft een mens wel erg snel een beeld van de ander. Vooral in een huwelijk kan dat een grote rol spelen. En als je dan een paar jaar getrouwd bent, denk je dat je de ander wel kent. Ik weet precies hoe mijn partner ís. Dan ga je een beeld leg­gen óp die ander: zó is hij of zij. Dan krijg je op een gegeven moment, dat je elkaar niet eens meer laat uit­pra­ten. De ander wil wat uitleggen en dan wordt er meteen ge­rea­geerd: stop maar, ik weet al wat je wilt zeggen. En als die ander een be­paalde fout maakt, zeg je: ja, dat had ik wel gedacht, zo doe je al­tijd. Zo wordt je naaste vastgeprikt op dat beeld, dat jij in je gedachten hebt: zó is ‘t ie! En zou hij een keer willen veranderen, dan krijgt hij daar niet eens de kans voor. Er zijn heel wat mensen, die hun hele leven moeten leven naar het beeld van een ander. Hoeveel mensen zijn er niet, die nooit eraan toe­­­­ko­men om zichzelf te zijn. Ouders kunnen een beeld leggen op hun kinderen. Vooral vroeger had je nog wel eens, dat wanneer ouders een bepaald ideaal­beeld van hun kind hadden, ze zeiden of dachten:  Zó moet hij wor­den! Die ouders projecteren dan hun eigen frustraties op dat kind. Alles wat ze in hun eigen leven niet hebben kunnen berei­ken, moet dat kind dan berei­ken. Het kind wil dolgraag naar de technische school, maar pa en ma zeg­gen: jij gaat naar een wetenschappelijke kant, dan kun je later dok­ter worden. Het kind mocht niet zijn han­den gebruiken, nee, elke avond blokken: tot groot verdriet van zich­zelf en van de le­raren. Dat kind moet dus zijn hele jeugd leven naar het beeld, dat zijn ou­ders hebben. En wat gebeurt er dan met de ziel: de ziel wordt als het ware in een keurslijf geperst. De ziel moet aan een bepaald ideaal beantwoorden. En dan gaat Paulus met de Atheners spreken over die beeld­vorming. Hij zegt: jullie hebben nu allemaal van die beelden gemaakt van goud, van zilver, van steen, maar nu moeten jullie toch eens gaan ont­­dek­ken wie je zélf bent.

Jullie zijn van goddelijk geslacht!

Dat is het eerste wat Paulus aan de Atheners vertelt. Ze moeten gaan ontdekken: welk beeld heeft God van ons. Het is goed om dit eens vast te houden: dit is een kernpunt. Aan de ene kant zie je, dat de duisternis een beeld maakt en dat op je probeert te leggen. Aan de andere kan zie je – en dat is een grond­ge­dachte – God heeft ook een beeld van jou! Het komt er dus op aan, te gaan ontdekken, welk beeld God van mij heeft. En dat is dan de genezing voor je ziel. Als je dát gaat ont­dek­ken, namelijk het beeld dat God van jou heeft, is dat de basis van de ge­ne­zing van je ziel. Bijna niemand kent zichzelf. Dat klinkt op het eerste ge­hoor wel wat vreemd. Misschien vinden sommigen dat nog wel mee­vallen, maar toch kan daarin een heel stuk tragiek liggen. Iemand kan tachtig jaar zijn geworden, en toch in feite niet weten wie hij in diepste we­zen is. Dan is het de duisternis gelukt, om dat beeld van die mens he­lemaal weg te moffelen. Zolang de mens het beeld niet heeft gevonden, dat God van hem heeft, zolang blijft hij ergens altijd naar op zoek. Dan blijft die mens in feite een bal­ling; dan is de ziel van de mens in ballingschap. De ziel is altijd maar op zoek naar het antwoord op de vraag: wie ben ik nu eigenlijk. Heel vaak komt de mens niet verder dan bepaalde dingen van de bui­­­­tenkant. Als je dan aan het eind van iemands leven aan hem vraagt: wie ben je nu geweest, dan is het antwoord: Ik ben bakker ge­­weest, ik ben prediker geweest en dit en dat heb ik allemaal ge­daan of niet ge­daan. Dan heb je nog alleen maar iets verteld van de buitenkant. En dan zou je eigenlijk door moeten vragen: maar, wie ben je nu ge­weest naar je wézen. Heb je ooit je eigenlijke identi­teit ontdekt? Wat gaat God nu doen in dit verband? «God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten ko­men» Hand.17:30. Je hebt dus ook tijden van onwetendheid. En dat was echt niet al­leen maar vroeger: maar die zijn er vandaag de dag nog. En voor de een duurt het wat langer dan voor de ander. We zijn nu zo stap voor stap bezig om uit die tijden van onwe­tend­heid vandaan te komen. God is bezig om ons daar uit te leiden.

Voorbijzien

God is barmhartig: Hij ziet die tijden van onwetendheid voor­bij. Een goede vader ziet ook voorbij aan de tijden van onwetend­heid bij zijn kin­de­ren. Hij zegt dan: over een paar jaar zie je het net als ik.

Verkondigen

Overal moeten alle mensen tot bekering komen. En ‘bekeren’ is in diep­­ste zin weer dat terugkeren, terugkeren tot je oorsprong. Er kun­­­­nen mensen zijn, die al jaren geleden ‘zijn bekeerd’, en die toch nog moe­ten terugkeren tot hun oor­sprong. Je zou kunnen zeggen: be­keerde mensen, die terug moeten keren. Het kan zijn dat iemand zegt: ik heb Jezus aangenomen: maar dat hij nog lang niet is teruggekeerd naar waar hij vandaan kwam. Bekeerd, maar misschien nog hele­maal niet wetend waar hij van­daan kwam. Daar zit juist een enorm stuk problematiek. Als je ie­mand zou vragen: waar kom je nu vandaan, dan kun je nog aller­lei antwoorden krijgen. En toch hangt daar enorm veel van af. Want als je niet weet, waar je vandaan komt, hoe zou je dan ooit kunnen uit­vinden waar je naar toe moet?

Het geheim van Jezus

«Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ook al getuig Ik van Mijzelf, toch is mijn getuigenis waar, want Ik weet vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heenga; maar gij weet niet vanwaar Ik kom of waar Ik heen­ga» Joh.8:14. Dat was het fundament in het denken van Jezus. Jezus ge­tuigde dus ook wel eens van zichzelf. Hij had dus een be­paald beeld van zich­zelf, waar Hij ook over sprak. En dáár werd Hij juist op aangevallen: op het beeld, dat Hij van Zich­­­zelf had. En dat pikten zijn tegenstanders niet. De Farizeeën had­­den ook een beeld van Jezus. Ze zeiden: Je hoeft ons niets te ver­­tellen, wij weten wel wie Je bent. Je bent de zoon van die tim­mer­man. We weten ook wel, waar Je vandaan komt, Je komt uit Na­za­reth. Dat kan dus nooit iets wezen met Je, Je bent het niet. Hij be­weert wel, dat Hij de Messias is, maar wij kunnen zó nagaan dat Hij het níet is. Zij hadden dus een bepaald beeld van Jezus: dat gingen ze óp Hem leg­gen en daarom gooiden ze Hem eruit. Daarom werd Hij uiteinde­lijk gekruisigd. En dat is met zijn volgelingen ook zo. Je wordt aangevallen op dat beeld, dat God in je gelegd heeft. Dat beeld, dat God in jou heeft ge­legd, probeert de duisternis op alle mogelijke manieren de kop in te drukken. Maar God wil dat beeld in jou te voorschijn gaan brengen. Misschien weet je nog niet eens zelf, dat het erin zit. Je weet mis­schien nog niet de helft van wat er in je zit. En dan zegt Jezus: «Toch is mijn getuigenis waar, want Ik weet vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heenga» Joh.8:14. Dat was Jezus’ geheim: Hij wist vanwaar Hij gekomen was. En daar­om wist Hij ook, waar Hij heenging. Want Hij zei: Ik kom van de Va­der en Ik ga tot de Vader. Jezus leefde dus helemaal vanuit zijn oor­sprong. En Jezus wist: mijn oorsprong ligt niet in Nazareth. Mijn oorsprong ligt zelfs niet in Bethlehem, maar mijn oorsprong ligt in God. En daarom kon Hij openbaar worden als Mens Gods. Daar zit dus enorm veel aan vast, als de mens gaat ontdekken waar hij bij hoort, ­en waar hij vandaan komt. Als God iets gaat doen, als God iets tot stand gaat brengen, dan werkt Hij altijd vanuit een bepaald beeld. Toen God met de gemeente begon had Hij al een bééld van gemeen­te. Voordat die eerste gemeente er was, wist God al, hoe die gemeen­te moest gaan worden. Dat was al Gods eeuwig voornemen. Hoe kon Paulus over de gemeente schrijven? God zegt niet tegen Pau­­lus: nu moet je maar al die gemeenten rondgaan en dan maak je daar maar de grootste gemene deler van. En daar ga je dan maar wat brieven over schrijven. Maar dat is niet het beeld van de ge­meen­­te. Als Paulus over de ge­meente gaat schrijven, dan ontvangt hij dat door open­baring. En dan moet hij het beeld gaan krijgen, dat God van de ge­meente heeft. En zo doet God het altijd. Als Mozes de tabernakel moet bouwen, wíst hij hoe dat moest. Waar heeft Mozes dat vandaan gehaald? Mozes had zijn oplei­ding in Egyp­te ontvangen. En in Egypte kun je heel wat le­ren, maar niet hoe je taber­nakels moet bouwen. Misschien kun je daar wel leren pirami­des te bouwen. Maar dan ben je toch wel bezig met de dood: want die pira­mi­des waren be­doeld als graven voor de Farao’s. Dat moest Mozes allemaal dus weer afleren. Dus als Mozes aan het eind van die veer­tig jaar uit Egypte komt, zit hij nog helemaal in die tijden van onwetend­heid. En dan moet Mozes de tabernakel gaan bouwen. God zegt: nu moet je bij Mij op de berg komen en dan moet je alles maken naar het voor­­beeld, dat je dan op de berg getoond zal wor­den. Dus voordat de tabernakel er stond, had God er al een voor­beeld van. Voordat die tabernakel stond op aarde, had God al een voor­beeld in de hemel. Zo gaat het ook met de mens. God heeft al een beeld van je. Nu gaat het erom, dat je dat voorbeeld, dat oerbeeld gaat ontdekken, dat God in jou gelegd heeft. Dat oer­beeld is vaak op allerlei manieren door de tijd en door de duisternis aange­tast en in de ver­getelheid geraakt. «Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel be­schouwt; «want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond ver­ge­ten, hoe hij er uitzag»  Jak.1:23,24. In de natuurlijke wereld zul je daar niet zo veel last van hebben, som­­­mi­ge mensen kunnen het lang volhouden voor de spiegel. Maar gees­te­lijk komt dat toch wel vaak voor. En de diepste nood van een mens is, dat hij niet meer weet wie hij is. Hij is zijn identiteit verge­ten. Hij is zijn beeld vergeten, dat hij in de spiegel heeft gezien. Hoe verder hij van die spiegel wegloopt, hoe meer hij zijn beeld vergeet. En dan raakt de ziel in ballingschap, die raakt zijn beeld kwijt. Hij weet niet meer wie hij is. De mens kan nooit tot rust komen, kan nooit tot harmonie komen, als hij zijn beeld niet terugvindt.

Het gelaat, waarmede hij geboren is

Het gelaat, waarmede hij geboren is, is zijn gave gelaat. Dat gelaat was nog onbesmet. Toen hij geboren werd, was dat nog gaaf, toen was er nog niets aan de hand. Er zijn natuurlijk mensen, die rond­om de geboorte al veel negatieve dingen weten te vertellen. Het gelaat waar­me­de de mens geboren is, is zijn oorspronkelijke gezicht. Denk in dit verband maar aan Naäman. Als Naäman genezen wordt, is zijn huid als die van een kleine jongen. Net als bij de geboorte, nog hele­maal onbedorven. Dus dat onbedorven gelaat heeft hij in de spiegel bekeken. Maar dat is hij vergeten. Hij is zijn oorspronkelijke identi­teit kwijtgeraakt. Wat is nu de spiegel, waarin je moet kijken om je oorspron­kelijke ge­laat te zien? Dat is Jezus! Je kunt ook zeggen: dat is het woord Gods. Als je naar Jezus kijkt, dan zie je het ware menszijn. Dan zie je het beeld van de volmaakte mens. Dat is het geheimenis: kijk in de Spie­gel! Je moet in de spiegel kijken om dat beeld terug te vinden. Want dan staat er ook:

De vrijheid.

«Maar wie zich verdiept (letterlijk:…wie een diepe blik slaat) in die vol­maak­te wet, die der vrijheid» Jak.1:25. Dan komt de mens vrij van al die beelden, die óp hem gelegd zijn. «En daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een wer­­­kelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen» v.25. Het punt is dus, dat de mens weer terug moet naar die spiegel, hij moet weer terug naar het beeld van wat hij oor­spronkelijk was. Dat zie je ook zo heel duidelijk bij Adam. Wat is eigenlijk het eerste wat er gebeurt, als Adam faalt, als hij dan gaat zondigen? In het Oude Testament zijn er verschillende woorden voor zonde. Eén van die woorden betekent: je doel missen. Adam mist dus zijn doel. Er is nog een ander woord, dat in het Oude Testament voor­komt in verband met zonde en dat wordt in oudere vertalingen weer­ge­geven met inbreuk. Dat is ook een heel diepgaande gebeurtenis. W­at ge­beurt er namelijk, als de mens zondigt: er wordt daardoor een in­breuk gemaakt op zijn wezen. Dat is als het ware een aantas­ting van zijn beeld. Eén van de eerste dingen die Adam doet, als hij gezondigd heeft, is dat hij zichzelf gaat verstoppen; hij kruipt in het struikgewas. Adam ver­stopt zich, omdat hij zichzelf kwijt is; hij weet niet meer wie hij is. Dat verband kom je steeds weer tegen. Als de mens niet meer weet wie hij is, gaat hij zich verbergen. Je kunt tegen zo’n persoon wel zeg­­­gen: kom eens wat meer uit de verf, doe eens wat in de gemeente, je kunt hem wel allerlei richtlijnen geven, maar dat helpt niet. Zolang iemand niet weet wie hij is, blijft hij zich verber­gen. Wat gaat God nu doen? Daar zit ook een geheim in: God gaat door de hof wandelen. God gaat door de hof wandelen, om Adam te vinden. Dan zegt God: «Adam, waar zijt gij?».

Adam, waar zijt gij?

Daar heb je in vier woorden het evangelie. Dat is genade! God spreekt Adam aan bij zijn naam. Dat is ook al een stuk barm­har­tigheid. God zegt niet: zondaar, achter welke struik heb je je ver­stopt? God spreekt hem aan op zijn oorspronkelijke naam: Adam, mens, dus op zijn identiteit vanuit de schepping. Hij wordt aangesproken op wat hij van huis-uit is, en van huis-uit betekent: van God-uit. David is ook met deze materie bezig geweest. En dan vraag je je af, hoe David het koningschap heeft kunnen volhouden. Saul heeft het ook geprobeerd, maar die is als koning mis­lukt. Van Saul staat trouwens iets merkwaardigs: Saul was klein in eigen ogen. Saul zal kennelijk ergens met een negatief beeld hebben geze­ten. K­lein in eigen ogen, terwijl hij een kop boven iedereen uitstak. Van daaruit heeft Saul zijn hele leven geprobeerd nog wat te worden. En dat zie je vaak, dat mensen juist daardoor in een kramp komen. De kramp om altijd maar weer te proberen wat te wòrden.

David was de achtste van de zeven

En als je dan David bekijkt vanuit zijn jeugd, hield dat ook niet zo erg over. Vanuit zijn beginperiode had hij een be­hoorlijk stuk ver­wer­­ping m­­­­ee­gekregen. Hij was nooit in tel. David was de achtste van de zeven. Als er een koning moet worden gekozen, dan laat Isaï zijn zeven zo­nen opdraven: keus genoeg. ‘Zijn zeven zonen’ laat Isaï aan Samuël voor­bij­gaan: maar hij had er acht! Zeven is het getal van de volheid. Dus David was zijn hele leven bo­ven­­tallig. David had ook een andere kleur haar dan de rest; er staat dat hij ros­sig was. Hij viel kennelijk toch wel een beetje uit de toon. De stamboom van David was ook nogal discutabel. Pa was niet erg trots op David. Vader zei: blijf jij maar mooi bij de schapen, wij eten wel. Blijkbaar wilde Isaï maar liever niet met David voor de dag ko­men. David was dus eigenlijk altijd een verworpene. David was een buitenechtelijk kind. Hoe is David daar nu doorheen gekomen? In Psalm 139 wordt op een prachtige manier beschreven, hoe David in zijn ziel genezen is. David heeft dus een heel pro­ces van innerlijke ge­nezing doorgemaakt. Dat hoorden we ook al uit die Psalm 23: ‘Hij herstelt mijn ziel’. «Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven» Ps.139:13. David heeft ontdekt: niet het toeval heeft mij gevormd, niet de om­stan­­­­­­­­digheden hebben mij gevormd, niet mijn omgeving. Zelfs niet mijn voorgeslacht! Maar hij zegt: Gij hebt mij gevormd. Ik ben gevormd door God, zegt Da­vid. David is er dus mee bezig geweest, waar hij vandaan kwam. Wie heeft er vorm gegeven aan mijn bestaan? Daar gebruikt hij dan een prachtig beeld voor:

Mij in de schoot van mijn moeder geweven

De SV zegt: «Als een borduurwerk». Dan zie je, hoe zorgvuldig en kunstzinnig God omgaat met de mens. Geen confectie, geen lopendebandwerk. God zegt niet: Ik heb er van­daag weer tien klaar gekregen. God is er heel zorgvuldig mee bezig, om de mens gestalte te geven. Daarom kan David ook zeggen: «Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid, wonderbaar zijn uw werken; mijn ziel weet dat zeer wel» Ps.139:14. Dan zie je hoe David uit de onwetendheid vandaan komt. Hij zegt: mijn ziel weet het zeer wel. Dan zegt hij ook nog iets over zijn gebeente. «Mijn gebeente was voor U niet verholen, toen ik in het verborgene gemaakt werd»  v.15. Zijn ziel komt tot herstel: zijn ziel gaat namelijk wéten. Het zelfbe­wust­zijn komt tot ontwikkeling. Hij gaat zijn iden­titeit vinden. Het gebeente is in je natuurlijke leven je structuur. Je gebeente is om je gestalte te geven. Zonder gebeente zou je vormloos zijn. Verge­lijk het gebinte (de balken) van een gebouw. Je kunt letterlijk zeg­gen: met je gebeente staat of valt alles. In de geestelijke wereld betekent je gebeente datgene wat een mens structuur geeft. Dat is je persoonlijkheid, dat is je identiteit. Dat is, dat je op een gegeven moment kunt zeggen: ‘Ik Ben’. Je gebeente is dus je gestalte, dat is de structuur van je wezen. Er staan een aantal unieke teksten over dat gebeente in de Bijbel. «De ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen»  Ps.34:16 «Hij behoedt al zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken» v.21. Dit is dan letterlijk vervuld bij Jezus aan het kruis. Zijn beenderen zijn daar niet gebroken. Bij die twee rovers aan weerskanten is dat wèl gebeurd. Dit heeft echter ook nog een diepere dimensie. Ook voor de ‘Mens Gods’ geldt, dat zijn beenderen niet zullen worden ge­broken. De diep­­­­ste identiteit van de rechtvaardige kan niet worden aangetast, de per­soon­lijkheid blijft intact. Het gebeente van je innerlijk, je inner­lij­ke struc­tuur wordt door God bewaakt. De duisternis probeert altijd weer je gebeente aan te tasten. De dui­vel probeert je identiteit te kraken. Hij probeert de mens zó ver te krij­gen, dat hij op een gegeven moment zegt: Nu weet ik ook niet meer wie ik ben. Dan kan de duisternis je ál­les wijsmaken. Bij David begint het herstel te komen en hij zegt: weet je nu hoe het bij mij begonnen is: «Mijn gebeente (mijn diepste identiteit) was voor U niet verholen, toen ik in het verborgene gemaakt werd» Ps.139:15. David zegt: in die verborgen wereld, in de gedachten van God, dáár werd ik gemaakt. «Uw ogen zagen mijn vormeloos begin» v.16. Ook het begin is reeds zeer belangrijk. Uw ogen hebben dat begin ge­zien; en dat zijn ogen van barmhartigheid. Dat zijn de ogen van ont­fer­ming, dat zijn de ogen vol van mede­dogen. God zegt: Ik heb je gezien; Ik heb je gezien, toen je nog helemaal aan het begin stond. Toen zag mijn oog al op jou neer. De uitdrukking vormeloos begin komt maar één keer in heel het Oude Testament voor. Letterlijk betekent dat woord: kluwen. Uw ogen hebben mijn ongevormde kluwen gezien. Als je dit nu be­trekt op dat borduurwerk, zie je het verband. Een borduurwerk of brei­werk wordt ook met een kluwen be­gonnen. En in die kluwen zit­ten reeds àl die draden. Zo is het ook met dat be­gin van de mens. Dat is dat oerbeeld, dat is het beeld, dat God van de mens heeft. Daar zitten al die draden al in. Straks gaat God al die dra­den te voor­­schijn brengen en gaat Hij er een patroon van maken. God gaat gestalte geven aan dat beeld, dat Hij in jou gelegd heeft. En dat gebeurt dan in al die dagen, die geformeerd zouden worden. «In uw boek waren zij alle opgeschreven, de dagen, die geformeerd zouden worden, toen nog geen daarvan bestond» v.16. Dan kan David inderdaad uitroepen: «Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God, hoe overweldigend is haar ge­tal» v.17. «Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan het zand; als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U» v.18 . Daar zie je, dat het zo belangrijk is om te ontwaken. Als je ontwaakt, ga je ontdekken waar je bent: ‘bij U’, bij God! Als de geest van de mens wakker wordt, gaat hij ontdekken waar hij is. Dan ontdekt hij: ik zit niet ergens in een nie­mandsland, ik zit niet er­gens tussen de wal en het schip, maar ik hoor bij God. Ik ben ook door Hem gekend. Daar begint David deze Psalm ook mee: «HERE, Gij doorgrondt en KENT mij» v.1. Deze zin is ook vaak weer negatief geïnterpreteerd. Zo van: God weet alles, hoor, pas op! Het werd zelfs wel gehan­teerd bij de opvoeding van kinderen: Pas op, God ziet het wel! Maar David is daar erg blij mee, hij is verheugd dat hij door­grond en gekend wordt. David vindt dat een zegen. En als God je nu kent, wat kent Hij dan van je? Niet je buitenkant, maar je wézen. Die buiten­kant is maar tijdelijk en ziet er over tien jaar weer heel anders uit dan nu. Al die uiter­lijke gestalten gaan weer voorbij. Maar als God je kent, kent Hij je identiteit. En waarom is dat nu zo fijn? Stel je eens voor, dat dat niet zo was, stel je voor dat God je niet kende. Dan zou er toch niemand zijn, die je kende. Niemand zou dan weten, wat er ín je was. En aan het eind van je le­ven gekomen, zou er niemand geweest zijn, die dan wist wie je was. Dan zou dat authentieke beeld van je vol­komen onder de tafel kun­nen verdwijnen, en er zou geen haan naar kraaien. Je zou kunnen sterven en in de vergetelheid kunnen raken, en niemand zou er ooit nog ach­terkomen, wie je geweest was. Maar omdat God jou kent, zegt God: Nu ga Ik dat beeld, dat Ik in je gelegd heb, te voorschijn roepen.

Je gebeente, je persoonlijkheid

Het gebeente vertegenwoordigt dus de structuur, de persoon­lijkheid van de mens.

Enkele teksten in dit verband: «Toen de man met het gebeente van Elisa in aanraking kwam» 2 Kon.13:21. «Zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg» Ps.32:3. «Niets is heel aan mijn gebeente vanwege mijn zonde» Ps.38:4. «Uw gebeente zal gedijen als het jonge groen» Jes. 66:14. «Been van mijn gebeente» Gen.2:23. «De beenderen voegden zich aaneen» Ezech.37. God gaat het beeld, dat Hij in de mens gelegd heeft, te voorschijn roe­­­pen. Je hebt hier ook heel wat voorbeelden van, die je in de Evan­ge­­liën tegenkomt.

Zacheüs

Iedereen had een beeld van Zacheüs. Als je in Jericho gevraagd had: kent u Zacheüs? dan hadden ze gezegd: u be­doelt die tollenaar? Ja, die kennen we wel; maar we gaan natuurlijk verder niet met hem om. Maar we kennen hem wel; ze hoeven mij niets over Zacheüs te ver­tel­len. We kunnen wel een boekje over hem opendoen. Als Zacheüs niet de boom in gegaan was, hadden ze hem er wel in ge­keken! En dan gaat Zacheüs de vijgenboom in. Hier zie je weer het­­zelfde principe als bij Adam: de mens gaat zich ver­stoppen. En dan zie je een geweldig geheimenis: Jezus haalt hem te voor­schijn. Hoe krijg je zo’n man nou de boom uit? Je kunt natuurlijk wel gaan staan schudden, maar het resultaat zal dan zijn, dat die man alleen maar kwaad wordt. Blijf van mijn boom af! Jezus weet precies hoe Hij Zacheüs te voorschijn moet roepen. En dat is een belangrijk geestelijk principe. «Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis ver­­­­­toe­ven» Luc.19:5. Jezus begint met een appèl op Zacheüs te doen. Hij nodigt Zichzelf bij Zacheüs uit. Hij prikkelt heel praktisch Zacheüs tot actie. Geen ver­oordeling, geen verwijten, maar op een heel spontane manier gaat Je­zus hem te voorschijn lokken: vlug naar bene­den komen. Za­cheüs wordt uit zijn tent gelokt, uit zijn boom gelokt. «En hij kwam vlug naar beneden en ontving Hem met blijd­schap» v.6. Daar zie je al een heel stuk innerlijk herstel. Zacheüs gaat ontdek­ken wie hij is. «En toen zij het zagen, morden zij allen en zeiden: Hij is bij een zondig man binnengegaan om zijn intrek te nemen» v.7. Dat was het enige beeld dat ze van Zacheüs konden bedenken: ‘een zon­­dig man’. «Maar Zacheüs ging staan en zeide tot de Here: Zie, de helft van mijn bezit, Here, geef ik de armen, en indien ik iemand iets heb afge­perst, vergoed ik het viervoudig».  Luc.19:8 Hoe komt Zacheüs nou op dat idee? Jezus heeft helemaal geen preek gehouden over geld. Jezus heeft niet tussen twee happen door ge­zegd: Zacheüs, betaal jij je tienden wel? Zacheüs, hoe zit het met jouw financiën? Jezus spreekt helemáál niet over geld, maar Zache­üs begint er spon­taan wèl over te spreken. Hij gaat geld weggeven! Zacheüs is overge­gaan van hebben op zijn. Zolang iemand moeite heeft met het zijn, moet je niet aan zijn heb­ben komen. Als je een paar dagen eerder tegen Zacheüs had gezegd: moet je niet eens wat geld overmaken, was hij waarschijnlijk kwaad gewor­den. Maar nu hij ontdekt heeft wie hij is, heeft hij met het hebben geen pro­­blemen meer. Als hebben het enige is, waar het in iemands leven om draait, dan wordt hij kwaad als je dáár aan komt. Als Stefanus zegt: God woont helemaal niet in die tempel, dan wor­den de schriftgeleerden woedend. «Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tan­den tegen hem».  Hand.7:54. De tempel was immers het enige, dat zij hadden. Dat zie je altijd: als je aan iets komt, dat het enige is, dat die per­soon heeft, wordt hij kwaad. Als je hem gaat af­pakken wat hij heeft, en waar hij zijn hele leven op gebouwd heeft, dan krijgt hij het ge­voel: mijn hele fundament wordt ondergraven. Zacheüs had altijd geleefd vanuit het hebben. Maar nu gaat hij leven vanuit het zijn. Daarom komt hij spontaan los van zijn geld. Vanuit het vinden van zijn identiteit, komt hij los van het zichtbare. Hij weet nu immers iets anders, hij weet nu wie hij is.

En dan zegt Jezus: «Heden is aan dit huis redding geschonken, omdat ook deze een zoon van Abraham is»  Luc.19:9. Jezus is de eerste, die dat van hem zegt. Dat werd in Jericho nooit van Zacheüs gezegd. Jezus ziet nog iets anders in die man. Hij ziet niet alleen die tolle­naar, maar Hij ziet het beeld, dat daarachter ver­borgen zit. Dat origi­ne­le beeld, dat altijd verstikt en onderdrukt was geworden. Zo wordt Zacheüs bevestigd: zoon van Abraham. Soms is een mens net als een huis. De ene bewoner komt na de an­de­­re. En elke nieuwe bewoner plakt weer een nieuwe laag behang over de oude. En op de duur zitten er misschien wel tien lagen be­hang over elkaar. Wat zou eronder zitten, vraagt de nieuwe bewoner zich af. Zo is het ook vaak met de mens. Je weet niet meer wat er in jezelf zit. Je ziet al­leen maar dat behang, je ziet alleen maar wat er overheen geplakt is. Dan komt Jezus en Hij gaat dat behang eraf halen. Hij zegt: Ik ga dat oorspronkelijke beeld te voorschijn halen. Wat je misschien niet eens wist: Ik zal je eens laten zien, wat voor muur eronder zit. Zacheüs gaat ontdekken wie hij is, hij gaat zijn oerbeeld terugvin­den. Hij gaat terugkomen tot zijn oorsprong: Zoon van Abraham. Dan komt de ziel thuis uit de ballingschap. God brengt terug. Ook in het verhaal van de Samaritaanse vrouw zie je, hoe Jezus men­sen weer laat zien, wie ze zijn. «En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik ge­daan heb» Joh.4:39. In Psalm 68 zie zo prachtig samengevat, dat God terugbrengt. «De Here heeft gezegd: Uit Basan breng Ik weder, Ik breng weder uit de diepten der zee».   Ps.68:23

God brengt terug!

En God brengt je oorspronkelijke menszijn terug: de mens naar Gods beeld. God gaat terugbrengen, ook al lijkt het, dat de mens he­lemaal spoorloos is. Uit Basan. Dat was ver weg, ergens in het Overjordaanse. En Basan betekende zoiets als slangenberg. Terugbrengen uit de hoogten, maar ook uit de diepten der zee. Zelfs als de identiteit van je ziel als het wa­re spoorloos verdwenen is, in de diepte van de zee, verdwenen in de religieuze wereld, in de occulte we­reld, in die gods­dienstige chaos:

God brengt weder.

God brengt weder uit de duisternis, die op de vloed was. Zelfs als het oerbeeld van je ziel helemaal verdwenen is in de diep­ten van de zee, in het klimaat van het dodenrijk, God brengt we­der! Dát is het Evangelie: Ik breng weder! Daar was Jezus mee bezig. Hij zegt: Ook díe tekst ga Ik vervullen. Jezus zegt: Ik breng weder, Ik breng terug. Ik haal ze terug, al moet Ik ze uit de diepten der zee halen. Jezus was ook drie dagen in het hart van de aarde, in het dodenrijk. Hij heeft ze ook daaruit weder gebracht en te voorschijn gebracht.

De schepping zucht

«Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het open­baar wor­den der zonen Gods» Rom.8:19. Paulus komt hier tot een afsluiting van die eerste acht hoofdstuk­ken. Daar heeft hij dan verteld wat hij gelooft. Je zou kunnen zeg­gen: dat was zijn fundament, dat waren zijn geloofsbrieven. Aan het eind van hoofdstuk 8 zegt Paulus als het ware: Nu hebben we alles behandeld en op een rijtje gezet en wat blijft er nu over? R­omeinen 8 vanaf vers 18 is een soort slotpreek. In vers 19 wordt gesproken van het onthuld worden van de zonen Gods. Dan gaat de bedekking eraf. Nu wandelen ze nog bedekt, ze lo­­­pen nu nog met een sluier om. «Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrij­willig, maar om (de wil van) Hem (of: hem), die haar daaraan onder­wor­pen heeft»  v.20. Dat hem moet toch wel met een kleine letter. In de oor­spronkelijke tekst staan geen hoofdletters. Soms alléén maar hoofdletters. In de oud­ste handschriften staan alleen maar hoofdletters. Bij hem kun je denken aan de grote ver­stoorder, de saboteur. Kleys Kroon zou zeg­gen: de chaotiseur, hij die altijd de boel in de war heeft gestuurd, de satan, de hinderaar. De duivel heeft heel de schepping on­der de on­vruchtbaarheid gebracht. Maar dan staat er in het vervolg: «In hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heer­­lijkheid der kin­deren Gods». v.21 Paulus geeft hier een paar oer-Joodse thema’s aan: zo Joods als het maar kan. Zo oer-Hebreeuws als het maar kan wezen. Het is alsof je komt aan het eind van het concert: acht hoofdstukken lang heeft Pau­lus daar muziek gemaakt voor de gemeente. En hier aan het slot krijg je een fuga. In die fuga heb je twee tonen: majeur en mineur, po­sitief en negatief: blij en somber. Die twee tonen gaan een sym­fo­nie vormen: je kunt ze niet van elkaar scheiden. Het gaat harmo­nisch met elkaar klin­ken. Paulus doet dat hier ook. Het is, alsof hij al die tonen bij elkaar roept en ze het slotakkoord laat vormen. En het slotakkoord wordt Jood­ser dan Joods, Hebreeuwser dan He­breeuws. Paulus zegt: nu gaat het om drie of vier punten:

Het gaat in de eerste plaats om de schepping

1. Het gaat om de héle schepping. Dat is een van die basisgedachten van­­af Genesis. Je moet niet te klein den­ken. Als het over herstel gaat, heeft God héél de schep­ping in beeld. Want God heeft de schep­­ping nooit losgelaten, van meet af aan is Hij de Schepper.

D­aarom vind ik het altijd mooi om een dienst te beginnen en te zeg­gen: “Onze hulp is in de naam van de Heer, die de hemel en de aarde omvat houdt. Die trouw blijft tot in alle geslachten”. Hij omvat de hemel en de aarde, dat is de ruimte. Hij blijft trouw tot in alle geslachten, dat is de tijd. “En die niet loslaat het werk, dat Hij in ieder van ons begonnen is”. En hier kun je ook nog achter zetten: “En die heel de schepping tot voltooiing brengt”. God kent je vanaf het begin en Hij draagt je tot het eind. Dat is het eerste punt, dat Paulus hier noemt. En God omvat heel de schep­ping. In zijn handen is heel dat bestaan, in zijn handen is heel de wer­ke­lijk­heid, in zijn handen is alles wat leeft en ook alles wat niet weet, hoe het leven moet. In zijn handen is alles wat bloeit, maar ook alles wat nooit tot bloei kon komen. Ook het geknakte riet is in zijn handen. En dan denk je aan die dominee uit Middelburg, Smijtegeld, die honderd­vijf­enveertig preken heeft gehouden over het ge­knakte riet. Hij zal het geknakte riet (Jes.45) niet verbreken. En de kwijnende vlas­­pit zal Hij niet uitdoven. In zijn handen is alles wat leeft, maar ook alles wat het leven maar niet kan vinden en niet weet hoe het allemaal moet. God is altijd groter; Hij is groter dan je hart; Hij is ook groter dan ál­le harten. Hij is ook groter dan de mens die de weg naar het eigen hart niet vinden kan.

Het gaat ook om het lijden

2. Daar heeft Paulus het ook over in zijn slotakkoord.

Hij zegt: heel de schepping zucht. ‘Het ganse schepsel zucht’, zo staat het dan in de SV. Maar er komt ook nog een dag dat je kunt zeggen: ‘Het ganse schepsel zingt’. Maar dat komt nog; daar zitten we ergens tussenin, tussen: het ganse schepsel zucht en het ganse schepsel zingt.

De Joodse traditie is altijd sterk bezig geweest met het lijden. Het lij­den is niet te begrijpen, het lijden valt niet te rijmen, het leven rijmt niet. De hinderaar zit ertussen, de chaotiseur. Maar waarom kun je die dan niet ‘wegbidden’? Waarom kun je die soms dan wegbidden, maar soms ook weer niet? Soms kun je alles bij elkaar gaan bestraffen, maar het lijkt wel of het niet helpt. Heb je dan niet goed gebeden? Iemand zei eens: je zou in de gemeente een klaagmuur moeten heb­ben. Een plek, waar je kunt uithuilen. Een plaats om te huilen over het onverklaarbare leed. Het leed, dat jou soms ook treft. Kon je het lijden maar plaatsen: rubriek duisternis. Maar heb je dan de zaak opgelost? Soms helpt dat, om te zeggen: ja, daar komt het van­­daan. Soms schijnen mensen daar heel veel troost uit te kunnen putten. Z­e zeggen dan met een stralend gezicht: de duivel heeft me van de week toch weer zo te pakken gehad! Maar ik ben er doorgekomen; we weten tenminste wie er achter zit.

In hope echter’

3. Nu heb ik nog een derde punt, zegt Paulus, dat is de hoop.

‘In hope echter’, zegt vers 21. Het lied van de hoop, het lied van de verwachting, dat nooit sterft. Nooit zonder U, nooit zonder God.

Die hoop reikt wereldwijd

4. Die hoop heeft kosmische afmetingen. Want heel de schepping zucht. En heel de schepping zal bevrijd worden. En dat begint bij de kinde­ren Gods, bij de zonen Gods. Maar uiteindelijk zal heel de schep­­ping daarin meedelen. En dan is er eigenlijk nog een vijfde the­ma.

Het drievoudige zuchten

5. Ook wij zuchten.

«Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen ZUCHT en in barensnood is» v.22. «En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste ga­ve ont­van­gen hebben, ZUCHTEN bij onszelf in de verwachting van het zoon­­schap: de verlossing van ons lichaam».   v.23. En dan ook nog: de Geest zucht. «En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuit­sprekelijke VERZUCHTINGEN» v.26 Daar heb je het drievoudige zuchten: de schepping, wij en de Geest die in ons is. En dat zuchten heeft iets van die barensweeën. Een vrouw die in ba­rens­nood is, gaat ook zuchten, net zolang tot het kind komt. En dat hoop je dan ook. Zo geeft Paulus als het ware zijn laatste concert. Hij zegt: die muziek heeft ook allerlei toonsoorten. Je hebt allerlei soorten muziek. En soms, als ze in bepaalde kerken de Psal­men zingen op hele noten, klinkt dat als een soort oergezang: daar kun je dan heel je hart in leggen, ook heel je verdriet. Die ver­schil­lende soorten muziek worden helaas vaak tegen elkaar uitge­speeld: de één zweert bij dit, de ander bij het tegengestelde. Of het is uitbundig, óf het moet juist weer heel somber zijn. Allebei kan blijk­baar niet. In sommige gemeenten zingen ze zo jachtig, net alsof ze al­tijd haast hebben. ‘t Hijgend hert der jacht ontkomen. De één is nog aan het hijgen, de ander is al ontkomen. Op Flakkee gebeurde het eens in een kerkdienst, dat de ge­meente steeds sneller ging zingen dan het orgel speelde. Midden in een cou­plet stopte de organist en riep over de balustrade: niet zo jagen men­sen! En toen speelde hij weer verder. Dat moet je tegen sommige ge­meen­ten ook wel eens zeggen. Doe maar rustig aan, je hebt alle tijd, je begint pas. Er is een tijd om uitbundig te zijn, en er is een tijd om in te keren en stil te wor­den, de diepte te ervaren.

Lijden is vaak onverklaarbaar

Lijden is heel vaak onverklaarbaar. Vaak schijnt er ook een wille­keur te zijn. De een treft het goed en de ander heeft niets dan moei­lijk­he­den. De een lijkt altijd voorspoed te hebben en de ander krijgt slag op slag te verwerken. En dan moet je oppassen om niet schul­di­gen te gaan zoe­ken. Soms hoor je dan – en dat klinkt ook zo troos­te­loos – de ge­meen­te is nog niet zo ver. Ie­mand zei eens: als je een volmaakte gemeente vindt, moet je je er niet bij aansluiten, want dan is die niet volmaakt meer! Daar kun je het dan mee doen.

In een oud Joods verhaal komt een vrouw bij een rabbi en ze stelt hem de vraag: Bestaat God? Rabbi, ik heb zo’n moeilijk leven gehad en ik heb zo veel meegemaakt, vertelt u me nou eens of God bestaat. Ik weet het niet meer. De rabbi geeft niet meteen antwoord, hij loopt naar het raam en opent het venster. Hij loopt weer terug en opnieuw gaat hij naar het raam en sluit dan het venster. Hij gaat zitten en neemt de handen van de vrouw in de zijne. Hij zegt: voordat jij gebo­ren werd, was je bij de Eeuwige. Hij heeft je gemaakt, Hij heeft je be­dacht: vanaf dat allereerste moment, vanaf de conceptie. En toen kwam je als baby ter wereld. Daarna moest je met mènsen verder. Dat kan soms heel pijnlijk zijn, dat is soms een heel harde weg. Le­ven te midden van de mensen, óverleven misschien. De vrouw begon te hui­len. De rabbi legde zijn han­den op haar hoofd en zei één ding: Vrouw, je moest eens we­ten, hoezeer de Eeuwige al die tijd naar jou heeft verlangd! Je moest eens weten, hoezeer Hij naar jou heeft uitgekeken. Toen de vrouw weg was, ging de rabbi nog eenmaal voor het raam staan. En hij zei: God, had er nou niet één vogel kun­nen zingen? Toen ik het raam open deed voor deze vrouw, had er toen niet één vogel voor haar kunnen zingen?

Psalm 139

De Psalmdichter van Psalm 139 heeft dat ook diep aangevoeld. Hij zegt: «Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij. Het begrijpen is mij te wonderbaar,  te verheven, ik kan er niet bij. Waarheen zou ik gaan voor uw Geest,  waarheen vlieden voor uw aangezicht? Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde – Gij zijt er; Ook in het dodenrijk – daar is God ook.  nam ik vleugelen van de dageraad,  ging ik wonen aan het uiterste der zee… ook daar zou uw hand mij geleiden,  uw rechterhand mij vastgrijpen. dan is de nacht een licht om mij heen; zelfs de duisternis verbergt niet voor U,  Zeide ik: Duisternis moge mij overvallen, maar de nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht»  Ps.139:5vv. Als je naar de hemel gaat, ben je bij God. Als je naar het dodenrijk gaat, ben je óók bij God. En als je dan wakker wordt: «Als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U» v.18. God omvat je dagen en je nachten. God omvat je hoogte en je diepte. Ook de raadselen zijn in zijn hand. Als ik bid voor iemand, dan ben ik geneigd om te zeggen: het is niet voor mij een soort uitverkiezing, wil God nu wel of niet. Het is voor mij eigenlijk meer dit: dat ik ie­mand mag brengen in de handen van de Eeuwige. God is die grote aanwezigheid, die alles omvat, die je hele bestaan om­­­vat, ook de hoogten en de diepten. Ook de misluk­kingen en ook het falen. Hij omvat al die verschillende be­staansvormen: ook die mens die ge­han­dicapt ter wereld komt: ook die mens die misschien niet eens weet, dat hij er is. Dan kun je nog maar één ding zeggen: dit leven is geborgen in dat ene geheimenis. God is een Geheimenis.

Een liedregel zegt:

‘Alles komt en gaat, totdat het voortbestaat’.

Heel die schepping wacht op dat voortbestaan.

De psalmdichter van Psalm 139 heeft dat ook gezegd: «Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven» Ps.139:13 Toen was je al van God, bij God. Je was al bij God vanaf de eerste dag, dat je ontvangen werd: «Mijn gebeente was voor U niet verholen, toen ik in het verborgene gemaakt werd, gewrocht in de diepten van het aardrijk   v.15  uw ogen zagen mijn vormeloos begin».  v.16 Dat zijn de ogen van het hart, de ogen van de ontferming. “Zij die heimwee hebben zullen thuiskomen”. Soms is er diep in het hart van een mens misschien alleen dat heim­wee, soms met het accent op wee: op de pijn, de pijn van het verlan­gen naar huis. ‘God des levens, ach wanneer’.«Uwer is de dag, uwer ook de nacht».

Zo zegt de Psalmdichter het in Psalm 74:16. Hij spreekt vanuit de balling­schap, wanneer de tempel is verwoest. De dag is van God; alles werkt mee, je hebt een open hemel, dan kun je voort van kracht tot kracht. Maar de nacht is ook van God. Dat be­tekent niet, dat God die nacht maakt; God zegt niet: nu moet je maar eens een poosje in de nacht zitten. Maar de nacht is wel van Hèm: Hij omvat die nacht met zijn aanwezigheid.

‘Achter elk mensenlot, hoe Godvergeten ook, brandt de vlam van Gods gelaat’.

In de nacht is God bij je. Zoals een lied zegt: Hij kent ons nog in de dood….

Zo was Jezus ook. Hij zegt: Ik ben bij je: alle dagen, maar ook alle nach­ten. Ik laat je nooit vallen; ook niet in het laatste uur: ook niet als je het niet meer kunt volgen. Ook in die situaties brandt de vlam van Gods aanwezigheid, van zijn hart. Hij neemt je op in zijn handen. Hij neemt je op in zijn hart. Hij neemt je op in dat geheimenis, in dat mysterie. Soms zie je het niet; soms kijk je door een sluier. Soms is God de Ver­borgene. Dat zegt de profeet ook: «Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, de God van Is­ra­­­ël, een Verlosser». Je kijkt dan door een sluier: misschien wel door de tralies. En dan kun je maar één ding zeggen: God, U bent er wel, áchter de sluier, achter de tralies. U bent er ook ín, U bent er ook omheen, U omvat heel mijn bestaan met alles wat ik ben en met alles wat ik niet ben. U omvat mij met uw macht en met mijn onmacht. Ik ben in uw hand, en U omvat mijn leven. Van U is de dag en van U is ook de nacht. Ook dan ben ik niet zonder Hem. Toch niet alleen, ook al blijft het raadsel. Misschien is alleen daar die aanwezigheid, die jou omvat. Niet zozeer een vraag en antwoord. Maar veel meer die aanwezigheid, die jou omgeeft. Wat er ook gebeurt. Dan ben je toch bij Hem. En Hij is bij jou. Het laatste woord spreekt Hij Zelf.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391867 bezoekers sinds 07-06-2010