Midrasj

23-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Midrasj omvat vele genres en is niet zozeer een literaire vorm als wel een­ manier van denken over de Schrift; verder een manier van ant­woor­den op de woorden van de Schrift. Die manier van denken, die gees­teshouding, heeft bepaalde literaire structuren voortgebracht. Midrasj is een bepaalde hermeneutiek (bijbeluitleg), creatief in vorm, the­ologisch in inhoud.  Dit houdt in: nieuwe verhalen (verhaalstructuren) worden ont­worpen door­ (en vanuit) het omgaan met schriftteksten. Dat nieuwe verhaal heeft­ een exegetische functie, het maakt het bijbelse woord relevant voor­ nu, voor huidige theologische behoeften.

Jezus als midrasj-leraar

Marcus 4

Hier zien we Jezus als midrasj-leraar, sprekend in ge­lijkenissen. De pa­­rabel is de eerste vorm van het midrasj-verhaal. Hij her­in­ter­pre­teert­ eindtijd-tradities door een midrasj te ontwerpen op Genesis. Het basisdoel van midrasj is: de Schrift toegankelijk maken. De hag­ga­dische midrasj wordt omschreven als: ‘handvat maken voor de To­rah’.­

Waarom zijn er handvatten nodig?

1.Om leemten op te vullen in het bijbelverhaal dat vaak “beladen!” ismet achtergrond, maar zuinig met details {EricAuerbach

2. Om leemten in stijl of syntaxis (zinsbouw) van een glosse (ver­k­la­rende kant­tekening) te voorzien.

3. Om het bijbelwoord relevant maken voor een volgende generatie. Dus te­gelijk bewaren èn her-scheppen.

De tekst is een textuur, een weefwerk, maar met tussenruimten tus­sen­ de draden. Robert Alter spreekt van een intern zinspelend karakter; de leemten van­ de ene tekst worden gevuld door die te verbinden met een an­de­re­ tekst. Dit is wat de Bijbel zelf ook doet: intertextualiteit. Boyarin zegt: de rabbijnen hebben dit principe overgenomen van de Schrift­ zelf. Dus twee basisprincipes: leemten opvullen en de tekst open­houden voor­ elke generatie. De ene tekst interpreteert de andere; zo wordt volgens een uitspraak van­ Michael Fishbane via een lang en gevarieerd proces de traditum ge­tradeerd (de traditie doorgegeven). De Bijbel is, in elk geval voor de farizeeën, een bron van steeds nieu­­­we openbaring en leiding, door levende interpreta­ties. De in­ter­pre­­ta­tie heeft deel aan het karakter van de Schrift; de rol van de in­ter­pre­tatie is niet maar esthetische verfraaiing, maar is die van het uit­een­zet­ten, het actualiseren. Het veld van het woord (de actie-radius) moet­ wor­­den uitgebreid tot op het heden.

Het volgende beeld wordt gebruikt: de Torah is de stam (van de boom),­ de Profeten zijn de bastschillen en de Psalmen vormen de hars­­­­laag, die zorgt dat de stam kan blijven functioneren.

De viervoudige Schriftzin       (Albert v.d. Heide):

1. Pesjat: de letterlijke zin.

2. Remez: de verborgen aanwijzing, zoals onder andere in de allego­rie.

3. Derasj: de haggadische omgang met de Schrift (haggadah = verhaal)

4. Sod: geheimenis, mysterie: diepere betekenis.

De herïnterpretatie is nooit willekeurig of subjectief, zij wordt ook niet­ zomaar aan de tekst opgelegd. De betekenis van een tekst wordt op­nieuw ‘gecontextualiseerd’ (in een tekst­verband geplaatst) door er een­ andere tekst naast te zetten. De spreker is een nieuw-oude stem. Een stem uit het heden, die ou­de­re taal onder woorden brengt om­ op die manier de traditie weer ei­gen te maken. Fishbane spreekt­ hier van binnen-bijbelse exegese. Gren­zen van teksten vallen daar­bij weg. De herïnterpretatie blijft gebonden aan de tekst, maar de aan­leiding tot­ herïnterpretatie kan extern zijn, zoals een crisis in de ge­schie­de­nis­ of in de theologie. Zo vergde bijvoorbeeld de val van Jeruzalem en de tempel een nieu­we,­ creatieve exegese. De midrasj heeft hier een dubbele functie: exegetisch en homiletisch. (on­derricht vanaf de kansel). Het gaat hier om de oudste preken in de­ synagoge. De ‘midrasjist’ pakt de draad van de profeet op. Er is een wisselwerking tussen haggadah (verhalen) en halakah (let­ter­lijk: brood voor onderweg); het haggadische denken voedt de ha­la­kah. Omgekeerd: de halakah geeft duurzaamheid (perma­nency) aan de­ hag­gadah; zo is er sprake van permanente patronen en le­vens­vor­men.­ Midrasj functioneert ook om de kloof tussen men­sen en tussen ge­lo­vi­gen te overbruggen. Er ontstaat niet alleen een dialoog tus­sen tek­sten,­ maar ook een dia­loog tussen gelovigen. Daarin is er ruimte voor­ het conflict. Het huis van midrasj biedt plaats aan gesprek, aan an­­dere interpretaties. Midrasj is niet een vorm, maar een manier van leven, een bestaans­con­­ditie. Een wijze van opmerken en het oog krijgen voor nieuwe ge­zichts­punten. Julia Kristeva zegt: “Elke tekst is een absorptie en transfor­matie van an­dere teksten”. Dat kan op diverse manieren: didactisch, zinspelend, synthe­tisch re­de­nerend, anecdotisch, folkloristisch, als raadsel of parabel. Latere teksten interpreteren en herschrijven vroegere. Ook wordt het beeld­ van het rijgen van parels gebruikt: de woorden van de Torah wor­­den aaneen geregen; van de Torah naar de Profeten en van de Pro­feten naar de Ketubim (de Geschriften). Het gaat bij midrasj dus om de wisselwerking tussen de teksten van de­ Schrift. Hierbij kan gesteld worden, dat elk deel kan verwijzen naar­ een ander deel en ook weer kan worden geïnterpreteerd door elk­ ander deel. Hierbij kunnen we drie strategieën onderscheiden:

1. Een creëren van een mozaïek van citaten.

2. Het naast elkaar zetten van disparate (ongelijksoortige) teksten om, ze met elkaar in gesprek te brengen (het dia­logisch effect).

3. Het combineren van oude teksten met culturele codes van nu.

De midrasj is dus navolger van wat de Schrift zèlf doet: er wordt zo recht­ gedaan aan het intern zinspelend karakter van de Schriften. Het naast elkaar zetten van twee disparate teksten kan een nieuwe of­ een derde tekst voortbrengen. Soms stemmen de citaten met el­kaar­ overeen, soms niet. Een voorbeeld: «Toen liet Mozes de Israëlieten opbreken van de Schelfzee en zij gin­gen­ naar de woestijn Sur»  Ex.15:22. De midrasj op deze tekst zegt: God is toch altijd de opdrachtgever? Rab­bi Eliëzer zegt dan: Ja, God blijft de bevelhebber, maar de tekst wil­ laten zien, dat het volk vertrouwen had in Mozes. Zie in dit verband: «Zeg tot de Israëlieten, dat zij teruggaan» Ex.14:2. «En zij deden alzo» Ex.14:4. En ook: «Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen­ gij Mij gevolgd waart in de woestijn» Jer.2:2. Deze twee teksten illustreren, hoe Israël geloof had. Daartegenover kun­­­nen we teksten plaatsen, om aan te tonen dat er geen geloof was.­ «Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren? En zij zei­den tot elkander: Laat ons een hoofd aanstellen en naar Egypte te­rug­keren»  Num.14:3,4. «Zij weigerden te horen en gedachten de wonderen niet die Gij onder hen­ gedaan hadt, en verhardden hun nek en stelden in hun we­der­span­­nigheid een hoofd aan, om terug te keren tot hun slavernij».

Neh.9:17. We zien in bovenstaande teksten dus een dialectiek, gecen­treerd ron­d­­­om het woord terugkeren. Zo is de lezing van R. Eliëzer een echo van de twee stemmen die we in­ de Tenach horen; van de interpreterende tradities binnen de ca­non.­

R. Eliëzer: ze waren getrouw aan het leiderschap van Mozes; an­der­zijds:­ de zin uit Exodus 15:22 betekent: Mozes leidde hen tegen hun wil­ met een stok; zo zijn er twee kanten aan dit vers. Midrasj wil de tekst niet opsluiten in één schematische uit­leg, maar wil­ juist de tekst ontsluiten in zijn veelzijdigheid. Midrasj brengt een stem­ niet tot zwijgen, maar laat juist de diverse stemmen spreken.

Masjal

Alle eerdergenoemde aspecten vinden we in de masjal. Deze is het pro­to­type van alle midrasjim. Een masjal is als een koning, die een kost­­bare munt of een kostbare parel verloren had; met behulp van een­ lampje dat maar een paar stuivers waard was, vond hij hem te­rug.­ Laat daarom de masjal niet licht zijn in uw ogen, want daardoor leert­ men de woorden van de Torah begrijpen. De masjal begint bijna al­tijd met de inleidende formule: ‘waaraan is dit gelijk?’ Het dit geeft de­ leemte in de tekst, die op­gevuld moet worden, aan. De masjal ein­digt­ vaak (niet altijd) met een nimsjal, die ingeleid wordt door het woord­ evenzo.

Kenmerken van een masjal-verhaal:

1. De wens om de schrifttekst te interpreteren; de interpre­tatie is in­di­rect, via vergelijking, niet rechtstreeks via uitleg. De ver­gelijking is tweevoudig: vergelijking met andere schriftverzen en­ een analoog ver­haal. Dit verhaal bindt de schriftverzen te­zamen. Het bindt tekst aan tekst en vormt zo een intertekst, een­ parallel-ver­haal.

2. De masjal interpreteert de bijbeltekst.

3. De nimsjal interpreteert de masjal.

4. De masjal vult het gat tussen twee teksten op. Als verhaal verleent hij­ indirect betekenis.

5. De nimsjal is een oriënterende structuur, bedoeld om de context van­ de masjal te verhelderen, te verbreden.

Marcus in zijn historische context

Het verhaal van Marcus dateert van vlak na de verwoesting van de tem­­­pel. De Romeinen hebben het Joodse verzet uiteengeslagen. Dui­zen­den zijn vermoord, de overigen opgejaagd, weggedreven, tot slaaf ge­­maakt. Het Evangelie van Marcus is geschreven op de massagraven. Het land,­ de tempel is een doodsgebied en dan zwijgen we over de mas­sa­­­graven. Marcus weet echter, dat zwijgen niet helpt. Wie zwij­gend over­­gaat tot de orde van de dag, wordt cynisch; daarom roept hij zijn be­richt uit, midden in het doodsgebied. Marcus spreekt als het ware óp­ de massagraven over het lege graf. De Messiaanse beweging mag niet­ dood zijn, de Messiaanse mens, op wie hij vertrouwde. In­te­gen­deel,­ het Messiaanse visioen zal worden voortgezet, in Galilea. Niet de dood zal overheersen, maar het lege graf, dat een teken van le­­ven is. Op de plaats van de massagraven wordt het ver­haal verteld van­ het graf, dat leeg is. Dat is een geloofsver­haal. Meer zegt Marcus niet. Hij vertelt het wezenlijke. Het laatste woord in­ zijn Messiaanse profetie, zijn profetie over het Messi­aanse leven, is­ niet voor niets: angst. Daarom knoopt Marcus aan bij Jesaja, het ver­haal van de terug­keer uit de ballingschap. Daarom is zijn eerste woord: begin. Dat herinnert aan Genesis 1, hoe­ God wanhoop ombuigt in hoop. God markeert het begin, Hij doet­ cha­­os omklappen tot schepping. De oude weg wordt opnieuw ge­mar­keerd. Jeruzalem ligt er voor dood bij, in de tijd van Jesaja 40 ook. Net als de­ dood, de afgrond in Genesis 1, zo ook in het jaar 70. Net als in de Torah: na het slot van Deuteronomium begint men weer­ te lezen in Genesis 1. Zo ook: na Marcus 16 gaat men weer le­zen­ in Marcus 1. Vanuit het lege graf wordt dan gehoord: begin van het Evangelie, be­gin­ van de vreugdetijding. Vanuit de angst die overheerst in het land, dat verwoest ligt, heeft Mar­­cus in verbondenheid met de Joden aldaar en in de di­aspora, over­ zijn visioen geschreven. Wat is dan dat begin? Het is de werkelijkheid waarover Jesaja sprak: er­ wordt een weg bereid. Er gaat een bode vooruit en die roept dat de weg­ moet worden vrijgemaakt van obstakels, omdat de heerlijkheid van­ de Eeuwige zich zal laten zien. Dat is Messiaanse taal bij uit­stek!­

Het motief van de vrees

Het woord vrees komen we heel wat keren in het Marcus-Evan­gelie te­gen: phobeoo.

«Waarom zijt gij zo BEVREESD?»  (storm op het meer- 4:41).

«En zij werden bovenmate bevreesd»  (4:41).

«En zij werden bevreesd»  (bezetene – 5:15).

«De vrouw nu, bevreesd en bevende»  (bloedvloeiende vrouw, 5:33).

«Wees niet bevreesd, geloof alleen»  (Jaïrus – 5:36).

«Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd!»  (Jezus gaande over het­ meer – 6:50). «Doch zij begrepen dit woord niet en durfden Hem er niet naar te vra­gen» (aankondiging lijden – 9:32). «Zij waren verbaasd en zij, die volgden, waren bevreesd» (aankondiging lijden – 10:32). «Want zij waren bevreesd voor Hem, omdat de gehele schare versteld stond over zijn leer» (11:18). «En zij trachtten Hem te grijpen, maar zij vreesden de schare» (12:12). «En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en­ ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd»  (16:8).

Het motief van de weg (gaan)

«Die uw weg bereiden zal»  (1:2).

«Bereidt de weg des Heren» (1:3).

«Door de korenvelden ging…onder het gaan»  (2:23).

«En onderweg vroeg Hij zijn discipelen»  (8:27).

«Waarover waart gij onderweg in gesprek?»  (9:33).

«Want zij hadden onderweg erover gesproken, wie de meeste was»  (9:34).

«Werd hij ziende en volgde Hem op de weg»  (10:52).

«Maar Gij leert de weg Gods in waarheid»  (12:14).

«En een deel langs de weg viel»  (4:4).

«Dit zijn degenen, die langs de weg zijn»  (4:15).

«Niets mede te nemen voor onderweg»  (6:8).

Zoals Jesaja gesproken heeft, zo geschiedt het:

1. Dat Johannes optreedt;

2. Dat Jezus zijn weg aanvaardt.

Dat is de proloog in zijn twee delen, zo vertelt Marcus zijn verhaal: de­ weg van Johannes en de weg van Jezus. Zij worden verteld als een­ midrasj op het woord van Jesaja. In het jaar 69 brak er een grote brand uit in Rome en de tem­pel van Ju­piter op het Capitool werd tot as. Tevens was daar de voorspelling, dat­ er een vorst zou opstaan uit het oosten, die een einde zou maken aan­ het Romeinse Rijk. De genoemde brand werd beschouwd als een slecht­ voorteken, daarom zette men het beleg van Jeruzalem met des te­ grotere kracht voort, hetgeen resulteerde in de val van de stad en de­ verwoesting van de Tempel. In het jaar 70 komen de aanduidingen deze eeuw en de komende eeuw­ in zwang. Vóór die tijd zijn referenties in de rabbijnse literatuur schaars.­ Aan het eind van de eerste eeuw schijnt de termino­logie zich­ te hebben gevestigd. Blijkbaar begon het besef van hunkering naar­ de komende eeuw te leven, juist vanuit de puin­hopen, de ga­loet­ die met het jaar 70 opnieuw een aanvang nam. Met lette in dit ver­band op de intocht in Jeruzalem (Marcus 11): de roep klinkt uit de­ hallel-psalm: Hosanna! Verder: Gezegend die komt in de naam van­ de Here! Gezegend het komende Koninkrijk van onze vader Da­vid,­ ho­sanna in den hoge(n). We zien, dat hier de naam van David valt, die ook geklonken heeft bij­ de blinde Bartimeüs (Marcus 10:47,48). De formulering “Gezegend is het komende Koninkrijk” is uniek. Zij komt­ niet voor bij de rabbijnen, ook niet in de parallel-teksten. Wel valt te denken aan de Qaddisj, waarin deze regels: Moge zijn koninkrijk spoedig heersen in onze dagen, in ons eigen le­ven,­ en in geheel Is­ra­ël. Ook aan de woorden uit de veertiende bede van de Amida:

En naar Jeruzalem, uw stad,

met erbarmen zult Ge terugkeren

en Ge zult wonen in haar midden,

zoals Ge gesproken hebt.

En bouw haar binnenkort, in onze dagen,

een bouwwerk voor altijd  (‘olam)

en de zetel van David

zult Ge snel in haar midden oprichten.

Gezegend zijt Gij, Adonai, die Jeruzalem bouwt.

Vier punten spelen een rol in deze bede:

De terugkeer van God,

Zijn wo­nen,­

Bouwwerk van de eeuw,

Zetel van David.

In de versie zoals die ge­vonden is in de Geniza van Kaïro, luidt de bede aldus:

Erbarm U, Adonai, onze God, in uw grote erbarmingen

over Israël uw volk

en over Jeruzalem uw stad

en over Tsion,

de woonstede van uw kabod

en over uw tempel

en over uw ver­blijfplaats

en over uw koningschap

van het huis Davids,

de masjiach van uw tsedeq;

gezegend zijt Gij, Adonai, God van David en bouwer van Jeruzalem. En in de vijftiende berakah: De spruit van David, uw knecht, doe die snel uitspruiten en laat zijn hoorn verhoogd wor­­­den, door uw bevrijding. Want op uw bevrijding hopen wij al de dag (heel de dag). Ge­zegend zijt Gij, Adonai, die de hoorn van bevrijding doet uit­sprui­ten.­

Van Betanië  via Jeruzalem naar Be­ta­nië

Daarbij valt op: de intocht omvat bij Marcus de verzen 1 tm.11 van hoofd­stuk 11, dat wil zeggen, dat de intocht eindigt met: «En Hij kwam te Jeruzalem in de tempel. En nadat Hij rondom alles over­zien had, vertrok Hij, toen het reeds laat op de dag was, naar Be­­tanië, met de twaalven» Marc.11:11. Het elfde vers is de anticlimax: Jezus gaat binnen, overziet, en gaat naar­ buiten. De beweging voltrekt zich van Betanië (v.1) via Jeruzalem naar Be­ta­nië (v.11). En dan te bedenken, dat de lezer de puinhopen van Je­ru­za­lem­ en de verwoesting van het heiligdom voor ogen heeft.

De gruwel der verwoesting

«Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting ziet staan, waar hij niet be­hoort – die het leest, geve er acht op – laten dan die in Judea zijn, vluch­ten naar de bergen»  Marc.13:14. Dit is een expliciete verwijzing naar de profeet Daniël, waardoor ook hel­der wordt, hetgeen geschreven is in 13:24: «Maar in die dagen, na die verdrukking (dat is de belegering en­zo­voorts­ in de jaren 66-70) zal de zon verduisterd worden en de maan haar­ glans niet geven; de sterren zullen zijn val­lende uit de hemel en de­ krachten die in de hemelen zijn, zullen geschud worden, en dan zul­len zij de Zoon des mensen zien, komende in wolken met veel kracht­ en heer­lijk­­­heid»  Marc.13:24 ev. Dit is een gedeelte, dat enkele citaten aan elkaar verbindt: Je­sa­ja 13:10 en Jesaja 34:4, alsmede Daniël 7:13. «Dan zal Hij zijn boden uitzenden en zij zullen inzamelen de uit­ver­ko­re­nen uit de vier winden van het uiterste der aarde tot het uiterste des he­mels»  Marc.13:27. Dit verwijst naar Deuteronomium 30:4. Vanaf het jaar 70 was de zon inderdaad verduisterd en gaf de maan geen­ glans meer. We zien hier: de midrasj op Jesaja­teksten wordt ge­kop­peld aan een midrasj op Deuteronomium 30. Als tus­senschakel fun­­geert de Daniël-tekst over de Mensenzoon, die zal komen en zijn bo­den (engelen) zal uitzenden om de ballin­gen in te zamelen.

Over­leven in de­ ontluisterde streken van Judea

De kernvraag bij Marcus (en ook bij Mattheüs) is: hoe te over­leven in de­ ontluisterde streken van Judea. Daar is het verlangen naar de wer­­­­kelijke Zoon van David, die het volk zal bevrijden uit dood en wan­­­hoop. De verborgenheid van God is in de Evangeliën een markant aan­we­zig­ gegeven. Het is een misverstand om te denken, dat met de komst van­ de Messias alle verborgenheid voorbij is.

Stemmen in Marcus

Alle Evangelisten beginnen met een verhaal over de Stem uit de he­me­len (Marcus 1:11). Die stem is de bat qol; eerder sprak God in de pro­feten, nu spreekt Hij in de bat qol, dat is de echo, de dochter van de­ stem. Daarbij is het frappant, dat die bat qol in wezen iets zegt, wat al in de­ Schriften te horen was: een mengcitaat anuit Jesaja 42:1 en Psalm 2:7. Let ook op het verband in de proloog: in Marc.1:3 een stem die roept­ in de woestijn, in v.11 een stem uit de hemelen. De bat qol komt­ uit de hemel, zij klinkt bij heilige plaatsen, ook bij die welke ver­­woest zijn. Een stem uit de hemelen zei tot Nebukadnessar: “Het koningschap is van­ u voorbijgegaan”. De laatste letter van de Torah is een lamed, de eerste is een beth. Sa­men­ vormen zij het woord leb, wat hart betekent. Wie van het einde gaat­ naar het begin, raakt het hart. De Stem uit de hemelen bevestigt geheel Israël. Het gebeuren vindt plaats­ in de Jordaan, de rivier waar de weg van gans Israël begon: de weg­ het land binnen. Nu, na de verwoesting van het godshuis, na de catastrofe, na de­por­ta­tie en ontheemding, betekent deze stem: oude woorden over de Mes­­­­siaanse Koning wijzen een weg. Let ook op de stem in: «En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en er klonk een stem uit­ de wolk» Marc.9:7. Op de stem van 1:11 volgt meteen de gang naar de woestijn, waar de ver­zoeking geschiedt. Aan het begin van het evangelie scheuren de hemelen, aan het eind scheurt­ het voorhangsel. (1:10 – 15:38). Jezus geeft “met een grote STEM” de geest, blaast de adem uit, zo le­zen­ we in 15:37. In 15:34 is ook sprake van “een grote STEM”, als Jezus vraagt: “Mijn God,­ waarom hebt Gij Mij verlaten?” De honderdman (centurion) zegt: “Waar­lijk, deze mens was een zoon Gods” (v.39). Daarmee is de tegen­STEM gegeven, antwoord op de stem uit de hemel, die aan het be­gin werd vernomen. De aarde heeft de vrucht gegeven, die door de hemel werd ver­wekt. (Psalm 67). Rabbi Jose (omstreeks 150) vertelt: “Ik ging in een ruïne om te bid­den.­ Daar hoorde ik een stem (bat qol), die kirde als een duif en zei­de:­ “Wee, dat Ik mijn huis verwoest en mijn tem­pel verbrand en mijn kin­deren on­der de volken verbannen heb”. Elia sprak tot mij “Niet al­leen in dit uur sprak de bat qol alzo, maar dag aan dag spreekt zij drie­maal. En niet alleen dit, maar zovaak de kinderen Israëls naar de­ synagogen en leer­huizen gaan en antwoor­den: Amen, gezegend is zijn­ grote naam, beweegt God zijn hoofd en spreekt: Heil, de koning die­ men zo prijst in zijn huis. Wat betekent het voor de vader dat hij zijn­ kin­de­ren verbannen heeft? En wee de kinderen, dat ze van de ta­fel verbannen zijn”. Elia zei tot Rabbi José: “Gij zult niet bidden in een ruïne, ge zult bid­den­ onderweg. Op de berg zijn God en Jezus Christus, gaat daar al­len­ heen!” De galoet van Jeruzalem begon met ruïnes en de meesten heb­ben ge­­­beden in de ruïnes, wachtend tot de herbouwde tempel uit de he­mel­ zou nederdalen. Elia is de voorloper van de verlossing. Op de weg zijn rovers, daar drei­gen gevaren, daar riskeer je oorlog en dood. Maar de­structie be­dreigt­ ook de ruïnes, daarom zegt Elia: “Verlaat de ruïnes, gaat op weg!” ­ Bouw uw huis onderweg. “Making our home at the road”, zegt rabbi Ris­kin. Daarom: als de stem geklonken heeft in Marcus 1:11, begint de weg, de­ Messiaanse weg. Weg door de woestijn, weg die bereid wordt, naar­ het woord van de profeet (Marc.1:2,3). Profeet en bat qol stem­­men samen. Aan het eind van Marcus zijn er twee huizen: hieron en kataluma, hei­lig­dom en opperzaal. De twee brandpunten van (in) Jeruza­lem, Hie­ro­soluma.

Drie gelijkenissen over het zaad

In Marcus 4 lezen we drie mesjalim over het zaaien van het zaad. Het­ herhaalde “en Hij zeide” is een typisch middel in midrasj om tek­sten­ met elkaar te verbinden. Tegenstrijdige teksten worden naast el­­­kaar gezet, dat is een specifieke midrasj­manier om het oude bij­bel­se­ woord te heropenen en opnieuw te horen (interpreteren). Dat herinnert aan de creatieve kracht van het woord Gods in Je­sa­ja­ 55:10,11. «Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daar­heen­ niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vrucht­baar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood­ aan de eter, alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook­­ zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend» Jes.55:10,11. God als Zaaier, zien we ook in: «Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik het huis van Is­raël en het huis van Juda bezaai met zaad van mensen en zaad van die­ren»  Jer.31:27,28. Het motief van het zaad komen we ook tegen in Genesis 1 en 3.

De eer­s­te parabel van Marcus 4 bevat drie motieven:

1. De activiteit van de satan (v.15).

2. De situatie van vervolging (v.17).

3. De beschrijving van de oogst (v.20).

Het gaat om de kloof tussen God als Zaaier en het geheimenis van het­ Koninkrijk. De tweede parabel beziet de zaak vanuit een heel ander ge­zichts­punt:­ de betekenis van zaaier en bodem treden terug en het accent valt­ op de ingeboren, onafhankelijke doelmatigheid van het zaad. Het zaad draagt in zich, dat het tot zijn doel komt. Vergelijk in dit ver­band: «Wie steeds op de wind let, zal niet zaaien; en wie steeds op de wol­ken­ ziet, zal niet maaien» «Zoals gij de weg van de wind evenmin kent als­ het gebeente in de schoot van een zwangere vrouw, zomin kent gij het­ werk van God, die alles maakt». «Zaai uw zaad in de morgen en laat­ uw hand tegen de avond rusten, want gij weet niet, of het ene ge­luk­ken zal of het andere, dan wel of beide tezamen goed zullen zijn» Pred.11:4-6. De gesteldheid van de bodem doet hier niet ter zake. Wat telt, is al­leen­ de kracht van het zaad De derde parabel is wéér anders van aard. Deze begint met de ge­brui­­kelijke formule: Waarmee kunnen we vergelijken of welke ge­lij­ke­­nis zullen we gebruiken? Mosterdzaad was spreekwoordelijk bekend als het kleinste der za­den,­ maar de tekst springt van deze Joodse folklore over naar de vi­si­oe­nen van Ezechiël en Daniël. Er is meer aan de hand dan een contrast: klein begin – groot einde. In­ Ezechiël 17 krijgt de profeet de opdracht een raadsel op te geven en­ een masjal uit te spreken. Hier is sprake van de ceder als sym­bool­ van het Davidische koningschap, dat na vele wisselvalligheden voor­goed door God wordt geplant. De masjal spreekt over de adelaar en­ de ceders; een nimsjal geeft de historische context aan: het gaat over­ de strijd tus­sen Jeruzalem en Babel, Babel en Egypte. In een derde verhaal is het God die gaat planten (Ezechiël 31). Hier is­ de ceder beeld van de trots der koninkrijken: symbool van de Fa­rao, respectievelijk de koning van Assur. Met andere woorden: de ho­ge boom, die schaduw en nestruimte biedt aan de vogelen des he­mels,­ is een ambivalent symbool. Daniël 4:10 ev. Hier lezen we over een boom in het midden van de aarde. Dit doet denken aan de verboden boom uit Genesis 2. Het feit, dat hij­ reikt tot de hemel en alle dieren voedt, herinnert aan de boom des­ levens in de hof. De boom is hier Nebukadnessar, zo ook de Farao in Ezechiël 31. De boom wordt afgehouwen (Dan. 4:14ev), maar een tronk blijft staan­ (v.26). Bij Ezechiël zijn doem en vernieuwing verdeeld over twee aparte bood­schappen, gebracht aan twee aparte personen; in Daniël 4 zijn bei­de aspecten verenigd rondom één persoon. De masjal van het mosterdzaad pakt dit ambivalente symbool op; sym­bool van enerzijds eindgericht, anderzijds Davidisch herstel. Zo vormt­ deze derde parabel de harmoniserende schakel tussen de eer­ste­ en de tweede gelijkenis, maar tegelijk wordt de spanning tussen bei­de bevestigd. Boven­dien neemt de parabel het symbool niet zo­maar­ passief over, maar wordt er iets mee gedaan. Er ontstaat een be­­­werking en in die bewerking speelt de keuze van het mosterdzaad zelf­ een rol. De stomp van de boom bleef staan, zei Daniël 4. Dit doet denken aan­ het slot van Jesaja 6. Dit hoofdstuk speelt ook elders in Marc. 4 een fundamentele rol. De tronk is niet het eind, maar het zaad­ der hei­­liging (Buber). Waarom mosterdzaad? Het is klein, ten tweede is het gewoon, het is or­dinair, geheel anders dan dat van de ceder. Marcus gebruikt niet het woord boom om het eindstadium te ty­pe­ren,­ maar lachana, tuinplant, heester. De vogels moeten hier een schuil­­­­plaats vinden onder een struik van ongeveer acht voet hoog. Dat wil dus zeggen, dat het eindtijd-gebeuren hier wordt her­leid tot een­ tuinsituatie. We zien de overeenkomst met Genesis 2. Men kan der­­halve de drie parabels van Marcus 4 zien als een midrasj op het be­­gin van Genesis. Marcus 4 eindigt met te vertellen over een schip. Aan het eind horen we­ over een grote storm. Jezus bestraft de wind; wie is toch deze, dat­ wind en zee Hem gehoorzamen? Dit herinnert aan Psalm 89, een psalm­ die spreekt over het davidische ver­bond en die zelf een mi­drasj­ biedt op Genesis. De stormscène tekent de ambivalentie van schep­ping en eindtijd. Binnen dit kader vertelt Jezus zijn drie ver­ha­len.­ Hij vertelt ze als mi­drasj-leraar. «HERE, God der heerscharen, wie is als Gij grootmachtig, o HERE, en uw trouw­ is rondom U» «Gij heerst over de overmoed der zee; als haar gol­ven­ zich verheffen, stilt Gij ze» «Gij hebt Rahab als een verslagene ver­bri­jzeld, door uw sterke arm hebt Gij uw vijanden verstrooid» Ps.89:9-11. De nadruk valt in Marcus 4 op het horen. «Hoort…Zie…een zaaier ging uit»  Marc.4:3. «Wie oren heeft om te horen, die hore». Maar de nadruk valt eveneens op de risico’s; de mogelijkheid dat de mens­ zijn bestemming misloopt. «En Hij zeide tot hen: U is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods,­ maar tot hen, die buiten staan, komt alles in gelijkenissen». «Dat zij­ ziende zien en niet bemerken, en horende horen en niet ver­staan, op­dat zij zich niet bekeren en hun vergeven worde»  Marc.4:11-12. Het gaat om een geheimenis; er zijn twee niveaus van onderwij­zen en­ twee niveaus van horen. Een masjal kan niet verstaan worden zonder de tekst waarop hij zich­ baseert. Een masjal kan verwijzen naar een ad hoc si­tuatie (uit­ge­dacht om een bepaalde situatie te verklaren), een verhelderende nim­­sjal vereisen of een dialoog van tek­sten aansnijden, zodat er nog ver­dere exegese nodig blijkt.

Het beeld van de lamp

Een masjal is als een koning die een munt verloor en met be­hulp van­ een goedkoop lampje deze terugvond. Zo, van woord tot woord, van­ masjal tot masjal, begreep Salomo het geheim van de Torah, zo­als­ geschreven is: De mesjalim van Salomo, de zoon van David, de ko­ning van Israël. Door de kracht van zijn mesjalim begreep Salomo de­ woorden van de Torah.

Vergelijk: «De lamp komt toch niet om onder de korenmaat of onder het bed ge­zet­ te worden?»  Marc.4:21. «Want er is niets verborgen, dan om geopenbaard te worden, of aan het­ oog onttrokken, dan om in het openbaar te komen»  Marc.4:22. Ook op de verzen 24-25 hebben de rabbijnen een midrasj. «Met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden, en u zal bo­ven­ die maat gegeven worden». «Want wie heeft, hem zal gegeven wor­den;­ en wie niet heeft, ook wat hij heeft zal hem ontnomen worden» Marc.4:24,25. De rabbijnen zeggen dan: ‘Niet als bij een mens is de methode van God.­ Bij een mens krijgt een vol vat niet meer, bij God wordt het vol­le­ gevuld, het lege wordt niet gevuld. Als ge gehoord hebt, zult ge door­­­­gaan met horen, als ge niet gehoord hebt, zult ge (voortaan ook) niet­ horen. Als ge het oude hebt ge­hoord, dan zult ge ook het nieuwe ho­ren. Als ge uw hart hebt afgewend, zult ge niet meer horen”.

Marcus 4 en het begin van Ge­­nesis

Aan het eind van Marcus 4 voert Jezus als het ware het begin van Ge­­nesis voor de leerlingen op. Jezus zegt: «Voor hen die buiten zijn, ge­schieden alle dingen in gelijkenissen» (v.11).

Let op dat woord geschieden. Marcus 4 gaat over het Woord van God en over het interpreteren daar­van. Er is een midrasj die over God spreekt als over een midrasjist; God schept­ de wereld eerst en interpreteert haar daarna. Rabbi Jehuda ben­ Simon opende met: En Hij openbaarde diepe en ver­borgen din­gen­ (Daniël 2:22). In het begin van de schepping van de wereld open­baar­de Hij diepe dingen. Want er staat: In den beginne schiep God de­ hemel, Hij interpreteerde niet, dat deed God later, want er staat in­ Jesaja 40:22: «Hij troont boven het rond der aarde en haar bewoners zijn als sprink­ha­nen; Hij breidt de hemel uit als een doek en spant hem uit als een tent­ waarin men woont»  Jes.40:22. Hij spreidt de hemel uit als een fijn weefsel: als herfstdraden. Hij schiep­ de aarde, maar Hij interpreteerde niet: dat deed Hij later. «Want tot de sneeuw zegt Hij: Val op aarde! en tot de stortregen en de­ regenstromen: Wordt machtig!»  Job 37:6. Tot de sneeuw zegt God: Wees aarde! Hij schiep het licht en Hij in­ter­preteerde het niet: dat deed Hij later. «Hij hult Zich in het licht als in een mantel:  Hij spant de hemel uit als een­ tentkleed» Ps.104:2. Marcus 4 toont Jezus als midrasjist. Dat is geen geringe taak, want mi­drasj staat gelijk met openbaring. Interpreteren is het oude woord voor­ actualiseren voor het uur nu.

God schept door het Woord

God schept door het Woord. De chaos van de zee wordt op orde ge­bracht­ door de structuur (structuren) van de taal. In poëzie zien we in versterkte mate de mogelijkheden van de taal. Het­ zaad van de eerste parabel wordt het zaad van de tweede. Vanuit de­ strijd der geschiedenis gewordt de onstuitbare kracht. En dat wordt­ weer tot de derde: het zaad dat tot een boom wordt.

Strijdtoneel (1);

wordt vruchtbare akker (2);

wordt oorspronke­lijke tuin (3).­

De man uit Gadara

Marcus 5: hij woonde te midden van de graven. De graven uit de ja­ren­ 66-70 laten zich herkennen.

Legio

Het Romeinse legioen, een zwijn als symbool, als veldteken. Te­ken van het Romeinse garnizoen in Palestina. Mens te midden van de doden. Schreeuwend en slaande met stenen: beeld van de rouwklacht, van de­ dodenklacht. Vergelijk Ezechiël te midden van de doodsbeenderen.

Het lege graf

«Ze zagen hem zitten en werden bevreesd» Marc.5:15. Zie ook: «En zij zeiden niemand iets: want zij waren bevreesd» Marc.16:8. «En een jonge man: die een laken om het naakte lichaam geslagen had,­ liep mede, Hem achterna, en zij grepen hem». «Maar hij liet het la­ken­ in hun handen en nam naakt de vlucht». Marc.14:51,52 «En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan­ de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis be­ving haar» Marc.16:5. Alleen op deze plaatsen lezen we het woord neaniskos in het verhaal van­ Marcus. Jongeling die vlucht en naakt wegrent; jongeling die zit bij het lege graf,­ bekleed met een witte mantel. Is dat niet het thema van Mar­cus?­ Frappant detail: Het woord lijnwaad (sindoon) komt voor in Marcus 14:51, alsmede in Mar­­cus 15:46. In het laatstgenoemde vers is het het lijnwaad waarin Jezus ter begrafenis werd gelegd. In beide pericopen komt het woord tweemaal voor.

De opbouw van het Marcus-Evangelie

1:1-15  Proloog. 1:16-6:29  Eindigend met de dood van Johannes de Doper. 6:30-8:26. Rondom Sukkot. 8:27-10:45    Het volgen op de weg; dit deel wordt omsloten door twee verhalen over blinden die genezen worden. 10:46-13:37   Het slot van de proloog bevat het woord diakonein (1:13). Dit woord komt terug in de scharniertekst 10:45. 14:1-eind. Lijden en opstanding.

Begin van het Evangelie

«Begin van het Evangelie»  Marc.1:1. Bij begin denken we aan Ge­nesis 1:1. Als er een begin is, dan is dat iets van God. De boze kan alleen stop­zet­ten, afbreken, vernielen.

Die uw WEG bereiden zal

«Die uw WEG bereiden zal» Marc.1:2. De weg is een sleutelwoord bij Marcus. Er wordt een bepaal­de weg ge­­tekend. In Deuteronomium draait het ook om die weg. Woorden heb­ben in de Bijbel altijd een gevoelswaarde: emotieve taal, het roept emo­ties op. Er komt een weg, waar geen weg was. Weg en bewegen ho­ren bij elkaar, je kunt ontkomen. De mens kan zich gaan voort­be­we­gen. Geen cirkel, maar voortgang.

Hoe lieflijk zijn de voeten van de vreugdebode

«Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vre­de aan­kondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw­ God is Koning»  Jes.52:7. Deze tekst is één van de grondteksten van het Marcus-evangelie. Heil betekent: bevrijding. Dat woord komt 350 keer in het Oude Tes­ta­­ment voor. Koningschap en bevrijding horen in de Schrift bij el­kaar.­ Uw God is Koning, de bevrijder is de koning. Bij Jesaja zaten de­ mensen in de ballingschap. Messiaanse tijd houdt in: de mens komt­ onder het juk vandaan. Marcus is het verhaal van de strijd te­gen­ het onrecht.

De doop der bekering

«De doop der bekering» Marc.1:4. Bekering = tesjubah: omkeer, terugkeer. De mens mag terugkeren tot zijn eeuwig huis, zijn oorsprong. Doop = de mens mag weer terugkeren tot zijn begin. Terugkeer tot los­­lating, vrijlating van zonden. Marcus plaatst “tot vergeving van zonden” aan het begin. Mattheüs “tot vergeving van zonden” bij het Avondmaal (Matt.27). Zijn bloed is het bloed der verzoening; dat bloed brengt geen wraak over­ mensen. Marcus zet de vergeving dus aan het begin. Dat is de poort waardoor je­ binnengaat.

«Sprinkhanen en wilde honing» Marc.1:6. Woestijnvoedsel, de honing is ook een heenwijzing naar het Beloofde Land.­

De schoenriem losmaken

«Wiens schoenriem»  Marc.1:7. Boetelingen gingen barrevoets. De ander de schoenriem losmaken is: mee­doen. Jezus is dus géén boeteling, Hij is sterker dan ik. Te­gen­o­ve­r­ het juk van het kwaad is Hij sterker. Al die mensen kwamen zich ver­ootmoedigen, Jezus niet.

De doop van Jezus

«Zich door Johannes in de Jordaan liet dopen»  Marc.1:9. Jezus liet Zich dopen om Zich één te maken met zijn volk. Jezus ver­een­zelvigt Zich met zijn volk. Hij trekt Zich het leed van Israël aan. Hij­ wordt bekleed met heel de weg van zijn volk. Hij wordt Mes­si­aans,­ doordat Hij Zich bekleedt met het lijden van zijn volk.

«En een stem uit de hemelen»  Marc.1:11. Die stem uit de hemelen moet weerklank krijgen op aarde. Aan het eind­ van het Marcus-evangelie zien we de Romeinse hoofdman het ant­­woord geven: Zoon Gods…! Als hemel en aarde elkaar ont­moe­ten,­ zijn we weer thuis. De hemelen zetten iets op gang en de aarde geeft­ ant­woord.

Bij de wilde dieren

«Bij de wilde dieren»  Marc.1:13. Jezus is de nieuwe Adam. De schepping komt bij Hem tot rust. De woes­tijn is bij Marcus ook de plaats van de rust.

Het eerste optreden van Jezus

«En zij kwamen te Kafarnaüm en terstond op de sabbat ging Hij naar de synagoge en leerde»  Marc.1:21. De eerste dag in het optreden van Jezus. De sabbat is de dag, dat de mens op adem mag komen. De dag, die­­ er is voor de mens, om mèns te worden. Het leven van Adam be­gon­ ook op de zevende dag.

Rondom Kafarnaüm

De eerste vijf hoofdstukken spelen zich af rondom Kafarnaüm: dorp van­ de vertroosting (vergelijk Jesaja 40). Hoe die vertroosting komt, wordt­ in de eerste vijf hoofdstukken beschreven.«Melaatse»  Marc.1:40. «Verlamde»  Marc.2:3. «…Tollenaars…zondaars…»  Marc.2:15. Allemaal gestalten van dat troosteloze volk. Vormen van ver­lo­ren­heid.­ Alles wat in ons verloren is gegaan, redt Hij. “Zoek Herder mij, op­dat ik vind”. Een melaatse is een uitgestotene, zie Leviticus 13 en 14. Een mens, die een ‘Egyptische ziekte’ had. De woorden voor me­laats­ en Egypte lij­ken in het Hebreeuws  op elkaar.

Afdalen in ontferming

«Lieten zij de matras neder»  Marc.2:4. «Hoorde men na enige dagen, dat Hij thuis was» Marc 2:1. De verlamde wordt bij de Messias thuis genezen. Dàt wordt pas een thuis­komst! De verlamde daalt neer, net als de Messias, de Plaats­ver­vanger. Vergelijk: «Ik ben afgedaald naar Egypte!» Ex.3:8 Als God afdaalt, is dat altijd in ontferming.

Het tolhuis wordt een priesterhuis

«Bij het tolhuis zitten»  Marc.2:14. Uitgerekend Levi! De Levieten mochten juist geen bezit hebben. Tol­le­­naars waren eenzame mensen. Een vooroordeel in dit verband: ie­mand­ die niet deugt, die snel rijk wil worden ten koste van een an­der.­ Als Jezus komt, wordt hij weer echt een zoon van Levi. Hij geeft zijn­ bezit weg. Het tolhuis wordt een priesterhuis. In zijn huis ont­vangt­ hij nu geen geld, maar mensen. Het tolhuis wordt een gast­huis.­ Alle mensen zijn welkom. De mens wordt weer, wat hij van oor­­­­sprong had mogen zijn.

Verhalen over de doodssituatie

De storm, de genezing van de bezetene, Jaïrus’ dochtertje, de bloed­vloei­ende vrouw. Wat deze verhalen samenbindt, is de doodssituatie. In­ dat doodsgebied wordt leven geschapen, door de dood héén. Jezus gaat­ ìn die nacht van dood en diepte. Leven mid­denin de dood. Mid­den­in dat doodsgebeuren ontkiemt het leven. Altijd is daar ook de weg­ door de zee. Die zee moet overgestoken wor­den. Een Hebreeër be­te­kent: iemand die oversteekt. «In benauwdheid door de zee trekken, en in de zee de golven slaan» Zach.10:11. Deze tekst komt in Marcus tot vervulling. Het woord van de Messias slaat­ de golven neer.

Aan de ketting

«Verblijf in de graven» Marc.5:3. Niet meer te midden van zijn familie, zijn mensen en niet meer te mid­­den­ van het verleden. Dan binden ze de verkeerde met ketenen, want­ die man zàt al zo vast; hij zàt al aan de ketting.

Bij het lege graf

«En zij werden bevreesd»  Marc.5:15. Teruggekomen uit de dood. Het is helemaal een Paasverhaal. Zij wer­­den bevreesd. Dat staat ook aan het eind van Marcus bij de op­stan­ding van Jezus: de vrouwen werden bevreesd. Net als Jezus op de Paasmorgen zit deze man bij het lege graf.

Hersteld in zijn verband

«Ga naar uw huis tot de uwen» Marc.5:19. Mensen, die bij hem horen, hij komt weer in zijn gezin. Hij krijgt her­stel van identiteit en hij wordt hersteld in zijn verband. Hersteld in­ zijn relaties.

Talita koem

«Talita koem»  Marc.5:41.

Jezus spreekt het meisje aan in haar kindertaal. Hij spreekt haar aan­ in het Aramees, de taal die ze als kind leerde. Ze mag weer heer­lijk­ kind worden. Het verhaal eindigt heel alledaags: «Geef haar wat te eten».

Raakte zijn kleed aan

«Raakte zijn kleed aan»  Marc.5:27. In de paralleltekst bij Lucas staat: kwast. In Numeri 15:31 is sprake van gedenkkwasten. Herinnering aan de To­rah, aan de onderwijzing; de regels voor het verloste en bevrijde le­­ven. Het aantal wikkelingen van de gedenkkwast was 39. De ge­tals­waarde van God is één. Ze raakte de Torah aan, de naam van God.­ Jezus droeg dat kleed, misschien gebedsmantel; dat betekent haar­ ge­nezing. De vrouw is vaak beeld van het volk van God. Het le­ven­ vloeide uit de vrouw, beeld van het krachteloze volk van God. En die vrouw krìjgt dan ook weer kracht. Later zien we dat Jezus een man geneest, die 38 jaar ziek was. Dan komt­ Degene met het getal één en het wordt 39. Dan is de Torah ver­­vuld. De barmhartigheid is volkomen. Bethesda = huis van barm­har­tig­heid.

Marcus in een laken

«En een jonge man, die een laken om het naakte lichaam geslagen had, liep mede, Hem achterna, en zij grepen hem. Maar hij liet het la­ken in hun handen en nam naakt de vlucht»  Marc.14:51,52. De evangelist Marcus komt hier op een verborgen manier voor. Oos­ter­se vertellers doen dit wel meer, zichzelf verborgen weergeven. Mar­­cus is hier net als Adam, Adam vlucht ook naakt weg. Marcus er­vaart iets van­ het lijden van de Messias.

De jongeling bij het lege graf

«Zagen zij een jongeling zitten» Marc.16:5. De eerste getuige van de opstanding. Hij is nu bekleed. Een jon­ge­man,­ Marcus, de eerste getuige van het nieuwe begin. Nu zit hij op de­ Paasmorgen in het lege graf. De hof van het lijden is geworden de hof­ van de verrijzenis. Dat is zijn verhaal in deze zestien hoofd­stuk­ken.­ Een jongeman zal het de mensen vertellen. Zijn boekrol ontrolt het­ leven te midden van de dood.

Verhalen rondom het Loofhuttenfeest

Marcus 6:30 – 9:13

Dit zijn verhalen rondom het Loofhuttenfeest. Petrus wil dan ook drie ten­ten neerzetten, hij wil Sukkoth vieren. Loofhuttenfeest is het feest van de­ tocht door de woestijn.

Een welgelegen dag

«Toen er een gelegen dag gekomen was» Marc.6:21. Letterlijk: een welgelegen dag. De koning is bedroefd (6:26) en ook de leerlingen van Johannes zijn be­droefd.

Brood en overtocht

Marcus 8

Marcus zet het brood in het kader van de overtocht. Mensen op weg naar­ de overkant. Johannes zet de overtocht in het kader van het brood.­ Maaltijd voor zijn volk: teken van barmhartigheid (Psalm 23). Al­ ga ik door een dal, Gij richt voor mij een dis aan. Doortocht en maal­tijd.

Kanaän komt weer­ terecht

De Syrofenicische vrouw – Marcus 7:24d. Hier beeld van de heidenen: honden mogen mee-eten. De Sy­ro­fe­ni­ci­sche­ vrouw wordt ook wel Kananese vrouw genoemd. Zij staat sym­bool­ voor de zeven volkeren van Kanaän. Het woord van die vrouw breekt iets open in de geestelijke wereld. De­ mens is een taalwezen. Je gelooft met de taal. De mens is door de taal part­ner van God. Via de taal wordt het rijk der duisternis over­won­nen,­ omdat de mens woorden van God spreekt. Door het woord van die­ vrouw gaat de demon op de loop. Dat is de draagwijdte van het woord,­ zo ver­wekt de mens door zijn taal nieuw leven. Zo heeft de mens gezag over de duisternis, zo worden de woorden pij­len. Vergelijk die soldaat, onbetekenend, die een klein pijltje af- schiet­ en de koning van de tegenstander treft (Achab). Zo wordt door de­ taal de vijand monddood gemaakt. Deze vrouw vertegenwoordigt Kanaän. Jezus heeft geloof voor Ka­na­an.­ Deze vrouw staat daar namens het Kanaänietendom. Bij Jezus komt­ het helemaal terecht, juist als nieuw begin. Als God Israël uit Egypte bevrijdt, was het niet een vaststaand plan om­ Egypte om te brengen. Het was nooit Gods bedoeling, dat alle Egyp­­tenaren in het water zouden omkomen. Egypte had ook uit Egyp­te moeten worden geleid. Mozes had Israël èn Egypte bij de berg van­ God moeten brengen, dan waren de zwaarden omgesmeed tot snoei­­messen. Dan was de dienst van de slavernij tot een dienst van ge­bed geworden. Mozes heeft zijn taak in een te klein gezichtsveld ge­­vat. Dan staat Israël voor Kanaän, een kloof van veertig jaar. Breuk­ tus­sen uittocht en intocht, breuk in tijd en geschiedenis. Dan wordt­ Ka­naän een probleem. De oorspronkelijke bedoeling was: Is­ra­ël­ in het land en de Kanaänieten in ballingschap. Nu is de lijn echter ge­bro­ken, de geschiedenis is in tweeën. Juist, omdat Israël niet het land­ durft binnengaan, komt het probleem. Het was niet Gods be­doe­ling om die volken uit te roeien, maar om ze te verdrijven. Zo zien we, hoe bij de ontmoeting van Jezus met die vrouw Kanaän weer­ terecht komt. «Er zal geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HERE der heer­scha­­ren»  Zach.14:21. Dan is àlles Israël geworden. Zo heeft ook Rachab model gestaan voor heel dat Kanaänietendom.

De betekenis van het vasten

Jesaja 58. Het motiefwoord in dit gedeelte is: dag (7x). Hoe gaat de mens om met de tijd. Tijd moet komen onder de zeg­gen­schap­ van God. v.3: verootmoedigen = letterlijk buigen van de ziel. Vasten houdt in: de mens krijgt stem in de hoge. In de Torah wordt overigens niet over vasten gesproken. v.6: vasten = hier: onthouden van veroordelen, ontheffing verlenen, de­ ander vrijlaten, het juk verbreken. Vasten is: net zo lang zoeken, tot men het juk op het spoor is. v.7: vasten = het brood breken voor de hongerigen.

Dat deed­ Jezus bij de 5000.

Jezus gaf de hongerigen brood en verbrak het juk van de armen en el­lendigen. Je bestaan delen met de ander. v.7: je onttrekt je aan je eigen vlees en bloed. Voor de mensen, die bij je horen. Zie 1 Kor.11: «Lichaam niet onderscheidt!» In Korinthe waren liefdemaal en avondmaal aan elkaar gekoppeld. In het­ Romeinse Rijk was er geen zondag. De arbeiders hadden de hele dag gewerkt en kwamen ‘s avonds in de sa­menkomst. Dan hadden de rijken al gegeten, daarom zegt Paulus te­­gen die rijken: eet nou thuis! Ze aten niet meer de maaltijd des He­ren, maar hun eigen maaltijd. In de gemeente komt men niet als con­­­sument, maar om je brood te delen en om brood te worden. Wij worden als graankorrels gevoegd tot één brood en dan wordt het brood­ gebroken = uitgedeeld. Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391735 bezoekers sinds 07-06-2010