Messiaanse verwachtingen in het boek Ruth

14-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

Vanuit ons thema over Messiaanse Verwachtingen zullen we eens wat dingen gaan bekijken uit het boek­ RUTH. In de oorspronkelijke Hebreeuwse Bijbel staat het boek op een heel­ an­de­re plaats. Als je de Hebreeuwse Bijbel pakt, moet je eerst­ de Torah door, dan de Profeten en dan krijg je die derde cir­kel:­ Psalmen, Job, Spreuken en dan kom je bij de zogenaamde vijf boek­­rollen, de feest­rol­len.

Hooglied, wordt gelezen met Pasen.

Ruth, gelezen met Pinksteren, het wekenfeest.

Klaagliederen, gelezen op de treurdag over de verwoesting van de tem­pel.

Prediker, gelezen aan het slot van Loofhutten.

Esther hoort bij het Poerimfeest.

Dat zijn dus de vijf gedenkrollen. Dus Ruth is vanouds het verhaal bij het Pinksterfeest. Als je daar staat bij­ de berg Sinai en je hebt de woorden van de Eeuwige gehoord, de­ woor­den van de Torah, dan ga je het verhaal van Ruth ho­ren, want­ dat heeft ook te maken met de oogst. Telkens kom je in Ruth motieven tegen over de oogst die wordt bin­­nen­gehaald. Het eerste hoofdstuk eindigt daarmee en Ruth 2 is ook­ hele­maal een oogstverhaal. Dus telkens klinkt daarin door, dat er een oogst zal zijn. Alleen, dat­ ont­dek­ken we dan gelijk ook, die oogst spreekt niet vanzelf. Het­ verhaal be­gint dan ook met honger, hongersnood en bo­ven­dien­ dan ook nog bal­lingschap, mensen die het land uitgaan en dan­ ook nog de dood. En als je dat nu meemaakt in je leven, dat daar honger is en dat je­ in ballingschap gaat naar een vreemd land en dat er dan bo­ven­­dien ook nog de dood binnentreedt, wat heb je dan nog voor oogst­ te verwachten! En dan wordt het ook heel herkenbaar. Ik denk­ dat het verhaal dan ook heel dichtbij is, want ook vandaag de­ dag kom je mensen tegen, die zeggen: ik heb geen oogst meer in­ mijn leven, mijn veld is kaal, er is niets meer te halen. Het zaad is­ gezaaid, maar het is niet opgekomen en de kaalvreter heeft in mijn­ leven zijn werk gedaan. De oogst is voorbij, zegt Jeremia er­gens,­ en de zomer is voorbij en we zijn niet verlost. Dus dàt wordt de vraag van het boek Ruth: Zal er nog een oogst zijn?­ Zal er nog een oogst zijn na ballingschap, na dood. Valt er nog iets­ te halen op de akker van deze wereld? Valt er nog iets te ha­len­ op de akker van mijn leven?

Oogst in de bal­ling­schap

Je zou dus ook kunnen zeggen: het boek Ruth is: oogst in de bal­ling­schap, oogst in het dodenrijk, oogst voorbij de grens van de dood.­ In dit verband moet ik denken aan wat Etty Hillesum er­gens­ schrijft in haar dagboek. Zij was een Joodse vrouw, in de oor­log weggevoerd naar Wes­terbork en daar vandaan ook niet meer te­rug­ge­ko­men;­ een jonge intel­lec­­tuele vrouw. Zij heeft een dagboek ge­schre­ven:­ “Het verstoorde Leven”. Ze noemden haar ook “Het denkende hart­ van de barak”. Ze zegt er­gens: de storm is gekomen en heeft die­ prachtige jasmijn in mijn tuin verwoest. Die jasmijn stond prach­tig te bloeien, het was een schit­­terende aanblik. Toen kwam de­ storm en de regen en er bleef niets meer over van die prachtige bloe­sem. Het verstoorde leven. Maar dan zegt ze één zinnetje er ach­teraan: maar diep in mijn hart bloeit de jas­mijn ongestoord ver­der. Ik dacht: dat ìs het, in mijn hart bloeit de jas­mijn verder, die­ binnenkant kunnen ze niet aantasten. In die tuin komt de storm­ en soms komt die storm ook in je hart. En toch: in je hart bloei­en de bloemen verder. Dat zou ook het verhaal kunnen zijn van Ruth. De naam Ruth be­tekent waarschijnlijk vriendin, andere uitleggers zeggen: het be­tekent verzadi­ging. Te midden van honger en dood kan een mens­ tòch verzadigd wor­den. En dan denk je aan die slotwoorden van­ Psalm 16: Hij trok zijn spoor door de dauw van de nacht­. «Overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rech­terhand, voor eeuwig» Ps.16:11. Of: «Gij verzadigt mij met vreugde». Je wordt verzadigd met het beeld­ van de Eeuwige. Het wonderlijke is, dat in de slotwoorden van­ de volgende psalm het motief van verzadi­ging weer te­rug­komt:­ «Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen, en bij het­ ontwaken mij verzadigen met uw beeld» Ps.17:15. Dan is daar toch te midden van honger en te midden van bal­ling­schap­ en eenzaamheid de verzadiging.

Zoals een dichter het zegt onder de titel:

Liefde tot God

Bij uw wijsheid zwijgen alle vragen,

want alle leed is bij U te klein.

Gij regent over kwade en goede dagen

en speelt met wolk en zonneschijn.

U prijst het water en de bomen

zijn groen in uw barmhartigheid.

Gij ziet de kleine dieren komen

en wordt vervuld van tederheid.

En mij, die eenzaam dacht te wezen

verrast uw niet te meten trouw.

Wanneer de ochtend is gerezen

vond ik uw sporen in de dauw.

Bij uw wijsheid zwijgen alle vragen, want alle leed is bij U te klein. Je­ dacht dat je eenzaam was, maar je wordt verrast door Gods niet­ te me­ten trouw. Wanneer de ochtend is gerezen, vond je Gods spo­ren in de dauw. De sporen van God in de dauw. ‘s Morgens sta­ je op en je wan­delt door het veld en je ziet de sporen van God, Hij­ was je al voor, Hij was er al. En Hij trok zijn spoor door de nacht­ en door de eenzaamheid.

Ruth, antwoord op het boek Rich­­teren

In onze vertaling, en dat is begonnen bij de Griekse vertaling, de Sep­tuagint, is dat bijbelboek verplaatst. Het is toen te­recht­ge­ko­men­ tussen Jozua en Richteren aan de ene kant en het boek Sa­mu­ël aan de andere kant. De Alexandrijnse Joden hebben dat boek Ruth dus verplaatst. En dat­ hebben ze blijkbaar gedaan, omdat het boek Ruth begint met: «In de dagen dat de richters richtten» Ruth.1:1. Daarom zetten ze het dus áchter het boek Richteren, heel logisch. Toen­ is het geworden, zou je kunnen zeggen, tot een soort bijlage, een soort aanhangsel bij­­ het boek Richteren. Maar mis­­schien kunnen we beter spreken van een midrasj, een ver­kla­rend­ verhaal bij het boek Richteren. Misschien hebben die Alex­an­drijnse Joden gedacht: bij dat boek Richte­ren moet nog een ver­haal, daar ontbreekt iets. Het merkwaardige van het boek Richteren is, dat de vrouwen daar­ meest­al de hoofdrolspeelsters zijn. We denken bijvoorbeeld aan De­borah, de profetes, daar heb je Jaël die Sisera verslaat. De vrou­wen má­ken het in Richteren. De mannen doen meestal niet veel­ anders dan rennen, hol­len en vliegen. Achter de soldaten aan,­ achter de cava­lerie aan, er wordt heel wat afgedraafd. Het boek Richteren eindigt heel grimmig. Het eindigt met een heel triest­ verhaal, ook over een vrouw. In de hoofdstukken 19 en 20 is­­ sprake van een vrouw die haar leven verliest. Ze wordt ver­kracht­ en gevierendeeld. Ze is bovendien ook maar een bijvrouw. Een­ heel triest verhaal. Tegelijk het beeld van wat er in die tijd met­ Israël gebeurde. Israël werd ook in stukken geslagen. Het li­chaam­ van de Heer werd kapot geslagen, gebro­ken, bloedend uit dui­zend wonden. Israël was geworden tot een kapot­ge­beukte vrouw,­ die de eenheid niet meer kon vinden, alleen nog maar le­ven­ in fragmenten. Daar eindigt Richteren mee, leven in brok­stuk­ken. Dat is de totale ballingschap. Daaraan vooraf heb je dan nog het verhaal van Simson, waar de vrou­wen soms ook een hele grote rol speelden. Maar soms dan ook op een­ heel tragische manier. Toen hebben die mensen in Alexandrië blijkbaar gedacht, en dat is­ na­tuur­lijk toch wel leuk, dat wij na 22 eeuwen nog weten wat zij­ ge­dacht hebben: als dat nu zo tragisch is, al die verhalen over de­ vrouw die ka­potgeslagen wordt, de vrouw wier leven wordt ge­beukt­ en geteisterd, de pijn van een mensenleven en van een men­senhart, dan moet daar een ander verhaal bij, het verhaal van­ Ruth. Dus zo is het boek Ruth eigenlijk ook het antwoord op het boek Rich­­teren.

Menszijn is vragen

Ik vond een prachtige uitspraak bij Rudolf Bultmann, ooit een NT’cus: “Menszijn is vragen. Het leven van een mens is een vraag en­ de Bijbel is een antwoord”. Het wezen van het menszijn is vrágen en het wezen van God is ànt­­woord. God gééft niet alleen het antwoord, Hij ìs het antwoord, Hij­ wòrdt het antwoord. In die zin kun je het nazeggen: Jezus ìs ant­­woord, Hij is antwoord op de diepste vraag van je hart, op de vraag­ die jouw hart ìs. Het menszijn heeft de structuur van een vraag.­ Het hart heeft, om zo te zeggen, de gestalte van een vraag­te­ken. En dan komt God en zegt: Ik zal een antwoord voor je wor­den.­ Zo wordt het verhaal van Ruth het antwoord op het boek Rich­te­ren.­ Het is opvallend, dat het boek Ruth ook inderdaad een soort scha­kel is. Het begint namelijk met: «In de dagen dat de richters richtten» Ruth.1:1. En het eindigt met: «En Isaï verwekte DAVID» Ruth 4:22. Het laatste woord van het boek Ruth is David. En de opkomst van Da­vid krijgen we in het bijbelboek dat daarna komt, in het boek Sa­muël. Zo heb je dus de schakel tussen Richteren en Samuël, tus­­sen de tijd van Richteren en het koningschap van David, het mes­si­aanse koningschap. En zo is het boek Ruth ook inderdaad een­ mes­siaans boek. ‘t Is een boek van belofte, maar die belofte wordt­ gezaaid op een heel wonderlijke plek.

Honger in het broodhuis

«In de dagen dat de richters richtten, geschiedde het, dat er een hon­gersnood in het land was» Ruth 1:1. In het land komt honger, het Land van de Belofte. Dat is het land waar­van je verwacht dat je daar kunt leven en mens kunt zijn. En dan­ komt de reactie: «Toen trok een man uit Bethlehem in Juda met zijn vrouw en zijn bei­de zonen weg om als vreemdeling te vertoeven in het veld van Mo­ab» Ruth 1:1. Als de honger komt, ga je weg. En de dubbele tragiek: ze trokken weg­ uit Beth-lechem = broodhuis. Waar kun je nu beter zitten dan in­ het brood­huis! Daar heb je le­ven, daar heb je overvloed. En uit­ge­rekend in het broodhuis komt het gebrek aan brood, daar is niet­ te leven. Let erop, dat daar meteen de naam Juda bij ge­noemd­ wordt, die ook al verwijst naar David, die aan het eind van het­ verhaal genoemd wordt. Er zijn uitleggers, en dat wordt ook vaak in preken ten beste ge­ge­ven,­ die daar meteen een oordeel aan koppelen. Want in de vol­gen­de verzen lezen we over sterven, sterfgevallen. En al heel gauw zijn­ er dan predi­kers die zeggen: ja, ze hadden ook niet weg moe­ten­ gaan uit Bethlehem, ze gaan dus naar een plek waar God niet is.­ Want in het land van Moab moet je niet wezen. En wie daar­heen­ gaat, heeft smart op smart te vre­zen. En dan is het helemaal niet­ verwonderlijk dat dan het ene sterf­ge­val na het andere zich voor­­doet, ze waren dus duidelijk buiten de wil des Heren. Ze had­den­ moeten volharden in Bethlehem, moeten bidden om brood. En­ misschien, als ze dan trouw en langdurig hadden gebe­den, dat God­ hen dan ge­nadig geweest was en dat er toch weer brood was ge­komen. Of ook wel hoor je: als het even niet goed gaat in de ge­meen­te, als er in de gemeente honger komt, moet je niet meteen uit­trek­ken, want dan raak je je bescherming kwijt en kan de boze je­ op allerlei ma­nieren te grazen nemen. Dan wordt er meteen een veroordeling gelegd. Die sterfgevallen wa­ren hun eigen schuld. Dat komt ervan als je buiten de wil van God­ bent, als je gaat naar een plaats waar de zegen niet aanwezig is.­ Ik ben zo blij dat dit verhaal daar niets over zegt. Het staat niet in de­ tekst en dus mogen we het er ook niet ìn lezen.

Hoop in de velden van Moab

De velden van Moab roepen nog een ander beeld op. Bedenk hier­bij,­ dat de vijf boeken van Mozes, de Torah, eindigen in de velden van­ Moab. Mo­zes, niemand minder dan hij, heeft zijn laatste da­gen­­ door­gebracht in de velden van Moab. Dus je kunt ook een heel ander verhaal vertellen. Je kunt zeggen: het­ boek Ruth begint waar Mozes eindigt. Ruth pakt de draad op waar­ de Torah is geëindigd. Zo staat het koord gespannen van het ein­de naar het begin, het einde van Mozes en het begin van Ruth val­len samen. Om het te zeggen met de woorden van een gedicht: “Jouw­ einde ligt in je begin besloten”. Je zou ook kunnen zeggen: Ruth­ gaat terug naar de Torah, en in de velden van Moab gaat de To­rah opnieuw beginnen. ‘t Is net of in de velden van Moab de adem­ van de Geest nog rondgaat, de adem van de Torah. Het is net­ of Mo­zes daar nog staat te wenken door die eeu­wen­lange bal­ling­schap heen als een troost. En zo hebben de ballingen het el­kaar­ verteld. En de ballingen hebben tegen elkaar gezegd: als je nu­ voor je ge­voel in de velden van Moab zit, denk dan niet dat God­ daar niet is. Je bent nooit buiten Gods bereik. Ook in de vel­den­ van Moab kan iets beginnen, er is geen plek waar God niet naar­ je toe kan komen. Er is geen troost die Ik niet naar je toe zal dra­gen, wees maar bij Mij. Het is net alsof de vleugels van Mozes, de­ vleugels van de Torah zich uitstrek­ken over het veld van Moab. Jouw­ einde ligt besloten in je begin. De dromen die je nu nog droomt­ alleen, die zijn vandaag de wereld al van morgen. Zo kan een­ mens dromen van wat gaat komen. En nu droom je nog al­leen,­ maar straks gaat het wereldwijd. Daarom is het goed om af en­ toe te dro­men van wat er kòmt, de beloften vast te houden, den­ken vanuit de belofte. Je hebt die bron in de rug als een stuwkracht die je voort doet gaan.­ De belofte in de rug, als ruggensteun. Wij zijn mensen van de hoop.­ Het boek Ruth is in die zin ook het boek van de hoop, hoop in­ de velden van Moab.

Naomi ‘bleef over’

«De naam van de man was Elimelek, de naam van zijn vrouw Na­o­mi­ en de namen van zijn beide zonen Machlon en Kiljon, Efratieten uit­ Bethlehem in Juda; en in het veld van Moab aangekomen ble­ven­ zij daar» Ruth.l:2

Elimelek = Mijn God is koning

Naomi = liefelijkheid

Machlon = ziekte

Chiljon = beëindiging

Die zonen hadden dus niet van die aantrekkelijke namen. Je zult waar­schijnlijk moeten aannemen, dat in een dergelijk verhaal die na­men ach­ter­af zijn ingevuld in het verhaal, als een soort terug­blik.­ Het is immers weinig aannemelijk, dat ouders bij de geboorte die­ schattige babytjes der­gelijke namen meegeven in het leven. Je ziet­ dat wel eens vaker, dat namen geboren worden vanuit het ver­haal.­ Dan kun je je natuurlijk af­vra­gen: wat was er eerder, de naam­ of het verhaal. In dit geval zijn die namen toch wel geboren van­uit de pijn van de ervaring, vanuit het ver­driet van de balling­schap,­ vanuit de frustratie. «Toen stierf Elimelek, de man van Naomi, zodat deze met haar bei­de­ zonen ach­terbleef» Ruth 1:3

Beter: «Zij bleef over».

Sja’ar tissja’er = overblijven.

Sje’ar = rest.

Een drievoudige terugkeer

En dat woord ‘overblijven’ wordt één van de sleutelwoorden in dit eer­ste hoofdstuk. Ook het woord terugkeren wordt een sleu­tel­woord­ in Ruth 1. Het woord terugkeren hoor je maar liefst 12 keer in dit eerste hoofd­stuk. Het verhaal van Ruth is dus helemaal het verhaal van de­ terugkeer. Te­rugkeren naar je huis, naar je oorsprong, naar de vre­de, naar de bron, naar God. En dat wordt dan ook het thema van het verhaal in Ruth 1: hoe ga­ je terugkeren. En dat kan in dit gedeelte op drie manieren. Dus­ ik kan ook boven Ruth 1 zetten: ‘de drievoudige terugkeer’. Te­rug­­ke­ren langs drie wegen, terugkeren in drievoud. Er zijn on­tel­baar­ veel wegen, maar hier zijn er drie. Soms is er ook een weg die­ dood­gezwe­gen wordt, zegt een lied van Tom Naastepad. Het gaat­ in ieder geval om terugkeren, en dat is ook weer typisch een bal­lingschaps­thema. Als een mens in balling­schap is, en dat zijn wij­ soms ook, hoe ga je dan terug­keren? Hoe komen we weer thuis? Wijs mij de weg waar ik vandaan kom. Soms­ heb je het nodig dat je naam gefluisterd wordt, dat er even het­ licht van God door de wolken komt om je aan te raken. Om de stem­ te ho­ren die zegt: kom maar, wees maar niet bang, kom en ga­ met Me mee.

Een rest keert terug

Rest, dat is het ene woord, ze bleef over.

En het andere woord is­­ terugkeren.

Dat doet denken aan één van de motieven in het boek Jesaja. Want­ een van de kinderen van Jesaja heette: een rest keert terug, (Sje’ar­ Jasub). Daar heb je die twee woorden uit het boek Ruth in één­ naam, een over­blijfsel keert terug. Dat is ook één van de grond­gedachten in het boek Jesaja. Ze zullen in ballingschap gaan,­ maar een rest keert om. Het is niet het einde; de bal­ling­schap­ is niet het einde. Soms denken wij dat het af­gelopen is, van­daar ook die namen Machlon en Chiljon, maar toch, dan is God­ daar. Dan is daar de God die zegt: ga met Me mee. Hij is de God­ die mij gegeven is, de beker die voor mij ingeschonken staat. Mijn­ le­vens­lot ligt in zijn hand en het goede land is mij ten deel ge­vallen. Overblijven staat er dus aan het slot van vers 3. Dus Naomi wordt de­ rest, degene die overblijft. En Naomi is Israël. En wat Naomi voor­­al doet in dit verhaal, één van de voornaamste punten die in dit­ verhaal naar voren komt: ze klaagt. En dat is één van de we­zen­­lijke punten telkens weer geweest in de geschiedenis van Is­ra­ël:­ het Klaaglied. Israël heeft zijn klaaglied gezongen, juist als een lied­ van heimwee, het nostalgische, het heimwee naar God. Naomi ver­tolkt dus het klaaglied van Israël. Dan zie je ook, dat zij veel meer­ is dan alleen maar een individu. Zij staat daar namens Is­ra­ël,­ namens al die mensen die in ballingschap gaan en voor wie de weg­ terug zo moeilijk is. Zij die het gevoel hebben: de toe­komst ligt­ achter mij. «Dezen namen zich Moabitische vrouwen: de ene heette Orpa en de an­dere heet­te Ruth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren» Ruth 1:4. Letterlijk: «De naam van de één was Orpa en de naam van de an­de­re was Ruth». Ook weer twee namen. En dan kun je je weer afvragen, of die na­men­ vanuit het verhaal gegeven worden, dus achteraf. Letterlijk: «En ze zaten aldaar omstreeks tien jaren». «Toen stierven ook die twee, Machlon en Chiljon, zodat die vrouw over­bleef (niet: ‘achterbleef’) zonder haar beide zonen en zonder haar­ man» Ruth 1:5. Weer: overblijven. Deze vrouw wordt de rest. Die eerste vijf verzen te­ke­nen een drama. In enkele regels een drama van een familie. Tus­sen de regels door is daar heel wat tragiek, zijn er heel wat tra­nen. En dan denk je aan het eind van vers 5: hier eindigt het verhaal, het doek­ valt, wat is er nu nog te vertellen. En soms kan een mens het­ ge­voel hebben: nu kan ik alleen nog herhalen wat ik al verteld hèb!­ Alleen nog de tranen. En hierbij te bedenken dat we in de tijd­ van de Richteren zijn, een tijd dat er voortdurend vreemde le­gers­ door Israël banjerden. Het was een tijd van onveiligheid, je kon­ vaak ‘s avonds de straat niet meer op. Het was een tijd van on­heil en onveiligheid. De mensen kwa­men niet meer ‘achterom’. Je­ moest nu door de voordeur: grendel erop en een dubbel slot. Die­ eerste vijf verzen lijken een afgesloten geheel te zijn, na vers vijf­ is daar het einde, het verhaal is afgelopen. En de namen Mach­­lon en Chil­jon wijzen daar ook op.

De terukeer van Naomi

«Daarna maakte zij zich met haar schoondochters op (letterlijk: «stond op»)­ en KEERDE uit het veld van Moab TERUG, want zij had in het veld­ van Moab vernomen, dat de HERE naar zijn volk omgezien had door­ hun brood te geven» Ruth.1:6. In vers 6 begint dus de terugkeer. En dan zijn daar drie vrouwen die­ teruggaan, het wordt helemaal het verhaal van vrouwen. Dat is­ de enige draad die Israël nog in stand houdt: drie vrouwen, man­­nen zijn er niet meer. En waarheen gaan ze terug? Ja, mis­schien­ is er brood, maar mis­schien is er ook wel oorlog. ‘t Is de tijd­ van de Richteren tenslotte, mis­schien vallen ze wel in een gat. De­ kaalvreter is geweest, daar is weer brood, wat zullen ze vin­den?­ Wat zullen ze vinden als ze in de avond Bethlehem bin­nen­ko­men?

Kom vanavond met verhalen,

dat de oorlog is verdwenen

en vertel ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.

Vertel het nòg maar een keer. Is het echt waar? Ze gaan terug, drie­ vrouwen gaan op weg. «Dus trok zij met haar beide schoondochters weg uit de plaats, waar­ zij vertoefd had» Ruth.1:7. Letterlijk: «Ze ging uit». Het wordt dus een Exodus, de uittocht van Naomi, de uittocht uit Mo­ab….«Zeide Naomi tot haar beide schoondochters: Gaat heen, KEERT TE­RUG,­ ieder naar het huis van haar moeder; de HERE bewijze u lief­de,­ zoals gij die bewezen hebt aan de gestorvenen en aan mij» Ruth 1:8. Meestal wordt er in een dergelijk verband gezegd: het huis van de va­der, maar hier is het helemaal het verhaal van vrouwen, dus het­ wordt ook het huis van de moeder. Het huis van de moeder, de oorsprong. En nu krijgen we die drie vormen van terugkeer. Het gaat hier om men­sen, die op de tweesprong staan. Op de tweesprong van we­gen,­ maar ook op de tweesprong van hun leven. En wat zullen ze doen?­ Soms is een mens in een doolhof en denkt: waar ga ik ei­gen­lijk heen? Ik geloof in de geest die niet kan ster­ven. De mens kan zich voelen als een riethalm in de wind, als een riet in­ de stroom. De stormen komen, het wilde, woeste angst­aan­ja­gen­de gieren der winden. De opgezweepte golven beuken op de ar­me­ stam. Maar toch is daar dat innerlijk bewustzijn, de geest van­binnen kan niet ster­ven, de adel van de ziel blijft. Wij ge­loven in­ de geest die niet kan ster­ven, de geest die niet kan sterven in de­ wereld der volkeren, maar die ook niet kan ster­ven in het en­ke­le mensenhart. Ja, de last van het leven kan zwaar worden, het schrij­nen van zoveel pijnlijkheden, bittere ver­scheuring, hopeloze wor­steling, innerlijke onmacht. Het kan nacht en ne­vel wezen in het­ hart van een mens. Maar het kan ook wezen, dat een mens van­binnen wordt geraakt en geroepen. Geroepen, dat hij opstaat, dat­ hij zegt: ik màg niet innerlijk òndergaan, want ik ben een scha­kel in een onzichtbare keten! Ik sta in dienst van een heilige zaak.­ Ik geloof in de geest die niet kan ster­ven en die niet sterven màg.­ Dit is uit een preek van een predikant uit Zwolle, C. de Haas. En hij­ hield deze preek op 5 april 1942 voor zijn gemeente in de oor­logs­jaren. Hij zegt: het kan nacht en nevel wezen in het hart van een­ mens. Maar het kan ook wezen, dat een mens vanbinnen ge­raakt­ wordt, geroepen en dat een mens opstaat. Ik geloof in de geest­ die niet kan sterven, in 1942! En zo gaan die drie vrouwen op weg. De eerste vorm van te­rug­keer­ zien we bij Naomi. Zij staat ook op de tweesprong tussen ver­le­den en toe­komst en wat gaat ze kiezen? Is er een handvat, een hou­vast? Naomi draagt de pijn in haar hart, hoe zal ze Bethlehem terugvin­den?­ Ze is er jarenlang niet geweest en wat vind je dan als je te­rug­komt? Naomi gaat terug naar een vervlogen tijd, wat zal ze vin­­den? Zo kwam ook Elie Wiesel terug in zijn geboortedorp. En hij zegt: wat­ mij het meest verbijsterde, was dat er niets veranderd was. Als­ jon­gen van der­tien jaar werd hij uit zijn geboortedorp weg­ge­voerd­ naar het concen­tra­tiekamp. En later als man komt hij dus te­rug in dat kleine dorpje daar in de Karpaten. Hij kijkt rond in dat­ dorp waar hij als kind heeft ge­speeld en gewoond en hij zegt: er­ was niets veran­derd, hoe was het mo­ge­lijk! ‘t Was net of de tijd had­ stilgestaan. Dat kan soms het meest vreemde zijn: je vindt al­les­ zoals het was. Dezelfde bomen en huizen stonden er nog. Ik kwam­ in het huis waar ik als kind had gewoond. De­zelfde meu­bels­ nog, de trap kraakte nog op dezelfde manier. De manier waar­op de sleutel in het slot ging en het piepen van de deur wa­ren­ nog steeds hetzelfde. Alles precies hetzelfde, is er dan niets gebeurd? Dat kan soms het meest­ vreemde zijn als je zelf zoveel hebt doorgemaakt. De vogels doen­ alsof er niets aan de hand is en de bloemen bloeien vrolijk ver­der. De tijd staat stil, of – en dat is in feite hetzelfde – de tijd is ge­woon verder ge­huppeld. Dan zou je haast geneigd zijn te zeg­gen:­ de tijd snapt er ook al niets van.

Mara, haar naam is haar godsbeeld

Naomi gaat op weg met haar klacht, op weg met haar verdriet. En dat­ blijkt ook wel, want wat zegt ze als ze daar uiteindelijk in Beth­lehem komt: «Maar zij zeide tot haar: Noemt mij niet Naomi; noemt mij Mara, want­ de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan» Ruth 1:20. Ze vraagt om een andere naam, een nieuwe naam. Nieuw? Of niet?­ Ze zegt: roep mij niet Naomi, roep mij Mara, bitterheid. Letterlijk: «De Almachtige heeft mij zeer verbitterd». «Vol ben ik heengegaan, maar leeg heeft mij de HERE doen TE­RUG­KE­REN» Ruth 1:21. Weer dat woord terugkeren.Toen ik ging was ik vol, nu kom ik te­rug­ en ik ben leeg. «Waarom roept gij mij Naomi, de HERE heeft geantwoord tegen mij en­ de Al­mach­tige heeft mij kwaad gedaan» Ruth 1:21. Ze heeft het gevoel, en hier komen we op het terrein van het gods­beeld­ waar uiteindelijk alles van afhangt, dat God tegen haar is. Haar­ gods­beeld zegt: ook God is tegen mij. En daarbij noemt ze de naam­ Sjaddai. En dat wordt dan meestal vertaald met de Al­mach­ti­ge. Maar eigenlijk betekent die naam Sjaddai – vanuit Genesis – de­ God die voorziet, de God die genoeg is, Hij is genoeg voor mij. De­ God die de toekomst opent. Maar voor Naomi is het geworden: de­ God die de toekomst sluit, de God van de brute macht. Macht als­ een blok dat over je heen gaat, als een bulldozer waaronder je wordt­ plat­geslagen. De God waartegen je niets in te brengen hebt, al­leen lege briefjes; Hij is groot en ik ben klein. Hij is voor Naomi het­ almachtig Opperwezen, die ondoorgrondelijke we­gen gaat. De God­ die schikt en bèschikt. De God die altijd aan het langste eind trekt­ en jij dus aan het kortste. De God die het behaagt ram­pen en­ sla­gen over een mensenkind te brengen. En wie ben jij dat je Hem­ zou tegenspreken. Dat is de God die eigenlijk ook verwisseld kan worden met het lot, het­ noodlot. Deze God is een soort willekeurig wezen, Hij geeft ook kwaad.­ Hij deelt het uit naar zijn ondoorgrondelijk bestek. En Na­o­mi zegt: nu moet je mijn naam ook maar aanpassen. Want liefe­lijk­heid en mildheid is er niet meer. Het is nu allemaal zo hard geworden, het leven is hard voor mij ge­­weest. Ze heeft het leven ervaren als een zwaard dat boven haar hoofd­ hangt. Haar naam is haar godsbeeld, bitterheid, dat is haar he­le erva­ring. Wat moet een mens doen die bitter geworden is? Je kunt wel zeg­gen:­ je moet gaan bidden, ja misschien; maar alles ligt vast. En ook­ het gezicht van God is voor die mens donker geworden.

Donkere ogen in een bleek gelaat.

Donkere ogen in een bleek gelaat,

de broze mens en zegt U geen bede.

De mens heeft zijn ellende

en heeft de straat.

Die mens heeft alleen nog de straat, de buurt, die anderen die zeg­­gen: nou, dan zullen we je maar Mara noemen. Eigenlijk kan dat­ hart niet meer bidden. Wat moet je nog vragen, je weet het toch­ al bij voorbaat! Wat valt er nog te bidden. Je kunt alleen nog bid­den om berusting, laat mij in mijn lot berusten. Het godsbeeld van Naomi heeft zich toegesloten rondom haar. En zo­ heeft de bitterheid haar helemaal als een cocon ingesponnen, als­ een web. Ze zit in het web van haar godsbeeld.

Geen gesneden beelden maken

Dat is ook het probleem, als je een godsbeeld gaat maken. Daar­om­ mocht Israël ook geen gesneden beelden maken. Want wat ge­beurt­ er op het moment dat je beelden gaat maken? Een beeld is de­ poging om een men­selijke creatie tot bovenmenselijk te ver­kla­ren.­ Je gaat dan iets wat je tegenkomt in je leven of in je ervaring op­ een voet­stuk zetten. En dat verklaar je tot bovenmenselijk. Na­o­mi heeft de ervaring van haar ver­driet, ze heeft de ervaring van haar­ bitterheid en die verklaart ze nu tot bovenmenselijk. Ze zegt: dat­ is God, God doet dat. En daarmee speelt natuurlijk ook mee, dat­ in de oude tijden de onzienlijke wereld nog ver­bor­gen was. Ze heeft­ niet in de gaten dat daar andere machten en krach­ten zijn, die­ proberen om een mensenleven kapot te maken. Als daar iets van­­uit die hemel komt, vanuit die verborgen wereld, dan kan ze al­leen maar zeggen: dat moet God doen, dat heeft Hij gedaan! Dat er­ ook nog een verderver is, is voor Naomi onbekend. Zo gingen die bei­den tezamen. Naomi keert terug, maar de vraag is wie haar godsbeeld zal ge­ne­zen.­ En hoe zal haar godsbeeld dan genezen. En als we dan even voor­uitlopen op het verhaal, zullen we ontdekken dat Ruth dat doet.­ Dat is het won­derlijke, dat deze Moabitische vrouw dat gaat doen.­ Je zou zeggen: een vrouw van de buitenkant, een bui­ten­staan­der. Zij gaat het godsbeeld van Naomi genezen, doordat ze méé­gaat. Soms komt het heil van een an­dere kant. En dan op­eens­ dan staat er naast jou een ander. Naomi is op dit moment Israël en Ruth vertegenwoordigt God. Ruth wordt­ het nieuwe godsbeeld. Ruth staat daar naast Naomi. En soms­ heb je het gewoon nodig, dat er iemand náást jou gaat. Ie­mand­ die niet preekt, die misschien niet eens zoveel zegt. Het merk­waardige is, dat ze heel die weg naar Bethlehem gaan, maar dat­ er onderweg weinig wordt gesproken. Alleen die paar keer als Naomi zegt: ik zou maar teruggaan. Maar als­ Ruth zegt: ik ga met u mee, dan staat er een heel opmerkelijke zin­ in: «Toen zij zag, dat zij vastbesloten was met haar mede te gaan, hield­ zij op tot haar te spreken» Ruth 1:18. Einde van het gesprek! En daar gaan ze dan en je krijgt de in­druk,­ dat het een stille tocht was. Ze hebben geen woord meer met­ el­kaar gewis­seld. Er wàs niets meer te zeggen, maar dat hoef­de­ ook niet, er was al­leen nog het gaan. Naomi heeft niets meer te zeg­­gen en Ruth preekt ook niet en dat laatste is een zegen. Af en toe­ heb je iemand nodig die niet preken kan. Het lijkt haast op de tocht van Abraham en Isaäk: zo gingen die bei­den tezamen. En hier gaan Naomi en Ruth. En het is alleen maar­ stil; je zou zeggen: je kon de stilte horen van je hart, je kon de­ stilte horen van Gòds hart. Alleen maar gaan en zwijgen, en dat­ was genoeg.

Soms denk ik dat Gij peinzend naast mij gaat,

dat ik elk ogenblik uw stem kan horen.

Een gouden stilte legt zich op de straat,

de huizen gaan in golvend licht verloren.

Soms denk ik dat Gij peinzend naast mij gaat. Spreek dan die naast­ mij zijt. Misschien, maar nu nog niet. Eerst alleen maar de stil­te, de stilte van het hart die meer waard is dan duizend woor­den.­ Die stilte die je haast òp zou willen rapen en bewaren. Ruth preekt niet, maar doordat Ruth meegaat en de manier waar­òp­ ze gaat, gebeurt er iets.

Schoon is het, om na storm en onweder

zeer stil staande rustig aan God te denken.

Ik peins en denk over de nieuwe wegen

zoals een reiziger die leunt en rust.

En zie ze in een half licht liggen voor me.

Een licht van God heeft mij de ziel omgoten.

In de stilte van het hart…. nieuwe wegen liggen voor je. Wat doet Ruth? Ze gaat heel eenvoudig mee. En gaandeweg zal het­ beeld dat Naomi heeft genezen. Want aan het eind van het boek­ heet ze weer Naomi en niet meer Mara. Aan het eind van het ver­haal is ze ook niet meer leeg, maar vol. Want als je even voor­uit­ grijpt, dan staat er in het vierde hoofdstuk: «En Naomi nam het kind en legde het op haar schoot en zij werd zijn­ verzorg­ster»  Ruth 4:16. Naomi neemt het kind van Ruth en ze legt het in haar schoot. Dan­ is haar schoot niet meer leeg, maar dan is haar schoot weer gevuld. En in Ruth 4:16 heet ze weer Naomi, niet Mara. Zij legde het kind in haar­ schoot (lett.) en ze werd hem tot verzorgster, ze werd hem tot omè­ned en daar zit het woord amen in. Je zou haast kunnen ver­ta­len:­ zij werd voor dat kind tot amen, tot ver­trouwde, tot ver­trou­we­linge, tot toe­vertrouwde. Dat kind werd haar toe­vertrouwd. De schoot­ van Naomi is weer gevuld, via Ruth krijgt Naomi weer toe­komst.­ Niet door haar woor­den, maar door haar hou­ding. Soms kun­ je een pastoraat hebben dat zich voltrekt als een pan­tomime, pan­­tomimisch pastoraat. Want al­les is misschien al tien keer ge­­zegd­ en alle preken zijn misschien al twin­tig keer gehouden. Ge­woon­ ie­mand die je bij de hand pakt en zegt: kom, we gaan. Zo wordt de impasse doorbroken, zo komt Naomi uit haar cocon. Licht­voetig, als een spettertje van regen, als een vleugje van de wind,­ als een sprankeltje van zonlicht, lichtvoetig voortgegaan. Zo gaat­ Ruth heel een­voudig op weg. Soms kom je van die mensen tegen, die dat geheim kennen. Die kun­­nen gewoon door een bepaalde manier van leven iets openen, iets­ openbre­ken. Een aanstekelijkheid, ze nemen je mee, kom, ga met­ mij mee. Dat is dus de eerste vorm van terugkeer, Naomi. Soms moet je gods­beeld genezen. Ook dat heeft te maken met je ver­wachting, gods­beeld dat vanbinnen weer heel wordt. Je wordt weer mens met­ een binnen­kant, soms is die binnenkant zo gebeukt en ge­sla­gen.­ Weer mens worden met een hart.

De terugkeer van Ruth

Dan is de tweede terugkeer de terugkeer van Ruth. Op welke manier keert Ruth terug? Dat roept meteen een vraag op,­ want kun je bij Ruth wel spreken van een terugkeer? Toch is het­ opmer­kelijk, dat de tekst daar wel van spreekt. Terwijl je ge­neigd­ bent te zeg­gen: dat klopt helemaal niet. Hoe kun je nu spre­ken­ van een terugkeer van Ruth naar Bethlehem, ze is er immers nog­ nooit geweest! En toch, wat staat er, laten we eens even letten op een paar sig­na­len in de tekst. «Dus trok zij weg met haar beide schoondochters uit de plaats waar zij­ vertoefd had» Ruth 1:7. Dus daar gaan ze tezamen. Maar het wordt nog duidelijker als we ko­men aan het eind van hoofdstuk 1: «Zo keerde Naomi terug met Ruth, de Moabitische, haar schoon­doch­ter, die met haar uit het veld van Moab meegekomen was» Ruth 1:22. Letterlijk vertaald: «En Naomi keerde terug èn Ruth, de Moabitische, haar schoon­doch­ter mèt haar, die teruggekeerd was uit de velden van Moab». Dus letterlijk zegt de tekst, dat ook Ruth teruggekeerd was uit de vel­den van Moab. Dat geeft toch wel te denken. En letten we dan ook­ nog op: «De knecht, die over de maaiers gesteld was, antwoordde: Dat is een­ jonge vrouw uit Moab, die met Naomi mee­gekomen is uit het veld­ van Moab» Ruth 2:6. Letterlijk: «Een Moabitische jonge vrouw is deze, die teruggekeerd is met Na­omi». Dus teruggekeerd, niet zomaar meegekomen. Dit is weer een typisch westerse, moderne vertaling. Nou, ze is mee­ge­komen, er kwam er nog eentje mee. Ben je ook mee­ge­ko­men?­ Maar dat woord teruggekeerd gaat veel dieper dan ‘mee­ge­komen’. En het is goed om dat woord teruggekeerd te horen in de­ volle dieptewerking van de tekst. En waarheen keert Ruth dan terug? Ik denk dat je moet zeggen: zij is teruggekeerd naar haar begin. Zij­ is teruggekeerd naar de oorsprong van haar menszijn. Met an­de­re woor­den: veel dieper dan een aardrijkskundige reis. Een mens­ kan een reis ma­ken, kan terugkeren van de ene kant van de­ landkaart naar de ande­re, maar kan ook terugkeren waar hij oor­spronkelijk van­daan is geko­men. Terugkeren naar het huis, ein­delijk terecht, ein­delijk thuisgeko­men.

Ruth komt op de moedergrond

En Moab en Bethlehem hebben ook heel diep met elkaar te ma­ken.­ Als je de getalswaarde van de letters van het woord MOAB op­telt, kom je tot 49. En als je dat doet met Bethlehem, kom je tot 490.­ Dus 10 keer 49. En 10 jaar waren ze in de ballingschap. En 49­ is ook het getal dat je telt tot het jubeljaar. Elk 50e jaar was er een­ jubeljaar, dan kwamen de slaven vrij en kwam het land weer in­ handen van de oorspronkelijke eigenaar. Het jubeljaar is het jaar­ van de thuiskomst. 7 x 7 jaren en dan komt het jaar van de thuis­komst. Jezus zegt ook: je telt 70 x 7 en dan kom je tot de totale ver­ge­ving,­ tot de verzoening, dan word je eindelijk losgemaakt en los­ge­la­ten, dan kom je eindelijk weer bij jezelf. Je zou hier kunnen zeggen: Ruth komt op de moedergrond, de moe­der­grond van elk mens, de moederbodem van je hart. Hoe vol­trekt zich die terugkeer? Eerder hoorden we al van ‘het huis van­ de moeder’, maar nu komt ze op de ware moedergrond. Er staat­ namelijk iets heel moois in Ruth 1:14: «Toen verhieven zij opnieuw haar stem en weenden, en Orpa kuste haar­ schoon­moeder, maar Ruth klemde zich aan haar vast» Ruth 1:14. Vastklemmen, dabaq, eigenlijk: aankleven… Dat woord wordt ook in Deuteronomium gebruikt, als er staat: «Gij zult­ de HERE uw God aanhangen met heel je hart». (Deut.10:20 ea.). Ook in Genesis 2 wordt dat woord gebruikt in verband met man en­ vrouw. De man zal vader en moeder verlaten en zijn vrouw aan­hangen. «Mijn ziel is aan U verkleefd, uw rechterhand houdt mij vast» Ps.63:9. Letterlijk: «Mijn ziel kleeft achter u aan». Met Hem voor eeuwig verbonden, niet meer te scheiden. Je zou haast­ zeg­gen: voor altijd vastgelijmd met een altijddurende ver­bin­tenis. Nu staat hier dat Ruth kleeft aan Naomi. Net alsof het gaat om een­ huwe­lijk. Net alsof het gaat om een verbintenis, om een sa­men­­binding. Naomi = Israël; Ruth is beeld van God, maar tegelijk ook­ beeld van de gojim, van de volkeren. Zo is daar die hechting, zo­­als God Zich hecht aan mensen. Dit woord roept dus een we­reld­ van verbanden op. Zoals Paulus ook zegt in 1 Kor.6: «Wie zich aan de Here HECHT is één geest» 1 Kor.6:17. Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God «Dring er bij mij niet op aan, dat ik u in de steek zou laten, door van u­ TERUG TE KEREN; want waar gij zult heengaan, zal ik heengaan, en­ waar gij zult ver­nach­ten zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en­ uw God is mijn God». Ruth 1:16. Hier in deze tekst staat die prachtige geloofsbelijdenis van Ruth. Je­ zou zeggen: hier heb je de openbare belijdenis van Ruth, een ge­­laden, bijzon­der moment. Ruth legt een verklaring af, hier in de­ze verzen 16-17. Ze legt een verklaring af met haar eigen woor­­den. In sommige gezindten heb je dat ook, met name bij de Doops­ge­zinden. Als je daar toetreedt, mag je je eigen ge­loofs­be­lij­de­nis schrijven. Af en toe is dat heel goed, schrijf eens op wat je ge­­looft, schrijf eens op wat je verwacht. Tom Naas­tepad zegt zo mooi:­ “Wij schrijven Gods verhaal”. Je schrijft wat je verwacht, en wat­ ver­wacht en gelooft Ruth? Letterlijk: «Waarheen gij gaat, ga ik, waar gij vernacht, vernacht ik.­ Uw volk, mijn volk, uw God, mijn God. Waar gij sterft, sterf ik, daar­ word ik begraven. Zo doe de Eeuwige aan mij, zo voege Hij toe.­ Alleen de dood zal scheiden tussen mij en tussen u». Ruth 1:16. Als je dit hoort, zie je dat dit een ringcompositie is. Het is ge­com­po­neerd met een midden en daar omheen een ring. In de ring staan­ aan de ene kant gaan en overnachten. Aan de andere kant­ ster­ven en begraven worden. En binnen die ring: gaan, overnachten – sterven, begraven worden staat:­ «Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God». Dat is het hart.­ Het is een ring met een hart. ‘t Is een cirkel met een kern. De­ cirkel vertelt in vier werkwoorden: Gaan-overnachten-sterven-be­­graven worden. En binnen die ring van vier werkwoorden staan twee­ nominale zinnen, twee zinnen zonder werkwoord: «Uw volk, mijn­ volk, uw God, mijn God». Zo vertelt Ruth haar verhaal, heel compact. Je zou haast zeggen: op­­ dat moment wordt ze poëtisch. Als mensen iets zeggen willen en­ het nau­we­lijks onder woorden kunnen brengen, dan kun je soms­ alleen nog maar je uiten in een gedicht of een lied. Een ge­dicht­ (en ook een lied) zou je verhoogde taal kunnen noemen. Als je ‘t­ niet kunt zeggen, moet je het maar zingen. In een laat­ste con­cen­tratie, een uiterste geladenheid. Dan is het waar wat een dichter zegt: een reis is als je terug bent maar­ een zucht. Een hele reis en als je terug bent: hè, we zijn weer­ thuis. Als je terug bent is een reis maar een zucht, ook al is het­ misschien wel 1200 kilometer geweest.

“Een reis is als je terug bent maar een zucht,

maar in úw adem nim­­mer uitverteld”.

Die reis van Ruth naar Bethlehem was ook maar een zucht. En toch­ is die tocht nog niet uitverteld, want die reis van Ruth gaat nog­ altijd door. En dat boek van Ruth lezen we nog altijd. Het wonderlijke is dus, dat Ruth teruggaat naar een plaats waar ze­ nog nooit geweest is. En dan kom je daar en dan zeg je: ja maar,­ hier ben ik toch eigenlijk geboren! En dan kom je in dat he­mel­se Jeruzalem en dan zeg je: ja maar, hier ben ik toch geboren? Dan­ kom je bij God en dan zeg je: Ik hoor toch bij U, ik ben­ toch eigenlijk altijd al bij U ge­weest! En dan zegt God: Ja, Ik ben­ ook geen vreemde voor je. Dat staat ook zo mooi in Jesaja: «Ik ben­ in uw midden niet als een vreemde!» God zegt: je krijgt geen vréém­de God, Ik ben het Zelf. God stuurt geen assistent, Hij stuurt­ geen afvaardiging. Hij zegt: Ik kom Zelf.

De verwachting van Ruth

Zo is dus de terugkeer van Ruth. En als je dit zo bekijkt, kun je je af­vra­gen: wat verwacht Ruth nu eigenlijk? Wat ze verwacht is: gaan­ en over­nachten, een plek om te overnachten en sterven en be­­graven worden, dus een plekje om een graf te vinden. En dan zeg­ je: nou, ze verwacht nou niet bepaald een Luilekkerland, haar ver­­wachtingen zijn nu niet zo héél hoog gespannen. Ruth ver­wacht­ geen rozengeur en maneschijn. Ze verwacht geen land over­vloeiende van melk en honing. Ze spreekt niet van een pa­ra­dijs,­ niet van brood in overvloed en liefst nog met beleg. Ze zegt: het­ enige wat ik verwacht is: een plekje om te gaan en een plekje om­ de nacht te doorstaan, een plekje waar ik mijn hoofd kan neer­leggen en een plekje waar ze me kunnen begraven. Een plekje om te worden begraven en een volk en een God. Dat is al­les! En dan denk je: Ruth, is dat nou de moeite waard? Kun je niet­ wat hoger grijpen in je heilsverwachting? Ruth spreekt niet over­ welvaart of voor­uit­gang. Een plekje om te overleven, daar komt­ het eigenlijk op neer. ‘t Is net als met Abraham: gaan zonder te weten waar je komen zult.­ Het is ook opmerkelijk, dat Ruth in hoofdstuk 2 ook he­le­maal­ gezet wordt in de lijn van Abraham. «Boaz antwoordde haar: Mij is omstandig medegedeeld alles wat gij­ voor uw schoonmoeder gedaan hebt na de dood van uw man, en­ hoe gij uw vader en uw moeder en het land uwer geboorte hebt ver­laten en gegaan zijt naar een volk, dat gij tevoren niet kendet» Ruth 1:16. Letterlijk. «Mij is gemeld……gisteren niet en eergisteren niet». In deze tekst lezen we precies als wat van Abraham wordt gezegd. Hij­ wist niet waar hij komen zou, hij verliet het land van zijn ge­boor­te. Ruth wordt helemaal gezet in de lijn van Abraham. ‘t Is net­ of zij Abraham 2 is, en dat als vrouw. Ze heeft diep in haar hart­ geweten: daar vind ik het leven. Misschien toch, omdat zij in die­ tien jaren ongetwijfeld gehoord heeft van de Torah. Misschien heeft­ ze liederen gehoord, liederen van heil, misschien gebeden. Mis­schien heeft ze de feesten meegemaakt, mis­schien heeft ze ook de­ sjabbath gevierd. Ze zullen toch wel de tradi­ties in acht ge­no­men­ hebben. Op die manier heeft Ruth tòch iets gevon­den van haar­ wortels, hoe ver weg ook misschien, zij als Moabitische. Iemand schreef het zo aardig, van een vrouw die op een vroege zon­­dagmorgen naar de kerk ging. Ze zegt: hele afstanden heb ik af­ge­legd om overal te zoeken. Boeken over engelen voor mijn zwe­ve­rige boeken­plank. En telkens als ik thuis­kwam, was er niets ver­anderd. Kennelijk landde het niet. Ik vroeg me af hoe dat kwam,­ hele af­standen heb ik af­gelegd. Maar weet je wat er toen ge­beurde: er stond een kerk om de hoek. Ach waarom niet, dacht ik,­ ik ben er lang genoeg aan voorbijge­gaan. Dus kwam ik op een vroe­ge zon­dag­morgen bij jullie binnen. Het sloeg in als een bom. La­ter vroeg ik mijn moeder, of zij ooit kerkelijk ge­weest was. Zij niet,­ haar ouders wèl. Ik vermoed nu, dat ik toch ergens wortels had­ liggen en dat ik daarover ben gestruikeld.

Ruth wordt Abraham

Een typerend verhaal. Zo is Ruth gegaan op het gerucht van verhalen en liederen, van da­gen en gebeden. Ze is gegaan naar de plek, waar misschien via Abra­ham en Lot haar wortels lagen. Moab is tenslotte oorspron­ke­lijk afkomstig van Lot. Via Abraham en Lot lagen daar haar wor­tels. Zij stamde af van Lot en zij wordt als Abraham. Dus ei­gen­lijk wordt Ruth Abraham en Lot in één. En dat terwijl ze vol­gens­ oude teksten er niet eens in mocht. «Een Ammoniet of een MOABIET zal niet in de gemeente des HEREN ko­men» Deut.23:3. Een Moabiet kwam er dus niet in. Maar, zeiden de rabbijnen, dat geldt­ alleen voor mannen; van een Moabitische vrouw wordt dat niet­ gezegd. Ruth doorbreekt dus ook de regels, zij doorbreekt de kaders. Ze doet­ ei­gen­lijk wat niet kan. Volgens Deuteronomium 23 kon het niet,­ maar vol­gens haar kon het wèl. Ze had wat flarden van de To­rah opgevangen en die flarden zijn genoeg. Daar klemt ze zich aan­ vast. Toch misschien er­gens een verdwaalde tekst, een lied dat­ door de wind wordt mee­geno­men en dat is dan genoeg. Misschien heeft ze wel gedacht als die Kananese vrouw, die bij Jezus kwam. Ach, al ben ik dan misschien maar een hondje, er valt­ altijd wel wat van de tafel en dan raap ik dàt maar op. Laat me­ dan maar een hond­je onder de tafel zijn, maar brood zal ik vin­den. «Dat de HERE naar zijn volk omgezien had door hun BROOD te ge­ven»­. Ruth 1:6. Er was brood in Bethlehem. Dus daarom: gaan! Maar dat was brood­ met een meerwaarde. Niet al­leen maar brood voor vandaag, maar­ ook: Geef ons heden ons brood voor morgen. Zo kun je het ook­ vertalen: brood voor de grote mor­gen; zo vertaalt Joachim Je­re­mias dat. Geef ons heden ons brood voor de grote morgen. «En zij gingen beiden voort, totdat zij te Bethlehem kwamen» Ruth 1:19. Dit was dus de tweede terugkeer. En die terugkeer verloopt soms langs een heel lange reis. Maar Ruth­ komt los, los uit het Moabitische kader.

Gerrit Achterberg zegt het zo mooi:

Soms kan het leven een dwaaltocht zijn

langs de Drentse bos- en heideranden

of een zomaar zwerven over de Zeeuwse stranden.

Maar, Gij hebt Uzelve in mij losgesteld.

God stelt Zichzelf los in jou, dan gebeurt er vanbinnen iets, je komt­ van­binnen los. Los van alle gewoonten, los van die cocon, los­ van de kluis­ters en de kaders. Los van de dwang om je steeds te­ moeten aanpassen. Gij hebt Uzelve in mij losgesteld… Iemand kan­ iets losmaken in jou. Iets losmaken vanbinnen, dat deed Jezus ook. Hoe langer ik ero­ver­ na­denk, hoe meer ik dat ook in dat verband ga zien. En daar kun­ je aan den­ken ook, als er staat dat Jezus de losprijs is ge­wor­den.­ Jezus maakte iets los in de mensen, door zijn manier van le­ven,­ ook door zijn manier van sterven. Het omgaan met Jezus werk­te zo aan­stekelijk, dat er iets los­kwam vanbinnen. Als je ie­mand­ ziet, die zó menselijk is en zó in de vrijheid staat, heeft dat een­ aanste­kelijke uitwerking. Je voelt daar iets van de vlinder, die uit­ de cocon breekt. Die kleine vogel, die komt uit de schaal van het­ ei. En als je Hem bezig ziet, komt het verlangen in je op om dat­ ook te doen, om ook zo te zijn. Zo deed Jezus dat altijd weer. Hij maakte iets los in de mensen, zo­­dat ze dachten: het kan dus ook anders. Verlokt, mee­ge­trok­ken,­ we zijn getrok­ken door zijn heerlijkheid.

Maar, Gij hebt Uzelve in mij losgesteld

en kunt deel hebben aan de vogelvlucht.

De afstand naar het zuiden is geducht,

maar Gij hebt alle steden opgeteld.

Je ziet die grote afstand en je denkt: kan dat, kan ik ook een trek­vo­gel wor­den? Kan dat, of moet ik alleen maar een huismus blij­ven,­ een huis­mus in de dakgoot, in de dakgoot van het leven. Kan ik­ een trekvogel worden? Neem mij maar mee. Ah, het kàn! Gij hebt­ alle steden opgeteld. Tel ze maar op, al die steden. En als je alle steden van Moab op­telt­ en nog een keer vermenigvuldigt, dan heb je Bethlehem. Tel maar­ op en ver­menigvuldig maar en je komt thuis. Alle steden opgeteld. En zo ga je dan, op de adem van God op reis.­ Alles opgeteld, de steden, de jaren, de successen, maar ook het­ leed, de harts­tocht en de schulden. Het donker voelen en het brui­­send kolken is bij Hem bekend. En ook van de dalen het klein­ste gehucht. En de Geest van God heeft mij gemaakt. En de adem van de Al­mach­tige, de adem van Sjaddaï doet mij leven.

Je komt op adem en je gaat leven! En zo gaat Ruth op weg om terug te komen. Om terug te komen waar ze ei­­genlijk thuishoort. Bij God, die de bron is van haar leven. Thuiskomen op de Moederbodem. In de diepte van stilte zijn geen woorden nodig, is geen taal ver­eist.­ In de diepte van stilte word ik geroepen om te luisteren. Luis­ter naar het kloppen van je hart, luister naar het waaien van de­ wind, de beweging van de Geest. Wees stil, zegt de Heer, en weet­ dat Ik God ben. We zullen ons nu gaan verdiepen in het derde aspect van de te­rug­keer in het boek Ruth. We hebben gezien: Ruth doorbreekt de grenzen. Gij hebt verlaten uw­ vader, uw moeder, het land van uw geboorte, gij zijt gegaan naar­ een volk dat gij niet kendet.

Sjaddai, de moederlijke kant van God

De naam Sjaddai die in het boek Ruth ook gebruikt wordt, geeft ei­­gen­lijk de moederlijke kant van God aan. De hoofdbetekenis van het­ woord Sjaddai is “Het is genoeg”, God is genoeg. Aan de ene kant heb je God als de man, als de herder, aan de an­de­re kant heb je God als moeder, de God die draagt. En Sjaddai is met­ name in het boek Genesis de God van de moeders, de God die­ de moeders draagt en tot moederschap brengt. Steeds waar moe­ders op dood spoor zijn, steeds waar Israël op een dood spoor is,­ daar is Sjaddai degene die de moeders draagt. God draagt ze met­ moeder­lijke draagkracht over het dode punt heen. Daarom is het­ in zekere zin een beetje jammer, dat die naam ver­taald is met Al­machtige. Je zou beter kunnen spreken van het ver­mogen, het is­ de God die vermo­gen heeft om je er doorheen te dra­gen. In die zin­ zou je het beter met de Almogende kunnen weergeven. Je zou ook met de dichter Rilke kunnen spreken van ‘de in­ner­lij­ke ruimte’, de God die jou vanbinnen in de ruimte stelt, zodat je­ vanbinnen ruimte krijgt om te leven. Hij is de God die de stag­na­tie doorbreekt. Mensen kunnen soms op een bepaald punt gaan­ stagneren, vast komen te zitten. Dan is er geen groei en geen­ ontwikkeling meer. Juist daar waar het moederlijke wegvalt, daar­ waar het hart eruit verdwijnt, treedt stagnatie op. Zo blijven mensen soms steken in een patriarchale fase. Mannen die­ de baas willen spelen en tot tiranniek gedrag vervallen. Een zoon­ die in de puberteit zich verzet tegen alle gezag. Je ziet soms men­sen en maat­schap­pijen die in de puberteit zijn blijven steken. Dat­ werkt een ‘stoer gedrag’ in de hand, dat levert dus nog meer stag­natie op. Op een gege­ven ogenblik gaat het verzet tegen het pa­triarchale en het verzet tegen het gezag zich verharden. En dan gaat­ dat verzet tot een soort instituut worden. Als dat pro­ces zich­ voortzet, krijg je een leger! Een leger is dus een geïn­sti­tu­ti­o­na­liseerde vorm van stagnatie. Dan groei je niet door naar vol­was­sen­heid, je blijft ergens vastzitten. Een leger is dus eigen­lijk een vorm­ van gestagneerde puberteit. Dan ga je ook stoer doen, dan heb­ je een bepaalde status, dan ga je lopen met je sterren en je stre­pen en je paradepas.

Boaz en Ruth

Het is toch wel heel opmerkelijk, hoe vertalingen er mee bezig zijn om­ Ruth helemaal te degraderen, naar beneden te plaatsen. Dat valt­ met name op in hoofdstuk 2. We zien in de vertaling ten aanzien van Ruth­ een zekere neerbuigendheid optreden. Boaz is dan de grote wel­doe­ner en Ruth het arme meisje uit het niemandsland. En de po­pulaire uitleg suggereert dan een arm meisje dat begunstigd wordt.­ Ruth gaat aren lezen. En dat stond ook in de Torah; dus Ruth pakt­ het eerste uit de Torah wat voor haar kan zijn: de arme en de­ ellen­dige mag de aren verzamelen en dat doet ze. Dat is haar stuk­je Torah, het is net als­of dat voor haar geschreven is. En let er­ dan op hoe dat gesprek zich dan ontwikkelt. «Toen wierp zij zich op haar aangezicht, boog zich ter aarde en zei­de­ tot hem: Waarom betoont gij mij uw gunst, dat gij uw oog slaat op­ mij, hoewel ik een vreemdelinge ben?» Ruth 2:10. Deze tekst druipt van nederigheid. Vanuit de Hebreeuwse tekst let­terlijk vertaald, klinkt het toch fundamenteel anders. «Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen?» En genade is, dat een mens eindelijk tot zijn recht komt. Genade is,­ dat je in wezen krijgt wat je bent, waartoe je geschapen bent, dat­ je er einde­lijk mag zijn. «Dat gij mij erkend hebt». Dat is toch wel wat anders dan «Dat gij uw oog op mij slaat». Deze laat­ste uitdrukking heeft gauw de sfeer bij zich van: uit de hoogte doen,­ minzaam neerbuigend iemand tegemoet treden. Ruth krijgt dus­ eindelijk erkenning en komt eindelijk tot haar recht. Er zit dus­ helemaal niet iets in van neerbuigendheid, alsof Boaz God is en­ Ruth een arm, nietswaardig meisje, dat bij de gratie ook nog wat­ mag. Dat arme, ar­moe­dige kind wekt dan vertedering op, zo sug­gereert de vertaling. Er wordt hier echter iets heel anders verteld. Niet Boaz daar in de hoog­te en Ruth in de diepte, maar Ruth heeft een probleem. Ze woont­ nu in een vreemd land en is arm. Maar, en dat wordt vaak ver­geten, Boaz heeft óók een probleem, daar hoor je bijna nie­mand­ over. Boaz’ pro­bleem is, dat hij al oud is en geen kinderen heeft.­ Hij heeft dus ook geen erfgenaam. En later zegt Boaz ook: je hebt­ er goed aan gedaan, dat je niet achter de jonge mannen aan bent­ gegaan. Boaz had dus ook een pro­bleem, hij had ook geen toe­komst. Dus Ruth heeft Boaz nodig, maar Boaz heeft ook Ruth no­dig. Boaz is dus niet de grote weldoener die zich over Ruth zal ont­fermen. Zowel Ruth als Boaz staan dus op een dood punt. Bo­ven­­dien is er een barrière tussen hen beiden, want Ruth is een Mo­abi­tische. Dus in feite maakt Ruth geen kans om in Israël een le­vens­partner te vinden, want wie wil er nu met een Moabitische trou­wen! Je zou dus kunnen zeggen: de regels staan tussen hen als­ een muur, ze kun­nen nooit bij elkaar komen, de zaak zit muur­vast. Dus het gaat in dit gedeelte van het boek Ruth niet om lief­dadigheid, het gaat er hier zeker niet om een les te horen in de trant:­ wees ook liefdadig, want kijk maar eens: dat wordt beloond. Want­ Boaz kreeg als loon voor zijn goedheid de vrouw van zijn dro­men. Dan zouden we boven Ruth 2 kunnen schrijven: Wie goed doet, goed­ ontmoet. Maar Ruth staat met de rug tegen de muur en Boaz ook. Het sleu­tel­woord is dus: genade vinden in de ogen van de ander. Ruth gaat naar­ het veld en zegt: ik ga aren lezen bij degene in wiens ogen ik ge­nade vind. Genade vinden is niet dat neerbuigende, maar ein­de­lijk krijgen wat je van­binnen verdient, dat iemand wat in je ziet. Ruth­ wordt erkend. Vol­gens de regels kon het niet, maar in het ver­haal kon het wel. Dat is de kracht van een verhaal. Verhalen la­ten ons vaak kanten zien van de wer­kelijkheid waarvoor we on­ze­ ogen hebben gesloten. We zijn beperkt en begrensd, we zien tot een­ bepaald punt en wat daarachter ligt is vaak te moeilijk en te ver­ weg. Verhalen kunnen ons helpen om onze grenzen te ver­leg­gen,­ daarom hebben we ze nodig. Een mens kan vast zitten in al­ler­lei regels, in dogma’s en leerstellingen; regels als een ge­van­ge­nis.­ En dan komt zo’n verhaal en dat leert ons denken. Boaz ken­de­ alle regels, maar die konden hem geen toekomst geven, zijn toe­komst zat op slot.

En dan wordt het waar wat Gerrit Achterberg zegt:

De dichter weegt en wikt

en zoekt naar de juiste woorden

en ‘t is een gevecht op leven en dood,

totdat de deur eindelijk opengaat.

Totdat de deur opengaat….Dat is ook de spanning in het ver­haal­ van Ruth, zal de deur opengaan? Ruth wordt erkend. Zij, de randfiguur, zij wordt straks het hart van­ Is­raël. Zij wordt het denkende hart van Israël. Ruth breekt in, zij­ breekt in binnen de cirkel waarin Boaz zit. Dus het verhaal van Ruth­ is eigenlijk het verhaal van een inbraak. En ook een verhaal kan­ inbreken in jouw ge­sloten systeem. Het verhaal kan inbreken in­ die gesloten kaders. En dat kàn, een ander kan je aankijken. Een­ ander, een vreemdeling mis­schien, kan je opeens oog in oog zet­ten met iets wat je altijd had wegge­stopt. Een ander kan je blik open­­breken. En dat deed Jezus ook steeds weer, mensen hun ogen openen. Zo is­ God. En God komt naar ons toe in de gestalte van een vreem­de­ling. God komt naar ons toe als een Moabitische weduwe, die on­ze grens over­schrijdt. Ruth gaat over de grens heen, de grens van­ Moab. Zij wordt grensverlegger.

De lofzang van Naomi

En dan, aan het eind van de dag, komt Ruth terug bij Naomi. En dan­ staat daar zo mooi wat de reactie is van Naomi. «Daarop zeide Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij door de­ HERE, die zijn goedertierenheid niet heeft onttrokken aan de le­ven­den noch aan de do­den» Ruth 2:20.Het verhaal – althans hoofdstuk 2 – eindigt dus met de lofzang van Naomi. En­ dan zingt ze over goedertierenheid, over verbondstrouw. Hij heeft­ zijn verbond niet verlaten, voor de levenden niet en voor de do­den niet. Naomi had geen gemakkelijke dag gehad. Er was weer veel te over­den­ken, veel te peinzen; herinneringen, verdrietig vaak. Maar aan­ het eind van de dag begint ze te spreken, te zingen lijkt het wel:­ gezegend is de Here God. Een avondlied, Naomi zingt haar avond­zang. En aan het  eind van de dag spreekt Naomi over goe­der­tierenheid, over verbonden­heid. Misschien is dat wel het bes­te woord­ om een dag mee te beëin­di­gen. En dan de derde vorm van terugkeer.

De terugkeer van Orpa

Er is nog een gestalte die we hebben overgeslagen en dat is Orpa. Wat­ kun je eigenlijk zeggen over Orpa? Meestal komt Orpa er niet zo­ best af. In de meeste preken is zij alleen maar de tegenhanger van­ Ruth. ‘t Is net alsof er altijd iemand moet zijn die het niet is. Ruth­ is het wel en Orpa is het niet, Abel is het wel en Kaïn is het niet.­ Er moeten er blijkbaar altijd twee zijn, dat lijkt wel een soort ver­plichting, een noodzakelijk proces. Eén gaat wel mee en één gaat­ niet mee naar Bethlehem. Eén maakt de goe­de keus en één maakt­ de andere keus. Het is altijd: één positief en één nega­tief, één­ plus en dan moet er ook een min zijn, één die binnen­komt en één­ die buiten blijft, één die meegaat en één die achterblijft. Het lijkt­ haast iets onvermijdelijks te hebben. Eén wordt uitverko­ren en­ één wordt verworpen, één meegenomen en één achtergelaten. Zo­dra het ver­haal begint, lijkt het alsof de kaarten al geschud zijn.­ Straks, in het vol­gende bijbelboek, een paar hoofdstukken ver­­der is er een Hanna en dan is er natuurlijk ook een Peninnah. Dus­ dat weet je van tevoren, het is alleen nog even afwachten: wie is­ wie en welke rol mag de één spelen en welke rol wordt de ander toe­bedeeld? En als je dan de naam Orpa bekijkt, weet je het al van tevoren. Want­ Ruth betekent dan vriendin en Orpa betekent nek. En dan weet je het­ al, want als iemand jou de nek toekeert, dan gaat hij weg, dat is­ een dui­de­lijke zaak. Als iemand van je wegloopt, zie je hem al­leen­ nog van achte­ren en de nek is dan het laatste. En daar kun je­ dan nog de nodige as­so­ci­aties mee maken: hardnekkig, of je bent­ afgekeerd, afkerig. Dus de naam Orpa zegt het blijkbaar al. En­ dan kun je je natuurlijk weer afvragen: had ze die naam al bij de­ geboorte, of heeft ze die naam gekre­gen vanuit het verhaal? En als­ ze die naam nu al bij de geboorte had, kon ze dan nog wel an­ders?­ Want als je nu nek heet, wat doe je dan de rest van je le­ven?­ Alles draait dan om die nek, alleen hij draait wel de ver­keer­de­ kant op en dan kun je alleen nog nakijken. En dan is de tragiek dus, dat Orpa in de meeste preken te zwart wordt­ af­geschilderd. Zo deed Abraham Kuyper het ook. Hij zegt in zijn­ com­men­taar: Orpa gaat terug naar Moab, de eeuwige ver­doe­me­nis tege­moet. Dus dan is het vonnis meteen geveld, want als Or­pa naar Moab gaat, dan gaat ze dus ook naar de goden van Mo­ab, zo staat het ook er­gens in de tekst. Bijvoorbeeld in: «Toen zeide zij: Zie, uw schoonzuster is teruggekeerd naar haar volk­ en haar GODEN; keer terug, uw schoon­zuster achterna» Ruth 1:15. Terug naar haar goden, waarbij je je dan nog af kunt vragen, hoe veel­ dat er dan zijn. Want je kunt vanuit de Hebreeuwse tekst ook ver­talen:

Orpa is te­rug­­gekeerd naar haar volk en naar haar God

«Zij is teruggekeerd naar haar volk en naar haar Elohim». En Elohim kan goden zijn, maar het kan ook God zijn. Ze is te­rug­­gekeerd naar haar volk en naar haar God. Waarom moeten we daa­r­ nu meteen aan een afgod denken? En dan liefst ook nog in het­ meervoud! En prompt komt dan natuurlijk een hele beeld­vor­ming­ in werking: ja, daar in Moab hadden ze natuurlijk goden bij de­ vleet, dat hèbben de hei­denen nu eenmaal en dùs is ze voor eeu­wig van de God van Israël àf, afgekeerd en dùs is ze daarmee over­geleverd aan alle demonen en alle duistere machten die je daar­bij kunt bedenken. Dan worden meteen alle mechanismen in wer­king gezet en prompt kan iedereen je vertellen, dat Moab na­tuur­lijk occult was en dat Orpa daarbij dan ook valt in de ar­men van­ de hele occulte wereld. En ja, als je daar dan eenmaal inzit en je­ hebt dat dan ook nog gekozen, dan ga je met man en macht ten on­der, letterlijk: met man en macht, in dit geval dan met vrouw en­ macht. Want in Moab ìs God niet, dan zit je dus verkeerd en dan­ is er geen enkele ver­wachting meer. Maar, ìs het dat? Joodse vrouw, Cynthia Ozick, zegt hierover: Het is zeer de vraag, of je dit­ op deze manier mag lezen; misschien zit er heel iets anders ach­ter. Want Ruth kiest voor een onbekende toekomst en Orpa heeft­ toch niet gewe­ten, wat de draagwijdte van haar keuze was? Kon­ Orpa we­ten dat ze dus zou verdwijnen uit dit bijbelboek na vers­ 14? Weet zij veel, dat ze in de rest van het bijbelboek niet meer­ voor zal komen! Weet zij veel, dat ze ook drieduizend jaar ge­schiedenis op die manier zal mis­lopen! Weet zij veel, dat ze dùs niet­ een stam­boom zal krijgen, waarin de Mes­sias voor­komt! Da­vid,­ en dan uit­eindelijk de Zoon van David, dat weet ze niet! En wat­ je nooit ge­had hebt, kun je ook niet missen. Zij gaat terug naar­ Moab, maar zij kan niet zeggen: o, wat mis ik nu veel. Want ze­ weet niet wat Ruth heeft, ze weet ook niet wat Ruth zal krijgen in­ de toekomende eeuwen. Zij weet niet van die der­tig eeuwen die nog­­ zullen volgen.

Eens hoorde ik een verhaal, dat een pre­dikant vertel­de over Orpa. Ik zal het proberen enigs­zins na te vertellen en dan krui­pen we in de huid van Orpa. Ik ben Orpa. Ik vergeet nooit die dag dat ik samen met mijn schoon­moeder en met Ruth op weg ging richting het land Israël. Ik­ zal ook nooit dat moment vergeten, dat we allebei een ande­re kant­ op gingen. Ruth ging verder mee en ik ging terug naar Moab. En­ toen gingen er jaren voorbij dat we niets van el­kaar hoorden. Op­ een dag ben ik Ruth gaan opzoeken in Bethlehem. Ik kwam bij haar­ en ik zag, dat ze inmiddels moeder geworden was. Ze had een­ schattig zoontje. Na­o­mi was in die tussentijd over­leden. Ik zat bij­ Ruth en ik zei tegen haar: voel je je nu he­lemaal thuis in Is­ra­ël?­ Ben je helemaal opgenomen in dit land, of ben je nog altijd een­ vreemdeling? Maar Ruth keek mij aan met stralende ogen en ze­ zei: ja, ik ben hier helemaal thuis en ik voel me helemaal voor hon­derd procent hier opgenomen. Ik tel helemaal mee en ik mag met­ alles meedoen. ‘k Heb mijn plekje gevonden, hier in het land van­ Israël. En aan de vreugde in haar ogen zag ik dat ze het meen­de. Ze verlangde niet meer te­rug naar vroeger en het verdriet was­ voorbij. Het was voor haar helemaal een thuiskomst ge­wor­den.­ Ze vertelde over de jaren die geweest waren, ze vertelde dat Na­omi inmiddels gestorven was. “Haar nagedachtenis zij ons bei­den­ tot zegen” zei Ruth, en dat vond ik heel mooi. Ons beiden, mo­ge haar nagedachtenis ons beiden tot zegen zijn. En toen nam ik­ afscheid. En bij dat af­scheid zei Ruth tegen mij: hier heb ik een klein­ cadeautje voor je als herinnering, neem dat mee als je weer naar­ Moab gaat. Het was een kleine menorah, een kleine kandelaar met­ zeven ar­men. Ze zei tegen me: als je nu in Moab komt, dan moet­ je op vrijdagavond die kandelaar laten branden en dan doe ik­ het ook. Bij ons begint dan de sjabbath. En als ik dat nu doe in Beth­le­hem en jij steekt jouw menorah aan in Moab, dan zijn we toch­ met elkaar verbonden en dan kunnen we eraan denken, aan die­ ene dag, die geen grenzen kent. Ik heb toen maar niet gezegd, dat­ ik gewend ben bij ons in Moab op vrijdagavond altijd de bood­schap­­pen te doen, want dan is het bij ons koopavond. En zo zijn we­ uit elkaar gegaan en ik vond het toch mooi, dit afscheidsca­deau.­ En ik heb het meegenomen naar mijn land. En nu zit ik hier­ in Moab en ik schrijf je een brief Ruth, om je te bedanken voor­ dat mooie bezoek en om je te bedanken voor de zegen, die je mij­ meegaf toen we uit elkaar gingen. Want je zei: die zegen is ook voor­ jou. En je bent gezegend in de naam van de Eeuwige voor wie er­ geen grenzen zijn. Die God is over Israël, maar die ook God is bui­ten Israëls gebied. En, zei je, toen we bij elkaar zaten, dit zal ik nooit­ vergeten, wat jij geweest bent voor Naomi. Ruth, ik weet het wel, er wor­den­ heel wat kinderen naar jou ge­noemd, ‘t is een geliefde naam voor­ meisjes. En jij hebt je plaats gevonden, in Beth­lehem, in Is­ra­ël. En ik woon hier als een weduwe, een vreemdelinge in het Mo­a­bitische land. Wat heb ik voor toekomst, en waarom bèn ik er ei­genlijk! Ben ik alleen maar de schaduwkant, de achterkant van het­ borduurwerk? Ben ik alleen maar de tegenhanger? Ja, na­tuur­lijk, en iedereen vertelt het keurig erbij: waar een Ruth is, moet­ ook een Orpa zijn. Denk niet dat het makkelijk is, denk niet dat­ ik het makkelijker heb dan jij. Jouw roeping was niet eenvoudig, om weg te gaan naar een vreemd­ land. Maar mijn roeping was niet minder zwaar om terug te­ gaan naar Moab en daar weer te gaan leven. Getrouwd met een Is­raëlitische man en nu niemand meer. Wie wil je dan nog heb­ben?­ Dan ben je eigenlijk ook nog een soort vreemdelin­ge in je ei­gen­ land: weduwe van een gastarbeider. Je wordt ook min of meer aan­­gekeken als een buitenlandse, want ze weten je eigenlijk niet goed­ meer te plaatsen. Jouw roeping bracht pijn met zich mee, maar­ mijn roeping ook. ‘t Is moeilijk om naar Israël te gaan, maar het­ is ook moeilijk om terug te keren naar Moab en om daar weer je­ wortels te vinden. En toch moet ik er altijd weer aan denken, dat­ je zei bij het afscheid: “Maar mijn God is ook jouw God, ver­geet­ dat nooit. En Hij zal ook jou niet verlaten, want zijn ogen gaan­ over de ganse aarde en jij hoort er ook bij.” En­ daarom, Ruth, nu ik je deze brief schrijf, bedenk ik opeens: ‘t is­ vrijdaga­vond en ik geloof, dat ik nu toch maar die kan­delaar neem­ en ik zet hem hier neer op de tafel en ik steek hem aan. En ik­ laat de vlam branden, zevenvoudig. En ik weet dat jij dit op het­zelfde moment doet in Bethlehem. En zo zijn we met elkaar ver­bonden, jij daarginds en ik hier. En de vlam zal branden en dat­ licht kent geen grenzen. Tot ziens, Ruth. Misschien zien we el­kaar­ niet meer, maar we kunnen in ieder geval aan elkaar den­ken,­ we vergeten elkaar niet. “Ik zal nooit vergeten, dat jij geweest bent” zegt Ruth hier tegen Or­pa. En dan staat er ook in hoofdstuk 1: «Zeide Naomi tegen haar beide schoondochters; Gaat heen, keert te­rug,­ ieder naar het huis van haar moeder; de HERE bewijze u liefde, zo­als gij die bewezen hebt aan de gestorvenen en aan mij» Ruth 1:8. «De HERE geve u, dat gij rust moogt vinden, ieder in het huis van haar­ man» Ruth 1:9.

Ook Orpa wordt gezegend

Over deze tekst wordt vaak hééngelezen. “De Here bewijze u lief­de”.­ En daar staat weer dat woord goedertierenheid. «De HERE doe met­ u verbondstrouw zoals gij die gedaan hebt aan de gestor­venen en­ aan mij». Ruth 1:8. Dus Ruth heeft goedertierenheid betoond, maar Orpa ook. Jullie heb­ben dat gedaan aan de gestorvenen en aan mij. Dus niet al­leen­ Ruth is tien jaar trouw geweest, maar ook Orpa heeft die trouw­ betoond. Ook in háár leven werd die verbondstrouw ge­von­den.­ En daarom spreekt Nao­mi daar in dat niemandsland tussen Mo­ab en Is­raël de zegen uit over Ruth en ook over Orpa. Ook Or­pa­ is geze­gend, zij is niet een vervloekte, een verworpene, maar ze zegt­ bij het afscheid: moge de Here verbon­den­heid doen met jou en­ met jou. Ruth gaat naar Israël en Orpa gaat naar Moab. Maar waarom zou God­ niet in Moab kunnen zijn? Orpa staat daar als een draagster van­ de aan­wezigheid van de Eeuwige. Je zou haast zeggen: Ruth, gezonden naar Israël en Orpa, ge­zon­den­ naar Moab. Gij in uw klein hoekje en ik in ‘t mijn. Opdat er ook­ daar een teken zal zijn van God. Ruth is een geliefde naam, zeker in de evangelische wereld. Er zijn­ er maar weinig, die hun kind Orpa noemen. Wat wil je ook, als­ je naam nek is, wie noemt er nu zijn dochtertje nek! Zo staan Ruth en Orpa samen in dit verhaal, tussen Richteren en Sa­mu­el, tussen dat wat was en dat wat komt. Het verhaal in het nie­­mands­land. En dan weten we ons met elkaar verbonden, want die­ Naam gaat nooit ten onder. Hij is de God van Ruth, maar Hij is ook de God van Orpa. Hij is de­ God van de voorkant, maar Hij is ook de God van de achter­kant.­ Samen verbonden in dat ene licht.

En dan zegt dat gezang zo mooi:

Meester, men zoekt U wijd en zijd,

komend langs velerlei wegen.

Oud’ren gaan rustig, welbereid,

jongeren aarz’lend U tegen.

Het tweede gedeelte van dit couplet heeft me vaak verbaasd. Het is­ vaak ook andersom: soms gaan jongeren welbereid, terwijl de ou­deren aarzelen. Ook het ouder worden kan vaak met heel wat pijn­ en twijfels omgeven zijn.

Maar hoe dan ook, het tweede couplet zegt heel troostvol:

Arts aller zielen, ‘t is genoeg,

als Gij ons neemt in uw hoede.

Dat was dus de derde vorm van terugkeer, de terugkeer van Orpa. Te­rug naar Moab. Maar ook daar: niet zonder U.

Willem de Merode heeft het zo mooi gezegd:

De stuggen hebt Gij mild gemaakt,

de schuwen hebt Gij niet verschrikt.

Hier zijt Gij als wonderboom gegroeid

en daar als telg aan dorre stronken.

Aan velen hebt Ge blad geschonken,

bij enkelen zijt Ge als roos ontbloeid.

Maar allen, die uw doodsangst dronken,

zijt G’als nieuw leven ingevloeid. God komt en zijn komen is als het komen van het voorjaar over de­ koele landen. Hij opent de tederheid in onszelf, Hij leert ons vrien­­den te zijn en lief te hebben. “De stuggen hebt Gij mild gemaakt”. Hoezeer kunnen wij onszelf verschansen achter de omheiningen, die­ wij in ons leven hebben opgetrokken. Wij zijn soms geremde men­sen, ge­remd door de ontoegankelijkheid van ons karakter, ge­remd­­ door hoog­hartigheid tegenover elkaar. “De schuwen hebt Gij niet verschrikt”. Gods komen is niet te vrezen. Ruim alle gedachten die gij daar­om­­trent hebt meegekregen op en sta open voor het komen van God­ in zijn heer­lijkheid. Als een Heer treedt Hij ons leven binnen, niet­ om te heersen, maar om te dienen. Om ons in de veiligheid van­ zijn heerschappij te doen delen, ons mensen die ons maar zel­den hele­maal thuis voelen. Ons, bekwame, haastige, energieke, veel­omvat­tende, maar in het diepst van ons wezen toch zeer schu­we mensen. Hij heeft ons niet verschrikt, maar ons veilig ge­steld­ in heel dit gevaarlijke bestaan. Het wonder van God in een mensenleven, dat God in jouw hart op­­bloeit als een roos. Zomaar vanzelf, zoals dat soms kan wezen, of­ eigenlijk nooit vanzelf. Dorre stronken zijn er genoeg, maar toch, God wil het anders. God­ wil het anders met u en met ons allen. Met de schuwen en de stug­­gen, met de enkelen en de velen, de sterken en de zwakken, de­ schuwen en de dapperen, de milden en de vreesachtigen. Zo komt de genade als nieuw leven. Zo is het verhaal van Ruth het verhaal van de terugkeer op drie ma­nieren. Soms wordt dat vergeten, soms wordt het alleen maar ge­lezen als een idylle. Een prachtig verhaal, waar er natuurlijk weer­ eentje uit­verkoren wordt en eentje uit de boot valt. Maar dan zou­ het boek Ruth niet beter zijn dan een goedkope roman, waar­in­ er dan altijd ook maar één de gelukkige kan worden. Zo gaat dat­ dan, er is ten­slotte maar één Boaz en daarom is er ook maar één­ die de ereprijs kan krijgen, er is er maar één die binnen kan ko­men en dus moet er ook één afvallen. Dus móet er ook één bui­ten­ blijven, dat kan niet missen, onvermijdelijk. Dat ligt dan bij voor­baat al vast, gepredes­tineerd, van tevoren bepaald. De één is bin­nen en de ander is buiten.

De dichter Novalis zegt:

Niets is binnen, niets is buiten,

want wat binnen is, is buiten.

Omdat deze God de grenzen doorbreekt. Jezus ging ook naar buiten. Hij heeft buiten de poort geleden om daar­ te zijn waar de mensen waren, die zich ook buitengesloten voel­­den. Dan wordt het een ander verhaal. Niet een verhaal waarin men­sen­ wor­den ingedeeld en waar je van tevoren al kunt uitrekenen hoe­­ het wordt. Maar één uit Moab wordt het hart van Israël.

De an­dere uit Moab mag het hart van Moab worden.

Ruth, het hart van Israël.

Orpa, het hart van Moab.

Zo is er voor ieder een plaats, een opdracht, een unieke taak. En die­ taak wordt niet ingevuld van bovenaf, maar vanbinnen uit. En dan­ staat er van de God van Israël: Onder wiens vleugelen gij zijt komen schui­len. «De HERE, de God van Israël, onder wiens vleugelen gij zijt komen schui­len» Ruth 2:12. En als je onder die vleugelen schuilt, zul je merken dat die vleu­gels­ gro­ter zijn dan vaak gedacht wordt. Onder de vleugelen van de Eeuwige mag je een schuilplaats vin­den.­ En dat is dan toch ook gerechtigheid. Eindelijk tot je recht ko­men. Sytze de Vries zegt het zó in een gebed: “Om al wat ademt, maar zucht en schreit, omdat het geen recht van­ bestaan, geen toe­komst kent, bidden wij: Laat het nieuwe adem­ van U ontvangen. Om alle tranen die niet drogen, niet kun­nen­ worden af­gewist, bidden wij. Om mensen, verloren aan de dood,­ maar nog altijd bij ons. Om gemis dat pijn blijft doen, ook als­ niemand daar meer naar vraagt. Om ons eigen onvermogen en on­beholpenheid om elkaar te kunnen troosten, dat wij elkaar dur­ven zegenen met onze nabijheid. Zoals ook Gijzelf uw licht over­ ons niet laat verduisteren.” God laat zijn licht niet uitgaan, ook al voelen wij ons vaak te onbe­hol­pen om de ander te kunnen troosten.

Een verhaal.

Een vrouw vertelt. En als je dit zo hoort, zeg je: dat zou Orpa kun­nen zijn. Ze vertelt: Ik had een akelige dag, ik stond ‘s mor­gens­ op en alles ging verkeerd. En het werd steeds moeilijker en op­ het laatst had ik het gevoel: dit is een pechdag. Wàt ik ook doe,­ het breekt me bij de handen af. Wat ik ook probeer, alles loopt­ vast. Ik werd boos, boos op mijzelf, op het leven, op ieder­een.­ Ik zei: God, wat een pechdag! U weet waarschijn­lijk niet wat dat­ is. U hebt dat nooit of tòch wel? Kunt U dat begrijpen, God, wat­ het is om zo’n dag te hebben? Zo’n dag waar alles misloopt en je voortdurend tegen een muur loopt?­ Een pechdag, weet U dat, God, of niet of misschien toch wel?­ Toen heb ik mijn fiets gepakt en ik ben gaan rijden. Ik dacht: nu­ kan ik wel thuis blijven zitten, maar ik was zo kwaad en boos, ik­ ga rijden, steeds maar fietsen, gewoon om af te reageren. En ten­slotte kwam ik ergens hele­maal aan de andere kant van de stad­ in een park. Ik heb mijn fiets daar toen neergezet en ben op een­ bank gaan zitten. Daar zat ik dan, alleen met mijn gedachten. En­ toen ik daar in dat park een poosje gezeten had, komt daar op­eens een mevrouw aanlopen. Ik kende haar niet, hoe zou ik. En dan­ gaat die mevrouw op diezelf­de bank zitten waar ik ook zat. Ze zei­ niets. Na een poosje deed ze haar handtas open en haalde een rol­letje pepermunt tevoorschijn. Ze hield het mij voor en zei: wil je er­ één? Jawel, en ik pakte een pepermuntje aan en zei: dank u wel.­ Even later stond ze op, ze keek me aan en ze zei één zinnetje: ve­r­geet nooit, dat de werkelijkheid in jouw handen ligt. Toen draai­de ze zich om en liep weg. Dat zinnetje is me bijgebleven. Ver­geet nooit, bedenk wel, jij hebt de wer­kelijkheid in handen. God,­ was U dat die voorbijkwam? Weet U dan tòch wat het is zo’n­ dag te heb­ben? Blijkbaar weet U er­van. U weet er misschien meer­ van dan ik dacht. Dat ene zinnetje is met me meegegaan, toen­ ik terugfietste naar huis. Bedenk het: jij hebt de wer­ke­lijk­heid­ in handen. Jij hebt de werkelijkheid in handen, of je nu Ruth heet of Orpa. Er­ wordt zo makkelijk gezegd: Orpa koos de makkelijke kant. Maar­­ mis­schien leefde Orpa te midden van haar eigen mensen, maar­­ werd ze uit­gestoten. Misschien had Orpa het wel moeilijker dan­ Ruth. Zij was ook een mens alleen. En wie zal zeggen, of zij ooit­ nog ie­mand gevonden heeft om haar leven mee te delen. Soms weten mensen niet, wat er in een hart omgaat. Hoe het le­ven­ vanbinnen pijn kan doen. Soms voelt een mens zich als Ruth, soms­ voelt een mens zich als Orpa. Als iemand die moet over­win­te­ren tussen noodlot en hoop, wachtend tot eens voorgoed de zo­mer­ zal aanbreken. Zij verduren nog de lange kilte tot tijden van warm­te en licht Gods warmte zal eens alle kilte verdrijven. De genade van de eeuwige God is met ons allen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

390909 bezoekers sinds 07-06-2010