Messiaanse verwachtingen

14-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

Bij de bespreking van messi­aanse verwach­tin­gen kunnen we dat onder­werp langs twee lijnen benaderen. De ene lijn is een huis, een messiaans huis, het huis van David. En we denken dan speciaal aan een tekst waarin God tot David zegt: «De HERE zal u een huis bouwen» 2 Sam.7:11. Een huis roept allerlei gedachten en beelden op, in ieder geval ook de gedachte van heimwee, verlangen naar een veilige plek. De andere lijn waar we iets over zullen zien is: De messiaan­se verwachtingen in de Evangeliën. We willen dat dan wat gaan toespitsen rondom de gestalte van Je­zus aan de ene kant en Judas aan de andere kant. Vanuit dit gezichtspunt zul­len we heel andere perspectieven zien dan we altijd hebben gedacht.

Dit huis voor nu en later

Dit huis voor nu en later

Wees welkom in dit huis van Eén,

waar mensen samenkomen.

Treed binnen door die open deur

en laat de woorden stromen.

Wees welkom in dit huis van meer,

waar mensen willen leven.

Kijk om je heen en proef de sfeer

van breken, delen, geven.

Hij ging voor ons door hel en vuur,

maar toch is Hij hier in dit uur

om uit te delen brood en wijn,

Hij wil hier met ons samen zijn.

Wees welkom in dit huis van nu,

waar mensen durven dromen.

De toekomst is nog niet voorbij

en wat niet is kan komen.

Wees welkom in dit huis van straks,

waar mensen kunnen hopen.

Achter de grenzen van de horizon

daar ligt een weg wijd open.

Hij ging voor ons door hel en vuur,

maar toch is Hij hier in dit uur

om te delen brood en wijn,

Hij wil hier met ons samen zijn.

Dit huis voor nu en later, daar zit het helemaal in. Het is het huis van Eén, die Ene, die allen om Zich heen verzamelt. Het is dus het huis van Eén, maar het is ook het huis van meer. Het is het huis van nú, het huis voor vandaag. Maar ook: het huis van straks. Huis voor nu en later; misschien ook wel het huis tùssen nu en later, huis voor onderweg, huis voor reizigers die daar er­gens langs de weg vermoeid, zwervend, afgemat een pleisterplaats vinden, een plaats om op adem te komen. Op taal moet je zuinig zijn Cornelis Verhoeven, emeritus hoogleraar in de wijsbegeerte in Am­­sterdam, schreef onlangs een heel treffend stukje. Hij zegt: soms zie je dat er in de taal bepaalde dingen verdwijnen. Je ont­dekt dan weer dat je zuinig moet zijn op woorden, zuinig op taal, je raakt zo gemakkelijk iets kwijt. Neem nu bijvoorbeeld het woord genade, wie kent het nog? In de maatschappij van van­daag hoor je dat woord niet meer en in het spraak­gebruik op straat is het ook zoekgeraakt. Maar het vreemde is, dat de tegen­hanger, ongenade, nog wel degelijk bekend is. Ik heb hem onge­na­dig de waarheid gezegd, zo wordt dan met een zekere voldoe­ning op­ge­merkt. Het enige res­tant dat nog overgebleven is, is dan wan­neer jon­gens met elkaar vechten en de een bovenop de ander zit, de tri­omfator de over­wonnene laat zeggen: genade! Afgedwongen genade. Maar in de verhalen van God gaat het toch om iets anders. Niet dat God bovenop ons gaat zitten en ons verplettert en vervolgens iets gaat af­dwin­gen, maar Hij heeft een geheel ander verhaal. En dat verhaal ‘gaat’, dat gaat nog steeds en dat houdt ook niet meer op. En daar­­om kan het heel goed zijn, als mensen met nieuwe oren het oude verhaal weer leren horen, langs wel­ke wegen dan ook. Op taal moet je zuinig zijn, zuinig met woorden. Ik denk: daarom heeft God ook een huis. Een huis als een bewaarplek om die kost­bare woorden te bewaren. In de tabernakel stond een ark. En die ark, wat het verder ook ge­­weest moge zijn, was in ieder geval een bewaarkist. In die ark wer­den de tien woorden bewaard, om er zuinig op te zijn. “Gij zult de woorden bewaren”. Van Samuël wordt gezegd: «De HERE was met hem en liet geen van zijn woorden ter aarde val­len» 1 Sam.3:19. Al die woorden werden bewaard en opgevangen. Woorden kunnen zoveel doen! Die moeten niet zomaar ergens in de lucht gaan vliegen of ins blaue hinein verdwijnen, maar ze moe­ten be­waard blijven. En ook tegen Jesaja wordt gezegd: schrijf het nu maar op, dan wordt het bewaard. En ook Jeremia heeft het ervaren, bijna aan het eind van zijn bediening, als hij daar in de gevangenis zit, in het belegerde Jeruzalem. Dan worden zijn woorden opnieuw, voor de twee­de maal opgeschre­ven, opdat ze bewaard zouden blijven. «Zo zegt de HERE, de God van Israël: Schrijf alle woorden die Ik tot u gespro­ken heb, in een boek» Jer.30:2. Een huis voor nu en later. Een huis, een woord om in te wonen. Als je dan denkt aan een huis, dan kom je allereerst terecht bij het ver­haal dat opgetekend staat in het boek Samuël. Daarbij moe­ten we even bedenken, dat dat boek Samuël in de Joodse ca­non bij de profetische boeken hoort. Het is een profetisch verhaal, dus het is geschiedschrij­ving met het oog op morgen. Een verhaal met het oog op de toekomst. Niet zozeer een terugblik als wel een vooruit­zien. Zoals gezegd wordt: “Terugblik op de toekomst”. Even omkijken om beter vooruit te kunnen zien. “Van huis tot huis” wordt over dit verhaal gezegd. En dat is ons leven: van huis tot huis. Sommige mensen verhuizen heel vaak, sommige men­sen zijn hun leven lang op zwerftocht, anderen zijn meer honkvast. En toch is ieder mens ten diepste op weg van huis tot huis. Elk mens is diep in zijn hart op zoek naar een huis, een huis voor het hart. Niet alleen een huis als een blok be­ton, waar je al je spullen kwijt kunt, maar een huis voor je hart.

Een toegesloten moederschoot

«Jaar op jaar, zo dikwijls zij opging naar het huis des HEREN, han­delde hij zo en tergde zij haar; dan weende zij en at niet» 1 Sam.1:7. Het is dus heel tekenend, dat het boek Samuël, waarmee we be­doe­len 1 en 2 Samuël tezamen, meteen begint met: opgaan naar het HUIS. En je ziet ze daar gaan: Elkana, Peninna, Hanna. Heel dit eerste hoofdstuk staat in dàt teken: ik zal opgaan naar Gods huis; hier­bij wel te bedenken, dat het op dat moment bepaald niet met gejubel en gejuich ging. Het was een opgaan met tranen, met veel verdriet, met verborgen pijn, met een toegesloten moe­der­schoot. En een toegesloten moederschoot had ook betrekking op een toege­sloten periode, want de schoot van Israël was toege­slo­ten. Dit was veel meer dan alleen een individuele zaak. Heel Israël werd daar uitgebeeld, Israël met een toegesloten schoot. Israël op dat mo­ment, in die periode, niet in staat om kinderen, om zo­nen voort te brengen. Een toegesloten toekomst; Hanna en Israël vallen sa­men, Hanna ìs Israël, Hanna is de gestalte van haar volk, zij is de draagster van de toekomst van Israël en daar­mee de draagster van de toe­komst der volkeren. Dat alles lag op de schou­ders van deze breek­ba­re vrouw. In vers 7 valt het accent dus op Hanna: «Zo dikwijls zij opging». Je zou zeggen: de hele familie ging toch op? Man, twee vrouwen, reeks kinderen van Peninnah… En toch, hier in vers 7 wordt de zaak toegespitst, het is haar opgaan naar het huis van de Heer. Opgaan naar het huis van God. Zo gaat een mens op weg, men­sen op weg naar God, mensen op weg naar een huis. Tegelijk voel je de tragiek, je ziet die donkere wolken zich samen­pakken boven dat huis, want het zal niet zolang meer duren of dat huis daar in Silo is er niet meer. De schaduwen beginnen al te ko­men.

Want nabij is uw naam

«Nadat zij hem gespeend had, nam zij hem mee en zij bracht hem, een kleine jon­gen nog, in het huis des HEREN te Silo» 1 Sam.1:24. Dit verhaal in 1 Samuël 1 begint in het huis van God en het ein­digt in het huis des HEREN. Let ook op de naamswisseling. «Beth Elohim» 1 Sam.1:27. «Beth Adonai» 1 Sam.1:24. Het huis van God en het huis van de Eeuwige. Het is net alsof de God die daar in het begin wordt genoemd aan het eind van het ver­haal een naam heeft gekregen. Hij is helderder geworden, meer in beeld geko­men. In de geboorte van deze zoon der belofte, in het openen van de toe­geslo­ten schoot, in het openen van de gesloten toekomst wordt zijn naam open­baar. Mensen gaan ontdekken wie Hij is, zijn naam komt nabij, zo­als gezegd wordt in Psalm 75: «Want nabij is uw naam, men vertelt uw wonderen» Ps.75:2. Die naam is nabij en daarom staat er dan ook achter: men vertelt uw­ won­deren. Waar de naam des Heren nabij komt, daar komen zijn­ daden ook nabij, daar wordt een verhaal geboren. Dit hele verhaal wordt omlijst door dat huis. In vers 7 het huis van God­ en in vers 24 het huis van de Heer. Het is net alsof dat huis om Han­na heen staat, om Hanna met haar verdriet, met haar pijn, met­ haar woor­de­loze tranen. Want er staat uitdruk­ke­lijk: «Maar haar stem niet te horen was». 1 Sam.1:13. Gij, die de stomgeslagen mond­­ verstaat. «Maar haar stem niet te horen was» 1 Sam.1:13. Niemand hoorde haar, zegt vers 13. Ze sprak alleen maar bij zich­zelf, al­leen haar lippen bewogen, ze sprak ‘op haar hart’. Zelfs de dienst­doende priester kon haar stem niet vernemen. Hierdoor staat Hanna opnieuw model voor zoveel mensen, wier stem­ niet te horen is. Zoals het lied zegt: Gij, die de stomgeslagen mond­­ ver­staat. Zo’n regel gaat heel diep en reikt heel ver. Dit huis van­ de Heer omvat alle mensen, wier stem niet te horen is. Het woor­deloze leed wordt omvat door dit huis. Want tussen vers 7 en vers 24 wordt heel het verhaal verteld van Hanna met haar gesloten si­tuatie, met de pijn van haar hart, met de lengte van haar gebed, met­ de bitterheid van haar ziel. Soms kan een mens zo verbitterd worden, omdat het allemaal an­­ders­ ge­lopen is dan hij gedacht had. Het ging niet zoals je hoop­te en­ het leven was niet wat je ervan verwacht had. Het ging an­ders en­ je zou de klok terug willen draaien, maar daar kun je niet bij. “De­ lange tafels van de tijd” wordt er dan gezegd door een Joodse dich­ter. En daar zitten de mensen aan die lange tafels en ook Han­na zit aan die lange tafel van de tijd. En de tijd schuift aan haar­ voorbij en ze kan alleen maar kijken met gro­te ogen. Maar dat­ huis van de Heer omvat haar lange gebed, omvat haar stem­­me­loze woorden. Dat huis van de Heer omvat haar hele ver­haal. Dat­ huis van de Heer omvat ook de geboorte die niet kon, de ge­boor­te aan de dood voorbij. Daarom heeft God een huis, voor al die mensen die nog geboren moe­­ten worden. Je zou haast zeggen: boven dat huis kun je schrij­­ven: “prenataal”, ‘vóór de geboorte’. En misschien herken je dit in je eigen hart, er moet­ nog gebóren worden.

Prenataal

Ik ben nog niet geboren.

Hoor, maar ik kan niet horen,

ik ben nog niet geboren,

ik ben niet IK.

Mensen die wachten op hun geboorte.

Israël dat wacht op het moment, op de dag van het geboren wor­den.­ Maar God zegt: Ik heb in ieder geval een huis, mijn huis is spe­ci­aal voor jou. Het huis dat het verdriet en het gemis van Is­ra­ël­ omvat. Dit huis omvat het verdriet van mensen, dit huis is ruim­ genoeg. Zo begint het verhaal van Samuël. En dan denken we aan David, die zo graag een tempel wilde gaan bouwen: Zoudt gij voor Mij een huis bouwen? «Toen de koning in zijn huis was gaan wonen» Sam.7:1. Letterlijk: «En het geschiedde». Hier krijgt het woord HUIS messiaanse contouren, het krijgt een mes­­­si­aans karakter. Hier in 2 Samuël 7 staat een verhaal over Da­­vid, die aan alle zijden rust gekregen had. De koning zat in zijn huis,­ dus niet ‘paleis’ zoals het NBG neergezet heeft, blijk­baar den­­kende: als de koning ergens zit, is dat natuurlijk in een paleis. In­ dit vers is sprake van ‘de koning’, niet van ‘David’. Hij wordt hier dus­ in zijn ambtelijke status vermeld. «Zeide de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een ce­de­ren paleis, terwijl de ark Gods verblijft onder een tentkleed» 2 Sam.7:2. Letterlijk: «Ik (krijgt nadruk) ben gezeten in een huis van ce­ders».­ Ik woon in een prachtig huis en de ark van God zit onder een tent­­kleed, letterlijk: «In het midden van het gordijn». En de reactie van de profeet Nathan is dan: «Doe al wat in uw hart is, want de HERE is met u» 2 Sam.7:3. Maar dan komt de nacht en in die nacht komt het woord van de Eeu­wi­ge.­ «Ga, spreek tot mijn knecht, tot David» 2 Sam.7:5. Let op de verandering van toon. Nu niet meer: de koning, maar mijn­ knecht. En die knecht krijgt een naam, «Spreek tot David». De­ sfeer is nu niet meer hoog en verheven, de ambtelijke taal wordt­ omgezet in de taal van het hart. God ziet geen koning, maar God ziet zijn dienstknecht, ziet David. Voor Mij heb je een náám. «Zoudt gij voor Mij een huis bouwen om in te wonen?» 2 Sam.7:5. En gij krijgt hier de nadruk. «Ik heb immers in geen huis gewoond van de dag af, dat Ik de Is­ra­ë­lieten uit Egypte voerde, tot nu toe, maar Ik ben rondgetrokken in een­ tent, in een taber­nakel» 2 Sam.7:6. Letterlijk: «Niet gezeten in een huis vanaf de dag van mijn op­gaan­ en mijn omhoogbrengen van de kinderen Israëls  ……maar Ik was­ wandelende in een tent en in een misjkan». (=woning). Altijd mobiel, altijd onderweg. God zegt: Ik ben altijd onderweg ge­weest,­ net als mijn mensen. En zolang mijn mensen onderweg zijn,­ ben Ik het ook. Op reis, Medereiziger samen met mijn men­sen­ om te gaan. En Ik heb nooit gezegd: «Waarom bouwt gij Mij niet­ een huis van ceder­hout?  2 Sam.7:7. En dan de sleuteltekst: De HERE zal u een huis bouwen «Sedert de tijd dat Ik richters over mijn volk Israël aangesteld heb. Ik­ zal u rust geven van al uw vijanden. Ook kondigt de HERE u aan (Hij­ gaat u melden): De HERE zal u een huis bouwen». 2 Sam.7:11. Deze tekst, deze laatste zin, is de sleuteltekst van dit hele hoofd­stuk.­ Letterlijk: «Een huis zal maken voor u de Eeuwige». God zegt: we keren de zaken om, je hoeft niet een huis te bouwen voor­ Mij, Ik zal een huis bouwen voor jou. David had dus een voor­­­nemen, maar de belofte van de Here overstijgt dit plan. God zorgt­ voor onder­dak voor zijn mensen.

Het huis van David

Dit kun je in verschillende dimensies opvatten.

1. Het koningshuis, de dynastie. Zoals wij spreken over het Huis van Oranje. Zo komt er ook het huis van David. En dat huis van­ David zal doorgaan van geslacht tot geslacht.

2. Een huis in de tijd. 

3. Een huis in de ruimte.

Het is ook een plek om te wonen. Als God zorgt voor het huis en als dat de naam krijgt “Huis van Da­vid”, wordt het:

4. Huis van de Geliefde.

Dat reikt nog veel verder, want dat betekent dat daar een huis zal zijn­ op aarde, waar mensen terechtkunnen. Want dat was im­mers­ de toon van 1 Samuël 1 en daarmee van het hele boek Sa­mu­ël. Dat bete­kent dat er een huis zal zijn, waar mensen terechtkun­nen met hun vragen, met hun hart, met hun verdriet en hun ge­mis, met hun onze­kerheid soms.

Een huis! Dat is de sleutelbelofte van het boek Samuël. God zorgt voor een huis,­ daar waar mensen zich dakloos voelen. Een huis voor nu en la­ter, waar mensen durven dromen; de toekomst is nog niet voor­bij.­ Wonderlijk ge­zegd: “De toekomst is nog niet voorbij”. Dat lijkt op­ het eerste gehoor zo vanzelfsprekend, alsof iemand een open deur­ aan het intrappen is. Iemand die nuchter en zakelijk denkt, zal on­mid­dellijk antwoorden: nee, natuurlijk niet, het ver­leden is voor­bij, de toekomst komt nog.

De toekomst is nog niet voorbij

Maar toch ligt dit anders. Dit wordt gezegd tegen mensen, die den­­­ken dat de toekomst wèl voorbij is. En dat kan, dat een mens zó­veel heeft mee­gemaakt; tè veel; je hebt alles al gehad; het is voor­goed te laat; het kan niets meer worden. Alleen het verleden is­ er nog als een loden last. Wat verwacht je nog? Heb je nog Mes­­si­aanse verwachting? En dan dat woord: de toekomst is nog niet voor­­bij! Dan ga je dat woord horen en het wordt in je oren ge­legd en­ het wordt in je ogen gelegd. Er kòmt nog wat. Paulus zou zeg­gen:­ vertroost elkander dus met deze woorden. «Opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere mensen, die geen hoop heb­ben» 1 Thess.4:13. «Vermaant (vertroost) elkander dus met deze woorden» 1 Thess.4:18. Als het ware om aan te geven, zoals hij zegt: «De Here tegemoet in de lucht» 1 Thess.4:17. We gaan de Here tegemoet. En dan die wonderlijke bijvoeging: ‘in de lucht’. Waarom nu in de lucht? Misschien wel om deze re­den:­ Bernard Chouraqui schreef een prachtig verhaal over Jezus, van­uit zijn Joodse achtergrond. En hij zegt: één van de voor­naam­­ste punten in het optreden van Jezus, in zijn hele prediking en­ in zijn daden, is: Jezus heeft mensen opgetild uit de zwaar­te­kracht.­ Het leven is vaak zo zwaar, loodzwaar. Mensen komen vaak­ niet van de grond. Het leven is vaak als lood in je schoenen en­ als lood aan je voeten. Mensen gaan vaak hun sle­pende gang, moei­zaam door het leven. Ze proberen zich voort te bewe­gen en soms­ proberen ze ook iets van de grond te krijgen. En Jezus was be­zig om mensen òp te tillen uit hun zwaarte, om het leven weer licht­ te maken, om de zwaartekracht te doorbreken. Opgetild uit die­ sfeer van lood, dat loden klimaat, dat proberen te vliegen met lo­den vleugels en maar niet omhoog kunnen komen.

De taal van de vliegers

Een Franse schrijver heeft een heel indrukwekkend boek ge­schre­ven onder de titel:­ “De Vliegers”. Hij vertelt over een man die postbesteller was. Brieven rond­bren­­gen in zijn dorp was zijn dagelijks werk. Brieven die de één blij­ maakt en brie­ven waar­door een ander bedroefd wordt. Mis­schien­ een brief waarnaar iemand heeft uit­gezien: eindelijk ant­woord!­ Ein­delijk een teken van leven als koel water voor een dor­sti­ge ziel. En bij een ander breng je misschien een aanslagbiljet of het bericht van een on­heil dat dreigt of dat al gekomen is. Een brief­ kan een hart ver­heugen en het kan een hart in rouw dom­pe­len.­ Maar in zijn vrije tijd deed deze postbesteller iets heel anders. In­ zijn vrije uren maakte hij vliegers. En de kinderen van het dorp von­­­den het prachtig, als hij weer bezig was om die vliegers op te la­­­ten. Maar lang­za­merhand kregen die vlie­gers een betekenis. En dan­ maakte hij prach­tige ontwerpen; vliegers met gezichten van be­­kende mensen. Zo had hij een vlieger met het gezicht van Zola, de­ man die in protest ging, toen de Franse generaal Dreyfus ver­oor­deeld werd, alleen maar omdat hij Jood was. Dat was het eni­ge­ wat hij misdaan had, hij was een Jood! En daarom werd hij als ge­neraal uit het Fran­se leger ontsla­gen. Hij maak­te vliegers met ge­zichten van mensen erop. En als je dan zo’n vlie­ger in de lucht zag­ staan, werd je herinnerd aan het verhaal van een mens uit de ge­schiedenis. Aan de ene kant was het speels, maar op een ge­ge­ven­­ mo­ment dan krijgt dat verhaal van die vliegers een heel diepe ge­ladenheid. De oor­logs­jaren komen, de jaren van Hitler. En het be­richt komt, dat ook daar in de omgeving Joodse men­sen wor­den­ opge­pakt en weggevoerd, Joodse kinde­ren uit hun huis wor­den­ gehaald, weggevoerd met onbe­kende bestemming, en­­kele reis. Als­ deze postbe­stel­ler dit te horen krijgt, gaat hij naar zijn atelier waar­ hij altijd bezig was om zijn ont­werpen te ma­ken. Die avond zag­ je aan de hemel van dat dorp zeven vlie­gers, alle zeven met de vorm­ van een ster, een ge­le ster, de Jo­denster, als een teken. Toen­ was het geen spel meer, toen wa­ren die vliegers tot een sym­bool­ geworden, een protest tegen het ge­weld!

Protest tegen de tirannie.

Die vliegers waren meer dan alleen maar­ een voorwerp. En tegelijk zie je daar iets in van een sym­bo­liek:­ een mens is niet gemaakt om lood­zwaar gekluisterd te zijn aan­ de aarde, maar om als een vlieger op te gaan, licht en licht­voe­tig, verlost van de zwaarte, verlost van de zwaar­te­kracht door wat­ Paulus zou noemen in Romeinen 8, de wet van de Geest des le­vens, de levensadem, die jou omhoogtilt, die wet die sterker is dan­ de zwaartekracht. Het is een lichtvoetigheid; Gij maakt mijn voe­ten als die der hinden. “Hij doet mij treden op mijn hoogten”, zegt­ Ha­ba­kuk aan het eind van een af en toe loodzwaar ver­haal. Gij­ geeft mij voeten als een hert, als een gazel, voeten om te gaan. Gij­ geeft mij het hart van een vlieger, een vlieger die mag opgaan.

Jezus zal een huis bouwen voor God

«Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt ge­gaan, dan zal Ik uw nakomeling (letterlijk: …uw zaad achter u), uw­ eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap be­ves­tigen» 2 Sam.7:12. «Die zal voor mijn naam een huis bouwen»  2 Sam.7:13.

God heeft een Huis!

Het zaad van David, de belofte, gaat verder. En dat zaad van Da­vid­­ dat zal uitgaan uit uw ingewanden, Ik zal zijn koningschap doen­ vaststaan, Hij zal bouwen een huis voor mijn naam. En als je­ de lijn doortrekt wordt dat zaad van David de Messias. Jezus, de­ Zoon van David, zal een huis bouwen voor God. En toen Hij rond­ging op aarde hééft Hij een huis gebouwd, een huis waarin men­sen terecht konden. Niet een huis van hout of steen, maar een­ huis voor het hart. En dat huis staat open, zodat mensen daar­ een plek kunnen vinden.

De gemeente als een veilig huis

En als we in dit verband denken aan de gemeente, dan is één van de­­ voor­naamste kenmerken: de gemeente is bedoeld als een vei­li­ge­ plek, een plek waar mensen niet geforceerd worden met ge­weld.­ Er is al zo­veel dreiging, mensen worden al zo vaak ge­man­geld­ en opge­jaagd. En dan zie je in gemeenten ook nog allerlei mo­­­deverschijnse­len, waardoor de mensen ook weer ver­moeid­ en opgejaagd worden. Laat de gemeente dan tenminste een veilige plek­ zijn. In een interview zei een meisje van negentien jaar: je móet altijd zo­­veel. Er wordt zoveel van je geëist en daar staat zo weinig te­gen­o­ver. Dat is vaak de pijn van de mens van vandaag: er wordt veel ge­vraagd en wei­nig gegeven. Er is zo weinig perspectief, geen toe­komst,­ alleen maar leeg­te. Mensen op zoek naar een veilige plek, waar niet over je heen ge­walst­ wordt, maar waar de waardigheid van een mens wordt ge­ëer­bie­­digd. Waar je niet een voorwerp wordt, een ding, maar waar je ein­­delijk mèns kunt zijn. In het verhaal waar verteld wordt over de genezing van Bar­thi­me­üs­, le­zen we dat Jezus tot Barthimeüs zegt: «Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?» Marc.10:51.

«Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?» Marc.10:51. Dat is een prachtig stukje pastoraat. Je zou geneigd zijn te zeg­gen:­ dat is een overbodige vraag. Die man is blind, dan is toch dui­­de­lijk wat hij wil! Dat kun je zo voor hem invullen. Maar Je­zus vult­ dat nou juist níet in. Wat wil je, wat kan Ik voor je doen? Een heel­ diepgaande pastorale les. Soms wordt zo makkelijk over men­sen heen gepraat: we weten wel wat je nodig hebt en we zul­len­ er ook wel even voor bidden. Maar wat wil die mens nou zelf? Mis­schien wil hij héél iets anders. Soms wordt het, als iemand ergens mee zit, haast tot een vaste for­­­mule: O, we gaan wel in het gebed om je heen staan. Heel goed be­­doeld, on­ge­twijfeld, soms ook heel goed! Maar misschien moet er­ ook weleens een vraag aan vooraf gaan: wat wil je, wat wil je zelf?­ We leven vaak in zo’n jachtige tijd, dat we ons amper de tijd gun­nen om die vraag te stellen, om te luisteren naar dat hart. Wat­ wil je zelf? Misschien zegt hij wel: ik zou zo graag willen, dat er­ iedere week eens iemand bij mij op bezoek kwam. Of: ik zou zo graag­ willen, dat er iemand met mij naar het strand ging om eens een­ heel eind te wandelen, zodat ik eindelijk eens zou kunnen ver­­tellen, wat ik nog nooit met iemand heb kunnen delen. Het is goed om ervoor op te passen, dat de gemeente geen snel­trein­ wordt en zeker geen HSL, geen hoge-snelheids-lijn, want voor­dat je er erg in hebt, ben je dwars door het groene hart heen. En­ soms gaat ook de gemeente zo snel, dan ga je dwars door het hart­ heen. Je hebt niet eens gezien wat er in dat hart aanwezig was.­ Voordat je tijd hebt om op te kij­ken ben je inmiddels van Am­­sterdam naar Parijs. En het groene hart is er niet meer. Snel­heid­ maakt meer kapot dan je zou denken. Wat wilt gij dat Ik u doen zal? Jezus vindt die vraag blijkbaar niet overbodig. Hij zegt: zeg het maar.­ Res­pect voor de waardigheid van die ander. Dan kan ein­de­lijk­ de ziel van deze mens weer te voorschijn komen, zijn hart. Mis­schien wil ie­mand helemaal geen gebed; mag dat misschien ook?­ Of moet ie­mand dat maar als een verplicht nummer over zich­ heen laten gaan? Wat wilt gij dat Ik u doen zal? Misschien is die vraag ook wel eens heel moeilijk, omdat je er nog nooit­ over hebt nagedacht. Omdat je nooit geleerd hebt om zelf iets­ te mogen zeggen. Wat wil ik dan; wìl ik eigenlijk wel iets, mis­­schien­ weet ik wel niet wat ik gewild had.

Een woonstede Gods in de geest

Een huis waar je niet gemanipuleerd wordt. Paulus zou zeggen: «Een woonstede Gods in de geest» Ef.2:22. Een woning van God! Een woning van God in de geest. Een be­woon­bare plek in een vaak onbewoonbare wereld. Laat de gemeente dat in ieder geval mogen zijn. Een plaats waar men­sen ook eindelijk geloofd worden. Want hoe vaak gebeurt het niet,­ dat het ver­haal van een mens niet geloofd wordt. Dan wordt de­ mens ook nog weer weggestuurd met de reactie: zo erg zal het wel­ niet wezen; wat jij vertelt zal wel niet zo zijn.

Hier in dit huis is de haard die brandt van vuur,

opdat daar zal kunnen thuiskomen alle creatuur.

Huis met een haard, met warmte en licht, maar ook een huis waar­ je je mag verstoppen als je dat wilt, waar je niet verplicht hoeft­ op te draven. Een huis, niet per definitie een door­zon­wo­ning,­ want dat kan ook een ramp zijn: als je ervóór staat kun je pre­cies zien wat er achter het huis gebeurt, je kijkt er dwars door­­heen.­ En hoe missen kinderen soms de heerlijke donkere hoek­jes, die­ je in vroe­gere huizen had, onder een trap of op zol­der, waar je je­ zo heer­lijk kon verstoppen. Ook dàt hoort bij een huis. Het zou eens­ de moeite waard zijn om eens een verhaal te schrij­ven: als ik een­ huis zie, waar denk ik dan aan, en zo eens wat beelden in te vul­len.

Bij het verre huis bleven ze staan

«Toen ging de koning heen en zijn gehele huis volgde hem op de voet;­ tien bij­vrou­wen liet de koning achter om toezicht te houden op het­ paleis». 2 Sam.15:16. «De koning dan ging heen en al het volk volgde hem op de voet; bij het­ VERRE HUIS bleven zij staan­» 2 Sam.15:17.

We maken een wandeling langs enkele huizen in het boek Samuël. Da­vid moet in bovenstaande tekst vluchten. Eerst heeft hij moe­­ten­ vluch­ten voor zijn voorganger, nu moet hij vluchten voor zijn op­vol­ger. Eerst was het de vlucht voor Saul, nu is het de vlucht voor­ Absalom. David is begonnen als vluchteling en hij is ook als vluch­­teling geëindigd. Hier gaat David uit Jeruzalem, want Absalom heeft daar de troon in be­zit­ ge­nomen. Dit is een heel interessante tekst; ook om te zien hoe het woord huis­ een rol speelt, hoe daar haast met dat woord huis gespeeld wordt.­ Heel zijn huis «volgde hem op de voeten» staat er letterlijk. De He­re­ zal hem een huis bouwen, nou, daar gaat dat huis. Het is haast­ een ‘zwer­vend huis’, een mobiel huis; het is een huis in de tijd,­ maar ook een huis in de ruimte. Daar gaat het gehele huis van David; een huis onderweg. Als een volk­ van zigeuners zo trekken zij daar. «Toezicht te houden op het paleis» 2 Sam.15:16. Dat is wel heel modern vertaald, maar er staat: «Om het huis te bewaren» 2 Sam.15:16. ‘Het huis bewaren’ gaat veel dieper dan ‘toezicht houden op het pa­leis’.­ Bij het verre huis bleven ze staan. Let op de symboliek. Dat is toch ook het beeld van de bal­ling­schap.­ Als je iemand vraagt: waar woon je? dan kan hij ant­woor­den:­ in het verre huis. Dat klinkt als dat oude lied: ‘k Ben ver van huis en donker is de nacht. Dan woon je heel ver weg. En toch: ook dat verre huis hoort erbij. Ook daar zijn de ogen van de­ Heer op je gericht. Ook op mensen die in het verre huis wo­nen, of­ zelfs niet eens wonen maar er alleen maar voorbijtrekken. Ook in­ dat verre huis is Hij aanwezig. Het huis waar misschien een ge­­bed is, of waar mis­schien tranen zijn, waar een mens zacht wordt.­ Het huis waar een mens ineens tot de ontdekking komt: ik ben­ niet alleen. Dr. F. de Graaff zegt ergens: dat is het meest wezenlijke van het mens­zijn, het besef van de Heilige, het besef van de aanwezigheid van­ een Ander. Je bent niet alleen, want Hij is daar. Ook in dat verre huis niet zonder U.

De wereld is van Hem vervuld,

die ‘t kennen gaat te boven,

wiens heerlijkheid ons is verhuld,

in vonken licht verstoven.

Geen mensenoog heeft Hem gezien

wien elk zijn tempel bouwt, in wien

onwetend wij geloven.

Hij die ons ver is en verwant,

hoe kan Hij zijn aanbeden

in enig beeld, door mensenhand

uit steen of hout gesneden?

Geen denkbeeld zelfs, hoe hoog, hoe diep,

kan Hem bevatten die ons riep

om Hem te kennen, – heden.   (Lied.86)

“Onwetend wij geloven”. Mensen weten soms niet wie Hij ei­gen­lijk­ is en soms is daar nog zo veel verborgenheid, zoveel on­we­tend­heid­ en toch: ze zijn op weg naar Hèm.

Maar Hij die in de aanvang schiep

de hemel en de aarde,

die al wat is tot aanzijn riep,

de Ongeëvenaarde,

woont niet in tempels; er is niets

dat Hem ontbreekt, – hoe zou Hij iets

uit mensenhand aanvaarden?

Hij gaat al die tempels te boven.

Hij meet ons tijd en ruimte toe

genoeg om Hem te vinden.

Hij kent ons toch, Hij weet toch

hoe wij tasten in den blinde

naar Hem, uit wie ons leven is.

Eens treedt Hij uit de duisternis

en noemt ons zijn beminden.

Ja, Hij is elk van ons nabij,

hoe hemelhoog verheven;

in Hem bestaan, bewegen wij,

in Hem is heel ons leven.

Dat heeft Hij aan het licht gebracht:

de mensen zijn van zijn geslacht,

voorgoed met Hem verweven.

Daar zit eigenlijk het hele verhaal in. Het hele verhaal van het huis:­ mensen met Hem verweven.

Messias­ver­wach­ting in de dagen van Jezus

In de dagen van Jezus was er ook een sterke messias­ver­wach­ting. Ver­wachting wordt meestal gebóren, vaak uit een crisis. Dat is niet­ dat men­sen ergens een theorie gaan maken, verwach­tin­gen ko­men meest­al niet voort uit allerlei bespiegelingen en be­schou­­win­gen. Een schrijver over de messiaanse gedachten in Is­ra­ël merk­te in dat verband ook op: het is niet zo, dat mensen er­gens een­ tekst pakken en dan zeggen: hé, nu gaan we vanuit die tekst een­ verwachting bou­wen en dan ontdekken we een heel nieu­we leer,­ of een nieuw dogma. Nee, het is meestal anders­om: er leven be­paalde verwachtingen, die krijgen gestalte en die wor­den in ver­schil­lende teksten dan terug­gevonden. En die teksten worden dan als­ het ware dragende grond, die geven draagkracht aan die ver­wach­tin­gen. Mensen vaak in de pijn van het bestaan tus­sen hier en­ nergens; men­sen onderweg, net als David met zijn huis. En dan­ komen ze bij dat verre huis en daar wordt de verwach­ting ge­bo­ren.­ Verwachting wordt vaak geboren in de balling­schap. In de dagen van Jezus was daar de gedachte aan twee mes­si­as­sen.­ Aan de ene kant de zoon van David en aan de andere kant de zoon­ van Jozef. De zoon van Jozef zou de oorlog voeren tegen Gog en­ Magog. In die oorlog zou hij sterven op het slagveld. Je kunt be­grijpen, als men­sen daar­over nadenken en dan tegelijk beseffen hoe­ daar de Romeinse over­heersing steeds zwaarder wordt, dat dan die ver­­wachting van een be­vrij­der, een messias, groeit. Je­ leeft in bezet gebied, je bent niet vrij en niet veilig.

Partijen binnen Israël

Binnen Israël had je dan al die partijschappen: de Sadduceeën, de­ bo­ven­laag, de overpriesters, de leidslieden; die hadden het voor het­ zeg­gen. Die Sadduceeën waren vaak wat meer geori­ën­teerd op het­ buiten­land. De Sadduceeën waren beïnvloed door het Hellenisme. Zij vonden het­ ook goed, dat het Joodse volk al die invloeden vanuit het bui­ten­­land mee­maakte en onderging. Zij vormden de elite, de bo­ven­laag,­ de hogere geestelijkheid, de aristocratie, de bezittende klas­se.­ Zij vormden een conservatief bolwerk. Aan de andere kant had je de Farizeeën. Zij gingen de dor­pen­ in om het volk te onderwijzen, zij stonden veel dichter bij de men­­sen. Dan waren er ook de groeperingen, die het niet eens wa­ren­ met de overpries­ters, met die Griekse invloed. Zij splitsten zich af en­ gingen naar Qum­ran. Daar stichtten zij hun aparte sekte. Ze zei­­den: er gaat iets anders komen. Dit was de partij van de Es­se­nen.­ Dan had je ook nog de Zeloten, die de Romeinen met geweld er­uit­ wilden gooien. Weg met de Romeinse tirannie! En te midden van al die stromingen wandelt Jezus. Hij wist: het is een­ volk met innerlijke pijn en verscheurdheid. Te midden van die allen wan­­­delt die Ene.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384027 bezoekers sinds 07-06-2010