Messiaanse verwachtingen

22-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

In het wachten op de Messias ontplooit zich de tijd

In verband van het begrip ‘Messiaanse verwachtingen’ luidt een uit­spraak van Levinas: “In het wachten op de Messias ontplooit zich de tijd zelf”. En juist dat wach­ten op de Messias is niet als het zitten in een wacht­­­­kamer, dat is niet een passief je dagen slijten, dat is niet een berustend wach­ten, maar dat heeft veel meer het karakter van wat je zo sterk in de Psalmen tegenkomt. Zoals we bijvoorbeeld zien in Psalm 130: «Mijn ziel wacht op de HERE, meer dan wachters op de morgen, wach­ters op de morgen. Israël hope op de HERE» Ps.130:6. Zo mag gans Israël wachten, in de zin van het Hebreeuwse woord, dat­­ de betekenis heeft van: een koord spannen. Wachters zouden we koord­­dan­sers kunnen noemen, maar het zijn tegelijk ook degenen, die het koord spàn­nen.­ Dat is méér dan de hoop, dat is een sterke ver­­wachting. Het­zelf­de woord wordt gebruikt in verband met het koord dat Ra­chab uit haar ven­ster hing. In dat wachten ontplooit zich dus de tijd zelf. Wachten is daarom dus vrucht­­baar. Het wachten is de bodem, de akker waarop aller­lei bloe­­men gaan bloeien.

Verwachting is de verbinding tussen verleden en toekomst

Buber zegt: “In de messiaanse verwachting zijn verleden en toe­komst­ met elkaar verbon­den”. Verwachting is de verbinding tussen verleden en toekomst. Het is net­ alsof verleden en toekomst elkaar de hand reiken in die ver­wach­ting. Verwachting vormt de schakel tussen verleden en toe­komst­, zodat het niet zomaar brokstukken zijn, maar zodat ze wor­­den aaneen­gevoegd tot een huis. Een huis waarin mensen uit­­zien­ naar de Heer. De toekomst van de Heer is daar.

Leo Beck zegt: “Verwachten is een oneindige opgave”. Verwachten is een­ opdracht, een opgave en tegelijk een oneindige op­ga­ve, want een­ opdracht die beëindigd wordt ìs geen opdracht. Stel je voor dat­ je op een dag klaar zou zijn en dat er dan geen en­kele op­dracht­ meer zou volgen. We gaan dus een aantal messiaanse teksten nader beschouwen. En dan­ ko­men we onder andere terecht bij de profeten, maar ook in de Psal­men. In de Psalmen werd de tijd als het ware ‘vooruit ge­­zon­gen’.­

Voorspelling en vervulling?

Nu heeft men vaak op die profetische woorden een bepaald sche­ma­ toe­ge­past, een schema van voorspelling en vervulling. Dat is in de loop van de eeuwen gebruikelijk geworden. Er wordt iets­ voor­speld en die voor­spelling gaat soms heel lang mee in de tijd.­ En dan komt er een moment dat die voorspelling ge­re­a­li­seerd wordt. Op die manier heeft men ook vaak het zogenaamde Oude Tes­ta­ment ge­lezen. Men legde dan het ver­haal van Jezus ernaast en­ dan kon je overal nauwkeurige parallellen vin­den. Men zei dan:­ zie je wel, de voorspelling is uitgekomen, het stònd er al­le­maal­ al. Ik wil toch proberen een ander patroon aan te geven. Want ik heb het­ idee, dat als je gaat werken vanuit dat schema ‘voorspelling en­ ver­vul­ling’, je dan één groot risico loopt, namelijk dat het al al­le­­maal van tevo­ren is vastgelegd. Dan krijgt profetie haast iets in zich­ van een ketting, je komt aan de ketting te liggen. Heel de weg van­ de Messias, heel de weg van Jezus zou dan van tevoren reeds he­lemaal vastgelegd zijn. Hij wordt ge­bo­ren in Bethlehem, ja dat kon­ ook niet anders, want dat had Micha reeds gezegd. Hij gaat wo­nen in Galilea, dat kon ook niet missen, want dat stond reeds aan­ het eind van Jesaja 8. Je komt dan toch in de sfeer terecht van een soort predestinatie, al­­les­ is voor­beschikt; geen speelruim­te, geen­ levens­ruimte. Profetie wordt dan als het ware een soort draaiboek. Hoe kan een mens­ dan nog lé­ven, is er dan nog vrijheid, is er dan nog de mo­ge­lijk­­heid om méns te wor­den?

Profetie en herkenning

Ik zou dan ook graag in plaats van dit gangbare schema een an­der­ pa­troon willen neerzetten: Profetie en herkenning. Als Jezus zijn weg gaat, dan leeft Hij heel intens vanuit de Torah, van­uit de profeten en vanuit de Psalmen. Jezus heeft zijn weg af­ge­legd aan de hand van Mozes. Van jongs af aan had Hij zijn voe­dings­­bodem in de sy­nagoge, daar heeft Hij gelééfd, maar dan ook in­ de volle zin van het woord, dat was zijn léven. “Wist u niet dat Ik­ bezig moest zijn in de din­gen van mijn Vader”, in de woor­den van ouds­­her. In die woorden, in die ver­halen van Genesis af heeft Hij zijn­ eigen weg herkend. Dat was voor Hem de ‘schok der her­ken­ning’.­ Misschien tegelijk ook de vreugde van de herkenning: dit is mijn­ verhaal. Niet alsof het dan allemaal zo is vast­gelegd, niet als een­ soort prog­nose, een voorkennis, maar veel meer als een bo­dem­ waarop je kunt lopen, een voedingsbodem waarin je kunt op­­groei­en. Jezus heeft Zichzelf herkend in de verhalen en ook in de prin­­cipes van de woorden vanouds.

Voorspelling en­­ pro­fetie

Er zijn een paar fundamentele verschilpunten tussen voorspelling en­­ pro­­fetie. ­God­ voorspelt niet! Het probleem van voorspellen is, dat je de toe­komst­ vastpint. Dat zie je heel sterk in waarzeggerij. Soms heeft men­ het idee: profetie is een soort christelijke waarzegge­rij. Maar het­ is iets funda­men­teel anders. Een waarzegger kondigt dingen aan­ en zegt bijvoor­beeld: over een jaar krijg je een ongeluk. Dan wor­den gebeurtenissen zon­der meer in de toekomst gefixeerd, daar­ valt niets meer aan te verwrikken, daar is ook geen ont­ko­men­ aan.

Bij voorspelling is er geen relatie

Een voorspelling heeft iets onheilspellends. Bij­ een voorspelling is er­ meest­­al geen relatie tussen degene die het­ zegt en degene die het­ ont­vangt. Mensen gaan op de kermis naar­ een waarzegster, ze ken­nen het hele mens niet. Tussen gever en­ ontvanger is verder ook­ helemaal geen band. Daar worden al­leen­ soms bepaalde tech­nie­ken gebruikt, zoals het kijken naar een­ bol of het kijken naar een­ foto. Dan worden er gegevens ver­strekt­ over wat die persoon zal­ overkomen. Die gaat dan weer naar­ huis en heeft ook verder geen band­ met degene, die dat alles voor­speld heeft. Dan gaat die voor­spel­ling zich dus voltrekken, ge­heel­ en al los van een re­latie.

Profetie veronderstelt een band­

Bij profetie is dat fundamenteel anders. Profetie veronderstelt een band­ met degene die spreekt. Iemand kan alleen profetisch licht krij­gen van­uit een verbondenheid, een verbinding met de God die spreekt.­ Vandaar, dat ook vrijwel alle profetenverhalen beginnen met­ een roe­­ping, een persoonlijk aangesproken worden: ‘gij’. Ik heb­ ù op het oog; of een gesprek, waarop de profeet inhaakt zoals in­ Jesaja 6. Profetie veron­der­stelt altijd het verbond tussen God en­ de mens. En de God die een verbond heeft met zijn mensen, gaat woorden spreken om mensen weer terug te plaatsen in dat­ ver­bond.

Profetie heeft altijd het appèl in zich

Profetie heeft altijd het appèl in zich, terwijl waarzeggerij de mens he­le­maal buitenspel zet, het gebeurt tóch wel. Je kunt hoog of laag­ springen, of misschien helemaal niet springen, maar het komt,­ het bespringt jòu, als een soort noodlot. Een voorspelling heeft iets van het fatum, iets noodlottigs in zich. Het­ komt over je of je het nu wilt of niet, het overkòmt je; een voor­spelling maakt een mens alleen maar tot een ding. Een pion, ver­­schoven op een bord, een marionet, getrokken aan een touw­tje.­ De mens heeft daarbij niets in te brengen, heeft geen woord, geen­ weer­woord. Het komt alleen maar loodrecht van boven, je on­­dergaat het.

De toekomst is een persoon

Profetie is anders, God is anders. God zegt: Ik spreek je áán. In het bijbelse denken is toekomst altijd een weg; een weg die be­wan­deld wordt. De toekomst bestaat niet uit een aantal feiten. Naar mijn besef is dat ook het probleem bij diverse eindtijd-the­o­rie­­ën; daar wordt de toekomst gereduceerd tot een aantal feiten. En­ de beste ken­ner van de eindtijd is degene die de feiten op een rij­tje kan zetten, liefst in de goede volgorde: opname, verdruk­king, toe­­komst van Israël, wederkomst op de Olijfberg, duizend­ja­rig rijk;­ ‘wilt u de feiten even in de goede volgorde plaatsen?’. En dan heb­ je de toekomst. Maar dat is dan zeer de vraag. Dan heb je de fei­ten, of de­ vermeende feiten. Maar de toe­komst is een weg. En alleen dìe mens­ heeft deel aan de toekomst, die de weg be­wandelt. En ‘gaan­de­­weg’ ontdek je de bedoelingen van de Eeu­­wige. Levinas zegt: toe­komst­ is een persoon, is de a(A)nder, die op jou toe­komt, met an­de­re woorden: toekomst is een relatie.

Geen feiten, maar relaties

Tijd is ook een relatie. Wat zou je aan toekomst hebben, wat zou je­ eraan hebben als je al­le feiten die te weten waren wist, maar had­ de relatie niet, ik wa­­­re niets. Wat zou ik bezitten als ik alle profetieën had en alle voorspel­lin­gen­­ had, maar had de liefde niet, het was schallend koper en een rin­­kelende cim­baal. Wat zou ik hebben als ik alle eindtijd-theorieën haarfijn op een rij­tje zou kunnen zetten en als ik alle profetieën zou kunnen uit­plui­zen tot op het bot, maar had de liefde niet… En dan zou ik daar­ zitten met mijn toe­komst en ik zou zeggen: ik heb de toe­komst,­ schuren vol, ik was een rij­ke dwaas, want ik had nie­mand. Iemand vertelde mij ook, dat de pioniers van John Darby en zijn me­­de­werkers, die daar hun hele leven heel intens mee bezig ge­weest­ zijn, met het ontwerpen van de bedelingen-leer en van de tijd­perken en het uit­zoeken van de perioden, op het eind van hun le­ven heel eenzaam ge­weest zijn. John Darby zat ergens op zijn­ zolderkamer en onder hen was veel wanbegrip en veel misver­stand. De één had de ander geëx­com­mu­niceerd; aan het eind werd de­ één door de ander niet meer begrepen. En zo zaten ze elk apart, ie­der­ op zijn eigen kamer, een­zaam en verla­ten. En dan gaat het niet eens meer over de vraag: wie had er nu ge­lijk en­ welk schema is nu het juiste. Het gaat om de mèns; wat houd je­ over als mèns.

Waar ben je en­ waar is je broeder?

Het gaat om de twee kernvragen uit het boek Genesis: waar ben je en­ waar is je broeder. Misschien zijn dàt de twee vragen waar je een hele eindtijd op kunt­ bou­wen. Als die twee vragen niet meetellen, dan kom je nooit­ tot in­zicht. “Waar ben je?” zegt God aan het begin. “Waar ben je?” zegt God aan het einde. “Waar is je broeder” zegt God aan het begin. “Waar is je broeder” zegt­ God aan het eind. En misschien komt er dan een dag dat je alle schema’s inlevert om­ één broeder te winnen. Want wat baat het de mens als hij alle schema’s van de wereld wint,­ maar schade lijdt aan zijn ziel. En dan heb je misschien alles op een rijtje, maar past er nog een mèns­ in dat rijtje?

Zoon van David!

En dan kan het misschien zijn, dat een mens al die schema’s van zich­ af­werpt. Net als Bartimeüs die zijn mantel afwierp en naar Jezus ging. Hij brak uit alle patronen en hij brak uit alle sys­te­men­ en het enige dat hij had was een naam: Zoon van David. Die had­ hij kennelijk ergens uit de profetieën opgediept. Messiaanse verwachting! Misschien is Bartimeüs wel een prach­tig­ voor­beeld van hoe messiaanse verwachtingen kunnen functioneren. «Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten die­­­nen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor ve­len» Marc.10:45. Na deze wonderlijke scharniertekst lezen we over deze Bartime­us. Na de­ze tekst begint in wezen het hele lij­dens­ver­haal.­ In deze tekst hoor je Jesaja 53 klinken; de Knecht des Heren komt om te die­nen. Dat is ook messiaans, maar dan te­rug­ge­spoeld. Jezus heeft Zichzelf herkend in Je­saja 53. Hij heeft ge­zegd:­ dat is mijn verhaal! Ik wil die knecht zijn en daarom ben Ik het.­ En dan zit die blinde Bartimeüs langs de weg; de toekomst is­ een weg, een weg van Jericho naar Jeruzalem. En dan, gaande langs­ de weg, zit daar een blinde bedelaar. Misschien is het juist voor­ hèm! Blinden en bedelaars herkennen de weg, de Weg. En do­ve­mans­­oren verstaan Hem. Misschien dat daarom Jezus ook voort­durend be­zig is met doven en blin­­den, want zij gaan vóór. Zij gaan vóór, aan­ wie niets werd geopen­baard en de blinde ogen zul­len het zien. Ook­ dàt komt vanuit Jesaja, vanuit het Troost­boek. Dan zie je, dat het ook niet aan een enkele tekst hangt, maar dat heel­ die weg doortrokken is van verwachting.

Gestrand onderweg naar Jeruzalem

Dan is daar die blinde bedelaar, die daar langs de weg gezeten is. De­ weg, die voor hem onbegaanbaar is, omdat hij niet verder dan Jericho komt en Jeruzalem voor hem een onbereikbaar station is. De­ze blinde uitvaller, bermganger, onderweg en toch ook niet on­der­­­weg, al jaren­lang stilgelegd, kortom een symbool van een heel volk­ waarin je je eigen verhaal herkent. In deze bedelaar her­ken je het­ diepste van het hele menszijn. Je zit daar, gekluisterd langs de­ weg. Het enige wat je kunt doen is je hand ophou­den, want je leeft­ van de liefdadigheid. Lief­da­dig­heid werd in die tijd tse­­da­qah­ ge­noemd. Tsedaqah betekent ei­gen­lijk: gerechtigheid. Een aal­moes, een tsedaqah alstublieft! Een aga­pè alstu­blieft, want het woord a­ga­pè­ betekent oorspronke­lijk ook aalmoes.

Woorden komen thuis op­ de weg van de Messias

Maar dan komt de Messias langs. Hij gaat zijn weg van Jericho naar­ Je­ruzalem. En dan komt die tsedaqah, die aalmoes weer te­rug­ in zijn oor­spronkelijke betekenis, dat wordt gerechtigheid. En die­ agapè, die aal­moes, krijgt een nieuwe betekenis, dat wordt lief­­­de. Woorden krijgen een nieuwe klank, woorden gaan glanzen op­ de weg van de Messias. Het is net alsof de woorden thuis­ko­men.­ Dàt is het, dat is messiaanse ver­wach­ting; dat is niet een voor­spel­ling, maar dat betekent dat ‘woor­den thuiskomen’. Die woorden van Jesaja komen thuis en de Psalmen ko­men thuis. Het is net alsof die­ psalmen tegen elkaar zeg­gen: hier kan ik wo­nen. ‘t Is net alsof de­ psalmen vleugels krij­gen, ‘t is net alsof ze weer be­gin­nen te zin­gen. Het is net alsof de psalmen en de profeten daar lig­gen als mu­ziekinstrumenten. En dan komt Jezus, Hij neemt die psal­men, Hij­ neemt die profeten, Hij neemt die muziekinstru­men­ten en Hij gaat­ erop blazen. En de adem van de Messias blaast door die psal­­men heen. Maar in dit geval is het zelfs tweerichting-verkeer: de adem van de psal­men blaast ook door Hèm heen. En dan begint het werkelijk te klinken! Het is misschien ook niet toevallig, dat André Neher in zijn boe­ken zo­veel muzikale termen pakt om het heilsplan van de Eeuwi­ge uit te­ beel­den. Dan voel je: het is geen schema, maar het is mu­ziek. Net­ zoals een musicus een partituur kan pakken van een groot com­ponist. En als hij dan als musicus, als dirigent die noten gaat spelen, komen ze on­der­ zijn handen tot leven, maar dan toch ook in de stijlkleur van de dirigent.

De profetie niet zozeer vérvuld, maar gévuld­

Die profetische woorden worden niet zozeer vervuld, die worden ge­vuld.­ Die woorden worden doorleefd met menszijn, met een menselijk be­­staan,­ met gestalte, met adem, met leven. Stel je voor: je reserveert voor een bepaalde avond een plaats voor een­ con­cert. Je verheugt je op de avond, waar prachtige muziek­wer­ken ten gehore zullen worden gebracht. Op de bewuste avond zit­ je in de con­certzaal. En als het dan tijd is, word je welkom ge­he­ten. De sup­poosten gaan aan alle aan­we­zi­gen papieren uit­de­len­ waarop de partituur van de muziek­stuk­ken staat. En dan zegt de­ leider van het concert: wij gaan van­avond dus niet voor u spe­len,­ gaat u nu allemaal voor uzelf eens dat muziekstuk bekijken en­ geniet van de noten. Om negen uur is er koffie en om half elf kunt­ u naar huis gaan. Ik wens u allen een prettige avond. Dan zul je waarschijnlijk wel je geld terug willen hebben. Je hebt be­taald voor een concert en niet voor een pakket noten. Die kun je­ in de muziek­handel ook wel kopen. Het gaat erom dat er iemand is, die al die noten tot klinken brengt.­ Die noten moeten gevuld worden met muziek, met klank en­ kleur en klank­kleur, met vibratie en schakering. Vandaar dat Johannes ook zegt: «Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, het­geen­ wij gezien hebben met onze eigen ogen, hetgeen wij aan­schouwd­ hebben en onze handen ge­­tast hebben van het Woord des­ levens» 1 Joh.1:1. Het lijkt net of Johannes alle zintuigen bij elkaar roept. Het woord is héél dicht­bij gekomen. «Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond» Joh.1:14. Vlees geworden: basar, dat wil zeggen: menselijk bestaan. Jezus gaf de mensen niet een pakket noten, maar Hij speelde de mu­­ziek. En de kenners konden zeggen: wat we daar nu horen is de­ par­tituur van Jesaja; ik hoor de grondtonen van de Psalmen; ik­ herken melodieën van­uit Jeremia. De kenners zeiden: die mu­ziek­ hebben we eerder gehoord, maar Hij doet het wel op zijn ei­gen­ creatieve manier. En dan zit daar die blinde Bartimeüs langs de weg. Jezus komt­ langs en dan wòrdt het een weg. Voor Bartimeüs was het al­tijd al­­leen maar een station geweest, een laatste station, een dood­lo­pen­de weg. Maar de Mes­­­sias geeft opening, Hij legt de weg open. Als ie­mand langs de kant van de weg zit, kun je hem een stra­ten­boek geven, maar het is héél wat an­ders als je hem een lift geeft.­ Als iemand langs de weg zit, omdat hij de laatste trein heeft ge­mist, heeft hij niet veel aan een stratenboek. Er moet iemand ko­men die je thuisbrengt. De barmhartige Sa­ma­ri­taan zegt: kom maar,­ hier is mijn rijdier, we gaan samen naar de herberg.

Blinden zien het eerst

En Jezus komt langs Bartimeüs en dan ziet die blinde wat: Zoon van­ David. Dus toch ogen, ogen die verder reiken. Met zijn blinde ogen­ is hij de eerste die het ziet: ‘Zoon van David’. En dat wordt voor­ hem de her­kenningsmelodie. En dan gooit hij zijn mantel af en­ snelt Jezus tege­moet. Alle begrenzingen vallen weg, alle frustraties vallen weg.­ Want de kritische toe­schouwers zeggen: dit mag niet en je moet­ je mond houden en je past niet in het kader en je gaat te ver.­ Maar hij breekt er doorheen. En dan eindigt dit gedeelte zo mooi: «En hij volgde Hem op de weg»  Marc.10:52. Eerst langs de weg en dan òp de weg, de weg wordt begáánbaar.

Toekomst is een weg

Toekomst is een weg. Toekomst is een relatie, niet een aantal fei­ten.­ Fei­ten kunnen een mens eenzaam maken. Al ware het dat ik al­le feiten kende….  maar wat doe ik er dan mee? Geeft het me ant­woord­ op de vraag: waar ben ik? Heb ik dan antwoord op de vraag:­ waar is mijn broe­der? Of blijf ik met alle feiten in een ge­van­genis zitten? Toekomst begint vanbinnen. Toekomst begint in je­ hart en in je ogen. Als mensen Jezus zagen, dan zagen ze de toe­­komst in zijn ogen. Zo keek Hij de men­sen aan, zodat ze weer op­ weg konden. Uìt het cir­cuit, uìt de cirkelgang; kom maar, Ik neem­ je mee. Toekomst begint vandaag, de toekomst be­gint in men­­sen, daar waar de herkenning plaats­vindt. In 2 Koningen 2 staat het verhaal van Elia en Elisa, een grens­ver­­haal.­ Dit is een heel frappant voorbeeld. Elia zal opgenomen wor­den­ in de hemel, de reis gaat beginnen. Een reis terug naar het al­lereer­ste begin, terug naar de plaats waar Israël zijn ge­schie­denis be­gon­nen­ is. En ze komen telkens op een bepaald sta­tion: Gilgal, Je­ri­cho.­ En op elke plaats waar ze komen is daar een groep pro­fe­ten­, die het laatste nieuws ver­tellen: weet je het al, heb je het al ge­hoord;­ Elia gaat naar de hemel, de opname staat voor de deur. En­ dan­ komt die haast wat ontnuchterende reactie van Elisa: weet ik al….­stil­ maar, zwijg stil. Profeten die helemaal verrukt wa­ren van hun­ ken­nis van de feiten. Wij zijn op de hoogte van het laatste hot-item,­ heet van de naald, wij hebben de laatste openbaring, wij we­ten­ wat er voor de deur staat en daarom gaan we dat overal rond­ba­zuinen. En Elisa zegt: ja, stil nou maar, ‘t is wel goed, fijn dat­ je het­ weet. Maar als je heel dat verhaal van 2 Koningen 2 be­kij­kt,­ ontdek je, dat uiteindelijk àls het gebeurt, er maar­ één­ bij is: Eli­sa. Elisa ging het er niet om de feiten te we­ten, maar­ om de wèg te bewandelen. Hij zegt: zo waar de Here leeft­ en uw­ ziel leeft, ik ga met u mee, ik zal u niet verlaten. Dus toekomst is een gezindheid. Vandaar dat je kunt zeggen: toe­komst­ begint in het hart. Ga je op weg? Al die profeten bij Elia bleken toe­­schou­wers te zijn, kijkers. Een aantal jaren geleden sprak ik een­ voor­gan­ger die zei: ik ben nu leider geworden van een groep mensen, die drieën­twin­tig jaar lang alleen maar hebben zitten kij­ken.

Alleen maar toeschouwers

Ze waren alleen maar toeschouwer en leefden van toogdag tot toog­­dag en van conferentie tot conferentie. Altijd waren ze bezig om­ de krant te lezen naast de Bijbel. En dan ontdekten ze bij­voor­beeld­ dat Saddam Hoes­­sein ook in de Bijbel stond. Toe­schou­wers zijn,­ de feiten volgen, maar er werd nooit iets onder­no­men. Ge­meen­tebouw kon niet, want de gemeente wàs er al niet meer. Evan­geliseren hoefde eigenlijk ook niet, want dat zouden de Jo­den­ wel doen na de opname. Gevangen in de feiten, gevangen in de toekomst. Toekomst als een­ wacht­­­kamer, toe­komst als een noodlot. Alleen maar berusten en­ de fei­ten volgen.

Profeten máken de feiten

Maar God bedoelt iets héél anders. In de Bijbel zien we heel an­de­re­ ont­wik­kelingen. Daar worden de feiten niet afgewacht, maar daar­ wor­den de feiten gemáákt. De profeten máken de toekomst. De­ profeten maak­ten zelf ook altijd een weg door. De profeten had­­den hun leven met de Heer, ze hadden hun levensweg waar ze door­héén gingen. Profeten waren in de regel ook bidders, voorbidders. En ze heb­ben ge­roe­pen, vaak vanuit de diepte, vanuit de omzwervingen. En zo was­ daar het profetische gebed. “Overal, waar men het gebed vindt in de mond van een profeet, heeft­ dat ge­bed het karakter van volledige vrijheid”. (A.Neher). De pro­feet staat daar in de vrijheid. Hij staat daar voor de keuze: wat ga­ ik doen met mijn leven. Dat is niet een lot, dat is niet een nood­lot, maar dat ge­bed wordt in hem gebóren. Bij de God van Is­ra­ël is dat nooit dwang­­ma­tig. Een mens is nooit ge­pro­gram­meerd,­ is­ nooit een ding, een object. Als de profeet gaat bidden, wordt­ dat ge­bed geboren in zijn hart, heeft dat het karakter van vrij­heid. Het­ gebed van de profeten ont­springt aan het hart van de mens­ en­ het berust op een vraag. Profeten zijn degenen die de vra­gen stel­­len, die niemand stelt, die naar het onver­klaar­ba­re vragen. Het is niet een­ her­ha­ling van wat er al was of van wat gehoord of gezien werd,­ maar het­ voert een nieuw woord de wereld in.

Gods toe­­komst be­staat uit mensen, niet uit feiten

Profeten zijn mensen die nieuwe woorden scheppen, woorden die er­­ nog niet waren. Als Jeremia iets zegt, dan zijn dat woorden die nog­­ nie­mand gezegd heeft. De woorden komen voort uit zijn hart. De­­ profeet voert een woord de wereld binnen. Want daar is het woord­­ dat van God komt en daar is het woord dat van de profeet komt­­ en zo is daar het ge­sprek, de ontmoeting. En dat zie je daar ook bij Elia en Elisa. Ze gaan samen heel die weg­ terug naar het begin. En ìn Elisa wordt dat verlangen ge­bo­ren.­ Geef mij dan een dubbel deel van uw geest. Hij wil geen toe­schou­wer blijven, hij wil erbij zijn. Hij wil deel uitmaken van de toe­komst, deel worden van de toe­komst, toekomst wòrden. Gods toe­­komst be­staat uit mensen, niet uit feiten. Want wat zijn feiten zon­­der men­sen! Dat is als een huis dat leeg staat, dat is alleen de ver­­pak­king, de buitenkant. Vandaar dat basispunt: profetie is geen voorspelling, maar het is een her­­­kènning. Zo is ook Jezus zijn weg gegaan. En Hij heeft steeds meer, on­der­weg, woor­­­den gevònden. En in die woorden van Psalmen en Profe­ten Zich­­­zelf ge­vonden.

Bij Johannes in de leer

Wat mij vooral ter harte gaat is de bìnnenkant, de binnenkant van­­ profe­tie, de binnenkant van de verwachting. Vaak heb ik het idee dat veel uitleggers van profetieën zich te veel fixeren op de bui­­ten­kant. Bepaalde commentatoren van het laatste bijbelboek zeg­­gen dan: Johan­nes zag be­paalde beelden, die hij nog niet kon be­­grijpen, maar nu snap­pen wij die dan wel. Want dan gaat het over atoom­bommen en andere ver­schijn­se­len van moderne oor­log­­voering. En als dan de put van de af­grond open­gaat, is dat een ra­­ket die gelanceerd wordt. Zo stond er let­ter­lijk in een com­men­taar:­­ “Johan­nes had er wat meer moeite mee dan wij”. Maar dan wordt­­ de zaak op zijn kop gezet. Dan zou het fijn zijn als Jo­han­nes­­ bij ons op de bijbelstudie zou komen, dan kan hij ook nog iets le­­ren. Jammer dat Johannes niet in de 20e eeuw leefde, dan had hij­­ zijn eigen beelden beter kunnen verstaan. Over vooruitgang ge­­spro­ken! Maar ik ga liever bij Johannes in de leer dan dat hij hier moet zit­ten.­­ Johannes heeft onze moderne uitvindingen niet nodig om zijn beel­­den te verklaren.

Visioenen moeten gedecodeerd worden

Eén van de frappantste kenmerken van bijbelse visioenen is, dat er­ steeds een uitleg nodig is. Visioenen wachten op een verklaring. Als­ Je­re­mia geroepen wordt, ziet hij een amandeltak. En dan moet­ hij de bete­kenis daarvan vragen. Een amandeltak was voor Je­remia natuurlijk niet een vreemd verschijnsel. En toch kon hij niet­ uit zichzelf bedenken wat dit profetische beeld inhield. En als­ hij later vanuit het noorden een ko­kende pot ziet komen, vindt hij­ het beeld niet zo moeilijk, maar nu de on­dertiteling nog. Daar zie je het fundamentele verschil tussen bijbelse visioenen en wat­ in de algemene populaire opvatting gezien wordt als een vi­si­oen.­ Als ie­mand zegt: ik zie New-York in brand staan, heb je daar ver­der geen ver­klaring voor nodig. Maar als iemand zegt: ik zie een­ amandeltak, heb je daar nadere uitleg bij nodig. Dan heb je no­dig dat er een woord komt, dat dat visioen gaat plaatsen, gaat­ ont­cijferen, decoderen. Profeten wa­ren steeds bezig met ont­cijferen: wat hoor ik, wat zie ik. Wat ik zie is niet zo moeilijk, maar­ wat zie je erachter, waar verwijst het naar. Hoe kan ik het trans­po­neren, overzetten, hoe is de verhouding: beeld en wer­kelijkheid. En in dat geval van­ die amandelboom gaat het ook om die woordspe­ling: sjaqed en sjo­qed. De sjaged is de amandelboom. En sjoged is waken. En God­ zegt dan: Ik waak over mijn woord om dat te doen. De aman­del­boom is dan dus eigenlijk een ‘waak­boom’. En de amandel­boom­ was in het oosten de eerste boom die ging ont­spruiten, die wak­ker werd na de winter. In de lente zie je de amandel­bo­men het­ eerst in bloei staan met een zee van witte bloesems.

De amandelboom: opstanding na de winter

Dat is de opstanding na de nacht van de winter. Om te laten zien: men­sen, het nieuwe seizoen is begonnen, er is een nieuwe tijd aan­­gebroken. Zo staat daar de amandelboom als een signaal voor heel­ het verhaal van Jeremia, voor heel het woord dat hij zal gaan zien. Er is dus een beeld, maar er moet wel een woord bij. Door dat woord­ krijg je dus een verwijzing naar de betekenis van het beeld. Die­ aman­del­tak verwijst dus naar God die vroeg wakker is, zoals die­ amandel­boom vroeg wakker is. Zo wordt God vroeg wak­ker om­ zijn woord te doen. Jeremia had dat al wel twintig keer mee­ge­maakt,­ dat ontwaken van de bomen in de lente. Als Jeremia door Ana­tot liep zag hij ieder jaar het uitbotten van de amandelboom. En­ voortaan, als hij nu weer dat uit­botten zag, wist hij dat dat een sig­naal was, dat naar de Eeuwige ver­wees. Hij is vroeg wakker om zijn­ woord te vervullen. God laat zijn woord wakker worden en Hij laat­ zijn woord vroeg op­staan. Zo hebben mensen dat beeld meegenomen. En het werd voor hen een­ herkenning, ook in donkere winterse tijden. Dat is de waarde van­ zo’n beeld. Aan zo’n beeld heb je dan veel meer dan aan al­ler­­lei­ eindtijd­sche­ma’s. De amandelboom als een verwijzing naar deze God. Ook als we le­ven­ in een winterse tijd, winter in je ziel, winter in de ge­meente, win­ter in deze wereld. Jeremia heeft in zijn profetenleven meest winter meegemaakt. En­­ dan keek hij weer naar die bloeiende amandelboom in de len­te.­­ En dan wist hij: zo zeker als de winter voorbijgaat, God waakt. Is dat nu een voorspelling? Nee, maar het is wel een herkenning. En al die mensen, die in hun winter lopen te kleumen, kunnen door­­ het woord van Jeremia weer warm worden, hun hart kan weer­­ vlam vatten. Eén amandeltak maakt wèl lente. Zo was het ook bij de mensen, die op 28 januari 1945 in Amsterdam in­­ de kerk zaten bij Miskotte. Het was in de hongerwinter. Koud en ver­­­kleumd kwamen ze naar de kerk, gedeprimeerd; en ook de kerk­­ was niet ver­warmd. En toch: toen de mensen in die barre tijd­­ hoorden: God regeert, ondanks alles, kon je ze ànders de kerk uit zien­­ komen, ze lie­pen weer rechtop. Je zou haast­­ zeggen: ze hebben die amandeltak gezien, ze hebben even mo­­gen kijken met de ogen van Jeremia, met de ogen van een pro­feet.­­ “Geef ons een levend hart en nieuwe ogen”. Profetie is meer dan de feiten. Een profeet kan soms de feiten door­­breken. Voorspelling legt de toekomst vast. Profetie legt de toekomst open.

De Mes­si­aan­­se tijd

De Messiaanse tijd is niet het einde van de geschiedenis, maar is een­­ schar­nier tussen twee tijdperken. Met andere woorden: het is net­­ alsof er in die Messiaanse tijd een deur wordt opengezet, er wordt­­ een ven­ster geopend. Er wordt ook vanouds onderscheid ge­­maakt tussen de Mes­siaanse tijd en de Komende Eeuw. We heb­­ben dan in ieder geval drie tijd­perken: Deze Eeuw; de Mes­si­aan­­se tijd en dan de Toekomende Eeuw. Wat die Messiaanse tijd betreft zou je het haast in een beeld kun­nen­­ zeg­gen: de tijd gaat kantelen. In een ander beeld zou je het kun­­nen zien als een golfslag. Elke komende golf neemt weer een deel­­ van de vo­rige mee. Vanouds wordt er ook gezegd: de profeten spreken over de Mes­si­aan­­­se tijd, maar niet over de Toekomende Eeuw, die komt daar­na.­­ ­De profeten spreken tot allen, tot alle mensen. En in het hart van­­ het profetische woord komt telkens de grondgedachte naar vo­­ren: de Messiaanse tijd is het verdwijnen van het juk. Denk aan dat­­ prachtige beeld uit Jesaja 9: «Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schou­der, de roe­de­­ van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag»  Jes.9:3. «Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed ge­wenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur»  Jes.9:4.

Het verdwijnen van­­ de vervreemding

Het verdwijnen van het juk houdt vooral ook in het verdwijnen van­­ de vervreemding, het verdwijnen van de willekeur. Want dat is mis­­­schien wel de diepste pijn van de mens van vandaag: het ver­vreemd­­ zijn, ver­vreemd van jezelf, vervreemd van je naaste en vervreemd van God;­ dat brengt dan ook de leegte. Dat is die leegte vanbinnen; je bent ver­vreemd­ van jezelf, je weet niet meer wie je bent en je weet niet meer­ waar je bent. Je weet niet waar je vandaan komt en waar je heen­ gaat. Net als die bode des Heren, die in Genesis 16 bij Ha­gar komt en vraagt: «En Hij zeide: Hagar, slavin van Sarai, vanwaar komt gij en waar­heen­ gaat gij?» Gen.16:8. Is die vraag niet veel te moeilijk om te beantwoorden, een een­za­me­ vrouw in de woestijn kan dat toch niet? Een staat, een politieke constellatie, heeft die vervreemding ook haast on­ver­mij­de­lijk ìn zich. Een staat kan geen rekening hou­­den met ieders persoonlijkheid, zelfs al is het een democratie. In­­ een democratie heb je toch ook weer de macht van 50+1, de meer­der­heid. Dat is de macht van het getal, maar wie ben jij. Een staat­ kan ook niemand troosten.

De Messiaanse tijden weer­­spie­geld in de weg van Jezus

Als je dan naar die Messiaanse tijden kijkt en je gaat dat weer­­­spie­geld vinden in de weg van Jezus, dan zie je dat Hij voort­du­rend bezig was om die vervreemding op te heffen, om mensen te­rug te­ bren­gen tot zich­zelf, tot Hemzelf. Weer mens worden, daar waar de mens­ zo vaak is af­ge­klemd, als het ware geamputeerd. De één kon niet horen, de ander kon niet zien, weer een ander kon­ niet lopen – lamgeslagen mensen. Maar ze mogen weer mens wor­den, uit de vervreemding vandaan komen. Mensen die zich op zo­véél ma­nieren vreem­deling voelden. Oorspronkelijk was dat in wezen ook de intentie van de Fa­ri­zee­ërs.­ Het was van oorsprong een beweging van onderen af, de der­de­ stand. Arme boeren die het niet breed hadden, ook vervreemd van­ hun land, van hun akker. Ze konden niet leven in dat Ro­mein­­se wereldrijk, waar ande­ren de baas waren. De Farizeeërs na­­men het op voor de mensen bene­den. Dat was wat God ook van zins­ is.

Aan de mensen hier beneden

geeft God het gepaste land.

Stem die de stilte niet breekt,

Woord als een knecht in de wereld

Naam zonder klank, zonder macht.

Vreemdeling zonder geslacht.

Kinderen, armen van geest,

mensen gelouterd tot vrede

horen de naam in hun hart,

dragen het woord in hun vlees.

Kinderen, armen van geest.

Jezus zegt: voor jullie is het Ko­nin­k­rijk.

Jezus zegt: jullie gaan voor.

Blinden herkennen de hand,

dovemansoren verstaan Hem.

Zalig de mens die gelooft,

zalig de boom aan de bron.

Zo komt het profetische woord:

Niet als een storm, als een vloed.

Niet als een bijl aan de wortel

komen de woorden van God,

niet als een schot in het hart.

Maar als een glimp van de zon,

een groene twijg in de winter.

‘t Dorstige hart is de grond,

zo is het Koninkrijk Gods.

Die stem, dat woord, de naam in het hart. Dus de Messiaanse tijd is het leven dat geen vervreemding meer kent.­ Dan is er eindelijk weer ruimte voor kunst, voor artistieke ex­pres­sie, voor poëzie, voor taal, voor vriendschap. Het leven dat op­­licht in het ge­laat van de ander. Eindelijk leven. De Messiaanse tijd­ betekent ook, dat de mens erkènning krijgt, per­soon­lijk, de mens­ wordt gekènd, eindelijk gekend.

Menachem, de Trooster

Dat is meer dan de erkenning als burger in een staat. Dat is meer dan:­ je bent een deel van de mensheid, en dus zijn daar de rech­ten­ van de mens. De Messiaanse tijd is, dat personen niet ver­dwij­nen in de alge­meen­­heid. De mens wordt gezien in haar of zijn per­soonlijk­heid. Van­daar dat ook één van de namen van de Mes­si­as is: de Menachem, de Trooster.

Nu daagt het in het oosten,

het licht schijnt overal.

Hij zal de volken troosten

Die eeuwig heersen zal.

Door één zo’n adventslied gaat er een wereld voor je open. Me­na­chem,­ Trooster; en die naam wordt vanouds door de rabbijnen af­ge­leid uit het boek Klaagliederen. Want dàt is de klacht over Je­ru­za­lem, dat er geen trooster is. En Trooster gaat verder dan de mens van de vrede; troost gaat ver­der dan vrede op aarde. De troost gaat ook nog verder dan de ge­­rechtig­heid, recht doen aan de ander. Troost gaat ook nog ver­der­ dan het me­de­dogen. Troost veronderstelt een relatie met de per­­soon die men gaat troosten. Vrede kan nog gebracht worden over­ een land; de koning van de vrede. In de tijd van koning Sa­lo­mo­ was er vrede in Israël. Dat be­te­kende nog niet dat iedereen een­ per­soonlijke relatie had met Salomo. En in de dagen van Da­vid­ was er gerechtigheid. En er zijn koningen ge­weest, die me­de­do­gen hebben gehad met hun land en met hun onder­danen, maar toch­ konden ze niet iedereen troosten. Ook in de dagen van de bes­te koningen was er nog wel verdriet en waren er misschien ook nog­ wel mensen, die tussen de wal en het schip waren ge­raakt. Zelfs­ Da­vids eigen zoon Absalom kon maar moeilijk op het spreek­uur van zijn vader terecht. Dus troost gaat verder, troost veronderstelt een relatie. Gerechtig­heid en­ sjalom kunnen een volk betreffen, een geheel. Alleen een per­soon­ kan worden getroost. En er is een oude Joodse wijsheid die zegt:­ “Vrede komt niet tot stand in een wereld zonder troost”. Als het leger van God daar bij Bethlehem heeft gezongen: “Vrede op­ aar­de”, dan hebben ze daarmee ook ontsloten, dat de ver­troos­­ting­ op de aar­de zou komen, de vertroosting van Israël, de ver­troos­ting voor alle men­sen.

Het Troostboek

Het tweede deel van Jesaja, vanaf Jesaja 40 is dan ook het Troost­­boek. Met die woorden, die nog lang niet uitgezongen zijn, staat­ er zo mooi: «Troost, troost mijn volk, zegt uw God»  Jes.40:1. «Zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten»  Jes.66:13.

Het Troostboek begint met de troost en eindigt met het moe­der­schap.­ Binnen dat kader staat het hele verhaal van de ver­troos­ting.­ Dan voel je wel: dat is veel meer dan een voorspelling. Wat heb­ ik eraan als iemand naar me toekomt en een voorspelling doet:­ jij zult troost krijgen. Dat klinkt dan toch wel een stuk armzaliger. Maar als daar een moeder is die vertroosting komt brengen, als daar­ een God is met een moederlijk hart, als daar een Messias is, die­ de tederheid van de Eeuwige nabij komt brengen, dan is dat on­­eindig veel rijker. “Zie, hier is uw God”… de vertroosting komt naar je toe. De Messiaanse tijd is de tijd dat mensen eindelijk thuiskomen; thuis­ko­men bij God en bij zich­zelf.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391574 bezoekers sinds 07-06-2010