Messiaanse tijden en de Heilige Geest

22-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Vaak is het ‘t veiligst om iets te behandelen uit een ver verleden of uit een verre toekomst, alhoewel je zelfs over de eindtijd ruzie kunt krijgen. Scheuringen over zaken, waarvan nog niemand weet hoe ze zullen verlopen. Je kunt zelfs scheuringen krijgen over zaken die niet eens in de Bijbel staan, zo als de ‘veronderstelde wedergeboorte’ van pasgeboren kinderen. Want de burcht ligt verlaten, het rumoer der stad is in eenzaamheid veranderd. Ofel en Wachttoren zijn voor altijd tot spelonken geworden, een vreugde voor de wilde ezels, een weide voor de kudden, totdat over ons uitgestort wordt de Geest uit de hoge…(Jesaja 32:14 en 15a)

Ofel is één van de heuvels van Jeruzalem en die Wachttoren – niet die van de Jehova’s Getuigen – komt waarschijnlijk uit Habakuk, waar Habakuk zegt: Ik wil gaan staan op mijn wachttoren. Het gaat hier dus om het punt van ballingschap en van de puinhopen van Jeruzalem. Het merkwaardige is nu, dat er in vers 14 staat ‘voor altijd’ en pal daar overheen staat in vers 15 ‘totdat’. Het is ‘voor altijd’, maar toch komt er een ‘totdat’. Spelonken voor altijd, letterlijk: voor heel de eeuw. Ruach betekent in de eerste plaats adem, wind, stormwind en van daaruit gaat het ook betekenen geest. In dit vers staat: heilige Geest, zonder lidwoord. Het is eigenlijk adem van God. In de loop van de eeuwen is het denken in dit opzicht veel statischer geworden. Men gaat dan spreken van de Geest. De uitdrukking ‘Heilige Geest’ komt eigenlijk maar twee keer voor in de Tenach. Oorspronkelijk is dat allemaal wat meer fluctuerend, wat meer vloeiend. In het begin van Genesis staat er: de Ruach Elohim, de Adem van God zweefde over de wateren.. (Genesis 1:2). Het gevolg van die adem uit de hoge, zegt Jesaja 32:15, is dat de woestijn tot een gaarde wordt. De woestijn wordt een ‘Karmel’, dat is een ´boomgaard´. En de boomgaard wordt een woud. En dan komt het meest kenmerkende: dan woont het recht in de woestijn en de gerechtigheid verblijft in de gaarde…(Jesaja 32:16). Het kenmerk van de adem van God is dus dat, waar die adem komt, er dingen tot hun recht komen, rechtgezet worden, mensen tot hun recht komen. Waar de adem van God komt, worden zaken op orde gesteld. Het kenmerk van de Geest is dus niet zozeer het emotionele. Nu mag het emotionele er wel bijkomen, maar dat is dan meer een gevolg. Als de hele mens geraakt wordt, wordt ook de emotie geraakt. Maar emotie zonder gerechtigheid wordt toch een wat wankele toestand. Als je de loop van de kerkgeschiedenis nagaat, dan zie je dat het kenmerk is van het herstel door Gods Geest het herstel van de gerechtigheid. Een heel mooi voorbeeld, een prachtfiguur is Charles Finney. Hij leefde zo ongeveer van 1810 tot 1890. Finney was oorspronkelijk jurist. In zijn bedieningen gebeurde enorm veel. Het kenmerk van de prediking van Finney was, dat hij heel rationeel was. Zijn preken waren, zou je haast zeggen, op het verstandelijke af. Door zijn juridische achtergrond was Finney heel sterk gewend om de dingen tot de bodem te doordenken. Finney speelde dus nooit op het emotionele. Finney lag nog al eens in de clinch met de calvinisten. Zo moest hij niets van de erfzonde hebben. Bij Finney had je dus echt wel werkingen van de Geest, maar het stond allemaal in dienst van de bekering, in dienst van de gerechtigheid. Finney was een keer in een dorp, waar nog één gelovige woonde, een oude man. Hij komt in contact met die man en hij huurt in dat dorp een zaaltje om een samenkomst te beleggen. Het hele dorp loopt uit en de samenkomst begint. Finney zegt dan: Ik kon merken dat ze al in geen jaren iets geestelijks gewend waren, want ze brulden als een horde barbaren door elkaar toen we liederen gingen zingen. Toen het gebrul eindelijk verstomde, dacht ik: Het beste is om dan eerst maar eens op mijn knieën te gaan. En dat deed Finney dan in zo’n geval midden voor het publiek. Hij begon daar te preken over Lot en Sodom. Aanvankelijk keken de mensen hem woedend aan. Zij wisten wat Finney niet wist, namelijk dat dat dorp de bijnaam had ‘Sodom´ en die oude man de bijnaam ´Lot´. Maar aan het slot van de samenkomst wierpen ze zich allemaal op de knieën en smeekten om genade. Dat was nu inderdaad een werking van de Geest, maar dan wel in dienst van de gerechtigheid. Finney had van die heel doordringende ogen. Hij kon iemand aankijken en dan was die persoon, bij wijze van spreken, al bekeerd. Finney sprak ook een keer in een dorp waar niemand hem nog kende. Hij gaat voor de dienst alvast ergens zitten en dan even later komt er een dame binnen, zwaar opgemaakt en flanerend met een blik van ‘zien jullie mij allemaal wel?’ Zij gaat achter Finney zitten. Finney krijgt dat in de gaten, draait zich om en zegt: Mevrouw, weet u wel waarom u hier bent? Bent u hier om de aandacht op uzelf te vestigen of op iets anders? De vrouw krimpt in elkaar en helemaal als ze later merkt dat Finney de spreker van die morgen is. Dat was een karakteristiek iets voor Finney en zoiets kun je ook nooit nadoen. Het gebeurde bij Finneys prediking dat hele dorpen tot bekering kwamen en dat de café´s inderdaad leeg waren ‘s avonds. Finney werd vaak vergezeld door een oude broeder, broeder Nash. En broeder Nash was vaak de man van het gebed. Ze kwamen een keer in een dorp waar nog al wat tegenstand was. En aan het eind van de samenkomst zei broeder Nash: Volgende week zijn jullie bekeerd of jullie zijn er niet meer. Finney zegt: Ik schrok daar zelf van en dacht: Nash, jij gaat nu te ver. Maar als dan inderdaad er nog iemand was, die zich tot het uiterste bleef verzetten en dwarsliggen, was daar wel een sterfgeval. Je denkt dan onwillekeurig aan Ananias en Saffira. Het opvallende in de bediening van Finney was, onder andere ook, dat van de bekeerden er een groot percentage ook blijvend bekeerd was. Wat mij vandaag de dag opvalt, is dat de opwekking, of beter gezegd het reveil, de herleving, zo dikwijls getrokken wordt in de sfeer van de emotie. En dan vooral ook het zoeken van ervaringen. Het is een bedenkelijk verschijnsel als je ervaringen gaat zoeken om de ervaring. Zo kreeg je vanuit Amerika, want daar komt het dan dikwijls vandaan, de ervaring, het verschijnsel van het ‘vallen’. Het werd dan vaak genoemd ‘het vallen in de Geest’. In feite is die uitdrukking een wat vreemde constructie, net als ‘dansen in de Geest’. Dansen doe je met je lichaam, dat doe je niet ‘in de Geest’. Geestelijk dansen is een ongrijpbaar vage manier van zeggen. Het merkwaardige rondom dat vallen was, dat bepaalde gemeenten en voorgangers er pertinent tegen waren, terwijl ze later plotseling overstag gingen met als argument: Nu gebeurt het massaal. Eerst gebeurde het incidenteel, daarna massaal en dan zou het plotseling wel ‘van de Heer’ zijn. Dat is toch wel een wat vreemde maatstaf. De laatste jaren zijn er weer wat meer uitingen bijgekomen en dan kun je je afvragen: zijn dat nu uitingen van de Geest en kun je dat op de één of andere manier dan meten of herkennen. De argumentatie rondom deze verschijnselen is toch vaak wel wat wankel. De uitingen die erbij kwamen, waren: schudden, sidderen, lachen, huilen en aanverwante artikelen. Er is een boekje verschenen, getiteld: Wat gebeurt er in ‘s hemelsnaam op aarde? In dat boekje worden die verschijnselen, zoals lachen en dergelijke, zogenaamd Bijbels gefundeerd. De methode is dan: zoek in de concordantie het woord ‘schudden’ of ‘lachen’ op. Kom je dat herhaaldelijk in de Bijbel tegen, dan is dat dus een Bijbels verschijnsel. Mijn hart is in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen sidderen; ik ben als een beschonken man, als iemand wie de wijn naar het hoofd gestegen is, om de Here en om zijn heilige woorden … (Jeremia 23:9). En dan zegt men vanuit dat boekje: Zie je wel, in Jeremia staat het ook al, sidderen, beven, schudden. En men heeft dan als conclusie: dus het is een uiting van de Geest. Maar dan krijg je een grondregel: elke tekst moet gelezen worden in een verband. Maar in dit gedeelte gaat het over de profeten. Dat staat er trouwens ook boven. Jeremia heeft daar ervaringen met valse profeten en over die valse profeten is hij tot in het diepst van zijn wezen geschokt. En in dat licht moet je deze tekst lezen. Uit deze tekst kun je dus beslist niet afleiden dat als iemand als een beschonken persoon rondwaggelt, dat het een uiting is van de Geest. Dat schudden en dat lachen kan dus demonisch zijn of puur van uit de menselijke geest voortkomen. Er zijn nog een paar variaties mogelijk en soms is het ook gewoon een modeverschijnsel. Jeremia is hier zo intens verbijsterd en verontwaardigd over die valse profetie. Aan de andere kant ook om de woorden van God: om de Here en om zijn heilige woorden…(Jeremia 23:9)

Het is bij Jeremia dus helemaal geen uiting van de Heilige Geest. Hij is gewoon zelf kwaad en verontwaardigd. Emoties zijn niet per definitie een uiting van de Geest. Ze kunnen ook gewoon puur een uiting zijn van je menszijn. Bij veel uitingen van menselijke emoties kun je dus niet zeggen: de Geest werkt. Nee, de menselijke emotie werkt. Het merkwaardige is dat men zich soms op bepaalde uitingen als het ware vastbijt en die dan ook stereotiep gaat maken. Als één of enkele personen dat verschijnsel een keer hebben geuit, dan is het zaak dat iedereen dat moet hebben. Bij de één moet je dan lachen, bij de ander huilen en bij nog een ander schudden. Voor de oorlog had je in Amsterdam de ‘rolgemeente´, daar rolden ze over de vloer. Die verschijnselen van de laatste jaren zijn dus eigenlijk ook niet zo nieuw. Kennelijk zijn hier ook bepaalde golfbewegingen in het spel. In bepaalde kringen is een bidstond pas geslaagd als iedereen hard door elkaar gaat bidden. Dat was dan zogenaamd het kenmerk dat ze ‘in de Geest’ waren en die gebeden begonnen dan met ‘halleluuuuja’ of ‘Jézus’. Je krijgt dan dus ook het verschijnsel van het oppeppen van emoties. Zo is er ook het verschijnsel van het ´hijgen´. Bij profeteren en bidden begint men steeds luidruchtiger te hijgen en te zuchten. Dan beginnen ze ‘in de geest’ te zuchten en te hijgen. Na het gebed en de profetie praat men dan weer heel gewoon, zonder hijgen, zonder zuchten. Bij de Oud—Gereformeerden en aanverwante kringen kent men de zogenaamde ‘tale Kanaäns’. Als men over de Bijbel spreekt of iets voorleest, verandert de stem in een bibberend praten. Barthold van Ginkel zei dan: Geen orgeltoon, maar uw persoon. Barthold van Ginkel raadt predikers aan om hun stem eens op te nemen op een cassettebandje en te laten beluisteren door een artistiek buitenkerkelijk persoon. Hij zegt ook: Je hebt taal en metataal bij de prediking. Bij metataal heb je bepaalde woorden in je onderbewustzijn, die bij de hoorders dan een bepaalde reactie opwekken.

Een predikant begint bijvoorbeeld zijn prediking: Gemeente, die ziener op Patmos, dié heeft toch wat gezien! En dan valt er een ademloze stilte en in feite heeft die man nog niets gezegd. Dan raak je dus het collectieve onderbewuste van al de mensen die daar in de samenkomst zitten. Hij zegt: De eeuwen trillen mee. Dan krijg je dus:

O, gong, die mijn ziel doorzong.

O, loeiende gong, neem mij mee.

(Naar het gedicht van Jan Engelman)

Op die manier kun je ook via een bepaald soort prediking werken op het gevoel. Als Billy Craham zijn predikingen hield en na afloop een uitnodiging deed aan zijn hoorders om naar voren te komen, speelde het harmonium zachte klanken. De journalisten schreven: Zie je wel, het is allemaal sentiment waardoor men naar voren komt. Met die zachte klanken van het orgel sleept hij de mensen uit hun stoel. Billy Graham las dat en dacht: ik zal ze krijgen! En de avond daarna deed hij weer een uitnodiging, maar nu zonder orgelspel. Toen schreven de kranten: Tijdens de uitnodiging van Billy Graham hing er een sentimentele stilte. Je moet dus wel onderscheiden dat er heel veel in wezen uiting is van de menselijke geest en de menselijke ziel.

Dat is ook mijn kernbezwaar tegen heel veel verschijnselen die zich heden ten dage afspelen, in feite wordt daardoor de mens uitgeschakeld. Dat boekje ´Wat gebeurt er in ‘s hemelsnaam op aarde’ is dus een soort verdediging van de verschijnselen die zich rondom het ‘Toronto gebeuren´ afspelen. In dat boekje staat bijvoorbeeld: God beledigt het verstand om het hart te openbaren. Dit onder het motto: Ben je bereid om een dwaas te worden voor God? David du Plessis zei: De Heilige Geest is een gentleman. Die respecteert jou. Hij staat aan de deur en Hij klopt. Hij trapt de deur niet in. In dat boekje wordt dat beeld van die gentleman herroepen en wordt gezegd: De Geest doet ook wel eens dingen in zijn soevereiniteit, waarbij de mens helemaal niet zo gerespecteerd wordt. Dan kom je toch op een heel fundamenteel punt in verband met het Godsbeeld en het mensbeeld.

niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest! zegt de Here der heerscharen. (Zacharia 4:6). God respecteert de mens wel! Eén van de kenmerken van die Toronto verschijnselen is ook dat de mensen vaak niet eens weten wat er gebeurt en waarom iets gebeurt. Het is niet tot eer van God en ook niet tot eer van een mens als iemand ongecontroleerd ligt te schudden en te lachen.

Er zijn zelfs voorgangers die al schuddend, met veel moeite, een ander ook weer de handen op willen leggen. Soms worden er profetieën uitgesproken door een persoon die constant in zijn woorden blijft steken omdat hij steeds moet lachen. Dan gaat het toch meer op hysterie lijken als op een werking van de Geest. Als God wil dat een boodschap wordt doorgegeven kan het toch niet zo zijn, dat God wil dat het al lachend en schuddend gebeurt, want God is geen God van wanorde, maar van vrede… (1Korinthe 14:33). De vrucht van de Heilige Geest is zelfbeheersing en dat komt hij de ‘Toronto blessing’ niet voor. Ik wil verder niet uitsluiten, dat oprechte mensen van God iets kunnen ontvangen, ook via zo’n samenkomst. Het is alleen jammer dat het in een sfeer terechtkomt waar het eigenlijk niet thuishoort. Door het openstellen van de menselijke geest voor dergelijke ervaringen kan het gevaar dreigen, dat ook de duivel daar op in gaat spelen. God respecteert de wil van de mens. Vanuit het Bijbelse denken is het eigenlijk tegenstrijdig dat God een mens zou overweldigen door hem tegen zijn wil te laten vallen. Wat je bij deze verschijnselen ook tegenkomt, is het feit dat wanneer de Geest eenmalig eens een keer iemand laat lachen of schudden dit daarna tot een systeem wordt verheven. Wat men eenmaal beleefd of gezien heeft, wordt dan in serieproductie genomen. Zo zei iemand: Af en toe ga ik weer eens naar zo’n samenkomst want dan wil ik weer eens een keer plat. Dan krijg ik weer een kick. Een kenmerk van dat ‘Toronto gebeuren’ is ook dat het spectaculaire er zo vaak uitspringt. Het verborgene raakt dan wat op de achtergrond, maar het sensationele wordt dan aan gegrepen als een werking Gods en men probeert het dan ook weer te kopiëren. Zo was er weer eens een prediker, die bij een bediening de handen niet legde op het hoofd van de hulpzoekende, maar iets daarboven. Prompt nam men dat over en zei: Zo moet het, want zo komt er meer kracht. Je kreeg dus prompt samenkomsten waar bij men de handen niet oplegde, maar de handen er iets boven hield. Geen handoplegging, maar handopzweving. Toen men navraag deed bij deze evangelist om de reden te weten van dat zweven, zei hij: Ik had het warm, die vrouw had het warm en mijn handen waren bezweet. Uit praktische overwegingen leek het mij gewoon prettiger om het hoofd niet aan te raken. Een tekst die in dit verband veel wordt aangehaald is: Toen de priesters uit het heiligdom naar buiten traden, vulde een wolk het huis des Heren, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om de dienst te doen, want de heerlijkheid des Heren had het huis des Heren vervuld…(1Koningen 8:10 en 11). Deze tekst wordt heel vaak aangehaald om te zeggen: Die priesters vielen. Er staat echter niet dat ze vielen. Er staat niet dat ze voorover vielen en ook niet dat ze achterover vielen. Er staat alleen dat de wolk het huis vervult. Er wordt hier bedoeld: de priesters konden niet staan in het huis, omdat ze er niet eens inkwamen. Het huis was vol; de priesters stonden dus gewoon buiten. De priesters konden dus niet in het huis blijven staan omdat dat huis vol werd van de wolk. Ze moesten er dus uit. Die wolk was zo nadrukkelijk aanwezig, dat er verder door de priesters niets meer gedaan hoefde te worden, welk werk dan ook. De priesters waren op dat moment buiten functie. Hun werk was onmogelijk en was ook niet nodig. Gods aanwezigheid was zo sterk dat geen priester daar nog iets aan toe hoefde te voegen. Dat was pure genade. Anderzijds kun je zeggen: Als iemand echt nu eens in de tegenwoordigheid van de Heer wil komen, mag hij gerust gaan liggen. Je kunt liggen hij de Heer, je kunt staan bij de Heer, je kunt zitten bij de Heer. Van David staat op een gegeven ogenblik: Hij ging zitten voor het aangezicht des Heren. Als iemand dan in de tegenwoordigheid van de Heer gaat liggen, vraag ik me wel af, waarom kan hij dat zelf niet doen, waarom moet hij dan vallen. Mensen gaan ook wel bij een psychiater liggen om een sessie te krijgen. Zo mag je ook voor het aangezicht van de Heer gaan liggen en zeggen: Heer, doet U maar met mij wat U welgevallig is. Zo gaat ook iemand op een operatietafel liggen om zich over te geven aan de chirurg. Zo kun je dus ook voor de Heer gaan liggen en je overgeven aan zijn meesterhand, zodat Hij kan doen wat Hem behaagt. Nergens in de Bijbel, noch bij de bediening van Jezus of die van de apostelen, lees je dat er mensen moesten worden opgevangen. Er waren niet voortdurend helpers bij Paulus om mensen op te vangen. Wat dat betreft, moeten we ook bedenken dat God de mens respecteert. En in die respectvolle relatie past het niet dat de mens zomaar neervalt. Tranen zijn een uiting van het menszijn. Die tranen zijn niet zozeer een uiting van de Geest als meer dat je menszijn openkomt. Pater van Kilsdonk heeft eens gezegd: Tranen zijn een gave van God. Soms kan een mens niet meer huilen en dan is het een zegen van God als die tranen op een gegeven moment toch komen.

Het is dus wel een werk van de Geest dat die gevoelens eindelijk worden losgemaakt. Daardoor wordt je menszijn losgemaakt en daardoor ga je wellicht huilen. Je moet die twee dingen dus wel onderscheiden. Door de werking van Gods Geest in jouw menszijn komen daar als het ware bronnen open. Maar je kunt dus niet zeggen dat die tranen een uiting zijn van de Geest. Die tranen horen bij je menszijn. Je wordt dus weer meer méns. God heeft ook tranen en een mens kan soms iets ervaren van de tranen die God heeft. Een mens voelt dan iets mee van het verdriet van God. Als daar tranen van God zijn, dan weet je ook waarom. Je kunt bijvoorbeeld huilen om bepaalde mensen. Dat is dus toch iets wat je dan toch mist in wat tegenwoordig wordt gepresenteerd als uitingen van de Geest; de mensen weten niet waarom. In verband met dat ‘schudden’ wordt vaak de tekst aangehaald uit Habakuk 3:16: Toen ik het gerucht hoorde, beefde mijn binnenste; op het gerucht daarvan sidderden mijn lippen; bederf kwam in mijn gebeente en ik beefde op de plaats waar ik stond. Schudden is een uiting van de Geest, want Habakuk had het ook al. Dat klopt echter niet; er gaat iets aan vooraf. In de eerste plaats ziet Habakuk dat de Babyloniërs komen. Hij ziet dat die ballingschap naderbij komt en als gevolg daarvan is hij helemaal ontzet. Als iemand rampen of oorlogen aan ziet komen, dan raak je wel van je stuk. Habakuk ziet wat er gaat komen en als gevolg daarvan is hij tot in het diepste van zijn menszijn geschokt. Maar dat kun je niet een uiting van de Geest noemen. Mensen krijgen soms een shock bij een traumatische ervaring, dan kun je niet zeggen: dat is een uiting van de Geest. Nee, dat is een uiting van het menszijn. Je menszijn wordt ergens tot in zijn fundamenten geschokt. God laat Habakuk bepaalde dingen zien van wat er in de toekomst gaat gebeuren en zijn menszijn reageert daar dan op. Soms wordt er gezegd: je geest wordt geschokt of je ziel wordt geschokt. Er wordt ook gesproken van je hart dat geraakt wordt, Of: je beenderen sidderen. Al die zegswijzen moet je niet te veel opsplitsen. Het gaat allemaal om dezelfde zaak: je persoonlijkheid, je menszijn. Als er gesproken wordt van ‘je beenderen die sidderen’, betekent dat in de Bijbelse zegswijze: de diepste kern van je bestaan. Dat betekent dus niet dat al je botjes gaan rammelen. Bij ons heb je dan nog ook de uitdrukking in dit verband ‘het ging mij door merg en been’. Het raakt je zodanig dat het dwars door je heen gaat. Je gebeente is je persoonlijkheid, je identiteit. Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; (Hebreeën 4:12). Het woord van God kan dwars door een mens heen gaan. Je merg is ook de kern van je leven. De Here, uw God, is in uw midden, een held, die verlost. Hij zal Zich over u met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in zijn liefde; Hij zal over u juichen met gejubel… (Sefanja 3:17). Er staat dus: Hij zal Zich over u verblijden met vreugde. Dat werkwoord ‘verblijden’ (in het Hebreeuws ‘gil’), betekent eigenlijk ‘rondtollen’. Dus is dan de argumentatie: Godzelf doet het ook, rondtollen van vreugde. Dus mogen wij het ook. Men zegt dan: rondtollen van vreugde is dus een uiting van de Geest. De oorspronkelijke betekenis van dit werkwoord is: zich kringvormig bewegen. Het is wat vergezocht om daaruit af te leiden dat het ook betekent; rondtollen. Dan zit je ook nog met het punt: God is Geest. Hoe moet God dan rondtollen? Dat werkwoord kan dus ook betekenen: een rondedans maken. Dat werkwoord ‘gil’ komt onder andere voor in Psalm 13 vers 6: Ik echter vertrouw op uw goedertierenheid, over uw verlossing (letterlijk: in uw bevrijding) juicht mijn hart. Dat woord ‘juichen’ is ook dat werkwoord ´gil´. Het heeft weinig zin om hier te vertalen: in uw bevrijding tolt mijn hart rond. Bovendien, als je hart rondtolt, kun je nog gewoon op je stoel zitten.

De oudtestamenticus James Bar heeft gewaarschuwd voor ´root falacy’. Er zijn nogal wat exegeten en oudtestamentici die zich daaraan schuldig maken. Dat betekent dus dat je kijkt naar de oorspronkelijke betekenis van een woord, de wortel, de root, en dat je daar dan vérstrekkende consequenties uit trekt. Men heeft het dus in dit geval gedaan met het werkwoord ‘gil’. Dat woord zou dan oorspronkelijk betekenen ‘rondtollen’ en op grond daarvan gaat men dan allerlei conclusies trekken. Maar dan ga je de mist in. Door je te baseren op de wortelbetekenis van een woord kom je van daaruit tot niet steekhoudende conclusies. Want daar in Psalm 13 vers 6 betekent dat woord dus ‘in uw bevrijding jubelt mijn hart’. Zie ook Psalm 14 vers 7: dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. Hier kun je ook moeilijk vertalen ‘dan zal Jakob rondtollen Het zou dus een merkwaardige zaak worden om in al die teksten met het woord ‘gil´, ´juichen’ – en dat zijn er nog al wat – te gaan vertalen ‘rondtollen’. Op de duur wordt je daar toch wel duizelig van. En speciaal in Sefanja 3 waar het van Godzelf wordt gezegd, kun je toch moeilijk vasthouden dat God daar gaat rondtollen. In dit verband is het punt van het oncontroleerbare toch ook wel een bedenkelijk gegeven. Je krijgt in deze zaken ook de indruk dat de Geest zichzelf tegenwerkt. Zo kan het gebeuren dat iemand een boodschap brengt, maar de kans niet krijgt om die af te maken. Wil de Geest nu dat die boodschap gebracht wordt of zegt de Geest halverwege: nu, stop maar. Als God iemand een boodschap geeft, dan wil God ook dat die boodschap daar gebracht zal worden. Wat je tegenwoordig ook in sommige samenkomsten ziet, is dat iemand de kans niet krijgt om te beginnen. De zangdienst wordt dan zo gerekt, ook al in de hoop dat er iets gaat gebeuren, dat het woord niet tot zijn recht komt. Soms hoor je de geluiden van: we hebben nu lang genoeg naar het woord geluisterd, er moet nu maar eens wat gebeuren. Dan zou het lijken of er een tijdperk is van het woord en dat daarna een ander tijdperk zou komen. Je bespeurt in al deze gebeurtenissen ook een bepaalde mate van ongeduld, onvrede. Bepaalde gebeurtenissen worden geboren uit onvrede en ongeduld. Men tracht dan de zaak te forceren. 

Dan is er nog een merkwaardig punt. Dan wordt er gezegd: nu gaan we een samenkomst houden waarin we de Geest uitnodigen. Dan denk je: ja, maar die is toch altijd al uitgenodigd. Iemand schreef: in de wereld heb je op het ogenblik de houseparty’s en nu moet God toch ook eens een keer wat hebben. God moet toch ook eens een keer aan zijn trekken komen. Het wordt dan echter een soort modeverschijnsel met daarbij een vorm van concurrentie. God moet toch concurreren met de housemuziek. En dan krijg je uitdrukkingen als: we gaan uit ons dak voor Jezus, we worden helemaal ‘high’ voor de Heer. Moet je dan constant aanknopen bij het taalgebruik van een bepaalde modecultuur. Als de wereld iets doet, kan God daar toch niet bij achterblijven. En vervolgens zegt men dan: ja, maar we vinden het ergens anders ook, zoals hij Jomanda. Maar zegt men dan: de duivel is de aap van God. Dat is dus de omgekeerde weg. Daar zit dus iets tegenstrijdigs in; de duivel bootst het na. Maar wie had het nu het eerst. Bij dit alles zouden we willen opmerken: de Geest kan er best tegen als een mens kritisch is. En dan valt het op dat je in heel veel kringen geen kritische vragen mag stellen. Zodra mensen kritische vragen stellen, wordt de tekst aangehaald: Gij wederstaat altijd de Heilige Geest. Of er wordt gezegd: je bent blind, je bent ongeestelijk. Als je geestelijk was, zou je dit allang hebben geaccepteerd. Men heeft dan zogenaamd een geest van kritiek. Er wordt ook wel in deze kringen gezegd: je moet je verstand inleveren. Terwijl het grote gebod zegt: Gij zult de Here dienen met geheel uw verstand. En wordt volwassen in het verstand. Van de mensen in Berea wordt in Handelingen 17 gezegd dat zij dagelijks de Schriften nagingen om te kijken of deze dingen wel zo waren. Die zeiden niet: Paulus zegt het, dus het zal wel zo wezen. God kan wel hebben dat de mensen vragen stellen en als deze dingen werkingen van de Geest zijn, kan de Geest dat ook wel hebben. Dan kan de Geest die vragen ook wel doorstaan. Tijdens een zeer ernstige preek over ‘het bloed van Abel’ en in het verlengde daarvan ‘het bloed van Jezus’ gingen mensen plotseling schateren en andere geluiden produceren. Als dat lachen nu van de Geest is, dan zou de Geest zichzelf tegenwerken. De Geest gaat niet een serieuze preek houden en aan de andere kant mensen inspireren om er doorheen te bulderen. Dit kan onmogelijk door elkaar heen gebeuren door dezelfde Geest. Er is een tijd om te lachen en er is een tijd om te wenen. Dat doe je ook niet tegelijkertijd. De Geest zal zijn eigen werk niet afbreken. Wat in al deze gebeurtenissen ontbreekt, is een bepaalde manier van ingrijpen. De leiders zeggen ook heel bewust: wij grijpen niet in. Die accepteren alles. Maar dan krijg je wel weer een stuk problematiek op dit gebied. Het argument is dan: we houden een samenkomst en wat er dan ook gebeurt, we laten het aan Godzelf over. En als er gekke dingen gebeuren, dan zal God dat zelf wel opvangen. Maar God stelt ook mensen aan om op een gegeven moment gezag uit te oefenen. Als er dan demonische verschijnselen plaatsvinden, moet je ook als leidende broeders ingrijpen. Je kunt dan niet zeggen: God is aan het werk en Hij zal zijn eigen werk wel beschermen. God stelt mensen aan om leiding te geven en die kunnen niet zeggen: nu, daar zorgt de Geest wel voor. In dit verband wordt de tekst verkeerd uitgelegd: Waar de Geest is, is vrijheid. Maar dat betekent niet dat alles maar kan. Vanuit de kerk waar je niets mocht zeggen, kwam je in de vrije groepen, in Pinksteren, en dan mocht je ineens je mond opendoen. Dat kan heel waardevol zijn, maar dat kan ook doorslaan. We denken in dit verband ook aan de negerslaven in Amerika. Maatschappelijk waren ze niemand. Dan komen ze in die samen komsten en zingen negrospirituals en dan ontdekken ze voor het eerst van hun leven: ik bén iemand. Het Evangelie gaf hen identiteit. De andere kant van de medaille is dat mensen in vrije groepen, die maatschappelijk nergens aan de bak konden komen, nu opeens het hoogste woord gaan voeren. Sommige mensen gaan dan al hun verborgen frustraties uitleven in het Evangelie. Er zijn mensen die in de maatschappij nooit de kans hebben gehad om de lakens uit te gaan delen en die komen dan in één of andere samenkomst en krijgen de kans van hun leven. Je krijgt dan ook het verschijnsel dat in het land van de blinden éénoog koning is. Zo krijg je een heleboel kleine koninkjes en die gemeenten gaan dan vaak weer splitsen, dus dan komen er nog meer koninkjes bij.

Je hebt natuurlijk de worsteling tussen een structuur en de vrijheid van de Geest. Gemeenten die een aantal jaren bestaan gaan vaak die structuren vastleggen. In een kleine gemeente kan iedereen meestal wel wat zeggen. En het wordt een gemeente van 300 man en alles wordt keurig gekanaliseerd. Je hebt gemeenten waar je je eerst moet melden bij de voorganger als je een profetie wilt uitspreken. Dan wordt er dus eerst gescreend. In grote gemeenten is dat wel enigszins te begrijpen. Je moet niet bang zijn om fouten te maken, maar je moet ook niet bang zijn om in te grijpen. Een gebruikelijke methode is, als iemand te lang bidt of verkeerd profeteert, om een koortje in te zetten. Dan wordt een lied gebruikt om iemand het zwijgen op te leggen. Door een bepaald verwachtingspatroon beginnen sommige verschijnselen zich al te manifesteren als de samenkomst nog niet begonnen is. Voordat het eerste lied wordt gezongen ligt de gemeente al in een lachstuip. Toen werd onze mond vervult met lachen…(Psalm 126:2). Deze tekst wordt vaak aangehaald om dat verschijnsel van dat lachen Bijbels te funderen. In deze Psalm doet God de gevangenen wederkeren. Dat zal een droom zijn. Daar is het héle menszijn bij betrokken. Die terugkeer uit de ballingschap grijpt zo diep dat het hele bestaan van de mens daardoor geraakt wordt. Er wordt wel gezegd: we hebben nu wel lang genoeg preken gehoord, we moeten nu eens iets gaan beléven. Maar de tijd van het Woord is niet voorbij. Zonder het Woord heb je ook geen maatstaf. Dan heb je ook geen criterium meer waaraan je verschijnselen en manifestaties kunt toetsen. Dan ga je ook weggooien wat je in de loop van de tijd allemaal hebt geleerd. Dan wordt je in feite juist weer onmondig gemaakt. Als je vroeger op dansles wilde, zei je: David danste toch ook. Nee, was dan het antwoord, hij huppelde slechts. Heel veel wat dansen wordt genoemd, is alleen maar een beetje springen. In de Joodse traditie heb je ook dat met Simchat Tora gedanst wordt met de Tora-rollen. In de chassidische overlevering wordt gezegd: je moet een verhaal zo vertellen dat je het ziet gebeuren. Dan wordt er verteld van een rebbe die verlamd was en die vertelde van een man die zo blij was dat hij danste van blijdschap. En tot ieders stomme verbazing begon de verteller te dansen. Dansen heeft met expressie te maken. Je kunt ook niet spreken van ‘dansen in de G(g)eest’. Dansen doe je niet ‘in de geest’ want dan zou je het niet kunnen zien. Dansen van vreugde is gewoon een uiting van het menszijn. Hierbij moet je in aanmerking nemen dat er een groot verschil kan bestaan tussen de culturen. Als negers negrospirituals zingen of de mensen in Afrika beginnen te dansen en te zingen, gaat het heel anders als dat door Hollanders wordt gedaan. Wij, als stijve Hollanders, moeten dat ook doen, zegt men dan. Maar zoiets moet je niet proberen na te apen. Toen de blanken in Amerika de negrospirituals na gingen doen, want die liedjes klonken zo leuk, kwam daar niets van terecht. Zij kwamen niet uit de diepten van ellenden van die negerslaven. Van daaruit waren die negrospirituals geboren. En als die blanken met hun vette bankrekening zongen: ‘Nobody knows the trouble I have seen’ sloeg dat als een tang op een varken. God heeft vers culturen geschapen, althans laten ontstaan. Toen er een doorbraak kwam in het leven van een predikant van de Christelijk Gereformeerde Gemeente liet hij zich dopen en zijn vrouw ook. Hij zei later: we stonden te dansen daar in dat zwembad. Soms kan het zijn dat bepaalde manifestaties alle culturen overstijgen. Je kunt dus al die manifestaties ook niet voorschrijven. We mogen ruimte geven aan het beleven van onze emoties. Naar die manier van beleven wordt dan vaak ook weer een golfbeweging, een modeverschijnsel, een stereotiep. Zo bijvoorbeeld het opheffen van de handen. Men deed dat in eerste instantie uit enthousiasme, evenals het van blijdschap in je handen klappen bij het zingen van een lied. Die twee gebaren zijn in de meeste gemeenten tot een vast onderdeel geworden van de eredienst. Het klappen en het opheffen van de handen is dan vaak niet meer primair een uiting van blijdschap, maar meer een begeleidend verschijnsel. Je krijgt dan ook het verschijnsel dat er op die gebaren gelet wordt. Als iemand dan zijn handen niet opsteekt, is hij zeker niet blij. Het klappen wordt dan een soort meetlat van de mate van jouw blijdschap. Je kreeg dan zelfs dat men beoordeeld werd of je één of twee handen omhoog stak. Het handopsteken van de zangleidster lijkt soms meer op het stopteken van een verkeersagent. Toen aan een broeder werd gevraagd waarom hij niet meedanste, was het antwoord: Mijn ene been heeft reumatiek en het andere been is nog steeds calvinistisch. In de tien woorden staat: Gij zult U geen gesneden beeld maken. Het woord dat hier gebruikt wordt voor beeld ‘pesel’ betekent beeldhouwwerk. Het woord dat daarvan afgeleid is ´pisul´, betekent ook beeldhouwwerk, maar het betekent tevens ondeugd. En het betekent ook onmacht. Ze mochten geen beelden maken, want daar zat ook een stuk onmacht en een stuk ondeugd in. In dit verband heb je ook het werkwoord ‘pasal’ wat steenhakken betekent en ook annuleren of vernietigen. Dus als je een beeld gaat maken, zit daar altijd dat risico in. Aan de ene kant ga je iets vorm geven, maar aan de andere kant zit er het gevaar in dat je iets gaat vernietigen.

En dan zegt de Joodse wijsheid: het beeld pleegt verraad en het pint vast, het legt vast. Daarom heeft Israël ook altijd de opdracht gehad om geen beelden te maken. Je gaat dan dingen vastleggen en de ruimte, de openheid, verdwijnt. Een kenmerk van echte kunst, vergelijk bijvoorbeeld abstracte kunst, is dat de dingen juist niet worden vastgelegd. Er blijft altijd iets open voor interpretatie. Het boeiende van de Bijbel is dat het geen dogmatiek is, want dan zou alles ook weer vastgelegd zijn. De Bijbel is altijd weer een verhaal en met een verhaal laat je de dingen ook open. Daarom zijn er ook zoveel uitleggingen van de Bijbel. Juist in allerlei dogmatieken wordt alles wel vastgelegd. Die uitwerking van de dogmatiek zie je vooral in het protestantisme. Gereformeerd en nog Gereformeerder, Vrijgemaakt en nog meer Vrijgemaakt.Je krijgt dan eigenlijk dat ze een beeld gaan maken, in feite is dat dus ook weer een stuk onmacht, een ´pisul´. Het is de onmacht om ruimte te maken en ruimte te geven. Ruimte aan de ander; dan is er ook geen ruimte meer voor God en ook geen ruimte meer voor jezelf. En als jij een millimeter naast het dogmatische pad loopt, ben je een ketter. Het Joodse denken zegt: het gaat er niet om zozeer dat je orthodox bent, maar dat je orthoprax bent. Niet recht in de leer, maar recht in de daad. De rabbijnen zeggen: meningsverschillen kunnen juist heel veel waarde hebben. Daardoor wordt je denken geoefend. En dan is er een beroemde Joodse uitspraak die zegt: de woorden van Hillel en de woorden van Sjamai zijn beide woorden van de levende God. Er is een beroemd Joods verhaal waarin rabbijnen aan het discussiëren zijn en op een gegeven ogenblik komt er dan een stem uit de hemel die zegt: rabbi zo en zo heeft gelijk. Maar dan zegt één van de andere rabbijnen er meteen overheen: maar de Tora komt niet uit de hemel. Dat klinkt erg cru. Hij haalt een citaat aan uit Deuteronomium 30 waar staat: Je hoeft niet naar de hemel op te klimmen om het daar te halen. De Tora is ook niet ergens in de diepte dat je zou moeten afdalen, maar dit woord is in uw mond en in uw hart. Dus al zou er een stem uit de hemel komen om te zeggen ‘jij hebt gelijk’ dan moet je daar niet op in gaan. Zo werkt dat niet. Zo werkt het in de gemeente ook niet. Daar komt ook geen stem uit de hemel die zegt ‘broeder die en die heeft gelijk, luister allemaal naar die broeder’. Nu, dan wordt het tijd om je af te vragen waar die stem eigenlijk vandaan komt. Zo’n zogenaamde stem uit de hemel zou ook het einde betekenen van alle nadenken. De mens zou dan ook weer onmondig worden. Dan is er nog een woord dat in dit verband daar van afgeleid is, het woord ‘pislut’. Dat woord betekent nutteloosheid of manco. Vanouds wordt er ook gezegd: je mag geen beeld maken omdat de mens beeld van God is. Dus zodra je een beeld gaat maken, schuif je de mens opzij. Dus als je een beeld maakt, pleeg je in wezen verraad aan datgene wat God in jou gelegd heeft. Een Frans—Joodse geleerde Jean Kinnewitz hield een lezing op een Joods congres. Die lezing werd nogal als schokkend ervaren. Hij zegt: er zijn eindtijdvisies waarin gesteld wordt dat het tijdstip van het einde vastligt. Op een gegeven ogenblik zegt God: En nu is het tijd. Dat is een vastgestelde tijd. Maar, zegt hij, dat is eigenlijk een heel gevaarlijk standpunt. Want dat is de doodsteek voor de hoop. Hoe vaak hebben mensen niet geprobeerd het te berekenen. Maar dan zegt Jezus in Lukas 17 vers 20: …. Je kunt het Koninkrijk niet berekenen …. Waarom kun je dat niet uitrekenen? Is het omdat je de goede formule niet kunt hanteren? Of gaat dat dieper. In allerlei groeperingen heeft men getracht het te berekenen en moest men later de berekeningen weer bijstellen. Brennam had een heel leuke uitleg. Hij zegt: er staat ‘Niemand weet de dag of het uur´. Maar, zegt hij, je kunt dus wel het jaar uitrekenen. En Brennam kwam toen terecht op het jaar 1977. Brennam had een hele theorie over zeven tijdperken, die hij gebaseerd had op die zeven brieven uit Openbaring. Elk tijdperk had dan zijn apostel en Brennam was de apostel van het laatste tijd perk.

Aan de hand van Daniël is er ook heel wat berekend en gerekend. Daar is dan sprake van die 69 jaarweken waar men van alles aan vastknoopt. Na de 69e jaarweek zou er dan een heel gat komen en dan komt de 70e jaarweek. Op het moment dat je dit gaat berekenen of tracht te berekenen, wordt je toeschouwer. Want berekenen is uitwendig. Berekenen kun je alleen als je afstand neemt. Rekenen kun je gewoon leren; je hoeft geen hart te hebben om goed te kunnen rekenen. Maar wat heb je dan als je alles goed zou hebben uitgerekend? Niets! Door te rekenen en te berekenen wordt de mens dus passief. Je doet dan niets meer, je gaat alleen maar zitten wachten op het einde. Zo zijn er al heel wat groepen geweest die op het einde hebben zitten wachten. Dat is dus allemaal het omgekeerde van echte profetie. Die Bijbelse profeten hebben altijd getracht de mens juist actief te maken, in te schakelen. Vandaar ook dat je in het Joodse denken zelfs de gedachte tegenkomt: de Messias, dat ben jij. Dat klinkt op het eerste gehoor toch wel erg extreem. Maar daar zit natuurlijk een bedoeling achter. Met deze uitspraak wil gezegd worden: je kunt het niet afschuiven. Je kunt dat niet van jezelf afschuiven en zeggen: nu, dat komt allemaal wel een keer. Je kunt ook niet zeggen: als nu eerst de gemeente maar eens op zijn plaats is. Nee, de gemeente, dat ben jij. De gemeente, dat ben ik. Als je zegt: de gemeente deugt niet en daarom gebeurt er zo weinig, ben je ook weer een toeschouwer geworden. Een voorganger zei eens: als je de volmaakte gemeente vindt, moet je je er niet bij aan sluiten, want dan is die niet volmaakt meer. Juist dat principe van het vastgestelde tijdstip kan een enorm gevaar betekenen. Je gaat dan allemaal op een jaartal zitten wachten. Rabbi Nachman haalt in dit verband een heel interessante tekst aan: Jeremia 30 vers 21. Hoofdstuk 30 gaat helemaal over die periode van herstel en wederoprichting. En dan staat daar in vers 21: Zijn vorst zal uit hem voortkomen, zijn heerser uit zijn midden opstaan, en hem zal Ik doen naderen, dat hij tot Mij genake… Dan kun je het nog wat nauwkeuriger aldus vertalen: Zijn vorst zal uit zijn eigen midden voortkomen en zijn heerser zal uit zijn eigen gelederen afkomstig zijn. Daar wordt dus gezegd: de Messias komt niet van buitenaf, maar die komt uit het eigen midden. Wat dat betreft is het toch wel merkwaardig dat er in de eerste Johannesbrief wordt gezegd: de antichrist komt ook uit jullie eigen midden. Die komt ook niet ergens van buitenaf. En als je denkt aan de discipelkring rondom Jezus, zie je dat Judas ook uit hun midden kwam. Hij kwam ook niet ergens van buitenaf. Rabbi Nachman zegt dan: als hij dus uit zijn eigen midden komt, dan ben ik het. En de Messias is dan de mens die lijdt, de mens die het lijden draagt. Dat vastgestelde tijdstip maakt mensen dus passief. Dan ga je zitten wachten op een bepaalde datum. In 2Koningen 2 wordt het verhaal verteld van Elia en Elisa. Dat is in dit verband een zeer aansprekend verhaal. Elia zal dan ten hemel worden opgenomen. Elia en Elisa gaan dan samen uit Gilgal. En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier want de Here heeft mij naar Betel gezonden… (2Koningen 2:2). En dan zie je in dit verhaal zo mooi de vasthoudendheid van Elisa. Maar Elisa zeide: Zo waar de Here leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten… (2Koningen 2:2)

Zo gaan zij samen op weg naar de toekomst. Tegelijk zie je daar ook: de toekomst is een weg. Dat is de weg die zij samen bewandelen. De toekomst is geen verre horizon waar je naar zit te turen, anders word je weer toeschouwer. Er is dus een groot verschil tussen kijkers en zieners. Toen kwamen de profeten van Betel naar Elisa en vroegen hem: Weet gij dat de Here heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? (2Koningen 2:3). En op elke plaats waar Elia en Elisa dan komen, zie je dat daar dan ook een groep profeten is. Al die profeten zeggen in Betel en in Jericho: Wij weten wat er gaat gebeuren. Het merkwaardige van deze profeten is, dat ze wel kennis hebben van de toekomstige gebeurtenissen, maar niet in beweging komen. Vijftig man van de profeten waren ook gegaan, maar bleven op verre afstand staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden… (2Koningen 2:7). De enige die echt meegaat, is Elisa. Al die andere profeten weten precies wat er komt. Ze hebben alle feiten op een rijtje, maar ze blijven toch ergens op een afstand. Je ziet dat tegenwoordig ook met allerlei boeken over de eindtijd. Men weet precies wat er allemaal gaat gebeuren, maar toch is daar die afstand. Elisa gaat helemaal mee tot over de Jordaan. Je zou kunnen zeggen: Hij gaat terug naar het begin. Betel, Jericho, dan de Jordaan over. En zo kom je in het gebied waar alles begonnen is bij de intocht van het volk in Kanaän. En Elisa zegt dan in 2Koningen 2 vers 6: Zo waar de Here leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet ver laten. Zo gingen zij beiden verder. Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen (letterlijk: rolde hem op) en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken… (2Koningen 2:8). Er staat daar een woord voor dat ‘oprollen’ wat verwant is met Gilgal. Je zou kunnen zeggen: Hij gilgalt zijn mantel tot een rol. Je ziet uit dit gedeelte dat de profetenmantel symbool is van de kracht van het profetische woord. En zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weg genomen? En Elisa zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn… (2Koningen 2:9)

Dat is dus het eerstgeboorterecht. De eerstgeboren zoon kreeg altijd een dubbel deel van de erfenis. Elisa wil die eerstgeboren zoon worden. ´Geef mij een dubbel deel van uw geest’. Die geest moet verder, de fakkel moet worden doorgegeven. Het herstelwerk moet doorgang vinden. En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst… (2Koningen 2:10). Letterlijk: je hebt een harde zaak gewenst, je hebt het hard gemaakt in het wensen. Dat betekent: Je hebt iets moeilijks gevraagd. Maar het betekent ook: Daarmee maak je het jezelf ook moeilijk. Als je vraagt om het eerstgeboorterecht, vraag je niet om een gemakkelijk leven. En dan zegt Jean-Jean Kirewitz: Het leven en de geschiedenis is voortdurend onderweg, zonder voleinding. De voleinding van de morele orde is immoreel. Dat is wel een doordenkertje. Als de wereld eenmaal volmaakt is, dan krijg je bewust of onbewust het idee dat dit in heel veel eindtijdvisies een soort luilekkerland wordt. Iedereen heeft het goed en iedereen heeft het naar zijn zin. Maar dan krijg je een wereld met allemaal egoïsten. Niemand heeft elkaar meer nodig. Je hoeft maar op een knopje te drukken en je hebt alles wat je hartje begeert. Dat lijkt een ideale toestand maar het is een ramp. De profeten schetsen dan het beeld: Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, zonder dat iemand hen opschrikt; want de mond van de Here der heerscharen heeft het gesproken… (Micha 4:4). Dat komt ook weer terug in Zacharja 3 vers 10: Te dien dage, luidt het woord van de Here der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboom… Die Zacharja—tekst is van latere datum dan die van Micha. En in Zacharja gaat het niet alleen dat je daar heerlijk zit te zitten, maar je nodigt ook daar elkaar. Dat is dus weer een doorbreking van het individualisme. ‘De voleinding van de morele orde is immoreel’. Zo zegt Vladimir Jean Kirewitz. Hij zegt ook: Op die manier komt er ook geen voleinding. Hij zegt: De voleinding is de stolling van de tijd. En als de tijd gestold is, is dat een ramp. In het christelijk denken over de wederkomst en de eindtijd speelt het gegeven van een soort luilekkerland een grote rol. Men denkt dan bewust of onbewust: Wij maken er met allen een puinhoop van, dan komt Jezus en Hij maakt alles weer goed. Als de wereld dan één grote bende is, zeggen we: Heer, kom nu maar gauw! En dan mag de Heer alle rommel opruimen. Daar zit toch ook wel wat griezeligs in. En deze gedachte kom je ook tegen in bepaalde zogenaamde opnametheorieën. ´Heer, kom ons alstublieft halen uit deze verschrikkelijke bende’. En soms wordt dan ook gezegd: Dan krijgen de Joden zeven jaar om de rommel op te ruimen. Wij zitten in de hemel te kijken hoe ze dat doen. De gemeente zit dan aan het bruiloftsmaal en viert feest. Je hoort dat geluid dus nog al eens. Het gaat allemaal erg achteruit op aarde, maar gelukkig, de Heer komt ons halen en dan zijn wij weg. Wij varen af voordat het al te zwaar en al te moeilijk wordt. En dan zegt Jean Kirewitz dus: Dat is immoreel. Geen hoop meer voor de aarde, je laat de schepping los en jij krijgt het goed. De voleinding, de sunteleia, is dus een afronding van een bepaalde periode. Als een bepaalde periode tot een afronding wordt gebracht, is dat niet het einde van de wereld. Het is wel de voleinding van de wereld. Jezus zegt ook: Ik ben met u tot aan de voleinding van de wereld. Of beter: van de eeuw. Maar dan komt er weer een volgende periode. Dit is niet zozeer een bedelingenleer. Daar moet ik ook niet zoveel van hebben. Van die bedelingen heb ik veel te veel narigheid gezien in de praktijk. Ik wil niet leven van de bedeling. Die bedelingenleer werkt soms ook enorm verlammend. Er wordt in die theorie ook gezegd: Elke bedeling eindigt met een mislukking. Je krijgt dan het gevoel dat heel het plan van God in allerlei mootjes wordt opgesplitst. Een voleinding van een periode is iets wat je in de geschiedenis verschillende keren tegenkomt. Zo wordt het koningschap van David afgerond, dan is iemands taak voleindigd. Een werkelijk einde zou de ethiek opheffen. Dan wordt opeens het menszijn niet meer belangrijk. Dat zou dan ook een soort ontkrachting zijn van heel de geschiedenis. Er zijn heel wat mensen die vooral na een moeilijk leven, zeggen: Het is genoeg geweest, het hoeft voor mij niet meer. Dat is een standpunt dat ik wel goed kan plaatsen. Dat is ook een heel natuurlijk verlangen. Ook de aartsvaders in de Bijbel waren van dagen verzadigd. Dan denken we ook aan die Naam van God ‘El Sjaddai’, wat volgens de rabbijnen ook kan betekenen: Het is genoeg.

André Neher heeft een boek geschreven over het echec van de Joodse traditie. Hoe verwerk je de dingen die mislukken. Hij zegt: Steeds geeft God een belofte. In het Frans: une promesse. Dat betekent letterlijk: iets wat vooruitgestuurd wordt. Een belofte wordt vooruitgestuurd, Dus daar ga je achteraan. Zo liep ook Israël in de woestijn achter die belofte aan. En dan zegt André Neher: Maar als nu die belofte vervuld wordt, wat dan? En dan zegt hij: De vervulling is de zelfmoord van de belofte. Je zou het kunnen vergelijken met een heel goed toneelstuk wat, als het dan afgelopen is, een soort anticlimax geeft. Dan moet je naar huis. Eigenlijk voel je je een beetje bekocht als het stuk dan afgelopen is en je moet de nuchtere werkelijkheid weer in. Als je het punt overdenkt van mensen die aan het eind van hun leven zeggen ‘het is genoeg’, dan moeten we toch denken aan Openbaring 14:13 waar staat: Ze zullen rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na… (Openbaring 14:13). De moeiten vallen weg, maar het werken gaat door. Zij gaan voort van kracht tot kracht… (Psalm 84:8). En dan vertaalt André Neher: Zij gaan voort van werk tot werk. Werken is iets wat eigenlijk bij een mens hoort. Slapen is het meest onnatuurlijke wat er is, althans in een bepaald opzicht. André Neher zegt dan: in de toekomende eeuw zul je niet meer slapen. Als je slapen wilt, moet je het nu doen. Daarmee wil hij zeggen dat de geschiedenis dan juist doorgaat, zonder oponthoud en stagnatie. Er blijft ook altijd weer iets te hopen. Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde… (1Korinthe 13:13). In Openbaring staat: De zee zal niet meer zijn. En dan zeggen sommige uitleggingen: Dan krijg je weer een héleboel ruimte om al die mensen een plekje te geven. Maar dan ga je beeld en werkelijkheid door elkaar mixen. Uit praktische overwegingen zou het dan zogezegd nuttig zijn dat de zee er niet meer is. Als de zee er niet meer is, volgens Openbaring, dan is dat die zee waar het beest uitkomt. Dat is die zee van die religieuze occulte wereld. De zee als het gebied dat altijd bedreigend was. De zee waar je doorheen moest. De zee is in de Bijbel altijd dat gebied waar je bedreigd wordt, waar je geen voet aan de grond hebt. Daarom wandelde Jezus ook op het water. Hij had de zee onder zijn voeten.

Een verhaal: Een jongen is met zijn hondje op het strand aan het spelen. Hij gooit een stok de zee in. Het hondje rent er achteraan en tot zijn stomme verbazing ziet hij dat het hondje over het water loopt. Hij kan zijn ogen niet geloven. Hij doet het nog eens en weer loopt het hondje over het water naar die stok. Hij denkt: Dat moet ik mijn vriendje vertellen. De volgende dag loopt hij met zijn vriendje en het hondje bij het strand en dan gooit hij die stok weer de zee in. Het hondje loopt weer over het water en brengt de stok terug, maar zijn kameraadje zegt niets. Hij denkt: Misschien heeft hij het niet gezien. Hij doet het dan nog een keer en weer zegt de jongen niets. Hij zegt: Is je niets opgevallen met m’n hondje? Hij zegt: Ja, het beest kan niet zwemmen. Zo zijn er altijd mensen die alleen het negatieve zien.

Als Jezus over het water loopt, is het water beeld van de dood en van de angst. Eigenlijk is dit een Paasverhaal. Over de doodswateren heen naar de overkant. Te dien dage, luidt het woord van de Here der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboom… (Zacharia 3:10). De vijgenboom is in het rabbijnse denken beeld geworden van Torastudie doen. Dat kan ook de achtergrond zijn van wat Jezus zegt tegen Natanaël. Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom… (Johannes 1:49). Het accent valt hier dus niet op de alwetendheid, op het overal kunnen zien van Jezus, maar op het weten dat Natanaël een ware zoon van Israël is. Hij bestudeert de Tora.

In die tekst van Zacharja 3 gaat het dus ook om de Tora die in jou is, die in jou leeft. Waarmee jij één bent geworden. Dan heb je ook iets om door te geven. De toekomst is een weg. Dat is een beeld dat je door heel de Bijbel heen tegenkomt. Dat zie je dan ook in dat gedeelte van 2Koningen 2. Daar staat dan over die profeten van Jericho:

De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: de geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor ter aarde… (2Koningen 2:15)

En dan komen ze met een voorstel: en zij zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet misschien de Geest des Heren hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet… (2Koningen 2:16). Die profeten hebben toch wel een vreemde visie op de Geest des Heren. Na de opname misschien een vallen, een dropping.

Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?… (2Koningen 2:17 en 18). Hier zie je de tegenstelling. Die vijftig zochten het lichaam. Misschien met als doel een eervolle begrafenis of zelfs een bedevaartsoord, maar Elisa zocht de Geest van Elia. Zoek je het monument, alleen maar de terugblik of zoek je de Geest. Door de tijden heen wordt er heel wat aandacht besteed aan grote mannen, mannen Gods. En als je niet oppast, krijg je dan al gauw weer een bepaalde persoonsverering. Het hangt dan af van één of andere grote leider. Daarom zegt Jean Kirewitz: Eigenlijk moet je ook niet denken vanuit een uitverkoren volk. Dan ga je het ook weer ergens inperken en statisch maken. Als je het vast gaat leggen op een specifiek volk of een specifieke persoon, wordt daarmee jouw roeping buitengesloten. Daarmee wordt ook de vrijheid van de mens ingeperkt. In het evangelische denken heeft dit denkbeeld soms toch wel wortel geschoten. Bepaalde grote leiders zijn dan het kanaal waardoor God spreekt. Of men ziet alle heil van Israël komen en dan staat de gemeente als een toeschouwer te kijken. Door deze manier van denken worden mensen in wezen weer onmondig gemaakt. Vandaar dat ook die lijn te vinden is die je ook meteen aan het begin van het boek Openbaring tegenkomt: De tijd is nabij. Bij Paulus was dat besef ook heel sterk. Hij zegt: Wij levenden die overblijven tot de komst des Heren. Vandaar dat sommige zienswijzen ervan uitgaan dat Paulus zich vergist heeft. Dat Paulus gedacht zou hebben: Ik maak de komst van Jezus nog wel mee. En het was dan toen een hele teleurstelling, want het gebeurde niet. Het gaat er hier niet om dat Paulus zich vergist heeft, maar als je werkelijk op weg bent naar die toekomst, dan leef je ook vanuit dat besef dat het dichtbij is. Dat ‘nabij’ kun je niet meten in jaartallen. Dan kun je niet zeggen: Ja, maar er zat nog op zijn minst tweeduizend jaar tussen. Nee, op het moment dat je op weg gaat, is het nabij. En op het moment dat je zegt: Hoe lang zal het nog duren, dan sta je erbuiten. Dan ben je weer aan het meten. Voor degene die op weg gaat, is de tijd nabij. Hetzelfde probleem speelt als je je afvraagt: Hoelang is Genesis 1 geleden. Die hele vraag klopt niet; dan ga je naar de ouderdom van de aarde kijken. Je gaat je dan bezig honden met allerlei fossielen. En dan ga je je afvragen: Is die aarde nu zesduizend jaar of al miljoenen jaren oud. Maar Genesis 1 gaat in wezen om iets heel anders. Op het moment dat jij Genesis 1 gaat lezen, wordt het jouw verhaal. Dan kom je Genesis 1 binnen, dan ben je er in. Dan zit jij in dat begin, dan wordt het jouw begin. Dat verhaal neemt jou mee. Je wordt gepakt door het verhaal. Op het moment dat jij dat verhaal binnenkomt, is er geen andere werkelijkheid meer als dat verhaal. Als jij in dat verhaal binnenstapt, ben je in dat begin. Dan wordt het het begin in ons midden. Dan ben je geen toeschouwer mee maar dan ben je deelnemer. Je wordt deelnemer van het verhaal, je wordt deel van het verhaal. Je leest jezelf in in het verhaal. Je wordt als het ware in de boekrol ingerold. Zo komt ook de eeuwigheid in de tijd. Iemand zei: Preken doe je in feite voor jezelf. Zo zijn er mensen die mogen dan meeluisteren. Het is fout als je voor een ander gaat preken. Dan plaats je jezelf erbuiten. Een preek gaat fout op het moment dat de prediker zegt: Ik moet die ander eens de waarheid zeggen. Op het moment dat ik die ander wil bekeren of de les wil lezen word ik een moralist. Je kunt ook zeggen: Dan word ik een propagandist. Er is een groot verschil tussen propaganda en verhalen. In het voormalige communistische Oost Duitsland verheerlijkten sommige dichters in hun gedichten de communistische heilstaat. Dat was propaganda en die dichters waren niet te vertrouwen. Gedichten in dienst van het marxisme. Je ziet ook wel eens van die enorme schilderijen met de grote leider heel blij in het midden en rondom hem tientallen heel blije mensen. En die blije mensen staan dan vol adoratie naar de grote leider te lachen. Dat is geen kunst, dat is propaganda. Als een preek propagandistisch wordt, wordt het een ramp. Ik weet het en jij moet het nog weten. Juist het verhaal maakt het anders dan wat de moralisten zeggen. De Bijbel moraliseert ook nooit. In de Bijbel staat nooit een verhaaltje met een moraaltje. Ander kom je weer in die achttiende-eeuwse sfeer van de brave Hendrik. God preekt niet, God vertelt verhalen. Als je aan het leren bent, zoals ik nu, dan is dat ook een manier van een verhaal vertellen. In zo’n verhaal geef je een bepaalde denkwijze aan. In zo´n verhaal wijs je natuurlijk verschillende wegen aan en van sommige wegen zeg je dan dat ze niet goed zijn. In elk verhaal zit toch ook wel een soort schiftingsproces. In een verhaal zit ook altijd een bepaalde kritiek. Door middel van je verhaal wil je ook wel aangeven: zo moet het wel of zo moet het niet. In die zin zit er ook altijd een soort oordeel in een verhaal. Als je dus zegt: Je moet oppassen met tijdstippen van de wederkomst vast te stellen, dan zit daar dus een stuk kritiek in en zeg je: Zo moet het dus niet. Bij een leerproces is het belangrijk dat mensen zelf komen tot vragen stellen. Socrates drong er hij zijn leerlingen ook op aan: Stel vragen. En ook in de Joodse rabbijnse traditie krijgt dit aspect sterk de nadruk. Er wordt gezegd: Vragen zijn belangrijker dan antwoorden. Het is juist ook de roeping van de gemeente om te leren weer vragen te stellen. Vragen zijn vaak doodgeslagen. Mensen vragen vaak niets meer. Als er geen vragen meer komen is het denken doodgeklapt. En als je antwoord gaat geven op een vraag tracht je in de eerste plaats die ander in zijn waarde te laten. Als je op een vraag pardoes je uitgesproken mening geeft, loop je natuurlijk het gevaar dat je het gesprek doodslaat. Je geeft de ander in zo’n geval dan het idee dat zijn mening niet deugt. Je moet de ander het ge voel geven dat hij waardevol is.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

384683 bezoekers sinds 07-06-2010