Kaïn en Abel

13-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

Als God ons iets wil leren, preekt Hij niet, maar vertelt ons een ver­haal. Je moet het verhaal ook hóren. Zo werd het oorspronkelijk ook bedoeld. Genesis betekent wording. Dat is eigenlijk het fundament van de Bij­bel. Ook nu leven we in een Genesis-tijd. God wil weer iets ver­wek­ken. Dit verhaal is niet om te laten zien hoe snel het bergafwaarts kan gaan. God heeft met elk verhaal een positieve bedoeling. Dit verhaal staat in de Torah, een stuk onderwijzing. De hoofdstukken Genesis 2-4 vormen een afgerond geheel, een drie­voudige verkon­di­ging. Die hoofdstukken laten Gods visie op de mens zien. God gaat die mens zetten in drie verbanden. Je bent nooit mens op jezelf. Menszijn betekent altijd: in relatie staan. Je bent mens in drie relaties. Drie grondprincipes voor communicatie.

1. Mens voor Gods aangezicht.  Gen.2

2. Mens als man en vrouw.  Gen.3

3. Mens als man en broeder.  Gen.4

Een broederverhaal

Gen.4 is dus een broederverhaal. Tot zeven keer toe horen we in dit ver­haal het woord broeder. Je bent altijd mens mèt je broeder. De kunst is, om dit bekende verhaal niet met een vooroordeel te lezen. K­aïn kan vaak al geen goed meer bij ons doen. Zodra je je broeder ver­oordeelt, kun je al niets meer voor hem doen. Dan kun je zelfs al niet meer voor hem bidden. Zodra ik me boven de ander verhef, kan er al niets meer geschieden vanuit God. Zodra ik me­zelf beter acht dan de ander, zit de zaak muurvast. Bij veroorde­ling wordt er een stuk afstand geschapen. Dit gebeurt ook vaak in de relatie ouders-kin­­­deren. God heeft een weg, de vijf boeken van Mozes spreken over de weg van God. En dat is altijd de weg van de ontferming. Ten diepste is God dienen, dat God jou mee kan nemen op zijn weg. In het bijbelse den­ken maken wij niet de weg, maar de weg maakt ons. Die weg neemt ons mee. God zegt: laat je meenemen op die weg. Die weg van God draagt jou, stuwt je voort, geeft vaart en inhoud aan je leven. Die weg neemt jou mee in het spoor van de ontferming. Jezus zegt: Ik ben de weg. En dat zei Jezus aan het eind van zijn bediening, toen Hij Zich helemaal had laten meenemen op die weg van de ontfer­ming. En toen was Hij totaal ontferming geworden. En toen kon Hij zeg­gen: laat je nu meenemen door Mij. Alleen vanuit de ont­ferming kun je dienen, kun je bidden. «De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw» Gen.4:1. Het is dus een verhaal over de mens. Letterlijk: «hij bekende Eva, zijn vrouw». Datzelfde kennen wordt ook gebruikt in de relatie God-mens. Dit woord kennen wordt ook alleen gebruikt binnen het huwelijk. Bij een gemeenschap buiten het huwelijk wordt gezegd: «Hij lag bij haar». Vanuit dat kènnen wordt iemand geboren. En dan zegt Eva letterlijk: «Ik heb met de Here samen een man voortgebracht» Gen. 4:1. Niet een zoon, maar een man. Die zoon komt aan het eind van Gene­sis. Het hele verhaal gaat over de man en zijn broeder. Dat is ook nu zo. De gemeente moet als moeder een man voortbrengen. Die man, die dan ook verantwoordelijk is voor zijn broeder. God wil ook ons in de­ze dagen daarbij inschakelen. «En zij ging voort met baren» Gen.4:2 (letterlijk). Daaruit zou je kunnen concluderen, dat het om een tweeling ging. La­ter krijgen we weer een tweeling: Jakob en Esau. En de verhalen van ‘Kaïn en Abel’ en ‘Jakob en Esau’ vormen in diepste wezen elkaars spie­gelbeeld. De grondmotieven in Gen.4 zie je weer terug in Gen.32. Het gaat hier in Gen.4 over het zien van het aangezicht van God en het aangezicht van je broeder. En dat is ook zo in Genesis 32. Abels naam betekent: ijdelheid, damp. We zien in Genesis steeds twee figuren. De één is beeld van het uit­ver­koren volk en de ander is beeld van de heidenen: Abraham en Lot; Isa­äk en Ismaël; Jakob en Esau. Juist Kaïn is hier beeld van het uitverkoren volk. Abel is beeld van de heidenwereld, want die zijn inderdaad ijdelheid. Waar de hei­de­nen achteraan lopen, wordt ook inderdaad aangeduid met het woord damp. «Zijn broeder Abel» Gen.4:2. Dat is geen overbodige aanduiding. Het is een broedergeschiedenis. Abel wordt schaapherder, beeld van het buitenleven, van het noma­den­dom; de rand van de beschaving, het zwerven. Kaïn werd land­bou­wer, dat is positief. Letterlijk: «Abel werd schaapherder, Kaïn landbouwer» v.2. «Abel werd schaapherder, Kaïn een dienaar van de akker». Hij werd dienaar van de akker, of: de aardbodem. Van meet af aan ho­ren mens en aardbodem bij elkaar. Die woorden schelen in het He­breeuws ook maar één letter: Adam en Adama. De aardbodem wacht op de mens, wat die ermee gaat doen. Als de mens fout gaat, lijdt de aardbodem daaronder. Daarom zijn we ook be­­stemd om uiteindelijk weer op die aardbodem terecht te komen. Niet om naar de hemel te gaan en daar dan te blijven. De mens zon­der aardbodem is als een huwelijk, dat verbroken is. God zal dan ook nooit toelaten, dat het huwelijk tussen mens en aardbodem blij­vend doorgekapt blijft. Daarom wacht die aardbodem totdat de mens weer hersteld is. «Na verloop van tijd nu bracht Kaïn» Gen.4:3. Letterlijk: «Aan het einde van dagen» En dat is een geladen uitdrukking in de Schrift. Het is de tijd, die God de mens geeft om op aarde mens te worden. In de Schrift wordt altijd gedacht in dagen, niet in jaren. Leer ons onze dagen tellen…… «Bracht Kaïn van de vruchten der aarde de Here een offer» v.3. Letterlijk: «een gave»  (geschenk). Abel volgt in de voetsporen van Kaïn. «Van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet» v.4. Dat zijn echt bijbelse gaven. «En de Here sloeg acht op Abel en zijn offer, maar op Kaïn en zijn of­fer sloeg Hij geen acht» v.4,5. 

God kijkt altijd naar de kleinste

In dit vers is vaak teveel gelegd. Letterlijk: «God keek naar de gave van Abel». God kijkt altijd naar de kleinste. In kinderbijbels zie je dan soms een plaatje, waarbij de rook van Abels offer omhoog gaat en de rook van Kaïns offer omlaag. Maar nu komt het probleem: Kaïn kan dit niet hebben. Het zou juist een vreugde voor Kaïn moeten zijn. Dat zou juist het doel van Kaïn moeten zijn: zijn jongere broer opheffen. Je ziet helemaal de spie­gel in de gelijkenis van de verloren zoon. De oudste kon er ook niet te­gen, dat zijn vader de jongste zomaar accepteerde, terwijl hij­zelf het gevoel had, nooit de aandacht te krijgen. «Toen werd Kaïn zeer toornig en zijn gelaat betrok» v.5. Letterlijk: «zijn aangezicht viel». En als je aangezicht valt, kijk je niemand meer aan. Dat is een zeer es­sentiële zaak: de communicatie wordt verbroken. Als je God niet meer aankijkt, kijk je ook je broeder niet meer aan. Er zijn heel wat mensen zoals Kaïn. God zegt: «Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt» v.7. En dat mag je doen, als je goed handelt. En goed handelen is: het op­­ne­men voor je broeder. Dat is, wat het Evangelie doet in een men­sen­le­­ven, je aangezicht weer opheffen. Als je God recht kunt aankij­ken, kun je dat je broeder ook. «Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uit­gaat, doch over wie gij moet heer­sen» Gen.4:7.

Aan de deur van de zonde

‘Je moet over de zonde heersen’, dat is natuurlijk waar. Maar van­uit de grondtekst kan dat zo niet vertaald worden. Zonde is name­lijk vrou­welijk en hier wordt gesproken in een andere vorm. Zonde kan hier dus niet ‘die belager’ zijn. Er kan dus niet staan: zijn begeerte gaat naar u uit, als dat op ‘de zonde’ zou slaan. Eigen­lijk moet je ver­ta­len: «Als jij niet goed handelt, lig jij aan de deur van de zonde». En het woord liggen wordt gebruikt voor het legeren van de kudde. Dan ga jij dus als een schaap liggen aan de deur van de zonde. En dan hoeft er maar iéts te gebeuren, of die zonde grijpt jou en gaat je dus overweldigen. En dat is hier dan met name de zonde tegen je broe­der. Je moet dus niet bij de deur van de zonde gaan liggen.

Toewending en verantwoordelijk zijn

«Zijn begeerte gaat naar u uit». Dat zijn slaat hier niet op de zonde, maar op je broeder! Dat woord begeerte komt namelijk maar drie keer in heel de Bijbel voor. Het­zelf­­de woord staat ook in Gen.3:16. «Naar uw man zal uw begeerte uitgaan….en hij zal over u heersen» G­en.3:16. In H.3 gaat het over man en vrouw. En dat woord begeerte betekent eigenlijk: toewending. «De toewending van de vrouw zal zijn tot de man……….en hij zal over haar heer­sen» Heersen’, niet door tirannie, maar door een heilzaam bewind. Ten diepste is dat ‘heersen’: verantwoordelijk zijn voor…. «De toewending van de broeder (van Abel) is tot Kaïn» Gen.4:7. En Kaïn als oudere broeder zal over hem heersen. Dus de mens is ver­­antwoordelijk voor zijn vrouw en voor zijn broeder. «Maar Kaïn zeide tot zijn broeder Abel» Gen.4:8. En dan staat er in de grondtekst verder niets. Er wordt dus niet ge­zegd wat Kaïn verder zei. ‘Laten we naar het veld gaan’ staat er dus ook niet. Het veld is hier het terrein, waar je geen getuigen hebt. Kaïn staat op, niet zomaar tegen Abel, maar tegen zijn broeder. Dit is het ver­keer­de opstaan. Het ware opstaan in de Schrift is altijd juist ten be­hoeve van je broeder. Jezus stond op uit de dood ten behoeve van zijn broeders. Ik ben pas werkelijk opgestaan, als ik opsta ten be­hoe­ve van mijn broe­der. Je moet met je hart verstaan wat opstaan is. «En hij zeide: ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder» Gen.4:10. Letterlijk: «ik ken het niet». Ik heb hem nooit gekend. En dan zegt Kaïn letterlijk: «Ben ik de be­waar­der van mijn broeder» Daar staat hetzelfde woord als bij Adam, die de hof moest bewaren. Dat is in één zin de roeping van de mens: bewaarder van zijn broe­der. En dan wèèr je van hem alles wat hem zou kunnen aantasten. Je broeder bewaren is: alles in hem tot ontwikkeling laten komen.

Het bloed van uw broeder roept

«Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem» G­en.4:10. En dat is hier geen roepen om wraak, maar om hulp. Dat bloed dat schreeuwt om ontferming, om verzoening, om een broeder. Zo zijn er ook vandaag vele stemmen; stemmen van heel wat landen en volken, die bloeden uit vele wonden. Zo is er ook vandaag heel wat bloed, dat van de aardbodem roept. «En nu, vervloekt zijt gij, ver van de aardbodem, die zijn mond heeft open­­gesperd om het bloed van uw broe­der van uw hand te ontvan­gen» Gen.4:11. Hier wordt de aardbodem voorgesteld als met een mond. De aardbo­dem staat daar met open mond en wacht op wat de mens geeft, wat Kaïn had moeten geven. En hij had de mond van de aardbodem zaad moe­ten geven. Hij was immers een dienaar van de aardbodem! In plaats daarvan geeft hij bloed. Het diepste punt waar het om draait is, dat we zaad worden voor God. Zaad in de hand van God. In diepste wezen zaait God mensen. God vraagt: wil jij zaad worden in mijn hand. Dan zegt Kaïn: «Mijn misdaad is te groot om de straf te dragen» Gen.4:13. Letterlijk: «mijn misdaad is te groot om te dragen». Dus het woord straf staat er niet. Dat is een schuldbelijdenis. En dat klopt ook, want geen mens kan zijn schuld dragen. Kaïn bezwijkt onder wat hij heeft gedaan. En dan is het aangezicht van God er niet meer. Dat is voor Kaïn verbor­gen.

De plaats­ver­van­ger

«En Adam had weer gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon en gaf hem de naam Set, want (zeide zij) God heeft mij een ande­re zoon gegeven in plaats van Abel» Gen. 4:25. Het gaat hier om het beroemde Kaïnsteken. Letterlijk: «en zij riep zijn naam….Seth». En Seth betekent: plaats­ver­van­ger. «Want, zeide zij, God heeft mij een ander zaad gegeven». Zaad, dat gege­ven wordt, daar gaat het immers om. En God zaait men­sen. En als God een teken geeft, geeft God een mens. Het teken, dat God stelt aan Kaïn is: weer een broeder. Voor Kaïn was er maar één geneesmiddel: een andere broeder. Laat je door Seth bij de hand nemen. Dan gaat Seth jou thuisbrengen. Aanvaard die plaatsbekleder als jouw broeder. «En ook aan Set werd een zoon geboren, en hij noemde hem Enos» Gen.4:26. En Enos betekent: mens, mensje…. Mens, in alle zwakheid en beperkt­heid. «Toen begon men de naam des Heren aan te roepen» v.26. Seth en Enos begonnen de naam des Heren aan te roepen. Over wie? Over Kaïn! En over de stad van Kaïn. Gods naam uitroepen over de Ka­ïns en over hun nageslacht. Opdat de Kaïns thuis kunnen komen. Nu zijn de rollen omgedraaid, nu is Kaïn beeld geworden van de hei­denen. En Seth is het beeld geworden van het uitverkoren volk. God kon nog maar op één manier tot Kaïn spreken en dat was door hem een nieuwe broeder te geven. Want je kunt niet zonder je broe­der leven. Zo zien we in: «Greep Saul de slip van zijn mantel, doch deze scheurde af. Daarop zeide Samuël tot hem: De Here heeft heden het ko­ning­schap over Is­ra­el van u afge­scheurd en heeft het gegeven aan uw naaste, die beter is dan gij» 1 Sam.15:27,28. Dat was geen wraak van God. Als koning Saul voor God niet meer te bereiken is, krijgt hij een naaste, een broeder. Dat is het laat­ste woord van God tot koning Saul: je krijgt een naaste. En David heeft dat ‘naas­te zijn’ metterdaad in praktijk gebracht. Heerlijk om een naaste te hebben, die jouw vijanden verslaat. David is hier helemaal het type van Christus. En toen Jezus aan het kruis hing, toen bad Hij voor de moorde­naars, voor de Kaïns….«Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen». Toen heeft Jezus de naam des Heren uitgeroepen over de Kaïns. Zo werd Jezus de plaatsvervanger, de plaatsbekleder. Toen er geen broe­der­schap meer was, heeft God gezegd: mens, Ik zal je een broe­der gé­ven. Toen Stefanus werd gestenigd, heeft hij gebeden voor de Kaïns. Zo werd ook in Paulus een Kaïn thuisgebracht, want Stefanus had voor hem gebeden. Ook Paulus wist niet, wat hij deed. Als een mens zich afsluit en zijn aangezicht verbergt, heeft God éen weg: Ik geef je een broeder! Niemand kan thuiskomen zonder broeder. God roept ons als gemeente om een Seth te zijn, om plaatsbekleder te zijn. Mensen bij de hand nemen, opdat zij thuis zullen komen. Mensen, wier schuld te groot is om te dragen. Opdat zij zullen weten, dat ze een Vader hebben, die op hen wacht.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

390908 bezoekers sinds 07-06-2010