Judas

16-07-2010 door Dr. K.D. Goverts

Beeldvorming rondom Judas. Wat was nu in dit alles de rol van Judas? Nu zijn er juist rondom Judas een heel aantal vooroordelen. En daar­­door zitten wij met een sterke beeldvorming. Kleijs Kroon, ooit be­gon­nen als predikant in het “Hersteld Verband”, onder andere in­ Andijk, la­ter predikant voor “Kerk en Israël” in Amsterdam, was­ vaak een heel ori­gineel man. Op een gegeven moment (in 1950) schrijft hij een boekje waarin hij zich oprecht kwaad maakt om­ de valse verontwaardiging over de persoon van Judas. Hij zegt:­ mensen zijn dan opeens zó veront­waardigd over wat Judas heeft­ ge­daan, maar dat is een vàlse veront­waardiging. En dan zeg­t hij: mijns inziens vind ik deze valse verontwaar­diging ook in de Mat­theüs – Passion. Want daar wordt Judas helemaal apart gezet en­ dat is wat vaak wordt gezegd: Judas is de grote boosdoe­ner, de ver­rader. En dan wor­den zwart en wit tegenover elkaar gezet: Ju­das­ tegenover Jezus. Een be­paalde beeldvorming, een christe­lij­ke woe­­deuitbarsting over de valse ver­rader en het moordzieke ge­broed.­ In de lijdenstijd komt dat weer heel sterk naar voren en op die­ manier wor­den mensen onnadenkend meegesleept tot een an­ti­semitisch woede­ge­roep. Want Judas heeft het gedaan en soms in het­ verlengde daarvan: de Jóden hebben het gedaan. Kleijs Kroon schrijft­ daarover onder de titel: “Verwerp de oudwijfse Fabelen”. Dat is 1 Timotheüs 4:7 in de SV. In het NBG is dat geworden: «Wees­ afkerig van onheilige oude-vrouwenpraat» Waar denk je aan bij het woord Judas? Hij is de taal ingegaan in een aantal typerende uitdrukkingen. Een judaskus is een zegswijze geworden voor een verraderlijke be­doe­­ling. Een rode baard werd in het verleden een judasbaard genoemd. Ju­dasgeld is verradersgeld, een judasloon. Een groet met bij­be­doe­lingen heet een judasgroet. Valse onverwachte kiespijn of jicht heet­ een judaskneep. Een valse lach heet een judaslach. Een ju­das­rol heeft de betekenis van de rol van een verrader. En als zo de beeldvorming zich als een deken over de verhalen gaat­ uitspreiden, wie kan dan nog horen wat er in het verhaal zelf wordt­ ge­zegd? Hoe wordt het in de vier Evangeliën verteld? Daar­om­ kan het goed zijn om die vooroordelen er eens af te halen en te pro­beren op­nieuw te lezen. Ook dat heeft te maken met het in beeld­ krij­gen van de messiaanse verwachtingen in die dagen en ook­ nú. Welke betekenis heeft Judas in de Evangeliën? En dan is het goed te­ beginnen met deze tekst: Twaalf discipelen – twaalf apostelen

«En Hij riep zijn twaalf DISCIPELEN tot Zich en gaf hun macht over on­reine geesten om die uit te drijven en alle ziekte en alle kwaal te ge­nezen» Matt.10:1. «En dit zijn de namen van de twaalf APOSTELEN:… en Judas Is­ka­ri­ot,­ die Hem ook verraden heeft» Matt.10:2. Hier worden de twaalf geroepen. Dit is een sleuteltekst. Eerst wor­den­ ze discipelen genoemd (vers 1) en vervolgens apos­te­len (vers 2). Het wa­ren dus gezondenen, gezanten.

Eén van de twaalven

Het eerste kernpunt in verband met het verhaal aangaande Ju­das is:­ Hij wordt consequent, op één uitzondering na, steeds aan­ge­duid­ als: Eén van de twaalven…. Dat geeft te denken. Er móesten er natuurlijk ook twaalf zijn, want­ twaalf is het getal van Israël. Zij vertegenwoordigen gans Is­ra­ël. Met andere woorden: als Judas een rol speelt, is hij meer dan­ zomaar een in­di­vidu. In de beeldvorming is Judas vaak veel te­ veel geïndi­vidua­li­seerd. En dan wordt het die éne mens, dat is­ dan de boosdoener, dus zo heb je weer een zondebok. Men heeft­ erop gewezen, dat één van de fun­damentele punten in­ de Bijbel is, dat we van dat zondebok-idee verlost moeten worden. Dat zondebok-idee vind­ je vaak in allerlei culturen terug: er moet er één zijn die ge­dood­verfd­ wordt als de zondebok. Die ene heeft het gedaan en daar kun je dan al­ je gram op kwijt. Dat afwentelen van ‘je gram’ of je schuld speelt altijd een rol bij het idee van de zondebok. En zo zijn er in de loop van de eeuwen altijd zondebokken ge­zocht.­ Zo waren bijvoorbeeld in de Middeleeuwen de Joden altijd de­ zondebok. Als er problemen waren met het drinkwater, werd er prompt­ gezegd: dat hebben de Joden gedaan, die hebben het wa­ter­ vergiftigd. Daar­om kwamen er ook pestepidemieën. De Joden wa­ren altijd de schuldigen, zo kon je tenminste iemand aan­­­wij­zen.­ Maar het unieke van de Bijbel is juist, dat de zonde­bok on­schul­dig wordt verklaard. Het slacht­offer is on­schuldig, kijk maar naar­ Abel, Abel is het slachtoffer, maar hij is on­schul­dig. Je kunt niet­ zeggen: o, die en die is het slachtoffer, dan zal hij wel wat ge­daan­ hebben. Dat is de populaire gedachte: altijd een slacht­offer zoe­ken en desnoods een slachtoffer màken. Want er moet toch ìe­mand­ het gedaan hebben! Zoals die onder­wijzer die in de klas vroeg:­ Jan­­tje, wie liet de muren van Jericho vallen? Waarop Jan­tje­ antwoordde: ik niet, meester. Jantje was zo ge­wend steeds de schuld­ te krijgen. Altijd een zondebok zoeken. En op den duur ga je leven met dat syn­­droom dat jij dat wel weer zult zijn. Judas is dus één van de twaalven. Zo wordt hij dus voortdurend weer genoemd, om aan te geven: hij staat­ niet los van het geheel. «En dit zijn de namen van de twaalf apostelen: vooreerst Simon, ge­naamd Pe­trus, en Andreas, zijn broeder; en Jakobus, de zoon van Ze­bedeüs, en Johannes, zijn broeder; Filippus en Bartolome­us; To­mas en Matteüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs en Ta­ddeüs; Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem ook ver­ra­den heeft» Matt.10:2-4. Het is opvallend, dat Petrus als eerste van de twaalf apostelen wordt­ ge­noemd. Vooreerst staat er ook nog bij. En als laatste wordt­ dan Judas genoemd. De hele lijst loopt van Petrus tot Judas.

Zeloten en tollenaars tezamen

Ook frappant is, dat daar ìn die discipelkring een tollenaar rond­loopt­ (ex-tollenaar), genoemd in Mattheüs 10:3: «Mattheüs, de tollenaar» Matt.10:3. Hij wordt dus ook uitdrukkelijk nog als zodanig genoemd. En aan de­ andere kant ook: «Simon de Zeloot» Matt.10:4. Tollenaars en Zeloten waren water en vuur. Als de Zeloten de kans kre­gen, waren ze er al­­tijd mee bezig om de Romeinen dwars­­ te zit­ten, dat waren dus vrijheidsstrijders. En de tollenaars werk­­ten juist met de Ro­mei­nen samen. Op zich is het al een wonder te noemen, dat je in één dis­ci­pel­kring­­ deze uitersten bij elkaar vindt. Je zou kunnen zeggen: Mat­the­üs de tollenaar was de NSB-er en Simon de Zeloot zat bij de on­dergrondse, de verzets­strijder, de man van de KP, de knok­ploeg.­ Ik geef het je te doen om daar een eenheid van te maken. Jezus durft het aan om ze uit te kiezen en ze in één kring te zet­ten.­ Je zou zeggen: dat is vrágen om conflicten. En die figuren met­ hun zo sterk verschil­lende achtergrond worden samen apos­­­te­­len van het messiaanse rijk. Zet ze maar bij elkaar. Dan denk je met­­een: óf de bom gaat barsten òf de vlam gaat branden. Hoe goed­ hoe lieflijk is dat zonen… tezamen wonen.

Juda – Judas

«Die Hem ook verraden heeft» Matt.10:4. En daar beginnen de problemen. Wat de naam Judas betreft, misschien moeten we die naam wat in­kor­ten. In het Grieks heet hij Judas, maar in het Hebreeuws heet­ hij ge­woon Juda. Die namen worden in de loop van de tijd ver­­griekst. En dan krij­gen ze vaak een s toegevoegd. Jochanan wordt­ bijvoorbeeld Johannes. Namen ondergaan ook vaak een slij­tageproces door de tijd en door de talen heen. Judas heette dus eigenlijk Juda (Jehudah). Eén van de twaalven heette Juda; toevallig? Wat is toevallig. En Ju­da is ook één van de twaalf stammen. Jezus kwam uit de stam­ van Juda. Je zou dus kunnen zeggen: deze ene discipel was dich­ter­bij­ dan de ande­ren wat afstamming betreft, hij kwam van de­zelfde stam­(boom). Juda, zo dichtbij. En dan denken we aan een tekst uit het Johannes-Evangelie, een tekst­ waar Johannes mee begint: En de zijnen hebben Hem niet aan­ge­no­men

«Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aan­ge­no­men»­ Joh.1:11. Deze tekst is tegelijk de toonzetting van dit Evangelie. Dit is een vers waar ik al jaren mee bezig ben; er zijn van die ver­zen­ waar je nooit van los komt. Deze tekst is voor mij diep ingrij­pend,­ een tekst om je hele leven verder over na te denken. De zijnen…. Wie zijn dat? De zijnen zijn wat het meest nabij is, het eigene, de­ge­nen die helemaal met Hem verbonden zijn, bij Hem horen. En als­ dat ver­staan mag worden in het kader van het hele Johannes- Evan­gelie, dan zijn dat de mensen van Juda. Althans, de mensen van­ Juda staan model voor de zijnen. En de zijnen moeten Hem niet,­ de binnenste cirkel moet Hem niet. Randfiguren praten we niet­ over, daar heeft God nooit zoveel problemen mee, Hij haalt ze van­ het uiterste der aarde. Maar de zijnen.., de vromen; hoe dich­­­ter bij het vuur hoe slechter ze zich warmen…. Dat spreek­woord­ moet veranderd worden: wie het dichtst bij het vuur zit, warmt­ zich het slechtst. Ze zijn zó dichtbij, en toch, misschien juist­ om­dat ze zo dichtbij zijn, zien ze zo weinig. Hoe meer dichtbij, hoe­ meer met blindheid geslagen. Je kunt ook vertalen: «De zijnen hebben Hem niet ontvangen» Ze hebben Hem niet ontvangen in hun huis. Ze deden de deur dicht;­ wij ontvangen niemand. Ze hebben Hem niet opgenomen in hun­ huizen.

Joden – Judeeërs

Het Johannes- Evangelie spreekt heel vaak van de Joden. Maar je­ kunt daar beter vertalen met: de Judeeërs. Want het gaat in het­ Jo­hannes-Evan­­gelie niet tegen de Joden, trouwens het gaat ook­ niet tegen de Ju­dee­ërs. Maar als er staat dat Jezus ge­sprek­ken­ heeft met de Joden, dan wordt daarmee niet het hele volk be­doeld,­ maar de Judeeërs, de mensen van Juda. Je moet dus lezen bij­voorbeeld: “De Judeeërs namen weer ste­nen op en de Judeeërs tra­den in discussie en tot de Judeeërs zei Hij…..” Het blijkt dat Jezus in Galilea veel meer gehoor vindt, in de rand­ge­bie­den: Galilea, dat de Torah niet kent en dat van toeten noch bla­zen weet, het weet het verschil niet tussen links en rechts; het bar­re noorden… Maar de Judeeërs weten het allemaal zo goed. Zij gaan­ Jezus wegen op de weegschaal van de orthodoxie en ze zeg­gen:­ te licht bevonden. En zo staat Juda(s) in de Evangeliën als vertegenwoordiger van de­ Ju­dee­ërs. Het is ook frappant, dat Juda de enige discipel was die uit Judea kwam.­ De anderen kwamen allemaal uit Galilea. Ook dàt geeft te den­ken, want blijkbaar heeft Judas de moed gehad om zich aan te­ sluiten bij een kring van louter Galileeërs. Overge­zet: als enige Zeeuw­ in een kring van alle­maal Grunningers gaan func­ti­oneren. Een­ vreemdeling zeker, die ver­dwaald is zeker. Wat zóekt u hier, u spreekt­ de taal niet eens. Judas wordt geroepen en hij gaat zijn plaats­ innemen in die kring van Galileeërs.

Judas heeft volledig meegedaan

Maar let erop: Juda(s) heeft volledig meegedaan. Ook van hèm wordt­ gezegd (Mattheüs 10:1ev) dat hij rondging om zieken te ge­nezen en dui­velen uit te werpen. Judas was geen randfiguur; hij­ heeft het Konink­rijk dwars door zich heen voelen gaan, hij heeft­ het aan den lijve mee­be­leefd. Hij was geen toeschouwer, hij was­ ook niet een verstekeling, maar hij was er helemaal bij be­trok­ken. «En de wereld heeft Hem niet gekend» Joh.1:10. De wereld is bij Johannes meestal de mensheid in ballingschap. Dat­ zijn de mensen die vervreemd zijn van zichzelf. En van die zij­nen­ wordt gezegd: “Hij heeft ze­ liefgehad tot het einde”. Hij heeft de zijnen ­liefgehad tot het einde «En vóór het Pascha, toen Jezus wist, dat zijn ure gekomen was om uit­ deze we­reld over te gaan tot de Vader, heeft Hij de zijnen, die Hij­ in de wereld lief­had, liefgehad tot het einde». Joh.13:1. Dat zijn dezelfde ‘zijnen’ als in Johannes 1:11. Ze hebben Hem niet ontvangen en wat heeft Hij gedaan? Hij heeft ze­ liefgehad tot het einde. Hij heeft niet met gelijke munt te­rug­be­taald,­ Hij heeft hen niet tot zondebok gemaakt. Hij heeft niet ge­zegd: O, móeten jullie Mij niet, de groeten dan! Nauwkeurig vertaald: «Hij heeft de zijnen, die in de wereld waren, liefgehad tot het ein­de» Joh.13:1. Dat ‘in de wereld’ hoort bij de zijnen. Er staat dus niet, dat Hij ze in­ de we­reld liefhad, maar er staat, dat zij in de wereld waren. Hij heeft­ de zijnen, die in de kosmos, in de ballingschap waren, lief­ge­­had tot het ein­de toe. Hij is ze blijven liefhebben, dwars tegen al­les in. Te midden van de wereld, te midden van de ballingschap, te­ midden van alle vervreem­ding is Hij blijven beminnen. Liefde over­wint! Er is geen grens aan de liefde. Wie zou de liefde een grens­ kunnen stel­len! De zijnen…..En die zijnen spitsen zich toe in die ene, in Judas. Nu moeten we in dit verband nog enkele dingen overwegen en onder­zoe­ken.

Judas Iskarioth

Die naam Iskarioth wordt verschillend uitgelegd.

1. Judas zou één van de Zeloten zijn geweest. En dan wel van een­­ spe­ciale groepering binnen de Zeloten, de zogenaamde Sicariërs. Sicarius = dolkman, een drager van een dolk. Het wa­­­ren dus gewa­pende Zeloten, die met een dolk onder hun jas rond­liepen. En àls ze de kans kregen, sta­ken ze een Romein neer.­ Je kunt wel ein­de­loos wachten tot de Messi­as komt, maar­ je kunt beter zijn komst bespoe­digen. Bereid je voor op de­ vrede, maar houd je kruit droog. Op zo’n manier kun je al dolk­stekend het Koninkrijk Gods dichterbij brengen. Maar het Ko­ninkrijk Gods komt nooit met geweld. Die Sica­riërs vorm­den dus de gewapende tak van de Zeloten. En dan wordt er­ dus wel gezegd, dat Judas daar ook bij hoorde. Maar nu doet­ zich een probleem voor: die Sicariërs waren pas in op­komst in het jaar 50. Historisch gezien ligt dat dus wat moei­lijk. De Sicariërs be­stonden dus nog niet ten tijde van Ju­das.

2.  Isj = man. Er zijn uitleggers – onder andere ook­ Jo­seph Klausner, een Joodse geschiedschrijver – die gezegd hebben: Judas kwam­ uit een dorp­je dat Kariot of Keriot heette. Dat dorpje lag­ in het zui­den van Juda ten oosten van Gaza en ten noor­den van He­bron. Zijn naam betekent dus: ‘Man van Ke­riot’. Judas kwam dus uit de streek van het oude cul­tuurgoed, waar de tra­dities sterk waren, sterker dan in Galilea.

3.  Günther Schwartz verklaart de naam Iskarioth vanuit het Ara­mees. Isj Kirjata’ = Man van de stad. Dat Kirjat kom je ook wel in andere na­men tegen, zoals Kirjat Jearim; wat betekent: Stad van de Wouden. Man van de stad; en die stad is natuurlijk Jeruzalem. Dus Judas kwam uit Jeruzalem; hij was de man van de stad; die andere elf kwamen van het platteland. Judas was dus een stads­mens. Nu heeft recent onderzoek aangetoond, dat een dorp Keriot nooit be­staan heeft. Dat hebben ze gewoon op een gegeven ogenblik maar­ be­dacht; dat zal wel bestaan hebben. Vervolgens hebben ze het maar­ er­gens op de landkaart gezet. Judas kwam daar van­daan, dus­ moet er wel zo’n dorp geweest zijn. En als er geen dorp is, dan maak je het gewoon en zet je het op de kaart, dan ben je er ook­ uit. Kirjat Jearim betekent: stad van de wouden, dus: Den Bosch,­ of Woudenberg. Het is dus ook verwarrend om iemand te noemen: Isj Keriot, man uit­ de stad, want dan zeg je: welke stad bedoel je dan? Maar bij Isj Kir­jata, krijgt het een duidelijke functie, want dan is het: Man uit dè­ stad, name­lijk Jeruzalem. Bij de laatste verklaring krijg je de beste aansluiting in de Evan­ge­liën. Dan komt Judas in ieder geval uit het hart van Israël.

Judas was géén verrader

«Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft» Matt.10:4. Verraden!…. En de meeste bijbellezers zullen bij het lezen van deze tekst zeg­gen:­ Kijk, daar wordt het meteen al aangeduid: Verrader!…  Het ligt­ al vast! Maar in de Griekse tekst staat: Overleveren! Hij heeft Hem over­ge­le­verd! Daar ligt één van de kardinale misverstanden: dat woord verraden heeft­ dus in sterke mate meegewerkt aan een stuk negatieve beeldvorming. Daar­­door is Judas de geschiedenis ingegaan als de verrader. En we­ zul­­len straks gaan zien, dat hij heel iets anders gedaan heeft dan­ ver­raden. Dàt heeft hij in ieder geval niet gedaan. Wat hij dan wèl­ gedaan heeft, daar moeten we proberen achter te komen. Judas was dus géén verrader. Maar dat heeft deze vertaling erin gebracht. Hij heeft Jezus over­ge­le­verd. En het punt bij overleveren is nu juist, dat het een woord is­ met een dubbele betekenislaag. Want overleveren kan be­­te­­ke­nen:­ iemand prijs­ge­ven; je geeft iemand bij­voorbeeld over in de han­den van de vij­and. Maar overleveren kan een heel positieve betekenis hebben. En die po­sitieve betekenis hééft het ook meestal in de evangeliën en in de­ brieven. Zo zegt Paulus bijvoorbeeld in verband met het avondmaal: «Ik lever weer over aan u, wat de Heer aan mij overgeleverd heeft» Hier staat hetzelfde woord. Overleveren heeft dus ook te maken met overdracht. Je levert iets over.­ En in het Latijn is dat geworden tradere en daar komt ons woord­ traditie vandaan. Judas gaat Jezus dus overdragen.

Overgeleverd worden in de handen der men­sen

«Terwijl zij samen in Galilea verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon­ des men­sen zal overgeleverd worden in de handen der men­sen»­ Matt.17:22. Overgeleverd zegt Jezus hier Zelf. En: overgeleverd in de handen der mensen. Dat heeft een enorme draagwijdte. Dat is ook veel meer dan ver­­­raad. Hij wordt overgeleverd in de handen van de mensen. Maar­ dat is nou juist de bedoeling. Je zou haast zeggen: dat is het hart­ van het Evangelie. Zo krijgen de mensen Hèm dus in han­den. En­ zo krijgen ze het heil in han­den. Jezus wìl toch juist naar de mensen toe?! Je zou haast zeggen: Jezus staat helemaal achter die­ overle­vering; lever Mij maar over in de handen van de mensen, dan­ krìjgen ze Mij tenminste. Je zou haast zeg­gen ‘thuis­bezorgd’. Net­ zoals de graankorrel in de aarde moet vallen, zo moet Jezus in­ de handen van de mensen komen. En dan mogen ze in­der­daad met­ Hem doen wat ze willen. Daarvoor wàs Hij er juist. Niet om te zeggen: raak Mij niet aan en blijf­ van Me af! Jezus verbleef niet op een onbewoond eiland ver van­ het aards gewoel. Jezus zat niet in een ivoren toren. Hij zegt: Kom­ maar, hier ben Ik. Je mag met Me doen wat je wilt; kwets­baar­ in ons midden. Hij verdedigt Zich niet; Hij bewaart niet keu­rig­ af­stand. En Hij blijft liefhebben. Het was dus geen verraad! Het ging juist om dat overleveren, om die overdracht. Overleveren, zo­dat Hij bij de mensen terechtkomt als één van hen. De Zoon des­ mensen moet overgeleverd worden en zàl overgeleverd wor­den.­ Jezus staat er niet handenwringend bij en zegt niet: als Ju­das­ zijn zin nou maar niet krijgt. Daar zien we aan de ene kant de tragiek. Maar aan de andere kant de liefde die dat juist omvat.

Overleveren

Nog een paar teksten waar datzelfde woord overleveren in voor­komt.­ «Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons al­len OVER­GEGEVEN heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schen­­­ken?» Rom.8:32.Hij heeft zijn eigen Zoon overgegeven! En hier komt natuurlijk niemand op het idee om te vertalen dat God zijn­ eigen Zoon verraden heeft. En dan ook nog: «Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn­ ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees­ leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft lief­gehad en Zich voor mij heeft OVERGEGEVEN» Gal.2:20. Daar wordt dus van Jezus gezegd: Hij heeft Zich overgegeven, over­­­­ge­le­verd voor de mensen, voor mij. Ook hier zal niemand op het­ idee komen om te vertalen: Jezus heeft Zichzelf verraden. Je­zus heeft Zichzelf niet ver­raden; Hij is juist trouw gebleven aan Zich­zelf en aan de mensen, tot het einde toe. En als Hij die weg gaat­ van overgave en toewijding, dan is dat geen verraad. Zo zien we, dat die vertaling verraden helemaal komt vanuit een be­paal­de beeldvorming.

Nu komen we dan bij het lijdensverhaal. De intocht in Jeruzalem – bevrijd toch!

Mattheüs 21 – De intocht in Jeruzalem. Als Jezus dan zijn intocht gaat houden in de stad (Kirjata’)­ is de ver­wach­ting hooggespannen, juist omdat het Pesach was. In­ de tradities werd gezegd: de Messias zal komen rondom Pesach en­ dan zal Hij zijn volk bevrijden. Zoals Mozes het volk bevrijdde uit­ Egypte zal de Messi­as het volk bevrijden van de Romeinen. En als Jezus dan ook zijn intocht gaat houden in Jeruzalem, zijn er­ heel wat mensen die denken: nu gaat het gebeuren! “Gij maakt op hun gebeden gans Israël eens vrij” – en dat gaan we nu­ beleven. Vandaar dat ze met palmtakken zwaaien en roe­pen: Ho­sanna, hosanna! Dat betekent: bevrijd toch! Dat is de roep om be­vrijding. Dat is de roep om de messiaanse verlossing. De men­­sen­ staan op hun tenen van verwach­ting. Dan kun je je ook indenken, dat Judas de belichaming is geweest van­ die verwachting; Judas, de man van de stad; nu komen ze in zijn­ Jeruzalem. Wat heeft hij daar naar uitgezien! In Mattheüs 16 heeft­ immers het hoge woord geklonken. Daar had Petrus gezegd: “Gij­ zijt de Christus! (de Messias)”. Dat heeft Judas ook ge­hoord. Op grond­ daarvan heeft hij de conclusie getrokken: nu ligt mijn mes­si­aanse verwachting concreet in de­ze persoon, in Jezus. Het visioen gaat groeien. En Hij gaat optrekken naar Jeruzalem. Hij­ zal de structuren doorbreken en Hij zal de Torah leggen in de oren­ van het volk. Het volk zal weerbaar worden en de bezetters zul­­len van binnen­uit worden verslagen. Het einde van het Ro­mein­­se Rijk is nabij, het vi­si­oen wordt werkelijkheid. Judas heeft dat­ visioen van­uit de hemel op de aarde zien groeien. Hij heeft met­ de andere dis­cipelen meegedaan, hij heeft het allemaal be­leefd­ en gedacht: daar gaan we naar toe.

De tempelreiniging – naar Betanië

En dan komen ze Jeruzalem binnen. De spanning stijgt. De scha­­­ren­ lo­pen voor Hem uit, het wordt een grandioze intocht. De pro­feet­ uit Gali­lea wordt bejubeld door de menigte. Direct daarna gaat Jezus de tempel reinigen. Ook dat werd be­schouwd­ als een teken van de Messias. De tempel zou hersteld worden in ou­de glorie, net als bij de Makkabeeën. De tempel wordt­ gereinigd, Hij gooit de kopers en verkopers eruit, Hij keert de­ tafels om. En het een en ander zal wel een ravage veroorzaakt heb­ben. En toch lezen we niet, dat Jezus wordt aangeklaagd we­gens­ oproer. Dat zou je wel verwacht hebben. Je zou verwachten: nu­ komt de tempelpo­litie om Jezus te arresteren. Blijk­baar had Je­zus zoveel aanhang onder het volk, dat ook de tempelpolitie niets­ onderneemt. Het was de tijd van Pesach, van Pasen, de tijd van de ge­dach­te­nis.­ Er werd ook gezegd: zoals Mozes het volk bevrijdde uit Egyp­te, zo zal ook de messiaanse bevrijding zijn. Maar dan eindigt het verhaal van de intocht: «En Hij verliet hen en ging buiten de stad, naar Betanië, en over­nacht­te daar» Matt.21:17. Inplaats van een climax eindigt de intocht met een aftocht. Be­ta­ni­ë = het huis van de ellendige. De verwachte ingreep blijft uit, er ge­beurt niets. Wat moet dàt voor Judas betekend hebben! Die nacht moet hij het­ ge­voel gehad hebben: het wordt niets! Gij zijt de Messias! is over Jezus uit­gesproken, maar Hij blijft ste­ken,­ er komen geen daden. De Romeinen blij­ven zitten, de struc­tu­ren blijven onaan­ge­roerd. Judas heeft de pijn in zijn hart gevoeld: hoe lang nog? Waarom ge­beurt er niets, waarom laat Hij geen daden zien? En dan komen we in Mattheüs 25. Jezus’ laatste onderricht – de volken ingezameld. Daar spreekt Jezus zijn laatste Torah, zijn laatste onderricht. Het ­laatste gedeelte van Mattheüs 25 gaat over de schapen en de bok­­ken. In dat ge­deel­te zegt Jezus: weet je waar het op aan­komt:­ op de minste der men­sen. «Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst­ ge­le­den en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreem­de­ling geweest en gij hebt Mij gehuisvest».  Matt.25:35. «Naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de­ gevan­ge­nis geweest en gij zijt tot Mij gekomen» Matt.25:36. Dat is het Koninkrijk. Wat je doet aan de minste broeder, dat doe je aan Mij. In die laatste woorden van Jezus staat in het middelpunt: de aan­­dacht­ voor de geringe. En dan springt er één woord in het bijzonder uit: verzameld. «En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden». Matt.25:32. En daar staat het woord sunago = bijeenbrengen. Ook het woord synagoge komt daar vandaan. Al die volken wor­den­ bij­eengezameld. «Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest» Matt.25:35. En voor het woord gehuisvest staat ook weer sunago. Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij verzameld…. Daar zie je de gestalte van de eenzame, de vreemdeling, de ver­wor­­pene, de mens die geen huis heeft. En gij hebt Mij ingeza­meld. Het sleutelwoord is dus: inzamelen. En in de Joodse traditie zegt men: Weet je wat de Messias zal doen:­ Hij zal de ballingen inzamelen, alles wat zwerft en doolt. God zal de ballingen inzamelen door middel van de Messias. Ik was­ een vreemdeling en je hebt me ingezameld. Dat is het laatste on­­der­richt dat Jezus geeft. Schapen en bokken. Schapen zijn zij die­ bijeen­brengen, die verzamelen. «Dan zal de Koning zeggen» Matt.25:34. Hij wordt de Koning genoemd; dit is het andere koningschap, het ko­­ningschap in de lijn van David. «En het geschiedde toen Jezus al deze woorden geëindigd had» Matt.26:1. Al deze woorden; nu heeft Hij alles gezegd wat Hij wilde vertellen. Het­ onderricht is voorbij, nu komt de toepassing. «Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon­ des men­sen OVERGELEVERD om gekruisigd te worden» Matt.26:2. De overpriesters en oudsten verzameld «TOEN (en dat is altijd een heel geladen woord bij Mattheüs) kwa­men­ de over­priesters en de oudsten des volks bijeen in het paleis van­ de hogepriester, ge­naamd Kajafas» Matt.26:3. En hier staat weer hetzelfde woord sunago, inzamelen. Toen verzamelden zich de overpriesters en de oudsten. Maar die komen niet bij elkaar om ballingen of vreemdelingen bij­een­ te brengen, zij ‘zamelen zichzelf bijeen’. Dan beramen ze een plan om Jezus te liquideren.

De zalving in Betanië

Dan komt Judas in beeld. In vers 6 begint de zalving in Betanië. Wat­ moet Judas van die zalving gedacht hebben?! Hij heeft daar bij­ ge­zeten en ongetwijfeld is het door hem heengegaan: nu wordt Je­zus ge­zalfd! En vanouds werden koningen gezalfd. En mis­schien­ heeft hij gedacht: deze vrouw heeft er iets van begrepen. Nu­ wordt Jezus ge­zalfd, nu zal Hij het koningschap aanvaarden. Maar­ dan zegt Jezus dat zij dat gedaan heeft voor zijn begrafenis. Toen moet er iets gebroken zijn in het hart van Judas. En Judas zal­ ge­dacht hebben: in plaats van dat Jezus dit oppakt als zijn ko­­­ning­schap, be­gint Hij over een begrafenis te praten! In plaats zijn roe­ping als koning nu te gaan waarmaken, zegt Hij: de be­grafenis staat voor de deur. Misschien heeft Judas met ver­bijs­te­ring dit aangehoord en toen gedacht: hoe kan iemand zó aan de wer­kelijkheid voorbijgaan en zijn kan­sen voorbij laten gaan. «Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de over­pries­ters» Matt.26:14. Nog steeds wordt Judas ‘één van de twaalven’ genoemd. «Toen….». Matt.26:14. Toen staat er weer met nadruk; toen, op dàt moment. «En hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u OVER­LE­VE­REN»­ Matt.26:15

Geen identificatie met Judas

Identificatie speelt in deze geschiedenis ook een belangrijke rol. Waar­ ga ik mij mee vereenzelvigen. Het punt in het messiaanse ver­­haal is: de Messias vereenzelvigt Zich met òns. Hij wordt één van­ ons, mid­den onder u staat Hij, die gij niet kent…. «Midden onder u staat Hij, van wie gij niet weet» Joh.1:26. Jezus identificeert Zich met de mensen. En dan is het heel vreemd, alhoewel psychologisch heel goed te be­grij­pen: let er eens op wat er gebeurt in preken. Je kunt vele pre­ken­ horen waarbij mensen zich vereenzelvigen met de discipelen en­ vooral met Pe­trus. Als je preken hoort over Petrus, dan is de toe­­hoorder ineens Petrus. We zien Petrus die probeert te wan­de­len­ op het water en dan omlaag zinkt en dat zijn wij! Dat zijn wij met­ ons kleingeloof, met ons vallen en opstaan. En gelukkig is daar­ Jezus en die steekt ons de hand toe. Zo heb­ben mensen zich al­tijd geïden­tificeerd met Petrus. Petrus verloochent de Mees­ter, maar­ gelukkig hij krijgt berouw, hij weent bitter en hij kijkt in de ogen­ van Jezus en hij krijgt een nieuw begin. Petrus, heb je Mij waar­lijk lief? En dan zijn we allemaal Petrus, de­ paus ook al eeu­wenlang. Want Petrus was immers de eerste paus en de paus zit op­ de stoel van Petrus. Zo is daar altijd weer die iden­ti­ficatie ge­weest.­ Maar in geen enkele preek is daar de identificatie met Judas. Je kunt­ dui­zend preken horen waarin gezegd wordt: we zijn allemaal zon­­daars. Maar dat zondaarschap gaat tòt Judas en niet verder. We­ zijn allemaal zondaars, dus…. zijn we ook allemaal Petrus, daar­ heeft niemand moeite mee. Die identificatie met Petrus is vaak­ niet zo moeilijk en met de ande­re discipelen gaat dat ook nog­ wel. We zijn ook vaak de twijfelende Tho­mas (ook al klopt die be­naming niet). Maar zodra we bij de twaalfde apos­tel komen, zijn we­ niet thuis. En dan wordt Judas apart in een hoek gezet. Judas is­ een boosdoener, maar dat zijn wij niet! We zijn wel zon­daars, maar­ niet zó. We dis­tantiëren ons daarvan en zetten Ju­das in de hoek­ van de verdoemenis. Dat zijn wij niet, dat is hij, dat is er maar­ één! Gelukkig zijn wij beter. Opeens trekken we een lijn. En Ju­das staat aan de verkeerde kant van de lijn en wij met z’n allen aan­ de goede kant! Uit­eindelijk heb je zondaars èn zondaars, ver­schil­ moet er wezen. Allen hebben gezondigd, maar die ene, die heeft­ èrg gezondigd. Daar kun je je niet mee vereen­zel­vigen. Ju­das­ bestaat niet, ja die hééft ooit be­staan, maar nu niet meer. Dat is­ dan selectieve identificatie. Je gaat toch van ­te­vo­ren bepalen met­ wie je je gaat vereenzelvigen. «En van toen af (weer toen met nadruk) zocht hij een goede ge­le­gen­heid om Hem OVER te LEVEREN» Matt.26:16. Eén van u zal Mij overleveren

En dan komt daar de laatste maaltijd. Jezus zit daar met de twaalven. Het brood wordt gebroken en de beker gaat rond. «En terwijl zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij ver­raden zal» Matt.26:21. Maar hier staat ook weer: overleveren. «En zeer bedroefd, begonnen zij, één voor één, tot Hem te zeggen: Ik ben­ het toch niet, Here?» Matt.26:22. Het geeft te denken, dat er niemand denkt of zegt: Jezus bedoelt na­tuur­lijk Judas. Het is helemaal niet zo, dat er elf discipelen plot­seling in de rich­ting van Judas kijken of elkaar aanstoten. Ze kij­ken elkaar niet veel­betekenend aan met een hoofdbeweging rich­­ting Judas. Nee, ze waren allemaal zeer bedroefd. “Ben ik het Here?”. ‘t Zou zomaar kunnen, ieder zou het kunnen zijn. Ze vragen het ook,­ één voor één. «Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij OVER­­LE­VE­REN» Matt.26:23. «De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat,­ doch wee die mens, door wíe de Zoon des mensen OVER­GE­LE­VERD wordt» Matt.26:24. «Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was» Matt.26:25. Beter niet geboren. Daarmee is niet gezegd, dat Judas verdoemd of voor eeuwig ver­­loren is. Daarmee is alleen gezegd: hier en nu; in het leven hier. Wee is geen dreigement, maar een angstig voorgevoel. Dus Jezus zegt­ eigenlijk: wat erg voor die mens! Wat erg, als je zo moet le­ven.­ Zo’n le­ven wens je niemand toe. Wat heeft die man een vre­se­lijk be­staan! Wat is het erg om zo door het leven te moeten. Vlak­bij Jezus en toch ook er niet bij. Wat ontzettend voor die mens; dan heb je je bestemming als mens toch­­ totaal gemist. Waarom ben je er dan eigenlijk nog op deze aar­de. Niet: waarom ben je er dan in de eeuwigheid, maar waarom ben­ je er dan op aarde. Dan had je inderdaad beter niet kunnen le­ven, want dan is je leven zo ellendig, zo triest, zo één en al con­flict­ vanbinnen; dan is je leven op aarde een hèl. Dan is de hel daar,­ op dat mo­ment aanwe­zig. «Judas, die Hem OVERLEVERDE, antwoordde: Ik ben het toch niet, Rab­bi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd» Matt.26:25. En nu komen we tot één van de meest geladen momenten. En als je­ daar over nadenkt, merk je dat dat heel diep gaat, dat is de kern.­

Overgeleverd in de handen van zondaren.

«Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt OVER­GE­LEVERD in de handen van zondaren» Matt.26:45. Opdat Hij zal komen in de handen van de zondaren. Zij moeten Hem­ in handen krijgen, dan krijgen ze eindelijk het heil in han­den.­ Het uur is ge­komen. En het merkwaardige in het verhaal van Mat­theüs is, dat er ner­gens staat, wanneer Judas van de ta­fel is weg­gegaan. Heeft hij het brood ook nog genomen? Heeft hij de wijn­ ook nog ge­kregen? Is hij tot het eind van de maaltijd ge­ble­ven?­ Mattheüs laat dat open. Johannes zegt daar wel wat van, maar­ dat is een ander verhaal. «Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt» Matt.26:23. Daar at Judas dus in ieder geval nog méé. Natuurlijk doopten ze allen in de schotel. Maar kennelijk gaat het hier­ speciaal om het moment, dat er twee sámen, tegelijk hun hand­ in de scho­tel doopten. Het gaat om dat éne moment van de­ze­ twéé. «Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij OVERLEVERT, is nabij» Matt.26:46. Hoe gaat dat overleveren zich dan voltrekken? Dat is een centraal punt.­ Wees gegroet, Rabbi, en hij­ kuste Hem. «En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, één van de twaal­ven,­ en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, ge­zon­den vanwege de overpries­ters en oudsten des volks» Matt.26:47. Daar komt hij. Eén van de twaalven!

«En die Hem OVERLEVERDE had hun een teken gegeven, zeg­gende: Die­ ik zal kussen, die is het; grijpt Hem» Matt.26:48. «En terstond trad hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, Rabbi, en hij­ kuste Hem». Matt.26:49. Twee punten zijn hier zeer opvallend. Het eerste is: de kus.

Het tweede: de begroeting.

Als het hier ging om verraad, dan waren die twee punten vol­maakt over­bodig! Dat heeft in het kader van verraden ten enen­ma­le geen func­tie. Verraders blijven altijd in het donker. Iemand die verraad pleegt, zal­ zich altijd verbergen.

En als Judas een geniepige verrader was geweest, dan was hij in het­ don­ker van de hof gebleven achter een boom. Een kus was dan­ totaal overbodig geweest. Tegen de soldaten had hij kunnen zeg­gen: Daar staan ze en die daar, dat is hem. Hij had ook kun­nen­ zeggen: arresteer de hele ploeg maar, dan ontdek je vanzelf wie­ de leider is.

Bovendien, wat gebeurde er feitelijk: toen ze Jezus arresteerden, wa­­ren de andere discipelen in een mum van tijd verdwenen. Die gin­­gen er alle­maal vandoor, het was helemaal niet moeilijk om te we­­ten wie ze moesten hebben. Dat was die Ene, die niet weg­vlucht­­te. Er was dus beslist geen noodzaak, om dat via een kus en­ een be­groeting te doen.

Judas’ laatste wanhoopspoging

Die kus en die begroeting waren dus geen kenmerken van ver­raad,­ maar die moeten een andere betekenis gehad hebben. Die kus is de laatste poging van Judas om nog iets te bereiken! Ju­das doet hier zijn laatste wanhoopspoging. Hij heeft steeds ge­zien­, dat er niets gebeurde. Eerst al bij dat woord: Gij zijt de Messias. Toen bij die zalving in Be­tanië. En dan bij de intocht in Jeruzalem. En nu denkt Judas: ik probeer het nog één keer. Ik zet alles op al­les, nu gaat het erop of eronder! Ik zal Hem kussen als teken van:­ we horen toch bij elkaar! Vriendschap! Ik zal Hem begroe­ten. En­ wat zegt Judas in die begroe­ting? Dat is ook niet toeval­lig: «En terstond trad hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, RABBI, en­ hij KUSTE hem». Matt.26:49. En bij de maaltijd had Judas ook al gezegd: «Ik ben het toch niet, RABBI?» Matt.26:25. Tot tweemaal toe zegt Judas dus tegen Jezus: rabbi. En uit­druk­ke­lijk had Jezus gezegd: «En van de begroetingen op de markten en om door de mensen RAB­­BI­ genoemd te worden… Gij zult u niet RABBI laten noemen, want één­ is uw Meester en gij zijt allen broeders». Matt.23.7. Dan gaat er iets door je heen. Jezus had gezegd: ‘Rabbi’ moet je níet zeggen. Tegen niemand, te­­gen Mij ook niet. Als Judas tot tweemaal toe dus zegt: Rabbi, en juist in zulke bij­zon­dere situaties, dan is dat puur een uitdaging, hij provoceert. U zegt­ nou wel: je moet niemand Rabbi noemen, maar ik ga U aan­­­spreken als Rabbi. Ik zeg Rabbi tegen U, met alle lading die­ daarin zit. Wees nu eindelijk een Rab­bi voor ons. Dat heb ik van­ U al die jaren verwacht. U wimpelt dat wel af, maar ik laat dat­ niet afwimpelen. Ik geef U de kans niet om naam­loos te ver­dwij­nen. Maak nu eindelijk eens uw pretenties waar. Wees nu ein­de­lijk datgene waar U voor mijn gevoel onderuit probeert te krui­pen. Wees dan Messias, wees gegroet, Rabbi. Een laatste poging om Jezus uit de tent te lokken. Zou Judas ook niet­ daar­om die hele ploeg soldaten hebben meegenomen? Want was­ dat nou echt nodig om Jezus te arresteren? Natuurlijk niet! Was­ het über­haupt nodig om Jezus op die manier te pakken? Jezus zegt Zelf: «Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken……  Dagelijks zat Ik in de tem­pel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen» Matt.26:55. Ze hadden Hem zó kunnen arresteren. En bovendien: Hij verdedigde Zich tòch niet. Dus waarom zoveel man­schappen… Ook daar moet Judas een bedoeling mee gehad hebben. Hij heeft on­­ge­twij­feld gedacht: Als Jezus nu al die Romeinse soldaten ziet, zou­ het dan niet kunnen, net als in de dagen van ouds, dat de Roe­ach, dat de Geest van God over Hem komt en dat Hij verbol­gen wordt­ in de geest. Dan zal Hij toch roepen: Vader, geef Me nu twaalf­ legioenen engelen. Dan zal Hij tot zijn discipelen zeggen: Jon­gens, ga er tegenaan. Pak ze, sla ze neer, de grote bevrijding gaat­ be­ginnen! En Judas, jij voorop, want daar­voor bèn je hier. Dan­ had Judas kunnen zeggen: gelukkig, mijn laatste poging is ge­­slaagd. Eindelijk heeft Hij het gepakt, de vonk springt over! Ju­das­ was ervan overtuigd: er moet iets gebeuren. Hij dacht: nu is het er­op of eronder; ik zet Jezus voor het blok. Ik zet een stel sol­daten voor­ Hem neer, dan móet Hij immers wel? En één van de dis­ci­pe­len­ pàkt een zwaard. En misschien heeft Judas wel ge­dacht: ge­luk­kig, dat is er alvast één, die begint tenminste! En dan dat rampzalige moment, althans in de ogen van Judas. Jezus gaat dat oor weer genezen en zegt: doe dat zwaard maar weer­ te­rug. Op dat moment moet er iets geknapt zijn in het hart van­ Judas. Dus toch niet……En dan heeft Judas ook inderdaad het besef: nu kan ik niet meer te­rug. Ik heb alles geïnvesteerd, ik heb mijn ziel en zaligheid erin ge­gooid om Hem over te leveren. Maar ze pakken het niet en ze blij­­ven allemaal lam­lendig staan kijken en ze laten de Romeinen hun­ gang maar gaan. Toen moet Judas gedacht hebben: nu is alles voorbij! Al mijn messiaanse verwachtingen zijn de grond in geslagen. Judas kon niet meer vooruit of achteruit. Ik hoor alleen maar die vraag:­ «Maar Jezus zeide tot Hem: Vriend, waartoe zijt gij hier?» Matt.26:50. Vriend….. In het Grieks staat: kameraad, strijdmakker. En strijdmakker had­ Judas nou juist willen zijn. Judas’ verwachtingen lopen stuk. Het wordt een totale mis­luk­king.­ Wat moet een mens als hij alles verwacht heeft en het op niets­ uit­loopt? Als het allemaal anders gaat als je gehoopt en ge­dacht­ had? En dan verdwijnt Judas een moment uit het beeld. En dan komen we­ bij: «En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en zij LEVERDEN Hem OVER aan­ Pi­la­tus, de stadhouder» Matt.27:2. Over dit proces tegen Jezus is een aantal jaren geleden een heel in­druk­wekkend boek geschreven. Het is geschreven door een Jood­: Paul Win­ter. En aan het eind van zijn boek zegt hij: het­ is niet over, ‘t is niet voor­bij. En op de eerste bladzijde van zijn­ boek zet hij een opdracht, dat hij dat boek wijdt aan zijn vrien­den en bekenden in Auschwitz en Treblin­ka. Hij schrijft het boek­ om­streeks 1950 en op de laatste bladzijde zegt hij dan: het is­ nog niet voorbij. En dan zet hij eronder: “De ziel van een Jood, zo ge­kweld,­ in onrust gebracht”. Ik heb gezondigd, onschuldig bloed overgeleverd. «Toen kreeg Judas, die Hem OVERGELEVERD had, berouw, daar hij zag,­ dat Hij veroordeeld was» Matt.27:3.   

Veroordeeld!

Dat is voor Judas het verbijsterende, dat deze Jezus Zich heeft la­ten­ veroordelen. Als een lam ter slachting geleid, stemmeloos voor zijn­ scheer­ders… Hij heeft niets gedaan, ‘t is mislukt! «En hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oud­sten te­rug» Matt.27:3. «En hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed OVERGELEVERD!» Matt.27:4. Dat is een kernpunt: Judas zegt: Ik heb gezondigd…! En waarom wordt dat nooit serieus genomen? Als Petrus Jezus heeft verloochend en dat erkent, neemt men dat wèl­ se­rieus. Maar bij Judas wordt dat nóóit serieus genomen. Dàt be­rouw kwam te laat, zegt men dan. Maar berouw komt altijd te laat, berouw komt altijd ná de zonde, an­­ders is het geen berouw. Ik had het niet moeten doen, maar dat is­ altijd ach­ter­af. Berouw heb je nooit van tevoren, altijd achteraf. Waarom zou je Judas’ schuldbelijdenis niet serieus nemen? En dan­ zegt Judas het zelfs met woorden vanuit de Torah: “On­straf­fe­lijk bloed heb ik overgeleverd”. Dat is een vaststaande term uit Deu­teronomium. En daar­mee erkent Judas: deze Messias Jezus was­ onschuldig. Een late erken­ning, maar we zijn meestal te laat met­ zulke erkenningen. De meeste mar­telaren worden posthuum er­kend. En dan werpt hij dat geld daar neer. Daar was het hem dus ook niet­ om te doen. «Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat er­van komt» Matt.27:4. Zo spreken de priesters. Niet bepaald een priesterlijke benadering van­ een mens. Zoiets zei Kaïn ook al. «En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daar­op ging hij heen en verhing zich» Matt.27:5. Hij werpt het geld van zich af. Daarmee tracht Judas het kwaad van­ zich af te werpen. En dat einde dan….? Toen Petrus berouw kreeg, keek hij in de ogen van Jezus, in de ogen­ van de ontferming. Jezus keek hem aan en door die ogen van­ de te­derheid kon Petrus weer verder. Voor Judas waren die ogen­ op dat moment niet in de buurt, al had hij het gewild. Judas kijkt­ in de ogen van de leiders, de leiders van het volk. En in die ogen­ leest Judas géén ontferming, die ogen staan bikkel­hard. Die ogen­ zeg­gen: je bekijkt het maar! Dat is jouw zaak, daar hebben wij­ verder geen boodschap aan. Die ogen dreven hem de nacht in. Dus als je hier een schuldige wilt aanwijzen, dan ligt de schuld niet­ bij Judas, maar bij de leiders! De leiders hadden hem pas­to­raal­ het donker in­gejaagd. Priesters, die zielszorgers moesten zijn! De zielszorgers wer­den lijkbezorgers. Er was geen nazorg voor Judas, er was geen ontferming, er was al­­leen maar een meedogenloze reactie. Dan is Judas totaal wanhopig en kan nog maar één laatste daad be­­den­ken, hij stapt uit het leven. En als een mens zover komt, dat het leven voor hem geen enkele mo­ge­lijkheid meer biedt, zou God dan niet het hele verhaal aan­zien?­ En dan zegt Amy Carmichael ergens: “God ziet de hele mens. En Hij heeft een tedere manier om naar een­ ziel te kijken op het hoogtepunt en niet op het dieptepunt. Hij doet­ niet zoals wij zo vaak doen: ver­keerd beoordelen om wat een mens­ met een zieke geest soms kan doen. Als dat hart of die ziel van­ die mens helemaal gekweld is en ziek geworden; wat een mens­ doet in een blind en gebroken uur”. Blind en gebroken. Een mens komt soms te verkeren in een uur van zijn leven, dat hij­ het niet meer ziet. Zoals dat meisje van dertien jaar dat tegen haar­ moeder zegt: ik misluk niet. En als ze negentien is, weet ze­ het­ niet meer, verbijs­terd! Het leven was te hard; als het leven tè hard­ is en tè complex, dan… “We hebben te maken met een liefde, die de handen van een mens kan­ pakken, ook in die duisternis. Welke vader zou het niet doen? En­ Hij is meer dan een vader. Welke va­der zou een kind ver­sto­ten,­ om­dat dat kind wanhopig is!” En bij dit alles moeten we bedenken, dat Judas méér is dan een in­­­di­vidu. Hij staat daar namens de twaalf. Hij staat daar in we­zen na­­mens allen. Het gaat dus niet om verraad, maar om een laatste uitdaging. Ju­das­ heeft willen gaan tot het uiterste. Judas was fanatiek, zou je kunnen zeggen. En dat fanatisme is hem­ fa­taal geworden. Dat fanatisme heeft hem gedreven tot de grens,­ tot óver de grens. Wat kan een mens doen, als hij zó ge­dre­­ven­ wordt door een ide­aal, dat hij alle proporties uit het oog ver­liest.­ Zo zijn er meer ge­weest in de loop van de geschiedenis. Ide­a­lis­­ten, die soms te ver gingen voor hun ideaal, terwijl ande­ren mis­schien veel gema­tigder waren en daar­door niet kwamen tot die hoog­te, maar ook niet tot die diepte. Je kunt ook heel je leven keu­rig de gulden midden­weg bewandelen en niet warm of koud wor­den. Dan loop je ook geen enkel risico, hoogstens het ri­si­co, dat­ je in slaap valt.

Wie ontvangt, die Ik zend, ontvangt Mij

«Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie ontvangt, die Ik zend, ontvangt Mij,­ en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft» Joh.13:20. «Na deze woorden werd Jezus ontroerd in de geest en Hij getuigde en­ zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij OVER­LE­VE­REN» Joh.13:21.Eigenlijk moet je al beginnen te lezen in vers 18. Hier in vers 21 begint een nieuwe pericoop. De verzen 20 en 21 ho­ren ech­­ter bij elkaar, vormen een innerlijk geheel. In beide tek­sten staat­ “Voorwaar, voorwaar”. Zo’n indeling in pe­ricopen kan je op een­ verkeerd spoor zetten. Daardoor ga je tek­sten van el­kaar los­kop­pelen, die inner­lijk bij elkaar horen.  In vers 20 zegt Jezus: Ik ga iemand zenden. En die Ik zend, ont­vangt Mij.­ En wie Mij ontvangt, ontvangt mijn Zender. En pal daarop wordt Hij ontroerd, verbijsterd in de geest en Hij zegt:­ «Voorwaar, voorwaar, één van u zal Mij overleveren».

Wie Judas ontvangt, ont­vangt­ Jezus

Met andere woorden: wat hier met Judas gebeurt, betekent in diep­­ste we­zen, dat hij door Jezus gezonden wordt. Judas wordt een gezant; dat­ wordt de lijn in het Johannes-Evangelie. Judas wordt een ge­zant­ van Jezus. Dat blijkt ook uit het vervolg. Hier in vers 20 gaat het­ over de zen­ding van de twaalf. Als Jezus dit zegt, is Hij geschokt in de geest, in de roeach. En de roe­ach is de verbinding met het paradijs; de geest, de adem van God.­ Verbin­ding met het paradijs in het verleden en in de toe­komst.­ Jezus leefde in de verbinding met dat paradijs. Maar nu is er­ iets dat Hem schokt tot in het diepst van zijn bestaan. Want nu gaat­ vers 21 over de mens die Hem zal overleveren. Ook Judas is één van de twaalven; dus wie Judas ontvangt, ont­vangt­ Jezus. Judas levert Jezus over aan de leidslieden. Zij ont­van­gen Judas en daarmee ontvangen ze Jezus. En de leidslieden en­ Judas leveren Jezus over aan de Romeinen. En zo ontvangen de­ Romeinen Jezus uit de han­den van Judas.

Pilatus krijgt het einde van het Romeinse Rijk in huis. Daar staat Pilatus en hij ontvangt. Hij weet niet wat hij ontvangt of­ Wie, dat is voor hem nog verborgen. Maar door deze daad, doordat Jezus wordt overgeleverd in de han­­den van de Romeinen, daardoor wordt Rome overwonnen! En daar­door wor­den de volkeren bevrijd! Die Romeinen weten niet wat ze in huis hebben gekregen. Op het mo­­ment, dat Pilatus zijn paleis openzet en Jezus binnenlaat, weet hij­ niet wat hij in huis krijgt. Op dat moment heeft hij het einde van­ het Ro­meinse Rijk in huis en hij heeft het niet beseft. Op dat mo­ment heeft Pi­la­tus zijn eigen bevrijding in huis en hij heeft het niet­ ge­weten. Misschien heeft hij het èrgens bevroed, want hij zegt wel:­ «Zie de Mens». Blijkbaar heeft hij toch gevoeld: hier is ein­de­lijk­ een ècht mens! Zoiets heb ik nog nooit meege­maakt, een Mens­ als Hij, zo uniek. Iemand van wie zo tot op­ de bo­dem gezegd kon worden dat Hij Mens is, meer Mens dan al die anderen. Daardoor worden de volkeren bevrijd. Dus Judas wordt ondanks alles en ondanks misschien zijn eigen ge­­blok­keerde en vertekende verwachting een afgezant van Jezus. Jezus levert Zichzelf uit aan Rome om Rome te overwinnen. En Ro­me is heel dat sys­teem van de wereld. De volkerenwereld met al hun­ verblinding en ver­starring, met hun bolwerken. Jezus levert Zich over aan Rome om op die manier Rome te over­win­­nen en de volkeren te verlossen. Maar dan moet er één van de twaalven gezant zijn om Jezus over te­ leveren. Jezus is geschokt in de geest. Het strijdt zo met de paradijselijke vre­de, waar de geest uit leeft. Innerlijk wil je dat niet. Dan denk je:­ dat moet toch niet. Het moet komen in de weg van vrede, de weg­ van het para­dijs. Jezus is geschokt over Judas, die deze vre­se­lijke zending op zich moet nemen. Die zending is zo zwaar, dat zijn­ motief een vals motief moet zijn om het te kunnen uithou­den. Als­ Judas voor honderd procent geweten had wat hij moest gaan doen,­ had hij het niet kunnen dragen. Daarom moet hij wel werken vanuit een relatief motief. En Judas denkt,­ dat hij op die manier iets moet gaan uitlokken. Hij denkt: er­ moet iets gebeuren. En als ik het niet doe, dan komt er niets van­ terecht, dan blijft Jezus maar zitten wachten. Judas wil, dat Jezus de leider wordt van de partizanen, van de vrij­­­heids­strijders. Daar wil Judas zich voor inzetten. En let erop wat­ er dan gebeurt: Die is het, voor wie Ik het stuk brood in­doop­. «Jezus dan antwoordde: Die is het, voor wie Ik het stuk brood in­doop­ en wie Ik het geef. Hij doopte dan het stuk brood in en nam het­ en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot». Joh.13:26. Let erop wat Jezus doet: Hij neemt het stuk brood, hij doopt het in.­ En dan staat er: en Hij nam het. Letterlijk kun je dat ook zó lezen, dat Jezus eerst van dat brood eet.­ Hij neemt dat stuk brood, Hij breekt er een deel af en dat eet Hij­zelf. En het andere deel van hetzelfde stuk brood geeft Hij aan Ju­das. Dus samen eten ze van hetzelfde stuk brood, elk een deel. Jezus bereidt het brood voor Judas, Hij doopt het in, eet er eerst Zelf­ van en het overige deel gééft Hij. «En na dit stuk brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot­ hem: Wat gij doen wilt, doe het met spoed» Joh.13:27. «Hij nam dan het stuk brood (dus hij eet het) en hij vertrok ter­stond.­ En het was nacht». Joh.13:30. Letterlijk: «En hij ging naar buiten». Judas wordt dus gezonden: doe het met spoed. En dan zie je tegelijk ook: ze eten samen van dat ene brood. Zo gaat­ Judas naar buiten, in de nacht van Pesach. En een van u is een duivel

De satan voer in Judas. Nu is de satan vooral de aanklager. In Johannes 6 staat: «En een van u is een duivel» Joh.6:70. Letterlijk: «Een van u is diabolos» (=uiteenwerper). De satan vaart in Judas. Het is net of de zaak zich moet toe­spit­sen.­ Al moet je voorzichtig zijn met het woord ‘moet’. Jezus als ex­­ponent van het ware menszijn. En dan moet er haast wel iemand tegenover Hem staan die de ver­­­tegen­woordiger wordt van de wereld, van de overste van de we­­­reld.­ En zo­als het goede zich belichaamt in Jezus, zo wordt de aan­klacht be­lichaamd in de tegenpool. Haast zoiets van: er moet toch een tegenspeler zijn! Zoals je een Saul­ hebt en een David. Waarom moet Saul er zijn? Telkens zie je die twee gestalten. Kaïn en Abel… Zo staan ze daar op het hoogtepunt tegenover elkaar. En Jezus zegt: de overste van de wereld zal geoordeeld worden. En­ die overste zal buitengeworpen worden. Dan voel je, dat het om iets héél anders gaat dan de vraag: is Ju­das­ nu als mens behouden of verloren? Het gaat om dat duel, om die confrontatie. En die confrontatie gaat­ zich voltrekken en die wordt uitgebeeld in: Jezus, de Zoon van­ Juda en een man, die eigenlijk ook geen andere naam kan dra­­­gen dan Juda. En dan wordt Juda buitengeworpen. En uiteindelijk wordt Jezus buitengeworpen. En Hij draagt het oor­deel.

Judas was geen kruimeldief.

Als je iets wilt herstellen, moet je vaak teruggaan naar de funde­ring,­ naar het begin. Dat gebeurt in het Johannes-evangelie ook. Te­rug naar het begin. De gestalte van Judas moet je niet tot een incident maken. Het was­ geen bedrijfsongeval. En dan krijg je de gedachte: Jezus heeft met­ opzet Judas gekozen, omdat er nu eenmaal eentje moest zijn, die­ Hem moest ver­ra­den. Judas was geen bedrijfs­on­ge­val, ook niet­ zo van: als hij het niet ge­daan had, had een ander het moe­ten­ doen. Ben ik het Here? Op die ma­nier kom je in een soort uit­ver­kiezing terecht. Via een achterdeur komt er dan een uit­ver­kie­zings­gedachte binnen. In Johannes 12 zien we die zalving in Bet-ani = het huis van de ar­men, het huis van de ellendigen. Die naam is veelzeggend, want in­ dat huis begint het heil. «Want de armen hebt gij altijd bij u» Joh.12:8. En de armen staan bij God hoog aangeschreven. Want hunner is het­ ko­nink­rijk. En daar is ook Lazarus, die model staat voor die ar­me. Lazarus, een hoofdfiguur uit het Johannes-evangelie. «En de geur der mirre verspreidde zich door het gehele huis» Joh.12:3. Mirre is symboliek voor het lijden. En dan zegt Judas Iskarioth (=de man uit Karioth): waarom is die mir­re niet verkocht? 300 schellingen, ongeveer een jaarloon. En dan komt die beruchte tekst. «Maar dit zeide hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar­ omdat hij een dief was en als beheerder der kas de in­kom­sten­ wegnam» Joh.12:6. Het hete hangijzer is dus de vertaling van deze tekst. En dan vraag­ je je af: waarom heeft Jezus niet ingegrepen. De kas­con­tro­le-­com­missie werd niet bij elkaar geroepen. Judas werd niet van zijn­ taak ontheven. Uit deze tekst blijkt wel, dat vertalen moeilijk is en dat er ken­ne­lijk­ soms vooroordelen meespelen. De King-James vertaling heeft het juist vertaald. «Maar omdat hij een dief was» Joh.12:6. Tot zover is het juist vertaald. Maar dan moet er staan: «En de beurs had en hij droeg datgene wat toegeworpen werd» Joh.12:6. Er staat dus: hij was een dief, hij had de beurs en hij droeg dat­ge­­ne­ wat toegeworpen werd. Er wordt in deze tekst dus niet gesproken over: pik­ken uit de kas. Er­ staat dus niet dat hij iets nam, maar er staat dat hij iets droeg.

Judas hield de hand op de­ knip

Het probleem van Judas was dus niet dat hij pikte; zijn probleem was­­ dus niet, dat hij zich om de armen bekommerde, want dat deed­ hij dus niet. Het probleem van Judas zat veel dieper. Zijn pro­bleem was, dat hij die beurs droeg. Het woord beurs betekent oor­spron­kelijk: foedraal voor muziekinstrumenten. Bij Judas was dat­ foedraal dus geworden tot een bergplaats voor geld. De mu­ziek­ was er dus uit. Die beurs was in feite een symbool van een voor­werp tegen de armen. Judas had om zo te zeg­gen ‘de hand op de­ knip’. Hij zorgde dat alles in die beurs bleef. Dat was zijn taak, al­thans zo zag hij die. Die beurs was in wezen het nood­lot voor die­ armen. Het gevolg was namelijk, dat die armen niets kre­gen. Ju­das’ probleem was dus niet, dat hij iets uit de kas haalde, maar juist,­ dat hij er niets uit haalde, of althans te weinig voor de ar­men.­

Hij droeg

Dat is een sleutelwoord, het komt drie keer voor in het Johannes-Evan­gelie. Hij droeg wat werd toegeworpen. En dat toewerpen ver­oor­zaakte het probleem. Want als je iemand iets toewerpt, is dat lief­dadigheid. De rijken werpen met een hautain gebaar de ar­men iets­ toe. Daar zit meteen dat klasseverschil in. De arme wordt iets toe­geworpen en zo wordt de arme gedegradeerd tot een voorwerp van­ liefdadig­heid. Tot bevre­di­ging van het gevoelsleven van de rij­ke.­ Zo ging het vroeger ook met de dia­conie in de ker­ken. Soms werd­ vroeger zelfs gecontroleerd, of de ar­men soms sui­ker in de kop­jes hadden, want dan hadden ze het geld niet no­dig. De arme is, ook in het Johannes-Evangelie, de mens die ònder ligt,­ die kans­­arm is. Liefdadigheid is een totaal onbijbels begrip. God­ is ten enen­male niet liefdadig. Hij is niet neerbuigend. Gij zult uw hand wijd openen voor UW broeder. Die beurs van Judas is dus symbool van de mensen bóven en de men­­sen beneden. Die beurs is symbool van het verachten van de ar­men. De ar­me sloebers mogen zogezegd God op hun blote knie­­en­ danken, dat er nog rijken zijn die af en toe liefdadig doen. Judas houdt dus een heel systeem in stand. Judas houdt het klas­­sever­schil in stand. Judas houdt de kloof tussen rijk en arm in­ stand. De kloof tussen mens en mens. Judas zorgde er als het wa­re voor, dat de armen arm bleven. En daarom – staat er – was Ju­das een dief. Niet, omdat hij uit de kas pikte, maar omdat hij ach­terhield waarop de armen recht had­den. Judas’ probleem was dus niet, dat hij uit de kas grabbelde, maar juist,­ dat hij alles in de kas liet zitten. Zijn probleem was niet, dat zijn­ hand in de beurs ging, maar dat zijn hand te weinig in de beurs­ ging. In plaats van uit te delen aan de armen, zette hij het geld­ liever op de bank, dan had je nog rente ook.

Judas spekte de kas.

Messiaans is, om de kas open te gooien. «Gij zult uw hand wijd openen voor UW broeder, voor UW ellendige (lett.)­ en UW arme in UW land» Deut.15:11. Het zijn niet zomaar -armen-, het zijn uw armen. Judas is de ‘instandhouder van het systeem’. Hij is de man die draagt; maar hij draagt, wat je eigenlijk niet dra­­­gen kunt. Hij draagt de beurs, die het verschil accentueert. Zo wor­den de ar­men nooit mens. Het woord dief betekent oorspronkelijk – ook vanuit de tien woor­den­ –ie­mand die mènsen steelt. Als er staat “gij zult niet stelen”, dan duidt dat in de eerste plaats op­ mensenroof. Het was bij Judas niet zo, dat de kas niet klopte, die kas klopte al­tijd. Die kloppende kas was juist de ellende. Judas had wel een klop­pende kas, maar geen kloppend hart. De ellende was juist, dat­ het allemaal zo klop­te. Judas is de man met de gesloten hand. Zo houdt hij ‘deze eeuw’ in­ stand. Judas is de man van ‘deze eeuw’. En daarom komt ‘de toe­­komen­de eeuw’ niet naar hem toe. Hij wil ten koste van alles ‘de­ze eeuw’ in stand houden. Dan is er altijd nog iets in kas. Het gaat­ om de economie. En de economie gaat meestal slecht. Judas is­ de man die economisch denkt. God denkt niet economisch. Maria denkt ook niet econo­misch. Mir­jam gaat gieten. Heel dat huis moet vol worden van de geur.­

Drie teksten met dragen

Dan die drie teksten met dragen. Joh.12:6 dus. «Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt thans (‘het’ staat er dus niet) niet dragen» Joh.16:12. Het gaat er dus niet om, dat we het niet kunnen dragen, we kun­­­nen­ he­lemaal niet dragen. Judas was dus drager van het systeem, waardoor de arme geen kans­ kreeg mèns te worden. De discipelen kunnen thans niet dragen, want in wezen zijn ze deel­ van Juda, deel van die ene. Dan be­grijp je ook, dat die Juda (Ju­da en Judas is hetzelfde woord) geen in­ci­dent is. Dat was echter een symptoom, maar het gaat veel dieper. Het he­le punt waar­om­ het draait is: wat doe je met die arme, wat doe je met die mens.­ Laat je hem tot zijn recht komen, of behandel je hem als be­delaar. Of…behandel je hem als koningszoon.

In heel het Evangelie van Johannes gaat het in feite om die twee ko­nink­rijken. Het koninkrijk van Juda(s) en het koninkrijk van Je­zus. Het ene koninkrijk is het koninkrijk van de beurs, dat de af­stand in stand houdt. Dat is het koninkrijk, dat distantiëert en iso­leert. Dat koninkrijk houdt de categorieën in stand. Dat klaagt­ in wezen aan. De duivel wordt wel “de aanklager der broe­ders”­ genoemd. Letterlijk staat er: ‘degene die categoriseert’. Judas klaagt Maria aan, omdat ze geld over de balk gooit. Dan wordt­ altijd weer de veroordeling uitgesproken. Daar tegenover staat­ het ko­nink­rijk van de Messias. Wonderlijk, want Juda is eigenlijk de naam van de drager van de be­lof­te. Vanouds is het gezegd: Juda is de uitverkorene. Juda is de­­gene uit wie de Messias zal worden geboren. En uitgerekend Ju­da wordt hier re­pre­sentant van het An­ti-ko­ninkrijk.­ Juist de­ge­nen, die er het dichtst bij schijnen te staan, heb­ben­ het minst ervan begrepen. Juda zal wat af­komst betreft zich het­ meest ver­want moeten voelen met Jezus. Uitgere­kend hij blijkt­ een verte­genwoordiger te zijn van het anti-systeem. Jezus de­ Christus, Judas de anti-christ. Hij ziet als zijn voornaamste taak om het in­sti­tuut in stand te houden, hand op de beurs. Zolang Judas er is, zal geen mens aan die­ beurs kun­nen komen. Die beurs wordt streng bewaakt. Daar heb je die twee werelden. En daarom staat er van de discipelen, dat zij niet kunnen dragen. Al­ datgene wat uit Juda voortkomt en daarmee verwant is, kan niet­ dra­gen. Die hebben geen draagkracht. Jezus kan heel wat zeg­gen, maar dra­gen kunnen ze niet. Zolang de mens de beurs draagt, heeft hij zijn han­den niet vrij om­ te dragen. In de natuurlijke wereld hebben de mensen met het meeste geld ook­ vaak de meeste zorgen. En dat is in de geestelijke wereld ook zo.­ Daarom zal Judas ook degene zijn, die Jezus zal overleveren. Ver­raden is geen juiste vertaling. Letterlijk staat er: de over­le­ve­raar.­ Judas had zijn handen vol aan die beurs. En daarom moest hij­ Jezus kwijt. Door Jezus had hij zijn handen niet meer vrij. Judas is dus de vertegenwoordiger van een systeem. Daarom wordt Judas in het Evangelie ook ontmaskerd. Het is dus heil­zaam, dat Judas zijn masker kwijtraakt, opdat de waar­heid aan­ het licht zal komen. «En Hij, zelf zijn kruis dragende» Joh.19:17. Dit is de derde tekst, waar er over dragen wordt gesproken. En de derde keer dat dit woord dragen in het Evangelie voor­komt,­ geeft dus het antwoord.

 We zien dus:

Judas, die de beurs draagt,de discipelen, die niet dragen kunnen en Jezus, die het kruis draagt.

Judas draagt de beurs en Jezus draagt­ het kruis.

Daar zie je die twee koninkrijken: Judas draagt de beurs en Jezus draagt­ het kruis. Jezus draagt het kruis. Men zegt dan: dat was een offer. Nu trof mij eens een uitspraak in verband met dat offer. Voor Jezus wàs het geen offer. Hij was totaal toegewijd aan ons. Juist,­ om­dat Jezus toegewijd is aan de armen, aan de mensen die niets­ hebben, aan de mens die buiten de prijzen valt, juist daar­om­ wachtte Hem het kruis. Soms wordt te pas en te onpas gezegd: de mens moet terug naar zijn­ eer­ste liefde. Hij moet echter terug naar Gòds eerste liefde. Jezus was­ zozeer toegewijd aan de mensen, dat Hij Zich ook niet laat af­hou­den van die tweede mijl. En juist omdat Jezus zózeer toegewijd was aan de mensen, aan ar­men, komt Hij in botsing met het rijk van Judas. Jezus, de leeuw­ van Juda, komt in botsing met het rijk van Juda(s). Daar gaat­ de zaak zich toespit­sen.

Wie is de ware Juda?

Juist omdat Hij volkomen toegewijd was aan de ellendigen, krijgt Hij­ de man met de beurs tegenover Zich. Die man levert Hem over.­ En Hij láát Zich overleveren. Want ook dàt hoort bij zijn toe­wij­ding. Ook dat is voor Hem geen offer. Dat is voor Hem alleen maar­ mens­zijn met de men­sen. In alle pijn waarin de mensen mèn­sen zijn. Dat is het wezen van de Messias: mens zijn tot het ui­terste. Op alle manieren hebben ze Hem getest, getracht Hem van­ zijn stuk te krijgen.

Moet er dan altijd een zwart schaap zijn?

We hebben vrij uitgebreid stilgestaan bij Judas, die fi­guur­ waar men in de loop van de tijden niet goed raad mee heeft ge­weten; Judas, het grote raadsel. Inmiddels kom je dan tot de ontdekking, dat er een NT’cus ge­weest­ is van Joodse oorsprong, die over Judas een heel boek heeft ge­­schreven. Je kunt dus zelfs een heel boek over Judas schrijven en­ proberen die figuur wat in kaart te brengen. Want hoe langer je­ erover nadenkt, des te vreem­der komt die figuur van Judas over.­ En op een gegeven moment denk je dan: waarom wàs hij er ei­genlijk? Er wordt dan zo gemakkelijk gezegd: ja, maar iemand moest toch die­ rol spelen? Maar waarom dan, was dat dan beslist nodig, moest­ er dan nood­zakelijk een Judas zijn? En vooral ook als je bedenkt dat Juda(s) in de Middeleeuwen zo on­­ge­veer het model is geworden van de Joden. Judas, de Jood, dat­ werd zo on­geveer verwisselbaar. Dus wat Judas gedaan had, dat had­den de Jo­den gedaan. Vandaar dat je dan ook al je gram op hen kwijt kon.­ Dat was dan voor de mensen aan de ene kant wel pret­tig, dan­ kun je ten­min­ste afrea­geren. Moet er­ iemand zijn, op wie je kunt afreageren? Moet je je gram kwijt en­ hoeveel gram dan wel? Wat moet een mens allemaal kwijt, moet­ er dan beslist één of andere anti-christ zijn, een zwart schaap,­ hèt zwarte schaap? Jan Engelman zegt in een gedicht:

Het zwarte schaap staat in de sneeuw,

het staat er langer dan een eeuw.

Moet er dan altijd een zwart schaap zijn? En dan staat dat beest daar­ in de sneeuw en blijkbaar wordt het daar ook niet wit van, de­ sneeuw wordt er ook niet zwart van, je blijft met de vraag zit­ten.­

‘God zal zijn alles in allen op­ één na’ ? Wat doe je dan met Judas? Kom je dan toch uiteindelijk op een soort gedachte van: goed, ie­der­een kan gered worden behalve één. God zal zijn alles in allen op­ één na. En dan troost je je met de gedachte, dat toch in ieder ge­val de meerderheid ‘er komt’. Eén is tenslotte slechts één. En in­ onze tijd waarin we zo ge­wend zijn te denken in de macht van het­ getal, is dat tenslotte toch nog wel aardig gescoord. Gescoord, om­ dat afschuwelijke woord te gebrui­ken. Net alsof God ook aan het­ scoren zou zijn. Scoren is typisch een mannelijke aan­ge­le­gen­heid.­ We moeten dus van dat idee scoren af. Is het nu een kwestie van­ meer­der­heid-minderheid? Dat is weer typisch democratisch ge­dacht, dan zit je weer te plussen en te minnen. En wat doet God­ dan? Zit God ook te plussen en te minnen, of alleen maar te plus­­sen, of alleen maar te min­nen? Moet er dan gescoord worden? Dat doet me denken aan die regel uit­ dat lied: “Faal ik een enkele keer, overwinnen doe ‘k meer”. Dat zit­ ook een beetje in die sfeer van het één tegen het andere af­we­gen.­ Een voorganger heeft van deze regel gemaakt: “Faal ik een and’­re keer, getrouw is mijn Heer”. Dat klinkt in ieder geval wat anders. Dan zit je niet constant af te we­gen hoeveel overwinningen je geboekt hebt of hoeveel neder­la­gen­ je geleden hebt, maar dan slaat de balans door naar de trouw van­ Hem die niet laat varen wat zijn hand begon.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406173 bezoekers sinds 07-06-2010