Jona

22-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Jona is een zeer frappante figuur en je zou kunnen zeggen: Jona is toch meer profeet dan je denkt. Wat doet Jona eigenlijk tussen de profeten!? De gangbare gedachte is, dat Jona een rebel is, een dwars­ligger, een pro­­feet die verdwaald is. Jona is een profeet die zwijgt. Dat komt nog wel eens meer voor. Je vind dat in sterke mate bij Ezechiël. Ezechiël was expert in het zwij­gen. Toch heeft hij 48 hoofdstukken kunnen vullen. Daarin proef je iets van zijn grootheid, maar ook van zijn tragiek.

Jona en Grote Verzoendag

De eerste sleutel tot het boek Jona is: de dag waarop men van­ouds het boek Jona in de synagoge heeft gelezen. Dat was aan het eind van Gro­te Ver­zoendag, op Jom Kippoer, de dag van de be­dek­king. Het is de dag, waarop men heel intens bezig is met de ver­zoe­ning. Verzoe­ning tussen God en mens, tussen mens en broeder. Op die dag gaat de hogepriester het heilig­dom binnen en sprenkelt het bloed op het ver­zoendeksel. Het is de dag, waarop de mens zich kleedt in zijn doods­kleed. De dag, waarop ook de hogepriester dat witte kleed aan­trekt. Dit om aan te geven: nu staan we eigenlijk in de voleinding, nu staan we in de laatste fase. Er is een gebed, waarin het volgende wordt gezegd:

Hier staan we, erfgenamen van het verleden

en makers van de toekomst.

Priesterlijk bevoorrecht,

maar tegelijk zwaar belast, met blindheid,

traagheid en ontrouw.

Kunnen wij onze ogen opnieuw openen om er te zijn,

om te hopen, om één te worden met de Ene.

De Verzoendag is weer gekomen,

alle pretentie is weg.

Het naakte hart wordt geopenbaard aan

het zich verbergende zelf.

En we staan op heilige grond

tussen de dag die was en de dag die moet zijn.

We beven, wat wordt ons doel…

Hoe hebben we geleefd, hoe hebben we gestruikeld,

wat hebben we genomen, wat hebben we gegeven.

Waarvoor waren we blind.

We hebben allen de genezing nodig van

vergeving en verzoening.

En dan aan het eind van die dag, wanneer je staat op de grens van de tijd, is er het boek Jona! Het thema van het boek Jona is dan ook ver­zoe­ning. Het gaat om de verzoening tussen Jona en Ninevé. Misschien ook wel de ver­zoening tussen Jona en God.

Jona, een Paasverhaal

De tweede lijn is, dat je tegelijk in het boek Jona het Paasverhaal te­gen­­­­komt. De drie dagen dat Jona in de vis was, wordt ook nog weer in de Evangeliën aangehaald. Op zich is het frapperend, dat Jona hele­maal wordt getrokken in de Messiaanse lijn. «Aan dit geslacht zal het teken worden gegeven van Jona» Dus Jezus stelt zich helemaal in de lijn van Jona (Matt.12:40). Daaruit blijkt wel, dat er met Jona meer aan de hand was dan de ge­dach­te, dat hij alleen maar een rebel zou zijn geweest. Hoe zou een re­bel een messiaans teken kunnen zijn! Een sleutel tot het boek Jona is ook de identificatie. Jona, dat ben ik! Met uit de verte naar Jona kijken, schiet je ook niets mee op. Dan zeg je in feite: God: ik dank U, dat ik niet ben zoals die Jona. Of zoals een juf­frouw op de zondagsschool bad: Heer, we danken U, dat we niet zijn zoals die Fari­zeeër. Dit naar aanleiding van het verhaal van de Fa­ri­­zeeër en de tollenaar. De tollenaar van vandaag kan de Farizeeër wor­­den van morgen. Bij Jona zitten we dus in dat spanningsveld van Verzoendag  en Paas­ver­­haal. In Jona lezen we dan ook steeds: sta op!! «Het woord des HEREN geschiedde naar Jona»  Jona 1:1. Als dat woord geschiedt, komt er een geschiedenis op gang. Dat be­te­kent ook, dat vanaf dàt moment Jona nooit meer dezelfde kan zijn. Jona staat in het krachtenveld van dat woord. Een profeet is in de Bijbel ook nooit iemand die alleen maar woorden door­­­geeft. Hij is geen postbode; het gaat niet buiten hem om. Dichters en pro­fe­ten hebben in een bepaald opzicht veel met elkaar gemeen. Kunst wordt geboren uit pijn. En scheppen kost ook pijn. Zo zie je in Psalm 74, dat de schepping ook niet zomaar van een leien dak­je is gegaan.

Jona is de zoon van de trouw

«De zoon van Amittai» Jona 1:1. Amittai hangt samen met emet, wat trouw betekent. Jona is dus de zoon van de trouw. Dat wordt ook de inzet van het ver­haal, want het gaat om die trouw van God. En God is trouw aan Jona, maar God is ook trouw aan Ni­ne­ve. En dat wordt nu juist het probleem. Een goed verhaal heeft altijd een conflict. Een verhaal zonder conflict is onleesbaar. Ook wíj zijn in feite zonen van de trouw (Ben Amittai), want de mens leeft van de trouw van God.

Duifje

De naam Jona betekent Duifje. Gods antwoord op Nineve, die grote stad met dat gigantische kwaad, is een duifje! Geen legermacht, maar een duifje. Dat woord Jona komt onder andere ook in het Hooglied voor: «De jona in de rotskloof». Het woord jona wordt ook meermalen gebruikt als beeld voor het volk van God. In Psalm 74:19 staat het woord tor, tortelduif. Dat is een aandui­ding van het volk van God in zijn kwets­baarheid,  zijn weerloosheid. «Geef uw tortelduif niet over aan het wild gedierte». Een duifje te midden van al het grof geweld. «Mijn duif in de rotskloof» Hoogl.2:14. «Uw ogen zijn als duiven (joni, meervoud)»Hoogl.4:1

Nineve, de grote stad

«Maak u op» Jona 1:2. Letterlijk: «Sta op, ga naar Nineve, de grote stad, en roep over haar». (dus niet: ‘predik’). Hij moet iets gaan proclameren over de stad. Let ook op de herhaling in het boek Jona van het woord groot, dat steeds weer terugkomt. Van Nineve wordt allereerst gezegd dat het een grote stad is. Dat wil zeg­­gen dat de stad niet binnen de grenzen wil blijven, die God heeft ge­­steld. Het hoort per definitie bij het menszijn, dat je begrensd bent. De mens heeft van meet af aan het verlangen gehad om uit zijn gren­zen te breken. Soms is het goed grenzen te trekken, grenzen waar je bin­­nen moet blijven. Maar soms is het goed grenzen te doorbreken. Er zijn ook demonische grenzen, zoals kistkalveren in een hok. Ter­wijl God in Maleachi zegt: laat die kal­veren maar springen. God zegt: kom uit je kerker, kom te voorschijn. Een positieve begrenzing is bijvoorbeeld dat je af en toe rust moet ne­men. Je kunt niet heel de wereld op je nek nemen. Dat is ook een be­gren­zing. Anders krijg je een zogenaamd messias­complex. Bij de Toren van Babel wilde men ook geen grenzen accep­teren. Ni­ne­ve wilde groot worden. En juist bij de groten worden vaak de klein­­tjes platgewalst. In een grote stad is geen ruimte meer voor het klei­­ne. God is juist groot in het kleine. In Zacharia staat: «Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden». Het kleine en het verachte wordt bij God niet vergeten. In een grote stad kun je ook zomaar vermist worden en toch ook niét ver­mist. Het heeft iets van de geest van de massa. Zo kan een grote stad iets de­monisch krijgen. Van het Nieuwe Jeruzalem wordt ook gezegd, dat het ‘dorpsgewijs’ zal wor­­­den bewoond. Een stad, bestaande uit dorpen, zodat het over­zich­te­­lijk is. Dan is het een stad op mensen­maat. Het probleem van Nineve is dus, dat het groot is. En Jona moet over haar roepen. En wat moet Jona nu roepen…. «Dat is opgegaan het kwaad voor mijn aangezicht». Jona 1:2

De grens van het kwaad

Dat kwaad gaat dus steeds hoger. Het rijst de pan uit. Het kwaad komt tot voor Gods aangezicht. En hoger kan het kwaad niet. Dat is het einde. Jona moet dus het einde van het kwaad proclameren. Het kwaad kan niet in Gods aangezicht komen. Want God is enkel licht. Gods vriendelijk aangezicht… Bij Gods aangezicht smèlt het kwaad. Want het vuur, dat voor Hem uit­gaat, verteert zijn sterkste vijanden. En ze smelten ‘als was’. De be­gren­zing van het kwaad is dus Gods aangezicht. Het probleem voor heidenen is nu juist, dat ze Gods aange­zicht niet ken­nen. Als iemand zonder het aangezicht van God leeft, leeft hij zon­der ge­zicht. Hij leeft in de blindheid, in de nacht en dan kan dat kwaad maar voort­woekeren. Een profeet moet dus het aangezicht van Gòd brengen. Dat deed Jezus ook. «Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien». Waar Jezus kwam daar eindigde het kwaad. Er is één ding, waar dat kwaad niet tegen kan, dat is het aangezicht van God. Het licht doorstraalt de nacht. Bij Gods aangezicht vindt dat kwaad dus zijn begrenzing. Een profeet stelt dus een grens aan dat kwaad. Een profeet moet meer doen dan alleen maar het kwaad signaleren. Alleen het kwaad sig­na­le­ren wordt al genoeg gedaan.

Wèg van het aangezicht des HEREN

«Maar Jona stond op» Jona 1:3. Hij staat dus inderdaad op, maar dat is om te vluchten. Jona gaat wèg van het aangezicht des HEREN. «Weg van het aangezicht des HEREN» zien we ook nog weer staan in Jona 1:10. Vluchten is de meest in het oog lopende manier om het gesprek af te bre­ken. Niet alleen kiezen op elkaar, maar steeds verder weg. Fysiek en psy­cho­logisch kost het Jona veel energie om deze vlucht uit te voeren. Je kunt je af­vragen, als Jona gewoon een rebel zou zijn ge­weest, waarom hij niet gewoon thuis was gebleven. Vanwaar die moei­te?

De postduif kiest het hazenpad.

Woorden hebben in de Bijbel vaak een gevoelswaarde. Men noemt dat ‘me­ta-taal’. Die naam Nineve had ook een extra gevoelswaarde. Plaatsnamen kun­­nen soms een extra dimensie hebben.

Dat heb je in onze tijd bij het uitspreken van de naam ‘Auschwitz’. Nineve sym­­boliseerde het tirannieke Assyrië. Gevoelsmatig zou je het kun­nen ver­gelijken met het ‘Berlijn’ van Hitler. Het was voor Jona niet zo zeer ‘ik wil niet’, maar ‘ik kan niet’. Corrie ten Boom moest na de oorlog ook naar Duitsland. Ze dacht: moet ik aan die beulen nog vertellen, dat ze vergeving kunnen krij­gen? Het was voor Jona een conflictsituatie om aan de Assyriërs te moeten ver­tellen dat er nog een kans voor ze was… Broeder, zal de gemeente van Jona hebben gezegd, is dat nu wel van de Heer, dat jij die stem gehoord hebt en dat je een roeping hebt voor Ni­­ne­ve? Jona, we zenden jou niet uit! We houden geen collecte voor je. Pro­­fetieën moet je tenslotte toetsen. Je moet je dus voorstellen dat oud-SS’ers tot bekering zouden komen. Dan kunnen heel gevoelige snaren worden geraakt. Bijvoorbeeld bij weduwen van verzetsstrijders. Later samen in één hemel, dat gaat nog. Maar beul en slachtoffer samen in dezelfde gemeente!? Jona denkt bij zichzelf: daar kan ik thuis niet mee aankomen, dat kan ik thuis niet maken. Jona’s probleem was: hoe kan God barmhartig zijn voor de beulen én recht doen aan de slachtoffers. Het grote probleem van God was, hoe Hij Nineve en Jona tegelijk in zijn armen kon sluiten. Israël en Assyrië samen aan één tafel….

Zover het westen is van het oosten

Jona moest naar het oosten en hij gaat naar Tarsis, het uiterste wes­ten. Jona wil ook absoluut eerlijk zijn en dat valt soms niet mee. Eerlijk duurt het langst. Maar de lange duur der dingen kan een mens breken.

Spreuken zegt: «Een langgerekt hopen maakt het hart ziek».

En omdat Jona eerlijk is, kan hij ook niet meer gewoon thuis blijven. De naam Nineve hangt samen met hetzelfde woord waar het woord Nim­rod mee samenhangt, namelijk Ninurta. Dat was onder andere de god van de jacht. Een andere jachtgod in de Babylonisch-­Assyrische wereld werd afge­beeld met een net. Dat net was zijn symbool. Het Hebreeuwse woord chèrem wordt meestal vertaald met ban. Dat woord kan ook net betekenen. Ze werden in de ban gedaan, ze werden in het net gedaan. Nineve was gewijd aan Ninurta. Jona kán dus niet naar Nineve. In wezen is hij een verwond mens. Jona heeft een trauma vanwege de oorlogsslachtoffers. Elie Wiesel, wiens vader in een concentratiekamp is gestorven, zei: mijn vader is niet zijn eigen dood gestorven. Die dood hebben ze mijn vader opge­legd. Hoe komt iemand klaar met die oorlogswonden? En Jona zìt met dat pro­bleem. Jona vlucht naar Tarsis. En die naam Tarsis komt ook op de laatste blad­zij­de van Jesaja weer voor. «Naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen…de verre kustlanden, die de tij­ding aangaande Mij niet hebben gehoord» Jes.66:19. Van Tarsis wordt dus gezegd, dat ze daar nog nooit de naam van God heb­ben gehoord… Juist dáárom wil Jona daarheen, namelijk om nooit meer her­innerd te wor­den aan de naam van God. Als Jona thuis was gebleven en de volgende sjabbath in de synagoge de lezing van de Torah had gehoord – de vijf boeken van de ont­fer­ming –  had hij gedacht: is die ontferming ook voor Nineve? Jona kan nooit meer een samenkomst meemaken. Jona vlucht weg van het aangezicht des HEREN, weg van het aange­zicht van de barmhartigheid. En dan gaat Jona naar Jaffa (Jafo-Jop­pe). Uitgere­kend daar, waar Petrus later de opdracht krijgt om het heil aan de heidenen te brengen. Hij vindt daar een schip. En dan staat er letterlijk en dat is een sleutelwoord in het boek Jona: «Hij daalde af in haar (jarad) ».  Jona 1:3

Het afdalen van Jona en het afdalen van God

Hier begint het afdalen van Jona. Jona daalt steeds verder af, totdat hij op de duur aan de grond zit en nog dieper…Dat afdalen heeft ook nog een aspect vanuit Gods kant. Gods genade daalt dan ook steeds dieper af naar die afge­daalde mens toe. Het is dus eigenlijk een dubbel beeld. In dat afdalen is Jona tegelijk beeld van God. God daalt ook af. Dat zie je ook in Exodus 3:3.

De Roeach Elohim schept leven

«Maar de Here wierp een hevige wind op de zee» Jona 1:4. Een ‘roeach gedolah’ en dat betekent letterlijk een grote  wind. En roeach is alles wat beweegt: adem, wind. Dat is ook Genesis 1:2: «Roeach Elohim». «De adem van God zweefde over de wateren». De roeach doet twee dingen: orde scheppen en leven wekken. En als die roeach in Genesis 1 over de wateren gaat, dan komt er straks le­ven uit.

En nu komt die roeach over de zee, dus straks komen al die schepe­lin­­gen tot bekering. Er komt leven uit de zee…. Er komt leven uit de dood. «En er geschiedde een grote storm» Jona 1:4. Op die zee wordt in wezen uitgebeeld wat er in Jona gebeurt. De adem van God komt over Jona en ook in Jona gaat het geweldig stor­men. Het woord, dat voor schip wordt gebruikt, lijkt op een vrouwelijke vorm van het woord ik. (schip- ‘onijjah, ik –  ani), Joodse verklaarders zeggen: in wezen is dat schip een beeld van de mens, van het i­k. Zoals dat scheepje door de storm gaat, zo gaat in we­­zen Jona door de storm. «Zodat het schip dreigde te worden stukgeslagen» Jona 1:4. Letterlijk: «Zodat het scheepje dreigde te breken» Het scheepje wordt hier gepersonifieerd. Het krijgt die roeach van God over zich heen en dan ook nog die grote storm. Zo gaat het ook in de geest met Jona; hoeveel storm kan een mens verdragen.

Een vreemde bidstond

«En riepen ieder tot zijn God» Jona 1:5. Letterlijk: «Schreeuwen van angst». Het werd een vreemde bidstond. Ze schreeuwden om hulp (za`aq). Die schepelingen zijn beeld van de heidenwereld. Volgens de Joodse tra­­ditie waren er 70 aan boord, die 70 heidenvolken waren daar verte­gen­­woordigd. Het werd een Babylonische bidstond. «En zij wierpen de lading die in het schip was, in zee» Jona 1:5. Eerst werpt (tul) God die roeach over de zee en dan werpen die zee­lie­den de lading overboord. Het scheepstuig, dat ze eigenlijk nodig hebben om verder te kunnen va­ren, gooien ze in zee. «Om het daardoor lichter te maken» Jona 1:5. Letterlijk: «Om zich te verlichten». Het kan ook betekenen, dat ze dat scheepstuig als een offer aan de go­den overboord gooien. «Om zich daarmee te verlichten». Dus om hun schuld daarmee af te lossen. Dat was de logica van de gojim: als daar een storm opsteekt, zijn de go­den boos.

Het afdalen van Jona en van Jezus

«Jona echter was in het ruim van het schip afgedaald» Jona 1:5

le keer: De afdaling naar Jaffa.

2e keer: De afdaling in het schip.

3e keer: De afdaling in het ruim.

Letterlijk: «Jona was afgedaald in de zijden van het schip». Of:  «In de buik van het schip». (jarkete- flank). Hetzelfde woord wordt ook gebruikt in Jesaja 14. «Ik zal opklimmen aan de zijden des hemels». Hij is dus afgedaald tot in de buik van het schip. Hier zit tegelijk die Messiaanse weg in, want Jezus daalde ook steeds ver­der af.

Een diepe slaap:  van één tot velen

«In een diepe slaap gevallen (radam) » Jona 1:5. Dat woord radam kan ook betekenen: verdoving, narcose. Dit woord komt ook voor in Genesis 2, als Adam in een diepe slaap komt en die rib uit zijn zijde wordt genomen. Uit die rib wordt de vrouw gebouwd. Merkwaardig, hier wordt voor de eerste maal gezegd, dat God iets gaat bou­­­wen. En van­uit die diepe slaap wordt de mens van één tot twee. Je komt dat woord ook tegen in Genesis 15, waar er een diepe slaap over Abra­­ham valt, als hij die offerdieren in tweeën heeft gedeeld. En in die nacht trekt God daar tussen­door en Abraham maakt dat in de geest mee. In Genesis 15:12 staat ook dat woord tardamah (ook: narcose, ver­­do­ving). En God vertelt daar aan Abra­ham over de toekomst, over de ver­drukking en over de uittocht. Op dat mo­ment is Abraham nog één, maar hij zal worden tot velen. Ook Jezus maakt de doodsslaap door en ook Hij wordt van één tot velen. Van één zoon tot vele zonen. Ook Jona gaat in die diepe slaap over van één naar velen. Hij is er niet alleen voor zichzelf, hij zal er zijn voor velen. Jona wilde mens zijn op zijn eentje. Maar hij was niet bestemd om so­li­tair te zijn, maar soli­dair. Die diepe slaap van Jona is tegelijk een soort doods­­slaap. Het is de slaap ook van de dadenloos­heid. Jona heeft zich als het ware te­rug­getrokken in een soort win­terslaap. Hij is afge­daald in de nacht. We zien dus dat steeds als er geschiedenis wordt gemaakt, steeds als er ‘gebouwd wordt’, er sprake is van die diepe slaap. Allemaal bidden ze dus, behalve Jona. Alle heidenen waren op de bid­stond, maar de profeet was er niet. En tegelijk is Jona het volk van God.

Sta op

«En de gezagvoerder kwam bij hem» Jona 1:6. De rav, de leider. Het woord rabbi komt daar vandaan.

«Sta op (qum)» Jona 1:6. Dat had God ook tegen Jona gezegd. Soms spreekt God door een hei­den. Dat zien we ook aan het begin van Jona. Daar moest Jona ook roe­pen. «Roep tot uw god (qarah)».  Jona 1:6

Misschien

Het laatste woord is altijd aan het misschien. Misschien is die god van jou het antwoord. Het wachten is op die ont­bre­kende god. Er wordt niet meer vermeld of Jona toen is gaan bid­den. Heel bewust wordt dat open gelaten. «Laat ons het lot werpen … door wie»  Jona 1:7. Er staat dus niet door ‘wiens schuld’. Dat is die bepaalde vorm van den­­ken, die altijd ergens de schuld wil zoeken. Het probleem van de schuld­vraag . «Door wie dat kwaad is geschied» Jona 1:7. Vergelijk  Jona 1:2: «Het kwaad was opgeklommen». «En het lot viel op Jona» Jona 1:7. Het volk van God krijgt altijd de schuld. Het lot werpen werd vaak gedaan met steentjes of met stokjes. Het lot valt altijd op het volk van God. Altijd op de Messias. Altijd op de zon­de­­­bok. Uiteindelijk valt het lot altijd op die ene, die moet gaan voor al­len. «God verkondigt met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid» Hand.17. Het kwaad wordt hen dan ook niet aangerekend. De gojim gaan vrij­uit. «Meld ons toch» Jona 1:8. Hier proberen ze de zwijgende profeet aan de praat te krijgen. En dan stel­­len ze hem vier vragen. Dat zijn de vier kernvra­gen, waar ieder mens een antwoord op zoekt. Die heidenen vragen Jona de bodem uit zijn hart. Ze vragen héél zijn geloofs­belijdenis. Als de gojim vragen gaan stellen, dan komt het onderste boven. «Door wie dit kwaad ons treft». AV.  Dat is eigenlijk nog een ‘voorvraag’.

Vier vragen aan Jona

1. «Wat is uw bedrijf». Letterlijk: uw werk (uw ambacht).

Dat woord staat ook in het scheppingsverhaal. God rustte op de zevende dag van al het vakwerk. (mal’akah, vakwerk). Ook in Exodus 20: «Zes dagen zul je al je vakwerk doen». Dat is de kernvraag voor ieder mens: wat dóe je op aarde. 

2. «Vanwaar komt gij».  Wat is je oorsprong.

3. «Wat is uw land».

4. «Van welk volk zijt gij (am) ».

Je vakwerk, je oorsprong, je land, je volk. Dat vraagt ieder mens zich af. En de heidenen wachten op de profeet, die op die vraag het antwoord kan geven. Die heidenen dobberen op de zee van de tijd, op de golven van de tijd en ze vragen: is er nog een woord van de andere kant? En dan krijgen ze antwoord. «En hij zeide tot hen»  Jona 1:9. Jona gaat vertellen. Dat bewijst temeer, dat Jona niet zo’n rebel was, anders had hij zo niet kunnen vertellen. Die heidenen hebben natuur­lijk ergens wel het gevoel gehad, dat Jona een geval apart was. Ze wis­ten ook, dat hij op de vlucht was. Het getuigenis van Jona is indrukwekkend. «Ik ben een Hebreeër (Ibri)» Jona 1:9. Ik ben iemand van de overkant. Dat woord Hebreeër wordt juist gebruikt als gesproken wordt van Is­ra­­ë­lie­ten door mensen buiten Israël. Ik ben een overtrekker, iemand die op over­tocht is. “De wereld is een brug, trek erover heen, maar bouw er niet je huis op”.

Dit is een van de zogenaamde ‘ongeschreven woorden van Jezus’.

Die de zee en het droge gemaakt heeft

«Ik vrees de HERE (ontzag hebben voor), de God des hemels (Jona zegt hier de ver­bonds­naam), die de zee en het droge gemaakt heeft» Jona 1:9. Meestal wordt gezegd: «De God die hemel en aarde gemaakt heeft» Jona spreekt van de God van de hemelen. Hij, die boven alles is. Een dak boven je hoofd. Jona gaat de aarde opsplitsen, en hij spreekt van de zee en het droge. Mijn God heeft die stormachtige zee gemaakt. Mijn God heeft die zee ge­­maakt, al speelt hij nog zo op. En op de derde dag, zegt Genesis 1, komt het droge te voorschijn. Wel, zegt Jo­na, mijn God heeft het droge gemaakt. Zo verkondigt Jona als het ware het evangelie, dat ze allen weer op het dro­ge zullen komen. Jona brengt structuur in die kolkende chaos. Hij verdeelt de chaos in drie delen: Hij is de God van de hemelen, van die onzienlijke wereld, van waaruit Hij alles bestuurt. Van daaruit ves­tigt God zijn koning­schap op de aarde. Jona verdeelt de aarde dus ook in twee delen, de zee en het droge. Het droge komt! Er komt een derde dag. Er komt land in zicht. Ook is er een verband met de geschiedenis van Noach en de zond­vloed. Daar zien we de duif (Gen.8:12), die uitein­delijk ook ‘voet’ op het dro­ge krijgt. Als die duif niet meer terugkeert. begrijpt Noach dat de aar­de is opgedroogd. Jona’s naam betekent ook duif. Dat droge speelt dus een belangrijke rol. We zien het in Genesis 1: de derde dag. Ook in Exodus 14, als het volk door de zee trekt. Door dit getuigenis geeft Jona in feite antwoord op de vier vragen. Zijn ambacht is, dat hij een Hebreeër is; een mens op over­tocht. Waar kom je vandaan? Van die God des hemels. God houdt ook niet op met scheppen. Daar is Hij nooit mee opge­hou­den. Hij gaat nog altijd door om het droge te scheppen. Er is nog altijd land in zicht. Want als je de Torah uit hebt, begin je weer bij Genesis 1. En aan het eind van de Torah heb je Deuteronomium 34. Mozes ziet dan het land van­uit de verte. Daarna krijg je dus weer Genesis 1. Daar komt het droge wéér te voor­­schijn.

«Toen vreesden die mannen met grote vrees» Jona 1:10. Dat is een typisch Hebreeuwse uitdrukking. Weer dat woord groot.

«Wat hebt gij toch gedaan? want die mannen wisten, dat hij op de vlucht was, weg van het aangezicht des HEREN, want dat had hij hun meegedeeld» Jona 1:10. «Wat zullen wij doen met u» Jona 1:11. Wat hebben die heidenen een geduld. Anderen hadden Jona wellicht al­­lang overboord gegooid. “Uít de gemeente die man! En als er bid­stond is ligt hij te slapen”. De gojim laten ten diepste de profeet beslissen wat er met hem gebeu­ren moet. Dat kunnen zìj ook niet beslissen. Je kunt Jona moeilijk in de nazorg doen bij de heidenen.

Werpt mij in de zee

«Werpt mij in de zee».Jona 1:12. Weer dat woord werpen.

Jona neemt het òp zich, dat is weer helemaal Messiaans. Dat is geen re­bel­se taal. Hij schuift het niet af. Hetzelfde deed Jezus, als Hij in Geth­­semane zegt: «Neemt mij maar en laat dezen gaan». Het volk van God draagt de lasten. De lasten worden niet gelijkelijk verdeeld. Dat is in de Bijbel nooit het geval. Gerechtigheid is nooit, dat de lasten gelijk worden verdeeld. Het is altijd: één voor allen.

Waarom is er die storm in de wereldgeschiedenis? Steeds om dat volk van God. Dat is die wonderlijke botsing van krachten. Rondom de Mes­sias gaat het stormen. «Rondom Hem stormt het geweldig» Ps.50

Zo bundelen die krachten zich òm God, òm de Messias, om het volk van God. De discipelen zullen ook wel hebben gedacht: sinds we Jezus aan boord hebben, is het altijd raak. Soms lijkt het of er in het Koninkrijk Gods maar één wind­richting is en dat is tegenwind. Dat gaat door tot in Handelingen. Paulus lijdt schip­breuk. Het blijft stormen, totdat Paulus in Rome is. Jona, Jezus, Paulus, steeds maar weer die storm op zee.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406166 bezoekers sinds 07-06-2010