Jesaja

20-12-2012 door Dr. K.D. Goverts

Jesaja 13 – 23

Hij doet mij op mijn hoogten treden

Boven Jesaja 1 zou je kunnen zetten: alles wordt gesloten, alle deuren gaan dicht. De ervaring dat alles potdicht zit, is iets dat ook in de tijd en in een men­­sen­le­ven tot uiting kan komen. Het Woord van God is overal, het is alomte­gen­woordig. Het Woord van God gaat door alles heen. Het Hebreeuws heeft daar een prachtige uit­druk­king voor: u-bekol zōth (en in dit alles). Paulus zegt dat ook in Romei­nen 8:`En in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft lief­ge­had. – Rom.8:37. ‘In dit alles’ kan ook vertaald worden met ‘door alles heen’. Het is niet ‘on­­­danks alles’, maar ‘door alle dingen heen’, zoals er staat in een lied:

Ruwe stormen mogen woeden,

alles om mij heen zij nacht.

Door een nacht hoe zwart hoe dicht,

voert Hij mij naar ‘t eeuwig licht.

Een uitdrukking die vroeger wel werd gebezigd, was: per aspera ad as­tra. Door de moeiten, door de ruwe en moeilijke omstandigheden heen naar de sterren. Door de diepten naar de bergtop, naar die innerlijke hoog­te. Daar eindigt Ha­ba­­­kuk ook mee: Hij doet mij treden op mijn hoogten. – Hab.3:19b. Je mag je innerlijke hoogte weer vinden, zoals ook wordt weergegeven in een lied:

Al zou de vijgenboom niet bloeien,

geen opbrengst aan de wijnstok zijn.

Toch zal mijn beker overvloeien,

want Jezus schenkt mij vreugdewijn.

Ik zal mij aan zijn belofte binden

en wordt met zijn gezag bekleed.

‘In dit alles, door alles heen’ wordt ook vaak door André Neher aange­haald.

Verstrooide gedachten worden bijeengebracht

In Jesaja 1 wordt gesproken van een rechtszitting en ook van een zieken­huis. Waar wilt gij nog meer geslagen worden, dat gij voortgaat met af te wijken? Jes.1:5a. Achter gesloten deuren houdt God zitting, alsof Hij wil zeggen: nu ga Ik on­­­der vier ogen met je spreken, want dan kun je niet meer alle kanten op gaan. Dan wordt de weg ‘toegemuurd’. Het volk wilde alle kanten op flad­de­­ren, maar dan vraagt God om aandacht. Dan komt het mo­ment van concentratie, want al­­le verstrooide gedachten moeten weer bij­eengebracht worden. Daar is God ook in deze tijd mee bezig: concen­tratie op het wezen. Er ko­­­men zo­­veel gedachten op een mens af, waar­door hij kan worden af­ge­­leid van de wegen Gods. Het is misschien de grootste tactiek van de vij­­and om de mens te ver­strooi­­en, om zijn geest te verstrooien. Joost van den Vondel bracht dat on­der woorden in een be­rijming van psalm 23.

Indien mijn geest verstrooi

en afdwaal van de kudde en rechte streken.

Hij brengt ze weer te kooi.

Het is goed om je af te vragen waar je met je gedachten bij be­trok­ken bent, waar je geest mee is verbonden, waar je geest op is gericht. Als alle deuren dichtgaan, kan het heel stil worden vanbinnen. Laat het nu maar stil worden om je heen, laat het nu maar stil worden van­bin­nen. Dan vallen alle uiterlijkheden, alle franje en bijkomstigheden weg.

Al het aardse wordt dan zo wonderlijk vaag

als ge zelf in zijn glorielicht staat.

Die concentratie op dat Ene, op dat Ware is nodig. Concentratie op dat kostbare, op die in­­nerlijke schat, opdat alle bijzaken op de achtergrond raken en ver­dwij­nen.

Concentrische cirkels als vormkenmerk

De compositie van een bijbelboek laat je al heel wat ontdekken over de gees­te­­lijke werkelijkheid. Vorm en inhoud horen bij elkaar, dat is een geestelijk principe. Buber zei: Das ist das Formgeheimnis der Sprache. (Dat is het vorm­ge­heim van de taal) De vorm is dus geen bijkomstigheid, maar vertelt je wat de inhoud is. De vorm is de boodschap, de geestelijke werkelijkheid en die kun je niet van elkaar losmaken. Zo is het ook met een gedicht of een lied. Dat kun je ook niet met eigen woorden weergeven. De profeet geeft een bepaalde vorm aan zijn woorden en in die vorm is de geest aanwezig. Jesaja gebruikt een paar prachtige vormkenmerken en één daarvan is het gegeven van concentrische cirkels. Dat is een zin­vol gegeven, want die cirkels hebben een middelpunt. Als Jesaja op die ma­nier concen­trisch gaat beschrijven, spre­ken, zingen en vertellen, dan is dat meteen een sleutel. Dat is dus geen bij­kom­stigheid, want je kunt niet de vorm wegnemen om de inhoud over te houden. Vorm en inhoud hebben heel diep met elkaar te maken. Concentrisch betekent ten eerste dat er een middelpunt is en dat mid­del­­­punt is God. Alle profetische woorden die soms hoogte, soms diepte be­­­schrijven, hebben een middelpunt. Zo is het ook met ons. Ons hele le­ven heeft één centrum, want het is concentrisch. Het cirkelt allemaal om één middelpunt. Faber noemt dat: ‘cirkelen om een geheim’. God Zelf is ons middelpunt en tegelijk ook ons doel. Uiteindelijk moet je bij dat mid­­­­delpunt, bij Godzelf, bij zijn karakter, bij zijn Wezen, uitkomen, dus ook bij het Godsbeeld dat je hebt. Concentrisch betekent in de tweede plaats dat er altijd een cirkel om­heen is, dus je leven wordt omvat. De buitenste cirkel vertelt ons dat ons leven en de wer­­kelijkheid omsloten wordt. De tijd wordt omsloten door het eeu­wi­ge, het donker wordt omsloten door het licht. De mens wordt omvat door de eeuwige Geest. Je dobbert niet zomaar ergens wat rond op de gol­­ven. Een rabbijn heeft gezegd: wij zijn de golven en God is de oceaan. We zijn omsloten door Hem. Hoe ver je ook naar buiten gaat, je komt al­tijd bij de buitenste cirkel terecht en dat is zijn goddelijk Wezen. Bierens de Haan zei zo mooi: de rivier kent haar oceaan. Alle rivieren stro­men daar­heen.

Hoort, hemelen en aarde, neig uw oor

Jesaja 1:2 begint met de woorden: Hoort, hemelen en aarde, neig uw oor. Dat is meteen de inzet van heel het profetische boek, want het gaat om de héle kosmos. Dat herinnert meteen aan de eerste zin van het boek Ge­ne­­sis. Het gaat over de hemelen en de aarde, de geestelijke en de na­tuur­­­­lijke wereld, de onzichtbare en de zichtbare wereld. We moeten den­­­ken in twee dimensies, want het gaat niet alleen maar om de aarde, maar om de hemelen èn de aarde. Wat zou een mens zijn als hij alleen maar de aarde had? Dan zou je pas echt opgesloten zitten in het natuur­lij­­ke. In Jesaja 37 wordt opnieuw gesproken over ‘hemelen en aarde’. Dat doet ons tegelijk zien, hoe het hele boek Jesaja een eenheid is. en bad tot de HERE: Ø HERE der heerscharen, God van Israël, die op de che­rubs troont, Gij, Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde; Gij hebt de he­­melen en de aarde gemaakt. – Jes.37:15,16.

Hemelen en aarde is de aanhef van Jesaja 1 en dat komt in het centrum van het boek Jesaja weer in beeld, specifiek in het gebed van Hizkia. Hij gaat bidden in een heel bedreigende situatie, want er zijn vijanden ron­dom Je­ru­zalem. Jeruzalem is de kern van je bestaan, het centrum van wat je bent. Elk mens heeft zijn Jeruzalem. Het kan zijn dat  je helemaal om­sin­geld, omsloten wordt, net als in Jesaja 1, waar alles op slot is. De Assyriërs bevinden zich rondom Jeruzalem. Hizkia ziet overal om zich heen legers, vijanden, generaals, commandanten; hij kan geen kant meer op, hij wordt omsloten door het donker.

God zetelt op de kerubim

Hizkia kan nog maar één ding doen en dat is bidden. Hij zegt in zijn ge­bed: U bent Adonai Tseba’ot, de Here der heerscharen, U bent de God van Is­ra­el, U zetelt op de kerubim (cherubs). Van kerubim is voor het eerst sprake in het paradijsverhaal.

`En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de che­rubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken. – Gen.3:24.

Er staat eigenlijk ‘om de ingang te bewaren’. De ingang moet bewaard blij­ven voor de toekomst en de cherubs zijn de bewakers. Van kerubim is ook weer sprake bij het verzoendeksel. Als er staat dat ‘de Eeuwige ze­telt op de kerubim’ verwijst dat ten eerste naar het pa­radijs en ten twee­de naar de verzoening. God zetelt op de verzoening, dat is de plaats waar je Hem kunt vinden. Het verzoendeksel is de plaats van de verzoening. De ke­rubim kijken vol verwondering naar het ver­zoendeksel. Ze zijn de bewakers van het pa­ra­dijs dat heropend gaat wor­den. Het kruis van Golgota is de plaats van de verzoening en daar zegt Jezus: He­den zult gij met Mij in het paradijs zijn. (Luc.1:43). Daar vind je in wezen die twee principes weer terug. De verzoening wordt volbracht aan het kruis en het paradijs wordt heropend. Als iemand op dat moment met gees­­telijke ogen had gekeken, dan had hij kunnen zeggen: ik zie de che­rubs. En het kruis is de boom des levens. Die oude middeleeuwse zan­ger heeft dat geweten, toen hij zei dat ‘God vanaf het hout regeert’. God re­geert vanaf het kruishout.

Wat David in de geest voorzag,

dat God vanaf het hout regeert.  Gez.185:4

Dat kruis stond als het ware tussen de kerubim, tussen de cherubs. Dat is de plaats van de verzoening en de plaats waar het paradijs weer open­­gaat. Hizkia zegt in zijn gebed: ‘U zetelt op de kerubim’ en aan het eind van vers 16: ‘Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt’. Dit is een heel sterk gebed. In een gebed kun je soms heel veel zeggen. Hizkia staat in dat gesloten Jeruzalem, waar hij geen kant meer op kan. Hij zegt allereerst wie God is en zo komt hij weer bij zijn karak­ter. Dat is het centrum van heel het boek Jesaja. In Jesaja 1:2 staat de aankondiging: ‘hemel en aarde’. In Jesaja 37:16, het centrum van het boek Jesaja, is er een koning en hij vormt het mid­delpunt van het hele volk. Zijn gebed vormt het mid­del­punt van het hele boek. In dat gebed is God Zelf het middelpunt. Hizkia gaat een paar dingen uitspreken aangaande God. Hizkia spreekt namen van God uit: ‘Die ze­­telt op de kerubim’. Het is niet zomaar toevallig dat dat daar wordt uit­ge­­­spro­ken. Het is goed om te letten op die verbanden.

De getrouwe veste wordt weer stad der gerechtigheid

Een paar voorbeelden van het concentrische schrijven van Jesaja.

1. Jesaja 1:21-27.

Hier wordt verteld hoe de toestand van het volk is in die dagen. Als je hoort hoe dat gedeelte begint en eindigt, dan begrijp je meteen waar het om gaat. Hoe (of ach) is de getrouwe veste (qirjah ne’emanah) tot een ontuchtige ge­wor­­­den, zij die vervuld was van recht, en waarin gerechtigheid overnachtte, en nu – enkel moordenaars! – Jes.1:21. Letterlijk betekent Qirjah ook stad en dat komt in verschillende namen voor, zoals: Kirjat-Jearim, Kirjat-Arba.

De Statenvertaling zegt ‘de getrouwe stad’. Hier is het dus de aan­dui­ding van Jeruzalem, van Tsion, van je innerlijk wezen, je innerlijke kern. Je kunt ook vertalen ’stad van geloof’. Dat is het in wezen ook. Emunah betekent vertrouwen, maar ook: geloof, vastheid of hecht­heid. De stad van de hechtheid, van de betrouwbaarheid. Wat is daarvan overgebleven, wat is daarvan geworden? zegt de profeet. Het is soms zo vervormd en misvormd. ‘Ze was vervuld van recht en het was een plaats waar de waarachtigheid kon overnachten (vs.21)’. We zien de prachtige compositie van Jesaja: In Jesaja 1:26 gaat God herstellen. `Uw rechters zal Ik weer maken als weleer en uw raadsheren als in den be­gin­ne. Daarna zal men u noemen: stad der gerechtigheid, getrouwe veste.- Jes.1:26.

Het einde van dit vers heeft precies dezelfde woorden als het begin van vers 21: ‘getrouwe veste (qirjah ne’emanah)’. Dat is niet toevallig, maar wil zeg­gen dat de laatste woorden van vers 26 betekenen: ‘ir ha tsèdeq (stad van waarachtigheid), zo zal zij geroepen worden. Het zal weer worden als in den beginne. Na het einde komt het begin, dat is de goddelijke orde. Als alle wegen dood­­lopen, zegt Tom Naastepad, zal het volk van God zeggen: ‘Er is geen ander begin dan bij U, die de hemel en de aarde gemaakt heeft’. Mis­­schien zeggen ze dat nog niet vandaag, maar wel morgen. In de verzen 21 – 26 zie je die prachtige compositie. Daar wordt verteld over on­recht, over alles wat fout ging, over al wat ontspoorde, maar het wordt om­slo­­ten door ‘getrouwe veste’ aan het begin en ‘getrouwe veste’ aan het eind. Concentrisch, maar je kunt ook spreken van een inclusio, een omsluiting. Dat wil ook zeggen dat het kwaad omsloten wordt door het goede. Pau­lus zegt ook: ‘Overwin het kwade door het goede’. Je zou het kunnen ver­ge­lij­ken met een moeder die haar kind dat door het dolle heen is, net zo­lang in haar armen neemt tot het gekalmeerd is. Aan het begin van Jesaja 1 zien we ook heel sterk het beeld van het moe­der­­lijke aspect: ‘kinderen heb ik grootgebracht’. Iemand vertelde: als ik vroeger als kind iets verkeerd had gedaan, werd mijn vader kwaad en kreeg ik een pak slaag. Daar kom ik wel weer over­­heen, dacht ik dan. Als vader op­houdt met slaan, dan is het weer over. Maar als ik wat fout gedaan had, be­gon moeder te huilen en daar kon ik niet tegen. De tranen van mijn moe­der kon ik niet verdragen. Dat ging veel dieper, want dat raakte je wezen. Dat is ‘evangelisch berouw’. Hier, in Jesaja 1, zie je God in zijn tederheid. God overziet wat een be­paald gedrag voor consequenties heeft, maar de mens overziet dat vaak niet.

De droefheid naar Gods hart

Dat is ook wat 2 Korinte 7:10 noemt ‘de droefheid naar God’. In de NBG-vertaling staat ‘de droefheid naar Gods wil’. Deze vertaling is veel te vrij, want  er staat eigenlijk: ‘overeenkomstig God, de droefheid volgens God’. De droefheid zoals God die kent; de droefheid in zijn stijl; de droef­heid in zijn orde; de droefheid op de manier zoals Hij die voelt. Het wil zeggen dat je de gedachten en ook de gevoelens van God overneemt. Je zou ook nog kunnen zeggen: ‘droefheid naar Gods hart’. Die droef­heid bewerkt dan een meta-noia, een omkeer, een verandering van den­ken tot onberou­we­lij­ke zaligheid (sootèria), tot onberouwelijke redding, be­houdenis. Het concentrische aspect kan op twee manieren tot uiting komen. Het ene beeld is: het donker wordt omsloten door het licht. Beelden vullen el­kaar soms aan. Licht is al­om­­vattend, alles omsluitend en het donker zit uiteindelijk gevangen binnen de cirkel van het licht van God. Het andere aspect zien we in Deu­tero­no­mium 4:11 bij de berg Sinai: wol­ken en don­ker­heid rondom de berg, maar daarbinnen is het licht. Dat is eigenlijk het binnenste heilig­dom, daarbinnen is God. ‘Ron­dom Hem zijn wolken en donkerheid’, maar daarbinnen is die kern. Mozes gaat door die wolken, door die don­ker­heid heen en komt dan bij het licht van God Zelf. Daar­binnen is als het ware die binnenste cir­kel waar God Zelf woont en waar het licht van zijn Wezen straalt. Bij de taber­nakel en de tempel was dat in wezen ook zo. Aan de buitenkant was het een vrij donker gebouw. In het heilige stond de menora, de kan­de­laar. In het heilige der heiligen was geen natuurlijk licht. Daar stond de ark des verbonds, waar God Zelf woon­­de en waar zijn Aanwezigheid het enige Licht was.

De geestelijke strijd wordt openbaar

Waar de aanwezigheid van God zich manifesteert, vindt ook de con­fron­tatie tussen goed en kwaad plaats. Dan gaat de situatie zich toespit­sen en wordt de geestelijke strijd openbaar. Dat zien we bijvoorbeeld ook als Mozes en Aäron naar de farao gaan. Zolang daar nie­mand van Godswege is, kan de farao ongestoord zijn gang gaan. Dat is wat Je­zus ook zegt in Lucas 11: Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid. Ø Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit. – Luc.11:21,22.

De weerstanden komen openbaar als er een sterkere macht komt. Als je een knup­pel in een hondenhok gooit, beginnen die dieren te blaffen. Zolang nie­mand iets doet, blijven ze rustig liggen. Het is het beeld van een aarde die rustig en stil is, waar een toestand van ui­terlijke vrede heerst. Maar zodra het Licht komt, zodra het Woord komt, komt er ook een re­ac­tie. ‘Werp het woord er maar in’, zei Kohl­brugge. Als het Woord er­in wordt geworpen, komt ook de tegenstand openbaar. Dan komt er een toe­­spit­sing tussen licht en donker.

De getrouwe veste krijgt een naam

In Jesaja 1:21-26 zien we dus een voorbeeld van een concentrische op­bouw. In vers 27 krijgt ‘de getrouwe veste’ een naam. De naam van die innerlijke kern, dat innerlijke wezen is Tsion. In Jesaja 1:21-26 wordt er geen naam ge­noemd. Die stad moet eerst te voorschijn komen. Het is net een schep­pings­­verhaal. Jesaja 1:21-26 geeft de geboorte aan en in vers 27 krijgt het kind een naam: Tsi­on! Eerst is er een naamloos kind en in vers 27 vindt de naam­geving plaats. Tsion kan betekenen: hoogte, merkteken, mijlpaal, ge­denk­­­­­teken, mo­­nu­ment. Zet een merkteken neer, een ANWB-bord. Dan weet je hoe­veel kilometer je nog moet rijden om je be­stem­ming te be­rei­ken.

Een innerlijke geboorte op de berg des Heren

In Jesaja 2:3-5 zien we nog een voorbeeld van een concentrisch opbouw. In vers 3 trek­­ken de volkeren op naar de berg des Heren.

En vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt (gaat), laten wij opgaan naar de berg des HEREN (laten we gaan en laten we omhoogtrekken), naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem.Jes.2:3.

Het is een opgang naar de hoogte om innerlijk op niveau te komen. Het is natuurlijk een innerlijke opgang. Het gaat niet om een plaats die geo­gra­fisch wat hoger ligt, maar een plaats die innerlijk hoger ligt.

Was anders steeds mijn hart gewond,

stel mij, o Heer, op hoger grond.

Het gaat erom die innerlijke gronden te vinden, die hooggelegen bron­nen.

De ‘berg des Heren’ is gekwalificeerd door de naam van God. Een berg heeft in het He­breeuws ook te maken met ‘in verwachting zijn’. In de Hebreeuwse taal hoort dat bij elkaar.

Har = berg.

Herajon = zwangerschap.

Aharon = Aäron.

‘De berg des Heren’ is ook de plek van de geboorte, de plaats waar je in­ner­lijk geboren wordt. Zo was de berg Sinai voor het volk ook in wezen een plaats van geboorte. Als je die woorden hoort, dan word je van bin­nen­uit geboren. Dat staat ook in 1 Petrus 1:

Als wedergeborenen niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God. 1 Petr.1:23.

Het is het woord van je geboorte, het is het woord dat in jou iets ver­wekt. Je wordt tot aanzijn geroepen. Zo staat ook bij Abraham dat het ‘niet zijnde tot aanzijn geroepen werd’. Als je het woord hoort, dan wordt er vanbinnen iets geboren. In feite is heel de bijbel, van Genesis tot Open­­baring een geboorteverhaal. Genesis betekent ook geboorte en Open­­­­­­baring is Apocalyps, onthulling, dus dan komt het kind te voor­schijn. Dat zit ook in de naam Aäron, Aharon, want dat is de priester en hij is in we­zen degene die de mensen helpt om geboren te worden. ‘Kom maar te voorschijn, wordt maar geboren’, zegt de priester. Dat is ook de in­houd van het gesprek van Jezus met Nikodemus. Nu ben ik stokoud, zegt Nikodemus, maar ik zou eigenlijk wel geboren willen worden. In een gedicht van Hans Lambertus over een blind meisje in een boom­gaard, wordt door haar gezegd: ik wil opnieuw geboren worden. Daar zit een prach­tige symboliek in. Dat gedicht eindigt met de woorden: ‘Kom, wij slaan een bladzij om’. Dan komt er een blanco blad, waarop God zijn verhaal over jou gaat schrijven. ‘God heeft gedachten’, zeiden ze in de Middeleeuwen. De Goddelijke ge­­dachten bestaan uit een Boek dat de letters bevat van zijn wil. God wil in jouw boek ook wat schrijven. Schrijven in je hart, schrijven in je in­ner­lijk en dat wordt dan de oer-Torah, de oorspronkelijke Torah genoemd. Dat Boek was bij Hem van oorsprong af. God is Geest en daarom moet je dit beeld niet in de natuurlijke wereld plaatsen, want dan krijg je wat vreem­­de voorstellingen. Het is wel een beeld en dat beeld is wer­ke­lijk­heid. Er is natuurlijk geen boekenkast in de hemel waar de engelen elke week de boe­ken met een plumeau moeten afstoffen. Er zijn wel hemelse ar­chie­ven.

Dat boek waarin getekend staan

de mensen, de zielen, naam voor naam.

Dat boek dat mensen oorsprong schrijft,

dat boek dat mensendagen schrijft.

Dat is het boek van Gods gedachten.`Laten we opgaan naar de berg des Heren, want op die berg worden we geboren’ (Jesaja 2:3). Die berg symboliseert het priesterlijke aspect (Aharon) en daar zullen we geboren worden. Het is wonderlijk dat je op reis gaat om geboren te worden, maar geestelijk kan dat. Nikodemus ging ook in de nacht op weg naar Jezus en dat werd de nacht van zijn leven. Toen was het ook donker, maar in het donker scheen het licht. Hij zit in het huis bij Jezus en het Licht der wereld is bij hem en straks komt het ín hem. Hoe kan ik nu geboren worden? Ik ben al zo oud en heb al een heel leven achter de rug, maar ik ben in diepste zin nog nooit geboren. Wel geboren op aar­de, maar niet in de hemel. Dan is daar die Ene van Wie gezegd wordt dat ‘Hij aan de boezem van de Vader is’. Later wordt er gezegd dat de discipel die Jezus liefhad, zich werpt aan de boezem van Jezus. Dan zet het zich voort: Jezus aan de boezem van de Vader en die leerling aan de boezem van de Meester. Dat is dat intieme, het mysterie van waaruit je geboren gaat worden. Dat is ook een proces. Geboren worden is een ver­plaat­singsproces. Je wordt verplaatst, je komt ter wereld, je komt in een heel nieuwe dimen­sie. Je kijkt je ogen uit en denkt: waar ben ik nu? Waar ben ik terecht­ge­komen?

En de boeken werden ge­o­pend

Heel de bijbel is eigenlijk het verhaal van je geboorte. Daarom is het ook zo mooi dat aan het eind van Openbaring staat ‘en de boeken werden ge­o­pend’. Die boeken zijn de mensen, dat is je innerlijk. De boeken worden ge­opend om te kijken wat God geschreven heeft op de bladzijden van je le­ven. Misschien staat er veel meer in dan je zelf wist. Wat staat er in mijn levensboek, wat staat er in mijn hart geschreven.

Schrift die mensendagen schrijft.

Het meeste van een mensenleven

wordt het minste opgeschreven.

Juist die kostbare dingen worden meestal door niemand opgeschreven. Het mooiste staat niet in de krant, zoals bijvoorbeeld over iemand die een ander heeft getroost. Zo­veel gebeurtenissen staan op de voorpagina van de krant of worden in het nieuws genoemd. De eerste de beste schreeuwer die op het plein een demonstratie houdt, komt meteen op het journaal. Maar, zegt het ge­­­dicht dan: zuster Immaculata die al veer­tig jaar bedlegerige patiënten ver­­­zorgt, komt nooit op het journaal en niet op de voorpagina van de krant. Ze krijgt misschien geen lintje, maar ze heeft al veertig jaar men­­sen die zichzelf niet meer konden hel­pen, ver­­zorgd. Ze gaat in stilte haar weg. Het meeste van een mensen­leven wordt het minste opge­schre­ven. Gòd echter schrijft het wel op. Maleachi, de laatste profeet, schrijft ook over een gedenkboek.

Dan spreken zij die de HERE vrezen, onder elkander, ieder (een man) tot zijn naas­te: De HERE bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek (een boek van gedachtenis) voor zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de HERE vrezen en zijn naam in ere houden (zijn naam bedenken, in hun ge­­dachten hebben). – Mal.3:16.

Al die verhalen worden in dat boek gekoesterd. Chouraqui zegt: ‘un acte de souvenir’. God heeft zijn ‘notulen’. God heeft zijn boek voor zijn aangezicht ge­schre­­­ven ten goede van hen die denken aan zijn naam. De rab­bijnen zeg­gen: God is als Ahasveros, de koning in het boek Ester die niet kon sla­pen. Zijn hovelingen moeten de boeken halen, waarin al­les be­schre­ven staat wat er in zijn rijk is gebeurd en hem daaruit voorlezen.

Kom met de annalen,

kom vanavond met verhalen

en vertel het honderdmale.

En alle male zal ik wenen.

De koning krijgt te horen dat er een paar mannen zijn geweest die op hem een aanslag hadden beraamd. Welke beloning heeft de man ge­kre­gen die deze aanslag heeft verijdeld, vraagt de koning. Die man heeft nooit een beloning gekregen, is het antwoord. Dan doen we het alsnog, zegt de koning (Ester 2:21). De rabbijnen zeggen: daarom staat er ook: ‘God sluimert, noch slaapt’, want Hij moet al die annalen horen. De boe­ken moeten worden geopend, de verhalen worden gehoord.

Boek van gedachtenis.

Op de berg des HEREN, daar zal men gezien worden

Jesaja 2 begon met de woorden: ‘Ze zullen opgaan, omhoogtrekken naar de berg’. Je zou zeggen: naar de berg van hun geboorte, want op die berg word je ge­boren. Je kunt ook zeggen: op die berg word je gezien. Dat zei Abraham ook al: ‘op de berg des Heren, daar zal men gezien worden’. Als je geboren wordt, word je ook gezien. Dat heeft met elkaar te ma­ken. ‘Re’u bheen, zie een zoon – Ruben’, of Re’u bat, zie een dochter’.

God schrijft al eeuwenlang geboorteverhalen.

In Jesaja 2:3 staat: ‘Komt (Hebreeuws: gaat) laten wij opgaan…’

En in Jesaja 2:5: ‘komt, laten wij wandelen …‘ Heel die gang naar Tsion wordt omsloten door gaan (lechu) in v.3 en gaan (lechu) in v.5.

Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht des HEREN. – Jes.2:5.

Dus het hele leven van een mens wordt omsloten door die gang. Je hele leven bestaat uit gaan om te komen bij de innerlijke kern van wat je bent en om in te gaan in het licht des Heren. Je hele leven is een ge­boor­­tegang. Je bent op weg naar Hem en daarbinnen staat dat hele ver­haal van ‘zijn paden bewandelen’ en ‘uit Tsion zal de Torah uitgaan’.

Hij zal alle tranen van de ogen afwissen

In Jesaja 2:4 worden ook al die volkeren genoemd. `En zij zullen de oorlog niet meer le­ren’. Daar trekt God duizend jaar voor uit. In een gebed van Tom Naastepad staat:

Geef Gij ons het Rijk van duizend jaren,

opdat wij ons niet meer zullen kunnen heugen

dan alleen van horen zeggen, wat onze broeder tegen ons had.

Dan zijn alle trauma’s genezen. God neemt duizend jaar, een heel tijd­perk om alle pijn te genezen.

Die alle pijn genezen

en alle leed verzoeten zal.

Hij zal alle tranen van de ogen afwissen’. Dat is een gigantisch werk, want dat doe je niet zomaar even in korte tijd. Hoeveel inspanning kost het niet om één mens te troosten. Dat is soms bijna een bovenmenselijke op­ga­ve. Nu hebben we het nog maar over één mens en misschien ook nog op beperkte schaal. Er zijn nog zo­veel mensen die bij God thuis moeten ko­men.

Bergen als symbool van leringen

Bergen zijn ook symbool van ‘leringen’. De profeet heeft het over ‘schapen die dwaalden op elke berg en op elke heu­­­vel’. Zij dwaalden op allerlei ‘leringen’. Je bent overal geweest, maar ten­­slotte blijft er maar één berg over en dat staat in Jesaja 2.

Dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste (rosj, het hoofd) der bergen. – Jes.2:2a.

Die berg is de wáre leer, de Torah, de leer van Jezus Christus Zelf. Dan ko­­men ze bij die ene berg des Heren en dan wordt alles helder. Hier wordt alles verklaard en dan word je zèlf ook verklaard. Een pre­­dikant kreeg van iemand te horen: ‘Je komt er bij mij niet in, want je vertelt op de preekstoel precies alles wat er in mijn hart om­gaat’. Het gebeurde ook wel dat kerkgangers tegen hem zei­den: u preek­te van­­­daag precies over datgene waar ik van de week mee bezig was. Waar je door de week mee worstelt, wordt op zondag ver­klaard. Een predikant haalde in zijn preek een tekst aan uit het verhaal van de twaalf verspieders: ‘dan zal hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land dat vloeit van melk en honig (Num.14:8)’. Aan het eind van de dienst zei een kerkganger tegen hem: ‘Dat was onze trouwtekst. Mijn vrouw is van­daag precies een jaar geleden op haar 87e  verjaardag over­le­den. Zij is aangekomen in dat land van melk en honing. Destijds be­greep ik niet waar­om wij die tekst meekregen, want wij waren schippers en wat moet je dan met een land? Als we een tekst hadden meegekregen over een ha­ven, was dat toepasselijker geweest. Soms hadden we zor­gen en pro­ble­men. We hebben een dochter verloren en veel moeite en strijd gekend in ons leven. Maar ‘s avonds zei mijn vrouw dan: we blij­ven vertrouwen en nu gaan we slapen!‘

Een andere schipper kreeg als trouwtekst mee: ‘Hij leidde hen naar de ha­ven van hun begeerte’.

Er wacht een haven ons na ’t zwerven.

Wij ankeren in der eeuwen rots.

Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, ge­rech­tig­heid herbergde daarin, maar nu doodslagers. – Jes.1:21. SV.

Zo is het ook met al die valse leringen. Dat zijn de doodslagers. Ze slaan de mens innerlijk dood, innerlijk wordt de mens ka­­potgeslagen. Vanbin­nen breekt er iets… en het hart gaat gebukt en het hart kermt. Maar op het laatst kermt het hart ook niet meer. Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.- Jes.1:22.NBG. Zilver, een edel metaal, ook symbool van verlossing. De mens­­­­­heid is met een hoge prijs gekocht. De wijn, het kostbare woord en het kostbare bloed worden echter vermengd met aardse leringen. Uw vorsten (de voorgangers) zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet. – Jes.1:23. SV. Jezus heeft gezegd: ‘Allen, die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers’. – Joh.10:8. En ook: ‘Ik zal u niet als wezen achterlaten’. – Joh.14:18. Vertalen betekent: kruipen in de huid van de grondtekst. Daarom spreekt de Heere, HEERE der heirscharen, de Machtige Israels: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vij­­anden. – Jes.1:24. SV. `Ik zal Mij troosten’ heeft de Statenvertaling zo prachtig weergegeven. De NBG vertaalt hier: ‘Ik zal wraak oefenen aan mijn tegenstanders’. Hier staat in de oorspronkelijke tekst het woord ennachēm. Daarin zit het woord nacham, dat troost betekent.‘Ik zal vertroost worden, Ik zal de troost vinden over de tegenstanders en over de vijanden’. Het gaat in wezen om de vertroosting die God gaat vinden. Chouraqui: ‘Je me réconforte de mes oppresseurs’. Het vervolg van de tekst luidt: ‘Ik zal Mij wreken (innaqemah)’ Het NBG vertaalt echter beide keren met het woord wreken.

Er zijn vertalers die vanuit een bepaalde logica vertalen. Wat doe je met vij­­anden? Wraak nemen! Dat is hun aardse logica, maar God heeft een he­­melse logica. Ze stellen hun aardse logica boven datgene wat de tekst eigenlijk zegt. Daarom is ook zo belangrijk om de bijbel te lezen met je ge­­voel en met je hart en deze te verstaan vanuit de bedoeling en het We­zen van God. Als je een dubbel Godsbeeld hebt, zeg je dat God zowel goed als kwaad doet. Vertalen betekent dat je als het ware in de oor­spron­­kelijke taal kruipt, in de huid van de grond­tekst. Dan ben je als het ware helemaal één geworden met de oorspron­kelijke tekst en weet je de juiste uitleg te vinden. William Cowper zegt in een van zijn liederen: ‘God is his own inter­pre­ter (God is zijn eigen vertaler)’.

Destijds sprak op de ‘Pinkster Europa Conferentie’ iemand uit Fin­land. Niemand kon hem rechtstreeks uit het Fins vertalen. Dus werd hij eerst vertaald vanuit het Fins in het Engels en daarna vanuit het Engels in het Nederlands. Het was een heel enthousiast prediker en hij wilde al de volgende zin uitspreken als de derde vertaler nog niet aan de beurt was geweest. Dan werd hij op zijn schouder getikt om even te wachten. God vertaalt Zelf wel zijn woord. Hij staat alleen op het podium en ver­taalt Zelf. Hij is zijn eigen tolk en dan gaat er ook niets verloren. Hij brengt de originele woorden bij je. Hij is de Schrijver van het boek, maar Hij is ook de uitgever en ook nog de boekhandelaar die het Boek bij de men­­sen brengt. En dan zal Hij het ook nog voorlezen en zo brengt Hij het bij je thuis. God leest voor uit eigen werk en als je het niet begrijpt, mag je het ook nog vragen. Als je het honderd keer niet begrijpt, zal Hij het je ook nog honderd keer uitleggen, net zolang tot het bij je binnen­komt, tot het in je hart indaalt. Dat is net als bij een geboorte, het kind moet indalen, want anders wordt het niet geboren.

Een belangrijk vertaalprincipe is, dat de vertaler een bepaalde verwant­schap moet hebben met de Schrijver. Als je niet verwant bent met de Auteur, dan versta je de eigenlijke bedoeling niet. Een oude wijsheid zegt: ‘Al­­leen het verwante wordt door het verwante gekend’. Je kunt alleen die­­gene kennen, waarvan je familie bent. Daarom kunnen mensen de Geest ontvangen, ‘want wij zijn ook van zijn geslacht (Hand.17:28) Goethe heeft gezegd: als het oog niet iets had van de zon, dan zou het nooit de zon kunnen aanschouwen. Een mens heeft iets van de geest en daarom kun je ook de Geest ont­van­gen. Daar moet een bepaald verband zijn. Het gelijke wordt door het ge­lij­ke of door het gelijkende gekend. Vertalen betekent, dat je eerst in de huid van de tekst moet kruipen, moet gaan wonen in de tekst. Dat is misschien ook het probleem ge­weest bij de NBG-vertaling. Daar is een lange tijd aan gewerkt. In 1946 ver­scheen de eerste proefuitgave en later in 1951 kwam de definitieve uit­gave. Misschien waren sommigen wel in de tekst gekropen, maar bij anderen was er toch een bepaalde leemte.

God heeft hulp besteld bij de Christus

‘Ik zal getroost worden (vs.24)’ betekent dat Gód getroost wordt vanuit zijn benauwers. Ten diepste heeft God die troost gevonden in Jezus. Als de Zoon komt en zegt: ‘Vader, hier ben Ik om uw wil te doen, Ik zal gaan en ze terugbrengen’, is dat de diepste troost voor de Vader. Jezus zegt: ‘Ik zal ze terughalen. Ik ga tot in de buitenste nacht, Ik ga in de diepste afgrond en Ik haal ze weer naar huis’.

Ik haal u door het water thuis,

dan zult gij zijn gewroken!    Psalm 68:8. Liedboek.

De Here heeft gezegd: Uit Basan breng Ik weder,

Ik breng weder uit de diepten der zee. – Ps.68:23.

Dan is de Vader getroost. Hij vertrouwt erop dat het Jezus zal gelukken om de mensen terug te halen. Het voornemen des Heren zal door zijn hand gelukkiglijk voortgaan.  Jes.53:10b. SV.

In een Messiaanse psalm van David staat:

Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige,

en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held;

Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd. – Ps.89:20.

God heeft hulp besteld bij een held en dat is de Christus, de Zoon, de Ver­­losser, de Redder. NBG: ‘Aan een held heb Ik hulp toebedeeld’.  Ook dit keer heeft de Statenvertaling het beter vertaald. Zo heeft God troost gevonden, omdat Hij Iemand gevonden heeft, die het werk heeft vol­eindigd dat God Hem te doen had gegeven (Joh.17:4b).

Gij hebt weleer van hem, dien Gij geheiligd hadt,

gezegd in een gezicht, dat zoveel troost bevat:

Ik heb bij enen held voor Isrel hulp beschoren,

hem uit het volk verhoogd, hem had Ik uitverkorenPs.89:9a oude berijming.

Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vij­anden. – Jes.1:24b. SV.

Wreken is een innerlijke opstanding

Wreken heeft in het bijbelse denken te maken met opstaan. Nacham heeft te maken met kum (opstaan). Wreken wil eigenlijk zeggen, dat er vanbinnen iets opstaat. Je wordt weer overeind ge­­zet, je komt weer uit de dood vandaan; er is sprake van een opstanding. Het is haast een passief woord. Je zou het bijna moeten vertalen met op­ge­staan worden. ‘Ik word opgestaan’. Dat is in feite on­mogelijk, maar bij God kan het wel. Hij kan vanbinnen maken dat je overeind komt en dat kan Hij ook bij Zichzelf tot stand brengen.

‘Ik zal opgestaan worden, Ik zal verrijzen van mijn vijanden’.

Dat wil dus zeg­gen dat Hij er bovenuit stijgt. Rilke verwoordt dat in het gedicht ‘Gott im Mittelalter’. God is daar in hun sys­­teem gevat en vastgelegd in een uurwerk, een grote klok op een ka­the­­draal. We hèbben Hem! Maar tot hun grote verbijstering steeg God daar­uit op. De wijzers vlogen door de lucht en God steeg ten hemel. Je kunt Mij niet binden, zegt God. Ik pas niet in je uurwerk, Ik pas niet in je tijd­sche­­ma, Ik pas niet in je klok. Je kunt me nergens op vastpinnen, niet in een dogma, niet in een tijdperk. Hij is niet vast te houden, Hij is niet vast te leggen. Je kunt Hem nergens in een vakje stoppen, want Hij breekt dogma’s en leer­­stellingen open. ‘Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons (Luc.23:30)’. Laten die le­rin­gen ons nu bescherming en bedekking geven. Maar het helpt niet om dat te zeg­­gen. Die bergen zullen ‘als was worden’ voor Gods aangezicht, want dan smel­ten die leringen (Ps.97:5). Dat is ‘gesmolten dogmatiek’, dan smelt het hart en wordt het hart weer zacht.

Gij zult hen, daar G’in glans verschijnt,

als rook en damp, die ras verdwijnt,

verdrijven en doen dolen.

’t Godd’loze volk wordt haast tot as,

‘t zal voor uw oog vergaan als was,

dat smelt voor gloeiende kolen.

Psalm 68:1b oude berijming Dan smelten alle dogma’s. Het kan zijn dat een mens zijn hele leven dog­­matisch bezig is geweest, maar als die wijze van denken verdwijnt en de grote vertedering komt, wordt het hart weer zacht.

Hij zal een banier opheffen onder de heidenen

‘Ver weg’ is een van de sleutelwoorden bij Jesaja. Want Hij zal een banier (nēs) opwerpen (opheffen) onder de heidenen van ver­­­re en Hij zal hen herwaarts sissen (of fluiten) van het einde der aarde; en ziet, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen Jes.5:26. Het woord ‘van verre (merachoq)’ speelt bij Jesaja een belangrijke rol en daar­­­­in zie je ook weer de eenheid van het hele boek Jesaja. Het woord ‘van verre’ komt naderhand in het boek Jesaja weer terug. God zet een ba­­­nier, een veldteken neer en dan zullen de volkeren komen. Eerst ko­men ze bijeen om een veldtocht te houden, maar eigenlijk hebben ze er geen idee van waarvoor ze bij elkaar zijn gekomen. Het wordt een won­der­­lijke optocht. Dit proces wordt door heel bijzondere beelden opgete­kend.

Bruisende zeeën en brullende leeuwen door de tijden heen

Hun gebrul zal zijn als van een oude leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeu­­wen, en zij zullen briesen (naham), en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn {Jes.5:29. – SV}.

In de NBG is het woord naham vertaald met grommen. Het Hebreeuws ver­bindt op een bepaalde manier teksten met elkaar, want in vers 29 is het woord naham het briesen van de leeuw. In vers 30 komt hetzelfde woord terug en dan is het het bruisen van de zee.

En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen (of briesen), als het bruisen (na­­ham) der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en be­­nauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen {Jes.5:30}.

Er is iets bijzonders met dit gedeelte van Jesaja 5, want er staan geen na­men. Er staat nergens dat het hier gaat over Assur of Babel, er wordt geen naam van een volk genoemd. Dus is het iets van alle tijden. ‘Dat is iets wat vandaag speelt’ zeg je elke keer als je het op die manier ervaart en dan mag je ook zelf de naam erbij invullen. Het is een naamloos proces, iets wat zomaar over je heen komt. Je hoort dat brullen, dat brie­sen van die leeuw; je hoort dat brui­­sen van die zee en je vraagt je af wat zich hier afspeelt. En dan zegt de Geest in jou: Jesaja 5, vandaag! Je zit er opeens middenin. Het is zo dicht­­bij, veel dichterbij dan je gedacht had. Het wonderlijke van dit ge­deel­­te is, dat het zomaar actueel kan zijn. De bijzondere dimensie is, dat het zich richt tot het volk des Heren door de tijden heen. Het heeft zowel betrekking op de tijd­genoot van Jesaja, As­sur (704), als op de ballingschap in de tijd erna. Het volk wordt dan weg­gevoerd door Nebukadnessar, door Babel. Het heeft echter ook te­vens be­trekking op de situatie van het moment waarop je het leest, wan­neer je er zelf middenin zit. Dan ervaar je die confrontatie. Dat leger blijft naamloos en daarom kan elke tijd zich terugvinden in die er­­varingen, of het nu Assur is of Babel, maar het einde blijft hetzelfde. Zalig is degene die het herkent.

‘Wie het leest, die geve er acht op’.

‘Zalig wie voorleest, want de tijd is nabij,’ zegt Openbaring. Wie het leest, die leest zichzelf erin. Hij leest en wordt gelezen. Dat boek neemt je mee in het verhaal en dan is het jóuw verhaal. Het kan zijn dat tijdens de prediking hoorders alles zo intensief in zich op­ne­men dat ze hun eigen preek erbij maken. Dan sta je op een gegeven mo­ment ‘met z’n elven’ op de preekstoel, dan krijg je ‘meeprekers’. Zij heb­ben het gepredikte woord eveneens ondervonden

De studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410212 bezoekers sinds 07-06-2010