Je bent goddelijker dan je dacht

03-09-2015 door Dr. K.D. Goverts

 

Ik sliep maar mijn hart was wakker

daar was de stem van mijn geliefde

doe mij open, mijn zuster, mijn vriendin, mijn duif,

mijn volmaakte,

want mijn hoofd is vervuld van de dauw

mijn haarlokken met druppels van de nacht

ik heb mijn rok al uitgetrokken

hoe zal ik hem weer aantrekken?

ik heb mijn voeten gewassen

hoe zal ik ze weer vuil maken?

mijn geliefde trok zijn hand terug van de deuropening

en mijn binnenste werd ontroerd over hem

ik stond op om mijn geliefde open te doen

en mijn handen dropen van mirre

mijn vingers van vloeiende mirre

op de grendels van het slot

ik deed mijn geliefde open

maar mijn geliefde was weg, verdwenen

mijn ziel was buiten zichzelf

toen ze hem achterna ging

ik zocht hem maar ik vond hem niet

ik riep hem maar hij antwoordde niet

de wachters die in de stad hun ronde deden

vonden mij ze sloegen mij

ze verwondden mij

ze namen mijn sluier van mij weg

de wachters van de muren

Soms ben je jezelf kwijt. Je innerlijk, je ziel is weggeraakt. Je voelt je dan net als het meisje in het Hooglied. Zij loopt in de nacht door de straten van de stad, op zoek naar haar geliefde. Zij weet niet meer wie zij is. Het doet pijn van binnen. Er gaan wachters door de stad; zij zijn bezig te surveilleren. Als zij haar vinden, pakken ze haar beet, ze nemen haar mantel af en zelfs verwonden zij haar. Elk mens krijgt te maken met die wachters; misschien zijn dat wel de dogma’s, de leerstellingen. Dogma’s kunnen een mens beknellen, verwonden; ze beroven je van je mantel; je kleed, dat is je waardigheid, je innerlijke waarde. Zo trekt dat meisje daar door de nachtelijke straten en pleinen en ondanks alle pijn en verdriet gaat ze toch door met zoeken.

Ieder mens is op zoek naar een innerlijke schat. Maar vaak kan het gebeuren dat je twij­felt of er wel een schat is van binnen. De dichter Gerrit Achterberg had dat ook. Er was diep in zijn hart vaak een gevoel van minderwaardigheid. Dan was daar de pijn, verbor­gen in zijn ziel: ik ben niet geslaagd, ik blijf onder de maat. Op een keer werd hem een literaire prijs toegekend: fl. 2500,– en dat was in die tijd een groot bedrag. Maar wat heeft hij met dat geld gedaan? Hij heeft het nooit uitgegeven; zijn hele leven droeg hij die envelop met inhoud in zijn binnenzak met zich mee. Want als hij dan weer sombere gevoelens had over zichzelf, dan kon hij even zijn hand in zijn colbert steken, dan was daar die envelop, en dan wist hij weer: ik ben dichter. Die envelop was zijn erkenning, het bewijs dat hij iemand was. Zo heeft elk mens misschien wel iets nodig: een woord, een lied, een gedicht als hou­vast, om te weten: ik ben een mens, van goddelijke waarde.

Dikwijls zijn we dat kwijt geraakt: door Calvijn, de invloed van het calvinisme, zijn we behept met een negatief mensbeeld. We denken wat de Catechismus leerde: we zijn onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Een vriend van mij, hij was jaren­lang voorganger in een gemeente waar ik regelmatig kwam spreken, zei eens: zet dat maar in een sollicitatiebrief. Je schrijft dat je een bepaalde baan graag wilt hebben, je zegt: ik ben onbekwaam tot enig goed, ik ben geneigd tot alle kwaad, ik hoop dat ik voor deze functie in aanmerking zal komen. Zou je die baan krijgen, denk je? In ons allen zit dat verlangen, de weg terug te gaan: de terugreis van de ziel. Terug naar je oorsprong.

Het meisje in het Hooglied zingt: ik kende mijzelve niet. Misschien is dat het diepste punt: je weet niet meer wie je bent. Je was vergeten waar je vandaan kwam, je was je innerlijke identiteit kwijt.

Soms zit een mens

in de trein van het leven

en je bent ver van huis

en donker is de nacht

en de trein raast maar voort

en nergens is een station

je zou uit willen stappen

je zou willen aankomen

maar er is geen conducteur

en wat er wordt omgeroepen

versta je niet

je was jezelf kwijt

je klederen gescheurd

en je voeten bezeerd

en je wist niet meer wie je was

maar dan zoek je de weg terug

dan sta je op het strand van je ziel

om te zijn waar de zee mist

en de wind

om te luisteren naar het heilig waaien

om te weten

je bent goddelijker dan je dacht

diep in je hart

is een eeuwig geheim

je bent mooier

dan je vermoedde

een godsvonk brandt van binnen

Paulus stond op een dag in Athene, hij mocht spreken voor de Areopagus, dat was een soort vergadering van rechters, filosofen en andere geleerden. En wat gaat hij daar aan de orde stellen? Velen hebben het idee: met Paulus ging het mis, toen werd het geloof dogmatisch, Paulus maakte er allemaal dogma’s van, een systeem van leringen. Maar Paulus begint over de oorsprong van de mens. En hij zegt: je bent van goddelijke afkomst. Je bent van hoge komaf. Wij zijn van Gods geslacht. Dat hoort een mens niet elke dag. En als Paulus dat vertelt, zegt hij erbij: Dit komt ook al naar voren bij uw eigen dichters. Cleanthes zei het al en Arates. Dit is toch wel heel uniek: Paulus, die aanknoopt bij oude Griekse zangers. Hij zegt niet: die Griekse dichters zijn heidens, neen, hij zegt: wat mooi dat die Griekse wijzen dat ook al wisten. Dus hij maakt er een soort literatuurkring van. En hij wijst de Grieken op hun eigen poëzie. Die weg terug naar het hart: zou dat lukken? Ida Gerhardt heeft prachtige opmerkingen gemaakt over trekvogels. Zij zegt: ik vind dat zo knap, dat zij over grote afstanden de weg weten. Daar is een zwaluw of een tureluur, en zij bouwt haar nest onder de dak­goot van mijn buurman, of in een bocht van de IJssel bij Kampen; op een dag gaat die vogel op reis, kilometers ver, om dan te overwinteren bij de Nijl in Egypte.

Maar het volgende seizoen, zegt zij, zag ik diezelfde zwaluw terug, en zij nestelde weer op precies dezelfde plek: dezelfde bocht in de IJssel. Zo vindt zij haar weg van de IJssel naar de Nijl en weer terug van de Nijl naar de IJssel. Dank zij een ingebouwde navigatie. Over een afstand van duizenden mijlen weet zij trefzeker haar reis te volbrengen. Wij zijn allemaal trekvogels. Je vindt altijd de weg terug. De mens denkt dat hij iets nieuws heeft: een navigatiesysteem in de auto, dat je vertelt hoe je moet rijden. De zwaluw en de tureluur kijken je wat meewarig aan en ze zeggen: dacht je dat je iets nieuws had? Dat hebben wij al eeuwen.

Soms vind ik een oud boek en daar ontdek ik zoveel waardevols. Henri van den Bergh van Eysinga schreef een boek en gaf het de titel: Van eeuwige dingen. Het verscheen in 1916; het bevatte lezingen en preken uit de jaren daarvoor. In de voorrede zegt hij: Moge het boek, dat den lezer hierbij wordt geschonken, doen beseffen dat er eeuwige Dingen zijn in de waereld, Die verlossing brengen en vertroosten en Die men heeft te aanbidden. Een klein gedeelte wil ik citeren: Ga dan voort met uw organisatie en met uw politiek, ga dan voort met uw studie, ze is mij welkom, alles is goed, wat van menschen stamt, die bedoelen het hooger gaan, die bedoelen de klaarheid, die bedoelen de orde, – maar laat nóóit worden uitgebluscht in ons binnenste dat eeuwige vuur, laat het licht blijven stralen in onze woning, laten we beseffen dat we, trots alles, zijn koningskinderen, Godskinderen, dat het Eeuwige in ons is … Wij beleven het Eeuwige immers midden in den tijd.

En hij eindigt zijn boek met deze zin: De eeuwigheid in den tijd. … Mocht het zijn, ook in U.

Zulke gedachten zijn goud waard. Alleen al daarom is zo’n boek nooit verouderd. Het is een boek om te koesteren, om te bewaren als een kostbare schat.

Mensen die het gevoel hebben: ik kan er niet bij, wat is het dan mooi als er iemand is die tegen je zegt: al moet ik het je honderd keer vertellen, al moet ik honderd keer voor je bidden, dat geeft niet. Dat doen we gewoon. Ik zal er altijd zijn, om je bij de hand te nemen en je te helpen, zodat je de weg terug zult vinden.

Geef me je hand als ik de weg niet vind,

als ik een kind ben dat verdwaald is in de tijd,

wees dan de engel die mij leidt

langs de stenen en de kuilen

naar een huis om in te schuilen

waar we lachen om het huilen

van de wind

om te spelen en te eten

en alles te vergeten

en te weten

dat jij er bent

jij bent de tuinman die me water geeft

jij bent de vogel die me meedraagt op zijn rug

en als de vrede mij verlaten heeft

breng jij me altijd weer terug

langs de stenen en de kuilen

naar een huis om in te schuilen

De weg terug is altijd dicht bij, want er is Eén die je bij de hand neemt, en je veilig langs de wachters heenleidt.

Dan kom je thuis en dan weet je het weer: ik ben een koninklijk kind, door de Vader bemind.

Ik ben een mens van goddelijke afkomst.

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

God beheert zijn geheimenissen

Wij leven in chaotische tijden, waar mensen massaal op de vlucht slaan voor oorlog en onderdrukking, en waar mensen geen uitzicht meer hebben geen zich meer hebben om verder te leven. Er wordt ons altijd voorgespiegeld dat deze wereld hier de werkelijkheid is. Maar Paulus zegt: dit is nou de God dezer eeuw. Er is […]

509283 bezoekers sinds 07-06-2010