Jacob en Esau

19-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

De geschiedenis van Jakob en Esau is de geschiedenis van twee broe­ders. Het is een broederverhaal en daar wordt heel breeduit over ver­teld. Dat begint in Genesis 25 en loopt door tot en met Genesis 35:29. Twee mensen, twee zonen, twee broeders. Het is een van de meest grandioze composities in het boek Genesis. Het hoogtepunt wordt gevormd door de twee hoofdstukken 32 en 33. «Dit is de geschiedenis (dit zijn de toledot) van Isaak, de zoon van Abra­­ham. Abra­ham verwekte Isaak. En Isaak was veertig jaar oud, toen hij Rebekka, de dochter van Betuël, de Arameeër uit Paddan-Aram, de zuster van de Arameeër (daar komt al­vast een van de hoofd­ro­l­spelers in beeld, die straks een belangrijke functie in het ver­haal krijgt) Laban, tot vrouw nam» Gen.25:19-20.

Het boek van de verwekkingen

Het woord geschiedenis betekent eigenlijk verwekkingen. Verschillende onderdelen van Genesis hebben dit opschrift. Zo heb je de verwekkingen van hemel en aarde, de verwek­kingen van Te­rach, de ver­wek­kingen van Ismaël (hier in Genesis 25:12, waar het met na­­­ko­melingen is vertaald), de verwek­kingen van Jakob, de ver­wek­kin­gen van Noach, de verwek­kingen van de zonen van Noach. Zo zijn er steeds van die onderdelen waar het boek Genesis uit is op­­ge­­bouwd. Je kunt zeggen: Genesis is het boek van de verwek­kin­gen. Het gaat er steeds om, wàt er wordt verwekt.

De wording van het volk van God te­ midden van de volkeren

Het thema van het boek Genesis is de wording van het volk van God te­ midden van de volkeren. Het gaat om de verwek­king, de generatie van Gods volk. Daarom krijg je steeds twee figuren naast elkaar: Ka­ïn en Abel, Abra­ham en Lot, Isaak en Ismaël, Jakob en Esau. Steeds is de ene de vertegenwoordiger van het volk van God en de an­dere ver­te­gen­woor­digt dan de volkeren. Henk Aalbers heeft in dit verband een prachtig lied gemaakt.

Een vader had twee zonen,

twee pijlen op zijn boog,

twee wijzen om te wonen,

twee wegen, laag en hoog.

God heeft twee pijlen op zijn boog. Zo is het hele boek Genesis met zijn schitterende structuur opge­bouwd. Je zou kunnen zeggen: Ge­ne­­sis is het fundament van de hele Bijbel. Hier krijgen we dus de geschiedenis van Isaak. Ismaël is al aan de or­de geweest. Isaak wordt hier meteen ge­noemd: «De zoon van Abraham» Gen.25:19. Isaak wordt helemaal getekend als de zoon. «Abraham verwekte Isaak» Gen.25:19. Hier gaat het dus om dat verwekken. «En Isaak was veertig jaar oud, toen hij Rebekka tot vrouw nam».Gen.25:20.

Vaders en zonen

In Genesis gaat het steeds over vaders en zonen. En hierbij wordt de va­­der voorgesteld als levende vóór en ná de ver­wekking van de eerst­ge­boren zoon. Die vaders hebben dan een aantal jaren vóór de eerst­ge­borene ge­leefd en een aan­tal jaren ná de eerstgeborene. Hun hele le­­ven wordt be­paald door de komst van de eerstgeborene. Zo is dat bij Abraham en zo gaat dat ook gebeuren bij Isaak.

Zonen moeten broeders worden

De tweede gedachte die hierbij een rol speelt, is: die zonen worden broe­ders. Dat is een heel fundamenteel punt: zonen moeten broeders worden. Dat is ook ten diepste het punt, waar God mee bezig is. Je zou haast kun­nen zeggen: God wòrstelt met dit punt. Hoe worden zo­­nen broe­ders. Als je spreekt van ‘het open­baar worden van de zonen Gods’, moet je niet verge­ten dat er een veel belangrijker punt is: hoe wor­den zonen openbaar als broe­ders. Juist in Genesis ga je ontdekken, dat je nooit mens alleen bent; je bent alleen maar mens mèt je broeder. Als je alleen voor jezelf iets wilt bereiken, bereik je het in wezen nooit. Als je zegt: als ík nu maar vol­maakt word, dan zul je het nooit worden. Als ik zeg: als ík nu maar op die troon kom, dan kom ik er nooit. Alleen als je broeder wilt zijn, kun je zoon worden. Het is dus een broederverhaal. Maar het is nóg wat: het is ook een ge­­ne­zingsverhaal. Het gaat om genezing van relaties, want die broe­ders hebben het best af en toe wat moeilijk met elkaar. Hebt u ook zo’n broeder, die Esau heet? Wat doe je er mee! Je zult er maar mee opgescheept zit­ten! Want vrienden kun je nog kiezen, maar broeders niet. Die kies je niet uit, daar word je mee geboren. Je zit in het schip en je moet meevaren, of je dat nu leuk vindt of niet; kin­deren van het­­zelfde vaderhuis. Soms kun je ervan genieten en soms zìjn ze niet te genieten.

Het thema van de onvruchtbaarheid 

«Nu bad Isaak de HERE voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar».  Gen.25:21

Dat hoeft ons niet te verbazen, alle vrouwen van betekenis in de Bij­bel zijn onvruchtbaar. Rebekka was aqqarah, wurzel­ver­stockt, onvrucht­baar. Dat zie je ook bij Sara, bij Rebekka, bij Rachel, bij Han­nah, bij de moeder van Simson, bij Elizabeth, dus tot in Lucas toe. Daar zie je – tussen haakjes – dat Lucas helemaal voortbouwt op dit thema uit Genesis. Lucas neemt helemaal de structuur van Genesis over. Hij be­gint zijn Evan­gelie met een echtpaar dat onvruchtbaar is. Als je Zacharias en Eli­zabeth neemt, dan zie je zo Abraham en Sara weer te voorschijn ko­men. Dan zie je, dat Lucas in zijn eerste hoofdstukken alle the­ma’s van Ge­nesis weer op­pakt. Hij zegt als het ware: “het Evangelie is Genesis op­nieuw”. Het is trouwens zeer de vraag, of Lucas wel van heidense oor­sprong was. Er zijn sterke argumenten om te veronder­stellen, dat Lucas een (half-?) Jood was. Hij borduurt sterk voort op de Geschriften. Hij blijkt ook sterk ver­trouwd te zijn geweest met het land Palestina. Het is vrijwel onmogelijk om zo’n Evangelie te schrij­ven, als je puur uit de heiden­wereld komt. «En de HERE liet Zich door hem verbidden en zijn vrouw Rebekka werd zwanger» Gen.25:21. Beter vertaald: «En de HERE liet Zich door hem bidden». Zo vertaal ik het bij voorkeur. ‘Verbidden’ vind ik een wat moei­lij­ke verta­ling. Dan krijg je de indruk, alsof God van gedachten veran­dert. Zoiets van: God laat Zich omturnen, vermurwen. Maar het is eigenlijk veel meer: 

«De HERE liet Zich bidden»

De Joodse uitleggers zeggen: dat woord betekent eigenlijk, dat God een ope­ning maakt. Als Isaak gaat bidden, maakt God de situatie een stukje open. God maakt een opening, een ven­­ster in die gesloten hemel.

Twee volken in één schoot

«En de kinderen stieten in haar binnenste tegen elkander. Toen zei zij: Indien het al­dus gesteld is, waarom over­komt mij dat? Daarop ging zij om de HERE te vra­gen» Gen.25:22. Er komt dan een profetisch woord vóór de geboorte. Dat woord is dan in feite betekenend, toonaangevend voor de hele toekomst. «Twee volken zijn in uw schoot, en twee natiën zullen zich scheiden uit uw l­i­chaam»  Gen.25:23. Daar zien we meteen al iets heel belangrijks: Het gaat hier dus over twee mensen, maar het gaat ook over twee volken. Dit ver­haal speelt als het ware in verschil­lende kaders. Je vindt hierin de mensengeschiedenis en je vindt hierin de volkerengeschiedenis. Als je het verhaal van Jakob en Esau goed gaat lezen, lees je het ge­heim van de wereldgeschiedenis. Hier zit heel het wereldgebeuren tot op vandaag en morgen in vervat. Als je de wereldgeschiedenis een beet­je wilt proberen te doorgronden, lees dan Jakob en Esau. Daar zit het allemaal in, wat er toen gebeurde en wat er nu gaat ge­beu­ren. Heel dat ontwikkelingsproces van de geschie­denis ligt daar­in verborgen. Als je kijkt naar mensen en naar vol­ke­ren, zie je, dat het altijd weer wordt: Jakob en Esau. Die komen terug! Het boek Ge­­nesis kòmt nog! Het is geen verleden tijd, maar het is model­ver­haal voor wat nog gaat gebeuren. Twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam. Het is merk­waar­dig, dat het Hebreeuws in feite geen woord heeft voor lichaam. Er wordt altijd ge­sproken over lichaamsdelen. Men spreekt over de hand, de voet, het aan­ge­zicht. Het woord dat hier met lichaam is ver­­taald, betekent eigenlijk inge­wan­den. De concreet denkende He­breeuw­­­se mens dacht zich de in­ge­wan­den als de zetel van de barm­har­tigheid. Wanneer iemand met ontfer­ming is bewogen, dan zegt de Hebreeuwse mens:

“Mijn ingewand rommelt over hem”.

 Mijn ingewand rommelt

«Mijn ingewand rommelt over hem».  Jer.31 (SV).

Zo spreekt God Zelf van Efraïm, als Hij zegt dat Hij voort­durend aan hem moet denken. De ingewanden werden gedacht als zetel van ontferming. Ook de nie­ren hadden een dergelijke betekenis. De nieren met hun zuive­ren­de functie hadden sterk te ma­­ken met het onderbewustzijn, met het diep­­ste wezen van de mens. Hier komen dan twee natiën voort uit die ingewanden (SV). Dus bei­de vol­ken komen voort uit de zetel van de barmhar­tigheid. Dat is ook een sleutel tot het verstaan van dit verhaal. Zowel Jakob als Esau ko­men voort uit de plaats van de ontferming. Daar, op de plaats van de ontferming, zijn ze ook begon­nen. In die ene moe­derschoot begonnen, om uiteindelijk ook in die ene moe­­der­schoot verzameld te worden. Want als je het begin weet, weet je ook het ein­de. Dat is ook een oude Joodse gedachte. Iemand vroeg aan een rabbijn: hoe kan ik nu het einde leren ver­staan? Het antwoord was: bestudeer het begin, dan weet je ook het einde. We moeten veel meer bezig zijn met het begin, dan weet je ook wat het eind wordt. Wij zijn mensen van het begin. Als het goed is, zijn we allemaal beginnelingen. In het begin was het Woord bij de Vader. In het begin was daar dat Woord en vandaar uit is het allemaal be­gon­­nen. Dit is wel een grote tegenstelling met de foutieve uitleg van de tekst: «Esau heb Ik gehaat, maar Jakob heb ik liefgehad». We ko­men op deze tekst nog terug.

Ook Esau is de vrucht van het gebed

Jakob en Esau komen uit dezelfde moederschoot. Ze zijn allebei om­sloten door die moederschoot. En let erop: ze zijn ook allebei op ge­bed ontvangen. Isaak heeft gebeden voor Rebekka en op dat gebed krijgt hij een tweeling. Ik heb het idee dat dit vaak vergeten wordt. Want daar staat va­der Isaak en hij gaat bidden voor zijn vrouw en als antwoord op dat ge­bed is daar een tweeling. Kijk, en dan kan je niet zeggen dat hij al­leen maar om Jakob had gebeden en dat daar per ongeluk ook Esau bij kwam. Dat lijkt me geen ge­zonde Bijbelse theologie. Zo van: ja, op zijn gebed kreeg hij Jakob, maar per ongeluk glipte er nog een­­tje tussendoor. Nee, ook Esau is de vrucht van het gebed. Ja­kob en Esau, ze zijn allebei door God gewild. God heeft Jakob ge­wenst. En God heeft ook Esau wel degelijk bedoeld.

De oud­ste zal de jongste dienen

Rebekka wordt op zijn Hebreeuws uitgesproken als Rivqah. Haar naam be­tekent eigenlijk ‘samenbinding’. In de gestalte van Rivqah wor­­­den de uiter­sten verenigd, samengebonden. Zij staat daar als een scha­kel. Aan de ene kant tussen Abraham, de vorige aartsvader en Ja­kob, de komende aartsva­der. Maar aan de andere kant als ver­bin­ding tussen Jakob en Esau. «Twee volken zijn in uw schoot en twee natiën zullen zich scheiden uit uw li­chaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oud­ste zal de jongste die­nen» Gen.25:23. Dat is op zich niet negatief. Daar wordt alleen een taak­verdeling ge­ge­ven. De oudste zal de jongste dienen. Dienen is in de Bijbel een woord met een heel positieve klank. «De ene zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienst­­baar we­zen» Gen.25:23. Hier worden verhoudingen aangegeven. De oudste moet de jongste die­nen. Dat is een grondregel in het Koninkrijk van God. De sterke moet de zwakke dienen. Je bent nooit sterk voor jezelf, maar je bent al­tijd sterk om die ander te kunnen dienen. God kiest altijd voor het zwakke, het jongere, het min­de­re. God zegt: dat is mijn rangorde. In de Bijbel zie je heel vaak, dat God de tweede kiest. Hier wordt dus aan­gegeven welke taak ze beiden hebben. «Toen nu haar dagen vervuld waren, dat zij baren zou, waren er dan ook tweelin­gen in haar schoot. En de eerst kwam tevoorschijn, ros­sig, geheel als een haren man­tel; en men gaf hem de naam Esau» Gen.25:24-25. Dat woord rossig is in het Hebreeuws ADMONie. Daarin herken je ook het woord ADAMah (akker). Hij was roodachtig, rossig, de kleur van de ooster­se akker, van de aardbodem.

Het uitroepen van de naam

Dan krijgen ze allebei hun naam. De naam is heel be­langrijk in de Bij­bel. Zonder naam is een geboorte niet af. Het uitroepen van een naam óver het kind hoort nog bij de geboorte. Het roepen van de naam is de voltooiing van de geboorte. Vandaar dat het bij Jezus in Mattheüs 1 meteen erbij ver­teld wordt. De engel zegt tegen Maria: je zult zwanger worden, je zult een zoon baren, maar dan moet er nog iets bij komen: de naam, dat is typisch He­breeuws. Ook Mat­the­üs is puur Hebreeuws. Mattheüs bouwt zijn Evan­ge­lie ook op Gene­sis. Zowel Mattheüs als Lucas bouwen voort op Genesis, elk op zijn ei­gen wijze. Mattheüs schrijft zijn verhaal ook helemaal als een ver­wek­kingsverhaal. Genesis is ook een verwekkingsboek.

Mattheüs 1 begint ook met een hele lijst van: die ver­wekte die en die ver­wek­te die … Dus ook in Mattheüs 1:21,23:

«En gij zult zijn naam roepen: Jezus!»

«En men zal zijn naam roepen: Immanuël».

Zonder het roepen van de naam is de geboorte niet compleet, dan ben je naamloos, anoniem. Daarom is het ook zo mooi dat Jesaja zegt: «Ik heb u bij uw naam geroepen» Jes.43:1.

En men gaf hem de naam Esau

En hij noemde hem Jakob

Hier krijgen ze allebei hun naam. De eerste wordt genoemd Esau. Hij wordt genoemd naar wat ze zien; hij is harig. Esau betekent ruige. Hij wordt een ruige kerel. Esau wordt ook beeld van de heidenwereld. Bij die heidenen gaat het er vaak nogal ruig aan toe. «En daarna kwam zijn broeder te voorschijn, wiens hand Esaus hiel vast­hield; en hij noemde hem Jakob» Gen.25:26. Er staat dus niet: daarna kwam de tweede. Met nadruk: zijn broe­der, het wordt immers een broederverhaal! En in zo’n verhaal staat nooit een woord te veel. De taak van Jakob is om broeder te zijn voor Esau. De taak van het volk van God is om broeder te zijn voor de volkeren. Jouw taak in de ge­meen­te is om broeder te zijn. En als je broeder bent, ben je ook zoon. Dan gedraag je je als een ware zoon.

Hielvasthouder

Als Jakob te voorschijn komt, houdt zijn hand Esaus hiel vast. En dan roepen ze zijn naam: Jakob. Daar komen dan meestal de pro­blemen. De gangbare op­vatting is dan: Jakob betekent bedrieger. Maar welke recht­ge­aarde ouder haalt het nu in zijn hoofd om zijn kind bedrieger te noemen. Als dat kind la­ter als kleuter naar huis wordt geroepen, klinkt dat nou ook niet zo leuk. Dat kind zal later wel vraagtekens krijgen. De namen Machlon en Chiljon uit het boek Ruth betekenen: Weg­kwij­­­ning en Uittering. Nu staan er namen in de Bijbel, die niet bij de geboorte concreet zijn gegeven, maar later door de verteller sym­bo­lisch worden ingevoerd. De betekenis van deze namen hebben een dui­delijke functie in het verhaal. In dit geval van het boek Ruth zijn er trouwens ook geleerden, die deze namen een andere bete­ke­nis mee­­geven. Jakob betekent oorspronkelijk hielvasthouder. Hij krijgt dus de naam naar wat hij doet. Hij houdt de hiel van zijn broeder vast. Hiel is in het He­breeuws akev. En daarom noemen ze hem Ja-kov. Staat dat ook in verband met hiellichter? Dan zijn we al twee hoofdstukken verder. Die zogenaamde betekenis zul­len we later nog behandelen. Van oorsprong is het dus hiel­vast­hou­­­der. Hij hield de hiel vast van zijn broeder. Daar zit in wezen de hele bestemming van Jakob in. De bestemming van Jakob is im­mers om zijn broeder vast te houden! De bestemming van het volk van God is om de volkeren vast te hou­den. Dat is de bestemming van de mens, ook in de gemeente: houd je broeder vast! Dan ben je een Jakob! God zoekt een Jakob-gemeente. Een gemeente waar men zijn broeder vasthoudt. Dat is ook de toetssteen. Want in we­zen zie je in de geschiedenis van Ja­kob en Esau de eindtijd terug. Dat is ook de toetssteen voor de ge­meen­­te. Hoe vaak zie je niet, dat mensen zo makkelijk hun broeder la­ten vallen. Zo is het boek Ge­ne­sis ook helemaal een spiegel voor de gemeente.

Hielvasthouder – Hiellichter – Hielbijter

Esau brengt Jakobs naam later in verband met bedrieger. Esau gaat na het bedrog van Jakob aan die naam een andere uitleg geven. Esau wordt zo ver­bitterd door dat bedrog, dat hij zegt: voor mij is het geen hiel­vast­hou­der, maar een hiellichter. Want hij heeft me nu al twee keer bij de hielen gehad. En dat is ook te begrijpen, als jij je ge­no­men voelt. Dan zie je de din­gen in een heel ander licht. Dan kun je die betekenis hielvasthouder echt niet meer waarderen. Zo gaat die naam verschuiven. Van beethouder wordt het beetnemer. En zo legt Esau ook een verbinding met Genesis 3. Hij wil zeggen: voor mij is Jakob hetzelfde als die hielbijter. Hielvasthouder – hiellichter – hielbijter. Dat is dus de uitleg die Esau eraan geeft. We komen hier nog op terug.

 Spiegelverhalen

In Genesis staan tweemaal twee verhalen, die elkaar weerspiegelen. Het ver­haal van Jakob en Esau komt in het begin van Genesis voor in de figuren van Kaïn en Abel. Het kardinale punt in het verhaal van Ka­ïn en Abel is de uitspraak: «Ben ik mijns broeders hoeder». Bij Ka­ïn en Abel heb je een broe­der­verhaal in één hoofdstuk en bij Ja­kob en in Esau wordt het heel breed uitgewerkt. (Gen.25-36). Zo gaat Genesis 3 over man en vrouw: Adam en Eva. Dat korte ver­haal over man en vrouw komt heel breed weer terug bij Abraham en Sara. Adam luistert naar de stem van zijn vrouw en hij eet. Abraham luis­tert ook naar de stem van zijn vrouw. Sara zegt: neem Hagar maar. En hij luistert, staat er dan in Genesis 16, naar de stem van zijn vrouw: Abra­ham neemt Hagar en hij verwekt bij haar een zoon. Dat hoeden bij Kaïn komt weer terug in dat vasthouden bij Jakob.

Hij gaat Jakob straffen voor zijn wandel

«Hij gaat Jakob straffen voor zijn wandel, naar zijn daden zal Hij hem ver­gelden. In de moederschoot bedroog hij zijn broeder, en in zijn man­­­­ne­lijke kracht streed hij met God» Hos.12:3,4. Hoe is deze tekst met het bovenstaande te rijmen? Inderdaad wordt hier in Hosea 12 weer hetzelfde woord gebruikt, na­me­lijk het woord vast­­­houden. Dus hij houdt zijn broeder vast. Vergelijk de SV. «In den moederschoot hield hij zijnen broeder bij de verzenen (de hiel)» Hos.12:4. Jakob wordt hier als stamvader ten voorbeeld gesteld aan het latere Ja­­kob (=Israël). God zegt: kijk nu eens naar jullie stamvader, wat hij deed; spiegel je nu dáár eens aan. Ik geloof dat dus beide punten bij Jakob positief waren, zowel dat vast­­houden van zijn broeder in de moederschoot als ook dat in zijn man­nelijke kracht strijden met God. Daarom staat er ook: «Gij dan, keer tot uw God terug, bewaar liefde en recht en wacht be­sten­­dig op uw God»  Hos.12:7. Dat is het terugkeren naar het begin, het terugkeren naar de oor­sprong. God zegt in feite: toen in de tijd van Jakob was het heel an­ders. Toen was het goed; jullie moeten je veranderen. Je moet weer worden zoals in die oor­spron­kelijke tijd. Je moet weer te­rug­keren naar dìe moederschoot.

De vertalers hebben dus maar aangenomen, dat Jakob van meet af aan ‘bedrieger’ betekent?

Ja, in vers 4 staat dus niet bedroog, maar er staat: «In de moederschoot hield hij zijn broeder vast».  Hos.12:4

Het Jodendom kent geen erfzonde

Je kunt echter nooit zeggen, dat een baby al bedrog pleegt. Dan zit je in ieder geval al helemaal in de gedachte van de erfzonde. Ook Watch­man Nee zegt in zijn boekje “Ver­anderd naar zijn Beeld”: de na­­tuur van Jakob deugde niet en dat was bij zijn geboorte al zo. Hier gaat hij dus ook uit van de zogenaamde erfzonde.

De Joden geloofden toch ook niet in de erfzonde? Maar bij de blind-geborene wordt gevraagd: heeft hij gezondigd, dat hij blindgeboren is? Naar ik meen dachten de rabbi’s, dat je vóór je geboorte kon zondigen.

Het Jodendom kent geen erfzonde. Dat verband zou ik trouwens ook nog eens moeten nakijken. De rabbijnen maken onderscheid tussen twee nei­gin­gen. De mens heeft een neiging naar het goede en een nei­­ging naar het kwa­de. Het Jodendom heeft wel heel sterk de opvatting, dat de mens kan om­keren. De om­keer of bekering, is één van de grondpilaren van de Jood­se leer. Daar­om zegt Jezus meteen bij het begin van zijn pre­di­king: keer om, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. In feite knoopt Je­zus hier aan bij die grond­gedachte, ook van de pro­­feten.

Jakob, een man uit één stuk

«Toen de jongens opgroeiden, werd Esau een man, ervaren in de jacht, een man van het veld, maar Jakob was een huiselijk man, die in tenten woonde» Gen.25:27. SV.: «Jakob was een oprecht man». Er staat dus niét het woord ‘huiselijk’. Het NBG heeft met dat oprecht geen raad geweten. Dat kan toch niet met een bedrieger, met een hiel­­lichter. Zo volgt de ene foute vertaling uit de andere. Toen heb­ben ze maar vertaald vanuit de gedachte: als die twee broeders te­gen­­­gestelde karakters hebben, dan is de tegenstelling met ‘man van het veld’: een huiselijk man.

Dat soep-koken sloot wel een beetje aan bij die huiselijke gedachte.

Toch geloof ik, dat de vertalers hier een noodsprong hebben ge­maakt. Want het grondwoord is hier oprecht, of eenvoudig, in het He­breeuws tam. Jakob was een eenvoudig man. Eenvoudig in de zin van onverdeeld, een man uit één stuk. Buber en Rosenzweig vertalen het met ‘schlicht’, wat ‘eenvoudig’ bete­kent. Dat is het Oudnederlandse woord ‘slecht’, wat je nog vindt in oude Psalm­be­­rijmingen, bijvoorbeeld in Psalm 119, waar van God gezegd wordt: “Die aan slechten wijsheid leert”. Daar wordt niet bedoeld: slechte mensen, boos­doeners, maar daar wordt bedoeld: eenvoudigen. Dus slecht betekent ook in het Ne­der­lands oorspron­ke­lijk: eenvoudig. Van Jakob wordt gezegd: hij was een eenvoudig man. Je zou het ‘t bes­te kunnen weergeven met: hij was een man met één doel voor ogen. Ik denk, dat dat ook klopt. Want als hij een keer iets in zijn hoofd had, beet hij zich erin vast en was hij er niet meer vanaf te bràn­den, soms op het koppige af. Mens uit één stuk, niet meer te stop­pen, onstuitbaar: een doorzetter. Chouraqui vertaalt hier ook: hij was een ‘homme intègre’, een integer mens. Ook daar hoor je weer diezelfde gedachte: ongecompliceerd, ra­­dicaal, reso­luut. Als je Jakob hebt, heb je hem ook helemaal. Je moet deze geschiedenis dus niet met een vooroordeel gaan lezen. Je ziet in Jakob en Esau het herdersvolk en het jagersvolk. Daar heb je in feite de twee werelden waar het om draait.

Het belang van de naamgeving

Vreemd eigenlijk, dat ze hem de naam Esau, de ruige, gaven terwijl hij toch voortkwam uit de barmhartigheid.

Op zich is die naam ruige natuurlijk niet negatief. Hij is wel beeld van de vol­keren, maar hij was niet voorbeschikt om zo te worden. Dat ontwikkelt zich in en uit de geschiedenis. Die volkeren zijn in­der­daad wat ‘ruig’. Maar uiteindelijk heeft God ze wel op het oog.

Worden die namen profetisch ingegeven, of worden die op het moment van de geboorte zo gegeven?

Soms hebben die namen een bepaalde profetische geladenheid, ech­ter niet altijd.

Als iemand een negatieve naam krijgt, zou hij hiervan in de geestelijke we­reld toch een bepaalde neerslag bemer­ken, juist omdat een naam zo bijzonder belangrijk is.

Je ziet dat bijvoorbeeld bij Benjamin. Rachel noemt hem dan Ben-Oni, wat betekent ‘Zoon van mijn ellende’. Maar dan komt Jakob er gauw tussen en verandert die naam in Ben­jamin, wat betekent: ‘Zoon van mijn Rechterhand’. Zo zie je dus het Herdersvolk en het Jagersvolk. Er is wel gezegd: Esau had zich bij Jakob moeten voegen.

Dat geloof ik ook, ja. Dat is, geloof ik, ook de sleutel tot dit hele ver­haal. We zullen zien, dat hij dit uitein­delijk in zekere zin nog gaat doen ook. Er zit aan dit verhaal een heel positief slot.

Herdersvolk en jagersvolk

«En Isaak had Esau lief, want wildbraad was naar zijn smaak; maar Rebekka had Jakob lief».  Gen.25:28. Deze tekst moeten we niet te gauw omlaag halen. Er wordt in dit ver­­band te snel gezegd: de liefde van de man gaat door zijn maag. Letterlijk staat er: «Jachtwild was naar zijn mond». Isaak wilde eigenlijk nog in twee werelden leven. Hij was geboren uit het nieuwe en aan de andere kant wilde hij nog eten van het oude. Hij wilde nog eten van het jagersvolk. Maar het ja­gersvolk heeft geen toekomst, al­leen het herdersvolk heeft toe­komst. Heeft dat ook te maken met het volk dat uit Kaïn is voortgekomen? Kaïn was ook een zwerver. Ja, en ik denk ook met Nimrod. Van Nimrod staat, dat hij een ge­wel­dig ja­ger was voor het aangezicht des Heren. Er staat ook van hem: hij was een man van het veld. Het veld was de plaats die buiten de cul­tuur stond, bui­ten de beschaving, buiten de adama, de aard­bo­dem. Het is merkwaardig, dat dat veld bij Kaïn ook een rol speelt. Als hij Abel gaat vermoorden, gaat hij het veld in. En daar op het veld vindt de moord plaats. En Esau was ook een man van het veld. «Eens had Jakob een gerecht gekookt, en Esau kwam vermoeid van het veld» Gen. 25:29. Het jagersvolk wordt moe, ze raken aan het eind van hun krachten. Daar zie je ook weer heel duidelijk het beeld van de volkeren, de hei­de­nen, die zich afmatten. Habakuk 2:12 zegt dan:

«De natiën matten zich af voor niets». Zo wordt Esau vermoeid en uiteindelijk moet hij bij Jakob terecht­ko­­men. En het begint er al een beetje op te lijken, want dan staat er: «Toen zeide Esau tot Jakob: Laat mij toch slokken van dat rode, dat ro­de daar, want ik ben moe» Gen.25:30. Hij erkent dat hij bij Jakob moet wezen. Bovendien erkent hij dat hij moe is. ‘Ik heb gejaagd wel jarenlang’. Alleen: hij zal ook nog Jakob moe­ten erken­nen als eerst­geborene. Dat doet hij nog niet, hij wil al­leen mee-eten.

De Ruige en de Rooie

«Daarom gaf men hem de naam Edom».  Gen.25:30

Zo komt Esau aan zijn tweede naam. Edom betekent Rode. Er zit een woord­speling in met het Hebreeuwse woord adom, wat rood bete­kent. Vergelijk adam. Dus Edom betekent: Rooie. Nu heeft hij dus al twee namen: Ruige en Rooie. Jakob zal ook nog een tweede naam krijgen, maar dat duurt nog even. Dat komt pas in Genesis 32, bij de ontknoping.

Esau heeft zijn twee­de naam al binnen, die is er iets vlotter mee. Meestal zijn de volkeren ook iets vlotter dan het volk van God. Ook dat geeft te denken! Het tempo ligt bij de gojim meestal wat ho­ger dan bij de gemeente. Dat is op zich wel eens een heel interes­sant punt om over door te denken. Als God ergens op moet wachten is het meestal op ons. Die heidenen lopen wel, die kunnen zelfs rèn­nen. Maar het volk van God gaat vaak minder vlot. God had ook veel meer tijd nodig voor Jona dan voor Ninevé. Dat hele Ninevé kwam zo in één klap tot bekering. En die ene Jona…..mensen, daar gaat een tijd in zitten! Ze zeggen toch ook wel eens: Heidenen bekeren is een christelijk werk. Christenen bekeren is een heidens werk.

Bij het bloed terecht komen

Adam en Edom hebben dezelfde medeklinkers. Er zit trouwens nòg een woordspel in. Hierin klinkt ook het woord dam door, wat bloed betekent. In diepste zin kun je daarom zeggen, dat dat rode ook nog een beeld is van het bloed. Uiteindelijk moeten de volkeren bij het bloed terecht komen. Dat bloed kun­nen ze vinden bij Jakob, bij het volk van God. Esau wil hier wel mee­ge­nieten, maar verder ziet hij nog niets. Hij heeft niet in de gaten, dat dit hier ook te maken heeft met de eerst­ge­boorte. Jakob heeft dat wel in de gaten en zegt: «Maar Jakob zeide: Verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorterecht» Gen.25:31.

Bekhorah en  Berakhah

Straks komt er nog een thema bij, dat is: de zegen. In Genesis 25 gaat het om die Bekhorah, dat eerstgeborene zijn.  En in Genesis 27 gaat het om de Berakhah, de zegen. Wie zal de zegen ontvangen? Die twee thema’s zijn met elkaar vervlochten: de Bekhorah, de eerst­geboor­te – de positie, en de Berakhah, de zegen. Dat eerst is een nogal frappante uitdrukking. Letterlijk staat er: «Verkoop mij dan deze dag uw eerstgeboorterecht». Dat is heel typerend voor Israël, voor Jakob, het volk van God. Het volk van God is in feite het enige volk dat besef heeft van ge­schie­denis. De hei­de­nen hebben ten diepste geen besef van tijd, die we­ten niet hoe laat het is. Alleen bij Israël had men be­wust­zijn van de geschiedenis. Bij al die andere godsdiensten valt het op, dat ze geen bewustzijn van tijd of geschiedenis hebben. Speciaal bij het Hindoeïsme en het Boeddhisme draait alles in een kringetje rond. Als je dan sterft word je weer geboren in een volgend leven, mis­schien wel als een dier! Zo heb je bij de reïncar­na­tie­ge­dachte in feite geen ge­schiedenis, je hebt alleen maar een kringloop, een eindeloze kring­loop van levens. Jakob staat als prototype, als model van Israël en zegt: «Verkoop mij deze dag uw eerstgeboorterecht». De Bijbel denkt altijd in dagen, ver­ge­lijk het schep­pings­­verhaal. Wij moe­ten ook in dágen leren den­ken. Juist van Israël kun je de betekenis van de kalender, van de tijd, le­ren. Israël had een kalender die helemaal op de feesten was ge­bouwd. Jakob heeft dat bewustzijn ook gehad en daarom zegt hij: Deze dag. Vandaar dat er in de Bijbel zoveel teksten zijn, die spreken over he­den, dan staat er ook weer: Deze dag. «Heden, indien gij zijn stem hoort».  Dat is typisch Israëlitisch.

Eerst­gebo­rene-zijn is een opgave

Waarom wil Jakob nu dat eerstgeboorterecht hebben?

Ik zou willen pleiten voor een herwaardering van Jakob. Meestal wordt hij afgeschilderd als hebberig. Maar het eerstgeboorterecht gaat veel dieper dan hebben. Een eerstgeborene is niet zozeer iemand die mag hebben, al kan dat er eventueel wel bijkomen, maar het eerst­­gebo­rene-zijn is allereerst een opgave. Het is een taak met een extra verantwoordelijkheid. Een eerstgeborene in de Bijbel is iemand die het voor zijn broeders opneemt. Dat is de lijn door de hele Schrift heen. Daarom wordt ook Jezus ge­noemd: ‘De Eerstgeborene onder vele broederen’. Hij was er niet op uit om te hèb­ben, maar Jezus nam het op voor zijn broe­ders. Hij ging staan in de plaats van zijn broeders en heeft gezegd: Laat dezen heen­gaan. Mijn broeders moe­ten vrij en Ik zal gaan in hun plaats. Daar heb je de ware Eerstge­bo­re­ne. Jakob heeft heel diep aangevoeld: Esau kan dat eerstge­boorterecht niet dra­gen. Daarom wil Jakob het van hem overnemen. Hij zegt: laat mij dat maar dragen. Het kan heel goed zijn, dat de motieven van Jakob op dat mo­ment heel oprecht geweest zijn. Dat Jakob ge­dacht heeft, ­ziende hoe Esau leefde, altijd maar op jacht: Esau kan dat eerst­ge­boor­terecht niet aan; laat mij het maar dragen, ik kan het beter dra­gen dan hij, laat mij die last van hem over­ne­men. Het volk van God krijgt verantwoordelijkheden die de volke­ren niet kun­nen dragen. Jakob heeft daar iets van geproefd en heeft gezegd: Ik wil die eerst­ge­­­borene zijn. Ik ben bereid om die verantwoordelijkheid op me te ne­­men. Ik ben be­reid ìn te staan voor Esau. Hij heeft heel diep ge­we­ten: Esau kan nooit zijn doel bereiken zonder mij. Dat was geen hoog­moed, maar een diep besef: dit is de orde van God, God heeft het zo bedoeld. Jakob wist: ik moet een vasthouder zijn, een Jakob, ik moet Esau vast­­hou­den. Hier zegt hij: verkoop mij nu dat eerstgeboorterecht, want ik wil die plaats innemen. Maar Esau ziet dat helemaal niet, die denkt dat hij zò wel kan mee-eten. Jakob heeft gevoeld: daar is iets meer voor nodig, dan moet hij mij er­kennen. Jakob was bereid om het op te nemen voor Esau. Hij wist: die jongen komt er anders nooit. Jakob wist: Esau kan alleen thuis­ko­men als ik mijn plaats in­neem.

Ik ga om te sterven

«En Esau zeide: Zie, ik ga toch sterven; waartoe dient mij dan het eerst­­­­geboorte­recht?».  Gen.25:32. ‘Ik ga sterven’. Nu kun je dat in het Nederlands wel zo zeggen, maar in het Hebreeuws is dat geen gebruikelijke uitdrukking. Letterlijk staat er: «Ik ga om te sterven». Dus Esau heeft aangevoeld: de weg die ik ga, loopt uit op de dood. Hij zegt in feite: ik zit op een doodlopende weg, ‘ik ben gaande om te sterven’. Dat is in diepste zin ook waar, de heidenen zitten op een dood­lo­pen­de weg, zij hebben geen leven in zich­zelf. Die zijn inder­daad gaan­de om te sterven. Hun hele weg loopt uit op de dood. Daarom zegt Esau ook: «Waartoe dient mij dan het eerst­geboorte­recht?» Dat eerst­geboorterecht betekent inderdaad niets voor Esau. Hij ziet alleen maar die levensgang van opgaan, blinken en verzin­ken. «Zweer mij eerst»  Gen.25:33. Letterlijk: «Zweer mij deze dag». «En hij zwoer hem. Zo verkocht hij aan Jakob zijn eerstgeboorterecht» Gen.25:33.

Brood geven aan je  broeder

«Toen gaf Jakob aan Esau brood en het linzengerecht» Gen.25:34.

Daar zie je een prachtig beeld: hij geeft brood aan zijn broeder. Daar­mee vervult hij zijn wezenlijke opdracht. Dat is de taak van het volk van God: brood geven aan je broeder, zelfs als die broeder ‘een Esau’ is. Brood geven aan degenen die vermoeid en uitgeput van het veld, van de jacht komen. Dat is typisch het werk van een herder. Ja­kob is inderdaad beeld van het herdersvolk: hij deelt brood uit. Zo zal Jezus later – als de Goede Herder – Zichzelf geven als het brood des levens. «Hij at en dronk, stond op en ging heen. Zo verachtte Esau het eerst­ge­­boor­terecht»  Gen 25:34.

«En ging heen».  Gen.25:34 

Vergelijk: «Ik ga om te sterven» Gen.25:32. Hij ging ten diepste inderdaad om te sterven. Hij heeft al wel gegeten van het brood dat Jakob hem gegeven heeft. Er is dus al een klein licht­puntje. Alleen, het hoofdstuk eindigt met: «Zo verachtte Esau het eerstgeboorterecht» Gen.25:34. Niet alleen maar zijn eerstgeboorterecht, maar het eerstgeboorte­recht in het algemeen.

De gezegende des He­ren

Genesis 25, de Bekhorah

Genesis 27, de Berakhah, de zegen.

Waarom staat er nu een hoofdstuk 26 tussen? In Genesis 26 gaat het niet over Jakob en ook niet over Esau, die zijn al­le­­bei buiten beeld. Daar gaat het opeens over vader, over Isa­ak. Genesis 26 lijkt wel verdwaald. Wat doet dat er nu tus­sen? En toch, bij­bel­ver­tellers com­po­ne­ren met voorbedachte ra­de! Dat Gene­sis 26 staat precies op zijn plek, jawel! Het staat met opzet daar net tus­sen­in. En waarom dan? In Genesis 26 wordt verteld wat die zegen nu inhoudt. Als je wilt we­ten wat die zegen nu is, waar het in Genesis 27 over gaat, moet je Ge­nesis 26 lezen. Want daar wordt verteld wat het betekent een ge­ze­gende des Heren te zijn. Want het thema van Genesis 26, eigenlijk het thema van het hele boek Genesis, dat is die Barukh, de geze­gen­de. Dan de vraag: wat wil dat zijn? Als je nu de Barukh Adonai bent, de gezegende des He­ren, wat ben je dan voor een mens? Heel in het kort: het gaat daar om het groot worden van de gezegende; die ‘gezegende des He­ren’ wordt ‘groot’. Met het doel om er te zijn voor allen, als die ene namens het geheel. God zegt: ik ga die gezegende groot maken, opdat hij groot kan zijn ten behoeve van de anderen. Even één tekst eruit: «En Isaak zaaide in dat land en oogstte in dat jaar honderdvoudig, want ‘Adonai’ ze­gende hem. En die man werd rijk, ja gaandeweg rij­ker, totdat hij zeer rijk gewor­den was» Gen.26:12-13. Dat is nu wel heel goed bedoeld van het NBG, alleen er staat iets anders. Er staat in vers 13: «Die man werd groot, en hij werd gaandeweg groter, totdat hij zeer groot gewor­den was»  Gen.26:13. In dat hele 13e vers krijg je steeds weer die woordstam ghadal te ho­ren. En ghadal betekent groot worden. «Hij werd groot en hij ging gaan­­de en groot wordende, totdat hij groot geworden was ten zeer­ste». Dus driemaal krijg je in die ene tekst dat sleutelwoord groot te ho­ren. En waarom wordt hij groot? In Genesis 26:12 staat: «Omdat hij ge­zegend werd». Dus niet groot van ‘ik ben het’, maar groot om er te kunnen zijn voor de ander. Groot om te kunnen dienen.

Bij de maaltijd word je gezegend

We gaan hier kijken naar de zegen, dat is in dit hoofd­stuk het mo­tief­woord. Dat is ook het hoogtepunt: Isaak gaat zegenen. «Toen Isaak oud geworden was, werden zijn ogen zo ver­zwakt, dat hij niet kon zien. Hij riep zijn oudste zoon Esau en zeide tot hem: Mijn zoon. En deze zeide tot hem: hier ben ik»  Gen.27:1. Letterlijk: «En het geschiedde dat Isaak oud werd». «En hij zeide: Zie toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet» Gen.27: 2. Het gaat weer over de dag.

«Nu dan, neem toch uw wapentuig, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit, het veld in en schiet voor mij een stuk wild».  Gen.27:3 Letterlijk: «Een stuk jachtwild». Daar komt weer dat woord jacht naar voren. Isaak wil dus eten van het oude, van het jagersvolk. Van daar­uit wil hij een zegen uit­spre­ken. Waarom wil hij nu eerst eten en dan zegenen? Dat wordt vaak populair uitgelegd: Isaak moest eerst wat krachten opdoen, door het lekkere eten kwam Isaak in de juiste stemming om te zegenen. Maar zo haal je het wel naar beneden. Je moet hierbij be­denken, dat maal­tijd en zegen in de Bijbel altijd bij elkaar horen. Denk maar aan het Avondmaal. Aan de maaltijd word je gezegend. Jezus zegt: «Ik zal maaltijd met hem houden en hij met mij». Wanneer de Verloren Zoon thuiskomt, wordt er ook een maaltijd aangericht. Vergelijk ook: «En de HERE der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feest­maal van vette spijzen aanrichten, een feestmaal van belegen wij­­nen» Jes.25:6. Vergelijk ook: «Gij richt voor mij een dis aan» Ps.23:5. Aan die maaltijd word je met olie overgoten. Jakob komt bij dat bed van vader Isaak en dan staat er:

Jakobs stem maar Esaus handen 

«Jakob dan kwam dichterbij tot zijn vader Isaak, en deze betastte hem. En hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus handen».  Gen.27:22

Dat vind ik altijd een heel indrukwekkende tekst. Er is een Joodse denker geweest, Jakob Gordin, die hier het een en ander over ge­zegd heeft. Jakob Gordin kwam oorspronkelijk uit Rusland en leefde later in Frankrijk, waar hij lessen heeft gegeven. Hij zegt: “De stem is altijd weer de stem van Jakob en de handen zijn altijd weer de handen van Esau”. Esau steekt de handen uit de mouwen, die laat zijn handen wapperen, die werkt en die doet. Esau is beeld van de volkeren. De volkeren zijn altijd bezig met hun handen en ze bou­wen kastelen en paleizen. Ze bouwen wolkenkrabbers en toren­flats, fabrieken en bunkers. Overal zie je het: de handen zijn altijd weer de han­den van Esau. Loop maar door de straten van de grote steden en je ziet het: de handen van Esau. Maar er is één ding, één ding en daar wordt de we­reld­geschie­de­nis door gedragen: de stem is Jakobs stem. Jakob, oftewel Is­ra­ël. En wat is het geheim van Israël? Niet de handen, maar de stem. Want wat heeft Israël gedaan door de eeu­wen heen: bidden en vertel­len. Het ge­bed en het ver­haal. De Torah en de Profeten. Het morgen- en het avond­gebed. Steeds maar weer: “Hoor Israël…”; de stem is Jakobs stem. Waar zouden de han­den van Esau terechtkomen als daar niet de stem van Jakob was.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

1 comment on “Jacob en Esau”


  1. Rob de Ruiter says:

    Dag Dr. K.D. Goverts,

    Deze paasdagen kwam ik al bijbellezend terecht bij het verhaal van Jacob en Esau. Mede door de vraag: waarom zegt God: Esau heb ik gehaat en Jacob heb ik liefgehad. Er gaat een wereld voor mij open. Jacob is ook een duidelijk beeld van Jezus. Van Jozef had ik dat al duidelijk in gezien, maar wat zijn de vergelijkingen (met name bij het verkrijgen van het eerst geboorte recht) prachtig! Mijn complimenten over uw schrijfwijze en de opbouw van de inhoud. Bedankt.

    Groet,
    Rob de Ruiter
    Leerkracht chrsitelijk basisonderwijs Oldebroek
    kringleider VEZ Zwolle

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406064 bezoekers sinds 07-06-2010