In het Boek

19-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Gij maakt mij het pad des levens bekend  (Psalm 16:11)

Dat is eigenlijk een heel unieke uitspraak. David geeft in deze psalm hiervan getuigenis. Er staat dan ook boven deze psalm: ‘Een kleinood van David’. Hij was de man naar Gods hart, hij was de man die het hart van God ging kennen. We zien hier, dat David te midden van alle strijd die hij doormaakt, hier tot een diepgaande uitspraak komt. God gaat David het pad des levens bekendmaken. Dat houdt toch wel wat meer in, dan ‘alleen maar’ het pad naar het leven. Dat is natuurlijk wel een kant van de zaak: God gaat je de weg tonen naar het leven. Dat gebeurt, als iemand tot geloof komt; dan gaat hij de weg naar het leven ontdekken. In deze tekst staat: het pad van het leven. Het gaat hier om het leven, dat God Zelf leidt. Wat voor leven leidt God? En nu wil God je laten zien, hoe Hij leeft. En dat pad, is het pad dat God Zelf bewandelt. Dat gaat veel verder dan dat God zegt: Ik zal een pad voor je uit stippelen en daar moet je dan maar op gaan wandelen. Een vader of moeder kan voor een kind een pad uitstippelen: Je moet naar die school gaan en dan kun je dit of dat bereiken. Maar die vader of moeder doen zelf iets heel anders; die houden zich met heel andere dingen bezig. Maar God doet het anders. God gaat geen pad voor je uitstippelen, maar God gaat een pad bewandelen. En dan is het geweldige, dat God zegt: Het pad, dat Ik bewandel, dat mag die mens ook gaan bewandelen. En dan staat er in dat verband:

overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig  (Psalm 16:11)

Letterlijk: verzadiging van vreugde. De mens gaat verzadigd worden van de vreugde, die God heeft. Dit is dan één van de sleutels van wat wij dan ‘het Oude Testament’ noemen, namelijk, dat de mens mag gaan wandelen op het pad van God. Dat was ook het geheim van David: hij is daarmee bezig geweest, met dat pad van het leven. David heeft op dat pad van God gewandeld, hij heeft het leven geleid, dat God leidde. Dat is in wezen ook de sleutel voor de gemeente, dat is ook de sleutel voor de overwinning. God en mens worden één. Het hart van God wordt één met het hart van de mens. En als dat gebeurt, wordt de duivel uit de hemel geworpen. Als God en mens één worden, wordt de duivel buitenspel gezet. Waar moet de duivel trouwens blijven, als God en mens één worden? De duivel doet altijd zijn best, om God en mens uit elkaar te halen. De naam zegt het trouwens al: duivel betekent uiteenwerper. En daarom gaat God juist de mens brengen tot zijn hart.

Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart.  (Efeze 4:17,18)

Het punt bij die heidenen is dus, dat ze zijn vervreemd van het leven Gods. Het leven Gods is het leven, dat God Zelf leidt. Dit moet je heel concreet zien. Het ‘leven Gods’ is maar niet de één of andere substantie, die God in een mens uitstort. Maar het leven Gods is zijn bestaanswijze. Het leven Gods is Gods manier van doen. Als je je bij God thuis wilt voelen, dan moet je je dus aanpassen aan zijn manieren. Je moet je aanpassen aan de regels van het Huis. Dat leven Gods wordt vaak veel te veel abstract gezien. Mensen zeggen soms: ‘Ik heb het leven Gods in me’. Dat is wel mooi, maar het is beter, als jij in het leven Gods bent. Het is goed om de zaak eens om te draaien. ‘het leven Gods is in mij’; nou, laat dat dan maar eens zien; wat erin zit, moet er dan toch ook uitkomen. ‘Het leven Gods ‘ is Gods leefwijze, zou je kunnen zeggen. Dus die heidenen zijn vervreemd van de leefwijze van God. De definitie van een heiden (je hebt trouwens ook heel vrome heidenen) is: iemand die niet weet hoe Gods manier van leven is, iemand die Gods levensstijl niet kent. Jezus ging de mens weer brengen bij de levensstijl van God. Dan kom je tot deze grondgedachte: de mens gaat navolger worden van zijn Schepper. Paulus zegt in deze teksten: de heidenen leven in een stuk onwetendheid. De ijdelheid van hun denken is ‘het verduisterd zijn in het verstand’.

Zo zegt de Here: Gaat staan aan de wegen, en ziet en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat gij die gaat en rust vindt voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij willen die niet gaan.  (Jeremia 6:16)

Een unieke tekst, en nog vrij bekend ook. Deze tekst wordt vaak in een bepaald verband gebruikt. ‘De oude paden’ zijn in bepaalde kringen nogal ‘in’. Het is ook opvallend, dat dit de tekst is, waar Jezus op inhaakt, als Hij zegt:

Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen;  want mijn juk is zacht en mijn last is licht. (Mattheüs 11:28-30)

Jezus is dus ook bezig geweest met deze tekst uit Jeremia. Andere vertalingen spreken van: vraagt naar de oerpaden. Je zou ook kunnen spreken van: de paden van oorsprong. Dat zijn de paden, die God vanouds bewandelt; dat zijn de paden, die God gewend is te gaan. Dan is het zo geweldig, dat God tegen de mens zegt: Ik wil, dat je die paden, waar Ik ook op wandel, gaat ontdekken. Het kernpunt is dan, dat Ons leven een deel gaat worden van Gods leven. In de Bijbel kom je van die mensen tegen, wier leven helemaal is opgenomen in het leven van God. Hun bestaan is een deel geworden van Gods bestaan.

In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, – Gij hebt mij geopende oren gegeven -, brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd. Toen zeide Ik: Zie, Ik kom; in de boekrol is over mij geschreven. Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste. (Psalm 40:7-9)

Dit is een lied van David en tegelijk een Messiaanse profetie, een woord over de Christus. Het woord wet (vers 9) betekent hier: onderwijzing, uw Torah. Uw onderwijzing is in mijn binnenste, dat is dat diepe geheim van David. Je binnenste is de kern van je bestaan, dat is letterlijk: het middelpunt van je ‘zijn’. Dan wordt de onderwijzing van God dus de kern, waar je hele bestaan op gebouwd is; dat is een geweldige zaak. God zit dus niet zo op die offers te wachten, maar wel op dat komen van de mens: Zie, Ik kom. God verlangt ernaar, dat de mens gaat komen, gaat staan op de weg van God. In de boekrol is over mij geschreven. Dat is toch een heel merkwaardige gedachte. God heeft ook een boekrol, een boek. De naam van dat boek is: het boek des levens. We moeten ons dat ‘boek des levens’ concreet voorstellen. Veel mensen denken dan aan een boek met allerlei namen, een soort burgerlijke stand. Allemaal namen; en God zit dan daar dagelijks in te lezen. Maar dat is toch niet zo’n interessante bezigheid. Maar God heeft wel interessantere dingen te doen: God kan die namen trouwens ook best zonder boek onthouden. Het Hebreeuwse woord voor BOEK, sefer (rpo),  heeft te maken met het werkwoord vertellen, sipeer (rpo). ‘Boek’ en ‘vertellen’ hangen dus met elkaar samen. Het hangt ook samen met tellen, safar (rpo). Bij ons is tellen en vertellen dus dezelfde werkwoordstam. Je moet dus het verband zien tussen ‘boek’ en ‘vertellen’; en dan ontdek je iets heel belangrijks. Eén van de meest wezenlijke kenmerken van God is, dat Hij een God is die altijd vertelt. Als een mens gaat vertellen, is hij dus eigenlijk met een goddelijke bezigheid aan de gang. Ik zal de daden des Heren vertellen Dat is iets heel wezenlijks. De duivel heeft niets te vertellen, in dubbele zin niet. Hij heeft in feite ook nooit iets nieuws. Het enige wat hij zegt, is het opsommen van de aanklachten. De Enige, die iets te vertellen heeft is God. En dat heeft ook de mens, die met God verbonden is. Daarom staat er ook steeds in de Psalmen:

ik zal vertellen, wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel

Dat komt in deze psalm 40 ook naar voren, ook al worden er wat andere woorden voor gebruikt. Vertellen is dan ook één van de grondbegrippen van het bijbelse denken. God preekt ook niet, Hij vertelt. In de Bijbel wordt ook niet zozeer gepreekt, maar daar worden verhalen verteld. Als God duidelijk wil maken, Wie Hij is, gaat Hij geen preek houden, maar dan vertelt Hij een verhaal. Dat doen die bijbelschrijvers ook altijd. Dat is juist het unieke van de Bijbel; daarom is de Bijbel ook onuitputtelijk. Al word je honderd jaar, je raakt er nooit op uitgekeken. Een preek kun je hoogstens twee keer horen, daarna wil je toch wel een nieuwe horen. De verhalen in de Bijbel vertellen wie God is en wat Hij doet. God is dus naar zijn wezen een vertellende God. De Bijbelschrijvers beelden door hun verhalen dus uit wie God is. Als God dus een boek schrijft, het boek des levens, wordt dat dus een boek met verhalen. Dan ga je toch een geheimenis zien. Jezus vertelde trouwens ook altijd verhalen: gelijkenissen. In het Boek des Levens staan dus verhalen, verhalen over mij! in de boekrol is over MIJ geschreven. Dus David zegt: God schrijft een verhaal over mij! In de Hebreeënbrief wordt dit woord weer aangehaald en wordt het gezegd door Jezus:

Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van mij geschreven  – om uw wil, o God, te doen (Hebreeën 10:7)

Jezus gaat dus dat woord uit Psalm 40 toepassen op zichzelf. Een andere vertaling zegt: de boekrol, hij is op mij geschreven. Bij David zag je dat inderdaad: die boekrol was hem op het lijf geschreven; bij Jezus was dat helemaal het geval. Die boekrol, die Torah was Hem op het lijf geschreven. Hij werd (was) als het ware die boekrol. Daarom kon ook van Jezus worden gezegd: Hij is het Woord. Als je Jezus zag wandelen, kon je zeggen: daar wandelt het Woord. Hij was het woord ten voeten uit. Hij was het woord door zijn bestaan, door wat Hij ‘uitleefde’, door wat Hij in die jaren allemaal tot ontwikkeling bracht. Door zijn spreken, door zijn handelen, door zijn bezig zijn met het herstel van de mens. Jezus was bovenal het Woord door zijn verbinding met de Vader, dat was immers de kern van zijn hele bestaan! Hij was Mens, die op een unieke manier met de Vader verbonden was. Als Jezus in de eenzaamheid op de berg was, om daar te bid­den, dan kon je zeggen: daar heb je nu het Leven Gods. Dat Leven Gods was niet als een substantie in Hem, net zo min als zonde als substantie in een mens zich bevindt. Zonde is immers een geestelijke zaak. Dat Leven Gods is ook een geestelijke werkelijkheid. Dus als Jezus daar bezig was met de Vader, als Hij die gedachten van de Vader in Zich opnam, als Hij daar één was met het hart van de Vader, dan kon je zeggen: daar heb je nu het Leven Gods. In het leven van Jezus schrijft God zijn verhaal, daarin schrijft God zijn boek. Als God over jou een verhaal kan schrijven, sta je in het Boek des Levens. Dat heeft ook wel te maken met je redding, maar het omvat veel meer. Als jouw naam bij je bekering in dat Boek des Levens wordt geschreven, is dat natuurlijk al geweldig, maar het is nog veel rijker. Het is de bedoeling dat God een verhaal kan schrijven over jouw leven, dat God jouw leven kan opschrijven in zijn boek. Dan wordt jouw leven waardevol. Er zijn mensen waar God niets over schrijven kan. Als iemand alleen maar bezig is voor zichzelf, dan is God gauw uitgeschreven. Al die Farizeeën, al die Schriftgeleerden, waren heel godsdienstig, maar er zat geen verhaal in voor God. In de Bijbel kun je wel nagaan, waar God een verhaal over schrijft. Zo schrijft God bijvoorbeeld een verhaal over Abraham. Hele hoofdstukken worden gewijd aan het leven van Abraham. Bijna heel het leven van Abraham komt in het boek van God. Zo is het opvallend, dat juist van een bepaald gedeelte uit het leven niets wordt vermeld. Dat was, toen Abraham de vader werd van Ismaël. Toen heeft God dertien jaar gezwegen.

En Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde  (Genesis 16:16)

Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk  (Genesis 17:1)

Tussen deze twee teksten zit dus 13 jaar. In de Bijbel volgen ze echter ogenblikkelijk op elkaar. In het Boek des Levens staat dus niet alleen zijn naam, maar in dat Boek des Levens wordt het hele leven van Abraham beschreven. Want dat hele leven van Abraham is een deel geworden van het leven van God. God zegt als het ware: Abraham, dat leven van jou past nu helemaal in mijn leven. Abraham, dat pad dat jij bewandelt, is helemaal mijn pad. Ook het leven van David past helemaal in het Boek des Levens. Daarom kan David zeggen: ik sta ook in die boekrol. Het leven van Jezus staat natuurlijk helemaal voor honderd procent in het Boek des Levens. Het hele leven van Jezus is immers deel van het Leven Gods! Daarom was het leven van Jezus zo waardevol: het viel totaal samen met het leven, dat God leidde. Dan kan God zeggen: hier heb Ik nu een mens, die helemaal met mijn leven is verweven. Er zijn nogal wat teksten, die handelen over dat Boek, dat God schrijft. Ons verlangen moet ook zijn, dat niet alleen onze naam in dat Boek terecht komt, maar dat ons hele leven in dat Boek zal staan.

Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden  (Genesis 2:4)

Er zit heel wat aan deze tekst vast, maar dat is een verhaal apart. In de Septuagint, in de Griekse vertaling van het ‘Oude Tes­tament’ staat: dit is het BOEK van de geboorte van hemel en aarde. Letterlijk staat er: het boek van de genesis. Het boek van de genesis van hemel en aarde; de wording (de geboorte) van hemel en aarde. Daar begint God dus zijn boek te schrijven. En in dat boek staat dus ook de wording van hemel en aarde. Wat in dat boek staat, kan ook nooit ondergaan. Vandaar dat de hemel en de aarde ook niet kunnen vergaan. God heeft ze immers in zijn boek opgenomen!

Dit is het geslachtsregister van Adam. Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods  (Genesis 5:1)

Dit is ook weer een opschrift. Je zou zelfs kunnen zeggen: dit is het opschrift boven de hele rest van Genesis. De eerste vier hoofdstukken kun je beschouwen als inleiding, en dan in 5:1 lezen we de titel voor het hele verdere boek. ‘Geslachtsregister van Adam’. In de Statenvertaling staat: Dit is het boek van Adams geslacht. De Septuagint zegt hier: Dit is het boek van de geboorte van de mensen. Dit is het boek van de genesis van de mensen; de wording (de geboorte) van de mensen. Het is merkwaardig, dat de Septuagint ‘Adam’ heeft vertaald als een meervoud. Adam betekent ‘mens’, maar hier dus weergegeven met ‘mensen’. Het woord Adam heeft een wat wisselende betekenis. De ene keer is het een eigennaam (voor de eerste mens), andere keren is het een verzamelnaam. Dan zou je het dus eigenlijk met een kleine letter moeten weergeven: adam. Zo staat er in Genesis 1 ‘laat ons mensen maken’, in de grondtekst staat daar gewoon ‘adam’. In het boek (Genesis 2:4) staat dus de wording van de mensen beschreven. Dat is ook inderdaad het thema van het hele boek Genesis. Hoe gaan die mensen worden, wat is hun wording, hoe is hun ontwikkeling. Maar dan door het boek, waar God mee bezig is, het is Gods boek. Het grondthema van het boek, dat God schrijft is:

Ten dage, dat God Adam (adam) schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods, man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen mens ten dage, dat zij geschapen werden  (Genesis 5:1,2)

Dat wordt dus allemaal beschreven in dat boek van God:

1)    De mens wordt geschapen.

2)    Gemaakt naar de gelijkenis Gods.

3)    Man en vrouw.

4)    Hij zegent hen.

5)    Hij roept hun naam ‘Mens’.

Er staat eigenlijk niet: ‘Hij noemde hen ‘mens’, letterlijk staat er: Hij riep hun naam ‘mens’. Als God een boek schrijft, dan komen er inderdaad ook namen in, dat wel. Maar niet een register zoals de namen in een telefoonboek. In Gods boek komen namen met een betekenis. Als God een naam geeft, en eigenlijk staat er dan in de Bijbel, dat God een naam roept, dan is dat een geladen gebeurtenis. God roept ook onze namen. Als God onze naam roept, is dat niet alleen een ‘aanspreekwoord’, maar dan roept Hij je wezen. Door dat roepen van je naam, ga je ontdekken wie je bent. Dan ga je je identiteit ontdekken. Het is daarom ook zo geweldig, dat je ook nog een nieuwe naam krijgt. Die nieuwe naam is eigenlijk al in je. Die nieuwe naam is je nieuwe wezen, dat is je nieuwe identiteit. Over die nieuwe naam wordt soms heel oppervlakkig gesproken. Zo in de zin van: nu heet je Jan, en op de jongste dag zegt God: nu heet je voortaan Piet. Dat wordt dan in de eeuwigheid wel wat ingewikkeld, want als je dan roept, krijg je steeds de verkeerde aan de lijn. Door je nieuwe naam krijg je dus een nieuwe identiteit, een nieuw ‘zijn’. Dat gaat dus van binnen uit, God werkt altijd van binnen uit. Daarom staat hier ook: en Hij zegende hen en riep hun naam ‘Mens’. Dat is iets geweldigs, als God die naam gaat roepen. Dat zien we ook bij de geboorte van Jezus. Ook zijn naam werd geroepen, en die naam betekent: Bevrijder (bevrijding). Hij werd dus geroepen tot het ‘Bevrijder zijn’.

Toen Adam honderddertig jaar geleefd had, verwekte hij (een zoon) naar zijn gelijkenis, als zijn beeld, en noemde hem Set  (Genesis 5:3)

‘Een zoon naar zijn gelijkenis’. Die gelijkenis gaat dus verder, die wordt als het ware voortgeplant. Er staat dus weer ‘hij riep zijn naam ‘Set’. Adam gaat dus ook ‘namen roepen’, hij wordt dus navolger van God. Eerst roept God een naam en nu roept Adam een naam. En namen roepen is een typisch goddelijke bezigheid. Namen roepen is een creatieve bezigheid. Adam wordt medearbeider van God; hij gaat ook schrijven in het Boek van God. Het bijzondere is nu, dat als je de Bijbel leest en als je dan ziet, dat God bezig is een Boek te schrijven, het bijzondere is dan, dat mensen in dat Boek mee mogen schrijven. God leent zijn pen wel eens uit. God zegt: Ik laat die mens meeschrijven aan het Boek, dat Ik bezig ben te maken. Als Adam namen roept, is hij bezig mee te werken aan dat boek van God. Zo heeft ook Abraham meegeschreven aan het Boek van God. En dat ‘meeschrijven’ kwam tot stand door alles wat hij geloofde. Het geloof is de sleutel om deel te hebben aan het Boek van God. En het geloof is de verbinding met het hart van God. Nou gaan we eerst de sprong maken van Genesis 1 naar Mattheüs 1. Het ‘Nieuwe Testament’ begint eigenlijk op dezelfde manier als het ‘Oude Testament’. In Mattheüs 1:1 lezen we: Geslachtsregister van Jezus Christus. En we lazen in Genesis 5: geslachtsregister van Adam. Daarom moet je die geslachtsregisters ook nooit overslaan. Zo is dat Genesis 5 een uniek hoofdstuk! Ik word de laatste tijd steeds meer verrukt van Genesis 5. Op het eerste gezicht zeg je: nou, allemaal namen, sprekend een telefoonboek. Die verwekte die en die verwekte die; en die leefde zo lang en deze leefde weer een beetje langer. Maar toch, in dat hoofdstuk zitten geweldige geheimenissen. Nu staat er letterlijk in Mattheüs 1:1: Het boek van de geboorte van Jezus Christus.  De Statenvertaling heeft hier: Het boek des geslachts van Jezus Christus. Helemaal letterlijk: Het boek van de genesis van Jezus Christus. We komen dus steeds dat woord ‘genesis’ tegen. We hebben dus gelezen van de:

Genesis van hemel en aarde.   

Genesis van de mensen.

Genesis van Jezus Christus! Zo schrijft God zijn boek. God is altijd weer bezig met een wording. De genesis van Jezus Christus is dus de genesis van de nieuwe mens, van de Tweede Adam. Mattheüs 1 is net zo opgebouwd als Genesis 5: die verwekte die en die verwekte die.

de geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus  (Mattheüs 1:18)

Hier staat weer het woord ‘genesis’. De genesis van Jezus Christus was aldus. Het ‘Oude Testament’ begint met een genesis, maar het ‘Nieuwe Testament’ begint ook met een genesis. Dat is niet toevallig. En in dat verhaal (er wordt weer verteld) van Mattheüs 1 krijgt ook Jozef een opdracht.

Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden  (Mattheüs 1:21)

Letterlijk: en gij zult zijn naam roepen: Jezus. Vaak wordt gedacht: Jozef hangt in de geschiedenis rond de geboorte van Jezus er maar zo’n beetje bij. Vaders zijn bij de geboorte van hun kind toch meestal al niet van die helden. Vaders staan er dan met twee linkerhanden toch wel wat schutterig bij. Jozef had een heel wezenlijke functie, ook al was hij dan niet de natuurlijke vader van Jezus. Jozef had wel een opdracht: hij moest de naam roepen.

En hij gaf Hem de naam Jezus  (Mattheüs 1:25)

Hij riep de naam ‘Jezus’. Jozef stond daar maar niet met de mond vol tanden, maar die staat daar met de mond vol van de naam. Meestal gebeurde dat dan op de achtste dag bij de besnijdenis. Dan moest de vader het kind in de armen nemen en de naam over het kind uitroepen. Dat was een profetisch bezigzijn, dat was een geladen handeling. Dat was geschiedenis maken. Zo’n vader was daar dan bezig om te schrijven in het boek van God. Als hij die naam ging uitroepen, nam die vader als het ware een stukje van het werk van God over. Dat mocht de vader dan doen in Gods naam. De vader riep de naam over het kind uit, dat deed God niet. God zei ook niet: daar stuur ik wel een engel voor. Er kwam wel een engel om te vertellen hoe het kind moest heten, maar tegen Jozef werd door de engel gezegd: Jij moet de naam roepen. Nu begrijpen we ook, wat er van Jozef staat:

Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was  (vers 19)

Er staat hier een woord, dat eigenlijk veel dieper gaat dan ‘rechtschapen’. Het woord dat hier staat, betekent eigenlijk RECHTVAARDIG. Dat woord ‘rechtvaardig’ is weer zo’n kernwoord vanuit het hele ‘Oude Testament’. Er wordt in het ‘Oude Testament’ heel wat het woord ‘rechtvaardig’ gebruikt.

‘Hij was een rechtvaardige’.

Dat wordt in Genesis van een paar mensen gezegd. Van Noach en van Abraham werd gezegd, dat het rechtvaardigen waren. En nu wordt er van Jozef gezegd, dat hij een rechtvaardige was. Daarom moet je het ook niet vertalen met het woord ‘rechtschapen’, want anders raak je het verband kwijt met die andere teksten. De Statenvertaling zegt dan ook: Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was. Bij ‘rechtschapen’ denk je zoiets als: het is een deugdzame kerel, een brave borst. Dan trek je het ergens in het horizontale vlak. Maar het woord ‘rechtvaardige’ is een góddelijke kwalificatie, dat is een woord vanuit de hemel. Jozef blijkt een rechtvaardige te zijn uit het feit, dat hij die naam gaat roepen. Hij handelt in overeenstemming met het plan Gods. Daarom wordt het leven van Jozef een deel van het leven van God. Zo wordt ook Jozef in het leven van God opgenomen. Jozef heeft dus een heel wezenlijke plaats in deze geschiedenis. Dat zie je trouwens ook in het vervolg. Iedere keer als er een engel komt, komt die engel bij Jozef. God respecteert hem, God zegt niet: Ik neem wel contact op met Maria. Met het proclameren van de naam, maakt Jozef geschiedenis. Zo gaat het dus in het begin van Genesis en zo gaat het in het begin van Mattheüs; zo gaat God zijn Boek schrijven. Zo gaat God zijn verhaal maken over mensen.

Dan spreken zij die de Here vrezen, onder elkander, ieder tot zijn naaste: De Here bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, ten goede voor hen die de Here vrezen en zijn naam in ere houden  (Maleachi 3:16)

Dat is weer zo ‘ n prachtig beeld; God schrijft een GEDENKBOEK. Of eigenlijk: het wordt dan geschreven voor zijn aangezicht. In dat boek wordt dus het verhaal geschreven over mensen, die met God verbonden zijn, en die zijn naam hoogachten, die Hem vrezen, die Hem erkennen. Gedenken is een heel geladen begrip in de Bijbel. Dat betekent niet alleen, dat God je niet vergeet, maar dat betekent ook, dat je present bent in Gods gedachten. Het betekent, dat je tegenwoordig bent voor zijn aangezicht. Als Hij je gedenkt, gedenkt Hij je altijd ten goede. Als Hij je gedenkt dan werkt dat wat uit. Gedenken houdt veel meer in dan: Ik zal eens aan je denken. Het gedenken van God heeft zijn uitwerking in je leven. Het Gedenkboek is dus het boek waarin de mens staat met zijn hele bestaan.

En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijand gewroken had. Is dit niet geschreven in het BOEK des OPRECHTEN? (Jozua 10:13)

Dat is ook weer zo’n boek, dat God erop na houdt, waarin Hij de verhalen schrijft van de oprechte mens, die mens, die rechtuit wandelt met Hem. Ook hier zien we: het leven van Jozua werd een deel van het verhaal van God. In het Boek des Oprechten staat ook het klaaglied, dat David maakte over Saul. Dat kunnen we lezen in 2Samuël 1. David gaat zingen, als Saul gestorven is. Je zou helemaal niet verwachten, dat David daar nu nog een lied aan zou spenderen. Je zou eerder een loflied verwachten, een loflied op de dood van zijn vijand. God is zo verrukt over deze houding van David, dat ook dit gedeelte in het Boek des Oprechten komt. Ook het klaaglied van David was een deel van het Leven Gods. Daar was het Leven Gods bezig. God zegt: zo denk Ik nu over de mens, David heeft dat helemaal begrepen. Zo positief denkt God nu over de mens. En God vindt die positieve houding bij David terug. God vond het ook treurig, dat Saul op die manier zijn leven had beëindigd. Zo is God altijd bewogen over de mens.

mijn treden hielden uw spoor, mijn schreden wankelden niet (Psalm 17:5)

David wandelt in het spoor van God. Dat is dus niet het spoor, dat God uitstippelt, maar dat is het spoor, dat God bewandelt. Zo wordt zijn leven een deel van Gods Leven. Dan ben je onaantastbaar, dan ben je ook veilig. Dan kun je nog wel vijanden hebben, die had David ook. Dan kun je nog wel strijd hebben, dat had David ook. Maar, als je dat spoor houdt, wankelen je schreden niet.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010