Hooglied

18-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Het lied der liederen

SJIER HA SJIRIEM.    

De benaming: Het Lied der Liederen is een typisch Hebreeuwse uit­druk­­king. Het is een overtreffende trap, dat vind je ook in: «het Hei­lige der Heilige, Koning der Koningen, Eeuwen der Eeuwen». In de Joodse traditie zegt men: er zijn negen grote liederen, en Hoog­­lied is het negende. Het tiende lied zal gezongen worden in de toe­komst, om het einde van de ballingschap te vieren. «De vrijgekochten des HEREN zullen wederkeren en met gejubel in Si­on ko­men; eeuwige vreugde zal op hun hoofd wezen, blijdschap en vreug­­­de zullen zij verwerven, kommer en gezucht zullen wegvluchten» Jes.51:11. Hooglied is dus het negende lied en dat getal blijkt ook een heel be­langrijke rol te spelen in Hooglied. Het lied is als het ware ge­bouwd op negentallen.

Anokhi

Het getal van het Hebreeuwse woord anokhi (=ik ben) is 81. In Hoog­lied zien we die negentallen: 9×9=81. Anokhi is ook het woord, waar­mee de Tien Woorden bij de Sinaï beginnen. De Jood­se over­levering zegt: het woord anokhi omvat alle heilige namen. V­er­gelijk daarmee ook het Johannes-Evangelie, waarin Jezus zegt: “­Ik ben de wijnstok, het brood, het leven, de deur, de opstanding, de goede herder”. Dat woord duidt ook de heilige Naam aan, de Naam van God: Ik ben, de naam die de hoogste troon aanduidt. De volle maan is hiervan het beeld. De vol­­le maan is het beeld van de troon, van de heerschappij van God. Het licht vermengt zich dan met het licht van de troon zelf. Een citaat zegt: in de tijd van Salomo was de maan vol, en boven  Hoog­lied staat ook: Het Lied van Salomo. De tijd van Salomo was dus de tijd van de totale sjalom. Dan is de troon van God op aarde en is er geen weerstand of tegenstand meer. Hooglied is het lied der liefde. Het is ook vanouds de feestrol gewor­den bij het Pascha. Je hebt de vijf feest­rollen de megilloth, die bij Pa­sen horen, waarvan Hoog­lied er één is. Hooglied is dus eigenlijk een Paaslied.

De mens vindt de taal terug

Als God zich openbaart, dan geschiedt “het mondig worden van de stom­­me mens, het stomme zelf”, de mens die zich niet kan uiten, die met stomheid geslagen is, die sprakeloos is, de mens die eenzaam is. Die mens moet tweezaam worden. Hooglied gaat er dus over, hoe de mens die eenzaam is, tweezaam wordt. De mens is sprakeloos, heeft geen woorden. Dat is in feite ook de bal­ling­schap. Ballingschap is de ballingschap van het woord; «In de beginne was het woord». Maar op een gegeven ogenblik is dat woord er niet meer; en als de mens zich verbergt in de hof, heeft hij geen woorden meer. Totdat God komt en zegt: «Waar ben je!». God door­breekt die spra­keloosheid. Als God zich openbaart, wordt de mens mon­dig. Van het ‘stomme zelf’ wordt hij ‘een mondige ziel’.

Taal is meer dan een vergelijking.

Taal is meer dan een vergelijking. Bijvoorbeeld: “De liefde is een bloem, die opengaat naar de zon”. Dan weet je nog niet veel. Het is een prachtig beeld en het is mooi gezegd, maar dan heb je nog altijd dorst. Taal moet meer zijn dan een ver­ge­lij­­king. Het is in de ware zin van het woord gelijkenis. Zoals in Ge­ne­sis staat: de mens is beeld en gelijkenis van God. De gelijkenis ìs het. “Een gelijkenis is meer dan een gelijkenis”. Het woord van God moet tegelijk mensenwoord zijn. Hij moet er door wor­­­den aangesproken, anders blijft het ergens zweven. Het woord moet vlees worden, dan komt het dicht bij je. ­Het woord van God moet mensenwoord wor­den. Dus de gelijkenis van de liefde gaat als gelijkenis door de hele open­ba­ring heen. De profeten hebben het hier ook steeds weer over. V­oor­al bij Hosea en Jeremia vind je dat. «Denk aan de bruidsdagen» Jer.2. «Uw man is uw maker» Jes.44. Het moet dus méér zijn dan een gelijkenis, en dat is het pas, wan­neer het optreedt zonder dat er bij wordt gezegd: “dat betekent”. Als je in de sfeer bent van, “dat betekent”,  zit je er nog net naast.

De verschillende opvattingen over het Hooglied

Hooglied spreekt direct. Je vindt nergens: ‘dat betekent dit of het be­­te­kent dat’. Hier wordt dírect gesproken tussen de man en de vrouw. Het is de direc­te dialoog. Wat bij de profeten slechts wordt aan­ge-duid, wordt in Hooglied rechtstreeks gezegd. Hier zie je méér dan een gelijkenis. Als Hooglied een puur menselijk liefdeslied zou zijn, kun je je af­vra­­gen, waarom het dan in de Bijbel terecht is gekomen. Of je moet er­­ken­nen, dat juist in deze puur menselijke zin direct, en niet alleen maar als gelijkenis een diepere betekenis verborgen zit. Vòòr de ne­gen­tiende eeuw heeft men dit standpunt steeds gehul­digd. Men erkende het als liefdeslied. Tegelijkertijd zag men daarin een mystiek ge­dicht. Wat geestelijk en natuurlijk betreft zou je kunnen zeggen: het is en – en en niet of – of. P­­as in de negentiende eeuw zijn ze die begrippen gaan op­­split­­sen. W­­e moeten dus weer terug – althans in dit verband – naar wat vóór de negentiende eeuw ligt. Juist in die overgang van de acht­tien­de naar de negentiende eeuw is het inzicht in de verhouding mense­lijk-goddelijk, wereldlijk-geestelijk, ziel-openbaring zo in verwarring ge­raakt. Herder en Goethe komen op het idee: het Hooglied is een verza­me­­ling wereldse liefdesliederen. Dat heeft bijna als consequentie, dat mensen kunnen liefhebben, maar God niet. De mens zou dan nog kun­nen liefhebben als symbool van het volmaakte, maar hij zou nooit kun­nen verlangen, dat God wederliefde gaf. Het is in feite de loochening van Spinoza van de goddelijke liefde tot de enkele ziel. God zou alleen een algemene liefde hebben, maar geen par­­ti­culiere liefde. God zou dan hoogstens de Vader kunnen zijn, die al­les en allen liefheeft. Je zou nog kunnen zeggen: God heeft allen lief, maar niet: God heeft jou lief. God denkt in het groot en kan zich niet met al die individuen gaan bemoeien. Echte liefde zou al­leen lig­gen in de verhouding tussen twee mensen. God zou dan op­ge­­hou­den zijn de taal van de mensen te spreken. Een axioma in de Talmud is juist: God spreekt mensentaal. Goethe zag in Hooglied nog wel een openbaring van de ziel, maar nà hem ging men verder en kon men ook de stap doen van puur men­selijk naar puur wereldlijk. Het werd een werelds lied, pro­faan, en  daar­mee werd het van zijn lyrische kracht beroofd. Dat is ook de reden, waardoor de theorie ontstond, dat er naast die her­der nog een tweede minnaar in het spel was, de koning. Hoog­lied zou een soort drama beschrijven van een herder die een meis­je heeft en een koning, die dat meisje in wil pikken. Zo zou je dan een drie­hoeks­span­ning krijgen. Het conflict was dan: blijft het meis­je haar her­­der trouw, of gaat ze achter de koning aan…           

De koning, de herder en het meisje

Er zijn talloze uitleggingen van dit soort over Hooglied ontstaan. Bij geen enkel bijbelboek is de tekstkritiek dan ook zó tekeer gegaan. Op allerlei manieren werd gezegd: de tekst staat niet in de goede volg­­­orde. Men probeerde steeds de ik-gij verhouding te veranderen in een hij-zij ver­­­hou­ding. Dáár zit dus de angel. Je kunt Hooglied alleen lezen in de eerste en tweede persoon. Men is het echter gaan lezen in de der­de persoon, het ging dan over een hij en over een zij. Zo kun je het eigenlijk net zo goed in de boe­ketreeks zetten. Het is dan geen sprake meer, maar sprookje. ‘Er was eens…’. Maar dan ís er niets meer. Door die wereldse opvatting kreeg men grote problemen om te zien hoe het verder ging. Die koning, die herder en dat meisje. Je moest een wetenschappelij-ke speurneus zijn om er nog iets zinnigs van te kunnen blijven zeg­gen. De heel eenvoudige mystieke opvatting is: de herder en de koning ver­tegenwoordigen één persoon, namelijk Gòd. Dàt had men opzij geschoven. Toen ontdekte men ineens, dat bij de boeren in Syrië – ook nu nog – brui­loft wordt gevierd, waarbij bruid en bruidegom ko­ning en ko­nin­gin zijn. De herder en de koning zijn dus dezelfde per­soon. Er bleef er toen maar één over de herder. De bruidegom mocht zich in zijn bruiloftsweek voelen als Salomo in al zijn heerlijkheid; herder en koning. Dat klopt messiaans ook, Jezus is tegelijk Herder en Koning.

De gelijkenis is het wezen

Elke aanleiding is nu ook weggevallen, dat het hier om een drama zou gaan. Het gaat om de tweezaamheid van de minnaar en de be­min­de. De gelijkenis is nu terugverlegd naar de meest oorspron­ke­lij­ke zin van het lied. Want reeds daar is er een bovenzinnelijke bete­ke­nis. De liefde kan niet puur menselijk zijn. Dat wil zeggen: doordat zij spreekt – en ze móet spreken – wordt ze reeds iets bovenmense-lijks. De zinnelijkheid van het woord heeft bovenbetekenis, daar zit een ex­tra dimensie in. De liefde is net als de taal zelf, zinnelijk en bo­ven­zin­ne­­lijk. Liefde kan niet opgesplitst worden, zoals men vanuit het Grieks dacht op te maken en zo tot vier soorten liefde kwam: agapè, eros, filia en de liefde tussen ouders en kinderen. Gelijkenis is geen franje. Je kunt niet zeggen: als je de gelijkenis weg­­doet, houd je de werkelijkheid over. De gelijkenis is het wezen. Al het vergankelijke moge dan slechts een gelijkenis zijn, maar de lief­­de is niet slechts, maar de liefde is helemaal, totaal, wezenlijk ge­lij­­kenis. De liefde is slechts schijnbaar vergankelijk, in waarheid ech­­ter is zij eeuwig. Liefde komt in de gestalte van het ver­gan­ke­lij­ke, want an­ders zou het alleen maar theoretisch zijn. Zo daalt God ook af in de geschiedenis van mensen. Dan wordt het Woord vlees. Die liefde kan zich alleen maar concretiseren in die ver­gan­ke­lij­­ke ge­stalte. Anders zou de keuze ook geen waarde hebben. Stel je voor, dat je alle tijd had om iemand lief te hebben. Daarom is het zo wonderlijk, dat het woord ik om zo te zeggen het stam­­­­woord van Hooglied is. Geen enkel bijbelboek heeft naar ver­hou­­ding zo vaak het woord ik. Niet alleen het onbenadrukte ik, maar ook het be­nadrukte. Alleen in het boek Prediker komt het woord ik bijna evenveel voor.

Beter en tov

«Hij kusse mij met de kussen van zijn mond!  Want kostelijker dan wijn is uw liefde»  Hl.1:1. Letterlijk: «Beter dan wijn»  (beter=tovim). Alleen Hooglied begint met een vergelijkende trap door het woord  be­ter te gebruiken. Dat is wel een merkwaardig begin van een boek. In dat woord beter zit het woord tov. Hiermee wordt meteen aange­knoopt bij het woord, waar het schep­pings­verhaal mee is geëindigd, zeer goed. Het was zeer goed, maar nu staat er: beter. Het woord ik is dus steeds de grondtoon, die dan overgaat in het gij. Steeds is er die ik-gij relatie. Er is in het hele boek maar één korte tekst, waar die stem zwijgt. Deze tekst valt dan ook op, zoals het ook opvalt als een klok niet meer tikt.

De liefde is sterk als de dood

«De liefde is sterk als de dood» Hl.8:6. Hier zijn niet ik-gij personen aan het woord, maar de verteller. Het zijn de woorden van liefde, die sterk is als de dood. Daar vindt de overgang plaats van de schepping naar de openbaring. De enige tekst die niet gesproken wordt, maar gezegd. Hier wordt – als enige mo­ment – even aangetipt hoe de zaken liggen. Hier wordt iets van de lief­­de ge­zegd. Al het overige kan alleen door de liefde zèlf worden ge­spro­­ken. Wat verder ván of óver de liefde kan worden gezegd, zijn als het ware zinnen uit haar eigen mond. Liefde staat hier als over­win­­na­res met de hele wereld aan haar voe­ten. Sterk als de dood… De dood is de grootste kracht, waar geen enkele held of machtheb-ber is tegenop gewassen. De dood, de grootste macht die er in de aard­­se ge­schiedenis is. Er wordt al gauw van gemaakt: de liefde is sterker dan de dood. Zoals het dodenrijk al het gestorvene vasthoudt en niet wil loslaten, zo laat de liefde ook nooit los. De liefde door­breekt gren­zen. De kilte van de dood wordt door de vuurgloed van de liefde ver­warmt. In de weg van Jezus zie je die liefde tot het einde. «Heeft Hij heeft de zijnen, die Hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde» Joh.13:1. In Jezus zie je de uiteindelijke overwinning op de dood. “Hooglied is de samenvatting van héél de Heilige Schrift”, aldus een ci­taat. Het is de samenvatting van heel het werk van de schep­ping. Het is de samenvatting van het ge­hei­menis van de aartsvaders, de sa­­men­vatting van de bal­ling­­schap en van alle gebeurtenissen, die heb­­ben plaatsge­von­den in Israël. De samenvatting van de opstan­ding der doden en van gebeur­tenis­sen, die plaats zullen hebben tòt de dag, die genoemd wordt: de sjab­bath des Heren… Heel de geschiedenis van Israël ligt in het Hooglied besloten.

Hoofdstuk één

 Sjelomoh en Sjoelamiet

«Hooglied van Salomo» Hl.1:1. Dit is niet alleen een titel, maar het vormt een vers. Het belang van dit vers is te vergelijken met het eerste vers van het boek Genesis. In dat eerste vers van Genesis zit heel de Torah. In het Hebreeuws heeft vers 1 vier woorden: Sjier hasjiriem asjer lisj­lo­moh. Dat ge­tal vier wordt ook in verband gebracht met de vier aarts­vaders, als je David ook meerekent. Salomo, vergelijk sjalom is de koning van de vrede. Sjelomoh is de He­breeuwse naam voor Salomo. Dat is het principe van Hooglied: de koning van de vrede. De bruidegom heet Sjelomoh en de bruid Sjoelamiet. (Hl.6:13). Sjelomoh en Sjoelamiet moeten samen tot sjalom komen. Als bruid en brui­degom verenigd zijn, is de sjalom volledig. Sjoelamiet is in feite een pas­sieve vorm, en wel: de tot vrede gebrachte. Het is in het He­breeuws een zogenaamde pu’al vorm. «Toen werd ik in zijn ogen als een, die overgave aanbiedt»  Hl.8:10. Letterlijk: «Ik werd in zijn ogen als een, die vrede vindt» Het komen tot volkomen vrede is dus de weg in Hooglied. In Salo­mo’s tijd werd de vrede inderdaad volkomen. Vergelijk daarmee de tekst: «Eindeloos de vrede op de troon van David».  Jes.9:6. De vrede wordt weer als in de beginne… In Genesis worden hemel en aarde verenigd en in Hooglied worden bruid en bruidegom verenigd.

Hij kusse mij

«Hij kusse mij met de kussen van zijn mond» Hl.1:2. Er wordt meteen gesproken van dat verlangen naar vereniging. De een­heid van twee mensen of van twee ‘geesten’ werkt zich uit door een kus. Door die kus worden hemel en aarde verenigd. “Die hemelse kus vormt de grootste van de geheimenissen”, zegt een citaat. Vergelijk daar­mee ook:«Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne»  Ps.2:12. Die kus is de kus van de openbaring, de openbaring van Gods lief­de. «Hij kusse mij»  Hl.1:2. Er staat dus, nog, niet: ‘kus mij’. Verderop kom je die hij-vorm ook nog een paar keer tegen. Daarin wordt aangegeven, dat de eigenlijke ontmoeting nog moet komen. H­et is een weg tot éénwording die je in Hooglied ziet. Het verlangen is er, maar de vervulling moet nog komen. Dat verlangen gaat door heel wat barrières en hindernissen heen. In dit vers gaat dat verlangen dus uit van de mens. In zijn totaliteit gaat Hooglied echter van de bruidegom uit, ook wat het verlangen be­­­treft.

Hooglied van Salomo.

Deze titel moet en mag je in het vervolg van Hooglied steeds voor ogen houden. Het gaat van de bruidegom uit. Vanuit dat opschrift komt ook het verlangen van de bruid. Vergelijk daarmee ook: «Van Uwentwege zegt mijn hart:  Zoekt mijn aangezicht» Ps.27:8. Ook een gezang zegt: «Spreek Zelf in mij het rechte woord». Wie spreekt er nu….? Dat verlangen wordt geboren van bovenaf en wordt van binnenuit uit­­ge­­sproken.

Het nek-volk en het aangezichts-volk

In bepaalde zin beschrijft Hooglied ook het hele verhaal van de bal­­­ling­schap. De omzwervingen van de bruid om tenslotte thuis te ko­men. De ballingschap is onder andere de zondeval. Maar het is meer dan dat. Egypte is het oermodel van de ballingschap. Natuurlijk waren ook Adam en Kaïn in ballingschap. Egypte is de plaats van de éérste ballingschap van Israël. Egypte en Israël zijn twee oer-principes. Egyp­te is het land van de benauwdheid, Mitsràjiem. Egypte kun je volgens de Rabbijnen ook lezen als Metsariem, wat be­te­kent grens. Egypte is het land waar je benauwd, begrensd en in­ge­perkt bent. Je botst tegen je grenzen aan. Laat mijn volk gaan… Je komt er niet uit, zegt de Farao. Phar’o = farao. ‘Oreph = nek.  Zo lees je het achterstevoren. Die farao is inderdaad hardnekkig. In de geestelijke wereld heb je dus twee volken: Egypte, het nek-volk en Israël, het volk van het aangezicht. Als je iemand de nek toekeert, dan zie je hem niet meer. ­Daarom kon bij die tien slagen «niemand een ander zien», wanneer die ne­gen­de slag wordt toegediend. Egypte krijgt als het ware een koekje van eigen deeg. Door het Egyp­tisch prin­cipe zie je de ander niet meer. Zoals door het Babylonisch prin­ci­pe de één de ander niet meer hóórt. Horen en zien vergaat je…. Egypte is het beeld van de nek, van de weerspannigheid, de hals­star­­righeid. Daar tegenover staat Israël als ‘Het volk van het aan­ge­zicht’. «Hij kusse mij» Dan zie je elkaar van aangezicht tot aangezicht…Egypte staat model voor alle ballingschappen. In Egypte ben je van het aangezicht van God en van het aangezicht van de ander verban­nen. Je moet ook weer steeds uit Egypte komen. Sommige Joden spre­ken daarom van: wij moeten uit óns Egypte trekken. «Op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook hun HERE gekruisigd werd» Op.11:8. Jezus is in Egypte gekruisigd. Daar hebben ze (wij) hem de nek toe­ge­­­keerd. Daarom lees je Hooglied ook met Pasen. Dan herdenk je je uit­­tocht uit Egypte. Je moet uit de ballingschap vandaan komen om te ko­men tot die vereniging met je bruidegom.

Beter dan wijn is uw liefde

«Beter dan wijn is uw liefde» Hl.1:2. Hier komt de overgang van derde naar tweede persoon. Eerst is het hij dan wordt het uw. Wijn is het symbool van vreugde. Zo spelen die vier bekers bij Pe­sach een heel belangrijke rol. Die liefde gaat daar dus bovenuit. Vergelijk daarmee ook: «Uw goedertierenheid is beter dan het leven» Ps.63:4. Wijn, zou je kunnen zeggen, is de hoogste vreugde die de mens heeft kun­nen vinden. De liefde van de bruidegom gaat boven die hoogste vreug­de uit.

Jàjin, wijn, heeft als getalswaarde 70.

70 is in de Bijbel het getal van de volkeren. De liefde van de bruide-gom gaat uit bóven alles wat de volkeren hebben te bieden. «Hij kusse mij» heeft als getalswaarde 470. De volkeren hebben als ge­tals­­waarde 70. Als je deze twee getallen van elkaar aftrekt heb je het ge­tal 400. 400 is de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet, de taw.

De letter taw

Ezechiël 9 zegt, dat die rechtvaardigen een taw op hun voorhoofd krij­­gen. «Ga door de stad en zet bij alle mensen die nog zuchten onder het kwaad een taw op hun voorhoofd»  Ez.9:4

Die taw heeft in het Oud-He­breeuws de vorm van een kruis X. «Hij kusse mij». Zij krijgen die taw om zo te zeggen op hun aangezicht. De taw is te­gelijk ook de letter van de toekomst. Alle werkwoordsvormen met ‘je zult’ beginnen met een taw.

Naam en olie

«Heerlijk van geur zijn uw oliën, en uw naam is een parfum, dat zich verspreidt» Hl.1:3  (letterlijk).

Met die olie worden koningen en priesters gezalfd. In de Talmud wordt de wijze vergeleken met een flacon parfum, waarvan de geur tot in de verte zich verspreidt.

«Uw naam». 

De bruid zegt van de bruidegom, dat zijn naam is als olie; olie heeft een genezende werking. Er speelt in het Hebreeuws nog een associ­a­tie mee, namelijk: sjemenechah = olie. Sjemecha = naam. Zoals die naam gelegd wordt op het volk, zo wordt die olie uitgegoten over de bruid. «Heerlijk…» Hl.1:3. Letterlijk: goed. Uw naam is als olie, als balsem. Olie werd gebruikt als balsem en bij de bereiding van balsem.

Over de dood heen hebben zij U lief

«Daarom hebben de jonge meisjes u lief» Hl.1:3. Die dochters van Jeruzalem spelen in het lied ook een rol. Zij zijn er tot op zekere hoogte bij betrokken. Zij slaan alles gade. Ze worden  ook vermeld in Psalm 46. Deze Psalm wordt genoemd: Een lied voor de maagden. Het zijn de maagden, die de zegenspreuken overal ver­brei­­den. «Zij volgen het Lam, waar het ook heen gaat, zij zijn maagden». (‘alamot)  Op.14:4. Jonge meisjes:‘alamot. Je kunt dat woord ook in tweeën lezen. Al’mot betekent: over de dood. Je kunt dus lezen: «Hij, die zichzelf geeft over de dood». «Hij, die zichzelf geeft over de dood, bemint u». of: «Door de dood van degene, die gij bemint». Zoals het reukwerk, dat opstijgt, zo is de mens die liefheeft tot in de dood. «Zij hebben hun leven niet liefgehad tot in de dood»  Op.12:11. Aan het eind van Hooglied staat: «De liefde is sterk als de dood». Door die liefde is de dood, is de ballingschap geen grens meer. Zoals er ook gezegd wordt: «De vergadering van Israël zegt tot de Heilige: ik zal U dienen met reuk­werk en Gij zult dienen met olie». De mens komt met zijn reukwerk en God met zijn olie. Je kunt ook vertalen: «Over de dood heen hebben zij U lief». Dan denken we aan de martelaren. Paulus zegt ook:  «Ik wil geplengd worden als reukoffer». Dat offer gaat omhoog en die olie komt omlaag, zo worden ze ver­e­­nigd. Over de dood heen.. Die verhouding tussen God en mens verloopt niet altijd zo gladjes. Hoog­lied is geen romannetje. Het gaat soms door diepten en bal­ling­­schap­pen heen. Er staat níet: «De liefde is sterker dan de dood», maar: «De liefde is sterk als de dood». Want als er iemand sterft, zou je geneigd zijn te zeggen, de liefde is toch niet sterk genoeg, de dood was toch sterker. Maar nà de dood gaat het leven verder. Je kunt het vergelijken met de kus van de prins, die Doorn­roos­je wakker kust uit haar honderdjarige slaap. D­ie kus is ook de kus van het ontwaken.

De Paas­kus

Door die kus wordt ook de liefde wakker. Het is de kus, die de bal­ling­­schap tot een einde brengt. Het is de kus ten leven, het is de Paas­kus. Zoals Jezus de Zijnen na zijn opstanding te­ge­moet kwam, zo worden de doden ten leven gekust. De dichter ten Kate spreekt van: “De grote morgen na de aardse lijdens­week”. Ook de berijming op Jesaja 35 zegt: “De dorre vlakte der woestijnen zal zich verblijden eindeloos”. «Dezen zijn het, die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, ze zijn maag­­­den»  Op.14:4. Ze hebben zich niet ingelaten met de systemen van deze eeuw, noch even­tueel met religieuze systemen. Ze hebben zich niet ingelaten met dwa­lin­gen en verkeerde denkpatronen. Paulus zou zeggen: «Wordt niet gelijkvormig aan deze wereld». Vergelijk daarmee ook wat Spreuken zegt over de vreemde vrouw, dat is dus de afgoderij. Een dichter sprak: “Toch zegt hij al veel, die avond zegt…” De avond heeft die bijzondere stemming van rust na een dag van hol­len, vliegen en werken. Het is het moment van terugblikken op de dag die voorbij is. Het was misschien een dag van zwoegen of lijden. Elie Wiesel antwoordde op de vraag “waar God is in al dat lijden” het volgende: Je kunt soms beter de vraag stellen: waar is de mens, waar ben jij. Die vraag werd al aan Adam gesteld. Op een plaats waar geen mèns is, wees jij daar een mens en dat is dan even een teken van Gods aanwezigheid.

Trek mij achter u aan. «Trek mij achter u mee» Hl.1:4.

Letterlijk: «Trek mij achter u aan». Trek mij achter u aan, dan komt dat gesprek weer op gang. Het is de ziel die binnen wil komen in het paleis van God. Het is de gang van Is­ra­ël achter de wolkkolom aan bij de reis door de woestijn. «De Koning voerde mij naar zijn vertrekken, laten wij juichen en ons in u verheugen» Hl.1:4. Dat in u, (bakh), heeft een getalswaarde van 22. De beth is 2 en de kaf is 20. Het Hebreeuwse alfabet heeft ook 22 let­ters. Wij zullen ons verheugen met de 22 letters waarmee Uw Torah is ge­schre­ven. Daaruit spreekt heimwee naar God «Trek mij achter u». Daaruit spreekt het heimwee naar God. Een kenmerk van het Hooglied is ook, dat er een regen van impera­tie­­ven in voorkomt, zoals: trek mij, haast u, doe mij open, sta op…… Steeds dat appèl van de bruidegom op de bruid en van de bruid op de bruide­gom. Bruid en bruidegom schijnen soms ook van rol te wis­­­­se­len en soms zijn ze ook weer duidelijk gescheiden. «De Koning voerde mij naar zijn vertrekken» Hl.1:4. Hieruit spreekt intimiteit, het thuiszijn bij de koning.     

Donker van huid doch bekoorlijk

«Donker van huid ben ik, doch bekoorlijk, dochters van Jeruzalem, als de tenten van Kedar, de gordijnen van Salomo».  Hl.1:5

Dit vers bestaat uit negen woorden. Hier heb je weer dat getal negen. En de naam van Salomo is het negende woord. Het woord donker is ook een aanduiding van de ballingschap. Het wordt wel in verband gebracht met de afgodendienst. Wanneer het volk het gou­den kalf vereert, wordt van de kinderen Israëls ge­zegd: “Donker als de tenten van Kedar werden de gezichten van de Israë­lie­ten”. Een commentaar zegt: “Ik ben donker gedurende de ballingschap van Is­­ra­ël, maar ik ben lief­lijk.Want zelfs in de ballingschap heeft men de ge­boden van de Torah niet vergeten”. Donker, als symboliek van het gaan door de ballingschap en door don­­­kere tijden. «Als de tenten van Kedar» Hl.1:5.Die tenten van Kedar duiden op de zonen van Ketura, de bijvrouw van Abra­­ham. In dat vers (Gen.25:13) worden de zonen van Ismaël ge­noemd. Daarbij wordt ook Kedar genoemd, het gaat daar over die twaalf zonen, die twaalf vorsten van Ismaël. Dus als Israël in bal­ling­schap gaat, dan worden ze in feite net als de zonen van Ismaël. Ze dra­gen het stempel van heel die don­kere geschiedenis. «De gordijnen van Salomo» Hl.1:5. Ook te vertalen met: «De paviljoens van Salomo». Dat duidt op de zuiverheid van de hemel. «Hij breidt de hemelen uit als een tent (of: paviljoen)» Ps.104:2. Er zit een contrast in dit gedeelte. De bruid, die door de ballingschap heen­gaat, draagt tegelijk die twee stempels. Aan de ene kant donker als de tenten van Kedar en aan de andere kant wordt ze vergeleken met de gordijnen van Salomo. Ook van Jezus wordt gezegd: «Hij had gestalte noch luister». Jesaja 53 is trouwens een ballingschap-hoofdstuk. Gods volk woont hier op aarde in de tenten van Kedar en toch zijn ze als de gordijnen van Sa­lo­mo, dat is de hemelse oorsprong. De tabernakel was aan de bui­­­ten­kant trouwens ook zwart. Wanneer het licht bekleed is met duisternis, dan geldt: ik ben don­ker, maar schoon. Het licht gaat over de aarde vaak in een verborgen ge­­stal­te. Ook met Jezus was dat zo. «God heeft gezegd in donkerheid te willen wonen» 1 Kon.8:12. Dat is ook zo’n wonderlijke tekst. Die tenten van Kedar kom je dus   al­tijd weer tegen. God heeft begeerd in don­kerheid te willen wonen, omdat Hij juist de mens in het donker te­­­ge­moet wil komen. Dat is de verborgenheid van God. Anderzijds woont God ook in een ontoeganke­lijk licht. Als God dus als dat ver­blin­­­den­de licht zou komen, zou Hij geen mens bereiken. «Let er niet op, dat mijn huid donker is, dat de zon mij verbrand heeft. De zonen van mijn moeder zijn ontstoken tegen mij en stelden mij aan tot bewaakster der wijngaarden  mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaard» Hl.1:6. Dat is weer helemaal het beeld van de ballingschap. «De zon heeft mij ver­­­brand». Dat is het harde dienen, zoals bijvoorbeeld ook de slaven­dienst in Egypte een hard diensthuis was. Deze zon heeft natuurlijk niets te maken met de zon der ge­rech­tig­heid. Het is de hitte van de dag. Vergelijk hiermee het verhaal over de dag­­lo­­ners in de wijn­gaard. Zo heeft Israël steeds weer moeten wer­­ken voor anderen en vreemde wijngaarden moeten hoeden. Je komt aan je­­zelf niet toe. Je vliegt en draaft voor anderen, maar je eigen be­staan, je eigen ziel lijdt schade.

Bewaren of bewaken.

Hiervoor heeft men in het Hebreeuws twee woorden, die hetzelfde be­te­kenen: natar en sjamar. Adam krijgt de opdracht de Hof te bewaren of te bewaken. Aan het eind van Genesis 3 moeten die cherubs de weg naar de boom des le­vens bewaken of bewaren. Bewaken heeft de gevoels­waar­de dat  je er nooit meer inkomt. En als je van bewaren spreekt is het de bedoe­ling te zorgen, dat de mens er een keer wèl weer in komt. Anders zou je die weg beter kunnen opheffen. De weg bewaren is een vaste uitdrukking in de Torah. Natar heeft iets meer de nuance van ergens op passen. Maar daar­door wordt het natuurlijk ook bewaard. Je zou kunnen zeggen: sjamar is het gevolg van natar.

Naam en wijngaard

Mijn wijngaard heeft de getalswaarde 340.

De Naam heeft ook de getalswaarde 340. Mijn wijngaard, die eigen wijngaard, heeft dus de waarde van de Naam. Daar heeft God zijn Naam in gelegd. Dus als je niet meer aan je eigen wijngaard toekomt, kom je ook niet meer toe aan de Naam van God. Je wijngaard gaat teloor. In feite wordt ook de Naam van God prijs­gegeven en raakt hij onder het onkruid. De wijngaard wordt een prooi van de vossen en het onkruid. De wijngaard is beeld van de ge­stalte van God, daarin wordt Gods heerlijkheid gezien. Die andere wijngaarden hebben altijd te maken met plicht. En plicht heeft vaak heel veel te maken met schuld. Opvallend is, dat er van wijn­gaarden wordt gesproken. In het meer­voud dus, de eenheid is weg. Veel plich­­ten, dus ook veel schulden. Vergelijk daarmee Psalm 84, waar staat: «Beter één dag in uw voorhoven dan duizend elders»  Ps.84  «Vier zijn er die zeggen: het is nooit genoeg» Spr.30:15.  

Zo is het ook met Egypte en Babel. Daar is het ook nooit genoeg. De kinderen Israëls moeten stenen bakken en voorraadschuren maken!! Zo was de ballingschap ook. De ballingschap was als het dodenrijk (zie Spreuken 30:16), die was als een onvruchtbare schoot en die was als een vuur.            

Vertel mij waar gij weidt

«Vertel mij toch mijn zielsbeminde»  Hl.1:7. Hier staat weer de gebiedende wijs. In de bewoordingen waarmee ze elkaar aanspreken zit ook een ontwikkeling, een voortgaande lijn. «Vertel mij toch, mijn zielsbeminde, waar gij weidt, waar gij doet legeren op de middaghoogte de kudde. Want waarom zou ik zijn als een gesluierde bij de kudden van uw makkers» Hl.1:7. De bruid vraagt dus naar de plaats van de herder. Je ziet, dat de be­na­mingen wisselen. In Hooglied 1:4 spreekt ze over de koning. De Targoem verbindt dit vers met de ballingschap van Israël. Twee keer hoor je dat woord echah, is ga. Het wordt twee keer gebruikt om de ver­­woesting aan te duiden van de eerste en de tweede tempel. (A­ldus de Targoem).

Klaagliederen begint met hetzelfde woord echah (Klaagl.1:1). Echah is zelfs de Hebreeuwse titel van de Klaagliederen. Dat weiden wordt dan ver­bon­­­den met de ballingschap in Babel. Het legeren en rusten is dan de ballingschap van Edom. Edom is vaak de aanduiding voor Rome. Als je je dan afvraagt of je dat Rome dan profetisch moet zien aan­ge­duid, zegt de Talmoed: in de openbaring is geen vroeger of la­ter. Als je de Tenach in zijn geheel bekijkt, merk je, dat die ver­schil­lende boeken op elkaar kunnen in­spe­len. Dan maakt het in prin­­cipe niet zo veel uit welke boeken eer­der of later zijn geschreven. Zo mag je bij­voor­beeld Hooglied verbin­den met de Klaagliederen.

De werkingsgeschiedenis van een tekst

Soms is het de vraag, of je je wel móet afvragen wat de schrij­ver be­doel­de. Een tekst kan namelijk een werkingsgeschiedenis krijgen, die door de schrijver niet in díe zin is bedoeld. Zodra een tekst uit de hand van de schrijver komt, gaat die tekst een eigen leven lijden. M­is­schien leest de lezer iets heel anders in een tekst of boek dan de schrij­ver heeft bedoeld. Een tekst is vaak ook heel kwetsbaar, want hij kan verdraaid of misbruikt worden. God geeft zijn woord in mensenwoord. Daarin maakt Hij Zich in feite heel kwetsbaar. Met teksten kun je elkaar om de oren slaan, en er zijn mogelijkheden, dat teksten met elkaar in ge­sprek gaan. Een ge­sprek tussen Hooglied en Klaagliederen kan heel in­te­ressant zijn.

Als een gesluierde

«Want waarom zou ik zijn als een gesluierde» Hl.1:7. Sjalamah, waarom, klinkt als Sjelomoh, Salomo. Het antwoord op waarom is dus Salomo. Het antwoord op de ware herder is Salomo! Deze twee woorden hebben ook dezelfde getalswaarde, namelijk 375. «Als een gesluierde» Hl.1:7. De sluier is onder andere een teken van rouw. In dat gesluierd zijn zit ook de nuance van geen zicht hebben. Het kan ook betekenen, dat de bruid nog niet tot de volle bruidsdag is ge­komen. Als bruid en brui­degom verenigd worden, wordt de sluier weg­ge­daan. Dat zie je in het verhaal van Isaäk en Rebecca, Jakob en Lea. Die sluier duidt dus op het nog niet, op het verborgen zijn. Het kan ook betekenen niet meer. Dan is het een teken van rouw geworden. Dus het kan betekenen: nog niet of niet meer. «Want waarom moet ik zijn als een gesluierde»  Hl.1:7. Eventueel ook te vertalen als: «Waarom moet ik zijn als een dwalende». Een van de problemen van Hooglied is, dat er veel woorden in voor­­­ko­men, waar je verschillende associaties mee kunt verbinden. Zo kun je bijvoorbeeld in een tekst vertalen: appelboom, maar ook ci­troen­­boom. In een andere tekst kun je vertalen met lied, maar ook snoeien. De gesluierde uit Hl.1:7 kan duiden op een bedroefde vrouw, maar kan ook even­­tueel duiden op een prostitué. In dit laatste heb je dan het beeld van Israël, dat in de ballingschap ge­dwon­gen werd om vreem­­­de goden te dienen. Thuis mocht de vrouw de sluier afdoen. Zodra ze buiten kwam, werd de sluier weer voorgedaan; althans bij gehuwde vrouwen. Die sluier heeft daarom ook nog de as­so­ci­a­tie dat, wanneer je die sluier áán of óm hebt, je niet thuis bent. Dan ben je in de vreemde. Je ziet in de Torah en de Geschriften vaak, dat één tekst verschil­len-de betekenissen bewust in zich draagt. Een tekst heeft vaak meer dan één laag.

De middag

«Waar gij op de middag de kudde laat rusten» Hl.1:7. Ook in de tijd is een opklimming te bespeuren. Er is een voortgang naar steeds  grotere helderheid.  Nacht – dageraad – middaghoogte. De middag is het beeld van het sunnum, het hoogtepunt. Dan is het volle daglicht gekomen. «Maar het pad van de tsaddiq is als het stralende morgenlicht,  dat steeds helderder straalt tot de volle dag»  Spr.4:18

De woningen van de herders

«Indien gij het niet weet,  o, gij schoonste onder de vrouwen, volg dan de sporen der schapen en weid uw geiten bij de verblijven der herders» Hl.1:8. «Ga uit voor u op de voetsporen van de schapen, van het kleinvee en weid uw bokjes bij de woningen van de herders» (Letterlijk). Dat is dus het antwoord van de bruidegom. De bruid moet dus de spo­­­ren van de schaapjes volgen. Je volgt degenen, die al geleerd heb­­ben, de herder te volgen. «Indien gij het niet weet» Hl.1:8. Dat niet weten is het toppunt van ellende, van pijn. De sporen van de schapen zijn de rechtvaardigen, die ons zijn voor­ge­gaan. De sporen van de schapen brengen je dus weer op het spoor van de herder. «De woningen van de herders»  Hl.1:8. Daar waar de herders onderricht geven en de kudde verzamelen. Die bokjes moeten dus weiden bij de woonplaats van de herders. Gedijot  zijn bokjes, gadja in het Aramees. Vergelijk de naam Engedi, dat boksbron betekent. «Gij leiddet uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron» Ps. 77:21. Deze psalm spreekt ook over de ballingschap, over diep­­­ten en nood. Het pad door de zee is er wel, maar kort daar­na is het weer verdwe­nen. Gods voetsporen worden uitge­wist en dan houd je de woningen van de herders over. Het pad door de zee is weg, de wonderen zijn weg en je houdt óver de hand van Mozes en Aä­ron. Het betekent dat je de Torah en de priester overhoudt, dat is het woord en hij, die elke dag de gebeden doet. In de balling­schap houd je het woord en het ge­bed over. De hand van Mo­zes heeft vijf vingers en de Torah (Genesis tot en met Deu­tero­no­mium) bestaat uit vijf boe­ken. De hand van Aäron is de priester, die daar staat met opge­he­ven han­den. Soms is er meer moed voor nodig om trouw te zijn in kleine dingen dan om grote dingen te doen.

De zonen waren hard jegens mij

«De zonen van mijn moeder waren hard jegens mij» Hl.1:6. Als Israël verstrooid wordt onder de volken begint de verwijdering tus­sen de aarde en de hemel. De afstand tussen hemel en aarde wordt gro­ter. «Hij heeft de aarde uit de hemel geworpen» Klaagl.2:1. Zo is deze tekst ook te vertalen. «Mozes in de Egyptische rivier»  Ex.2:4. Deze twee teksten worden met elkaar verbonden, als het sym­bool van de ballingschap. Israël is nota­be­­ne in een Egyptische rivier, in een doodsrivier, in een doodskistje. «Zijn zuster ging op enige afstand staan»  Ex.2:4. Letterlijk:  «Zijn zuster stond van verre». Israël wordt later verstrooid onder de volkeren.

«Want de kinderen van mijn moeder hebben zich van mij verwijderd»  Hl.1:6. Zij hebben zich tegen mij gekeerd. Het wachten is op een herder, die zijn schapen weer terugbrengt. V­an­daar ook dat Jezus zegt: «Ik ben de góede Herder». In deze uit­spraak zit ook díe hele wereld begrepen, dat Hij degene is die de bal­lin­­gen terugbrengt.

Een spreuk luidt: “Open de poort van de omkeer, al is het maar een oog van een naald en Ik zal hem zo ver openen, dat er kar­ren en wagens door­heen kunnen”.

De compositie van Hooglied.

Er zijn verschillende indelingen mogelijk. Dat is ook een van de ken­merken van een goed gedicht of lied. Eén van de indelingen is, dat het Hooglied uit vijf gedichten bestaat.

1. Hooglied 1:1 – 2:7

Dit hoofdstuk eindigt met de refrein-tekst: «Ik bezweer u, wek de lief­de niet op». Deze tekst verwoordt een sleutelgedachte, die steeds terugkomt. «Wekt de liefde niet op…vóórdat het haar behaagt». Rosenzweig zegt: het moet helemaal van binnenuit  komen, zodat er ge­­­­­zegd kan worden: Hij is van mij (enkelvoud) en ik ben van Hem. Er wordt steeds een appèl gedaan op de medespeelsters, de dochters van Jeruzalem, om de liefde niet op te wekken, vóórdat zijzelf die lief­­de opwekt. Haar liefde zal geen ‘geval van liefde’ mogen zijn. Het mag geen geval worden in de zin van – zoals de Engelsen zeggen – iemand ‘die in liefde valt’.

2. Hooglied 2:8 – 3:5

Dit gedeelte eindigt weer met hetzelfde refrein.

3. Hooglied 3:6 – 5:1

Dit gedeelte eindigt met: «Ik ben gekomen tot mijn hof, mijn zuster, bruid»  Hl.5:1. In het Hooglied speelt de hof, de tuin een heel centrale rol. Bruid en landschap hebben de neiging om in el­kaar te schuiven.

Het land is de bruid en de bruid is het land. Vergelijk daarmee: «Ik plukte mijn mirre en mijn balsem, ik at mijn raat en mijn honing, ik dronk mijn wijn en mijn melk  Hl.5:1 ‘Melk en honing’ Alles spreekt hier van het Beloofde Land. Dan is de brui­degom dus in het Beloofde Land. Voor de bruidegom is de bruid het Land van Be­lofte.

Hl.5:1 is een zogenaamde scharniertekst.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410820 bezoekers sinds 07-06-2010