Hoe zal ik U ontvangen

28-05-2010 door Huib Neven

Een grauwe dag in december. Het is koud. Wind en regen wedijveren in naargeestigheid. Af en toe proberen vlagen natte sneeuw de hoop op een witte kerst aan te wakkeren. De torens van de stormvloedkering trotseren met gemak het onstuimige weer. Ze houden streng de wacht, maar kunnen niet verhinderen dat een oude, gammele auto de brug oprijdt. Het voertuig heeft zichtbaar meer kilometers gereden dan goed voor hem is. Een grote tankwagen zit hem dicht op de hielen, maar hij kan niet harder en sukkelt de brug af. De auto is nog maar nauwelijks Krimpen binnengereden of hij geeft er de brui aan. Wat de bestuurder ook probeert, de auto lijkt niet van plan nog iets aan het vervoer van de twee inzittenden bij te dragen. Een man stapt uit. Een jonge kerel nog, maar in zijn oude, versleten jas oogt hij grauw en verlopen. Alsof hij nachten niet geslapen heeft. “Blijf jij maar zitten”, zegt hij tegen de vrouw naast hem, “ik ga kijken of ik iets kan vinden”. In de richting van het winkelcentrum ziet hij mensen lopen. De straten rond het centrum zijn uitbundig versierd. Lichtsnoeren langs de huizen bieden een kermisachtige aanblik. Een kunstkerstman is halverwege zo’n verlichte gevel blijven steken.

De mensen op straat, bepakt en bezakt, haasten zich diep in de kraag gedoken naar huis. Sommigen slepen een kerstboom achter zich aan. “Weet u of we hier ergens kunnen overnachten?” vraagt de man aan een voorbijganger. De aangesprokene kijkt hem vluchtig aan, haalt de schouders op en loopt snel door. Ook anderen lopen in een boog om hem heen. Zou de straatkrantverkoopster bij de supermarkt kunnen helpen? “Een slaapplaats? Ik zou het niet weten. Hier in Krimpen is niet veel. Maar wacht, misschien moet je het daar eens proberen”, en ze wijst in de richting van iets wat op een hotel lijkt. De man loopt in de aangewezen richting. Is dat een hotel? Het naastgelegen restaurant is verlicht als een theater. Nog maar niet aan eten denken, eerst een onderkomen. Na enig zoeken vindt hij een ingang en een soort portier. “Een kamer? Voor twee personen? O nee, meneer, alles is bezet. Poolse gasten, hè. En vol is vol”.

Terug in de auto slaat de man zijn arm om de vrouw naast hem. “Gaat het nog? We vinden vast wel wat. In deze plaats vol licht zal toch wel een plek zijn waar ons kind in de wereld kan komen?” De man lijkt er zelf niet meer in te geloven en probeert de auto nog maar eens te starten. En zowaar, na wat gepruttel slaat de motor aan. “Ik zie een kerktoren, daar rijden we heen”. Maar de kerk is donker en de deur zit op slot. Een paar straten verder trekt een meisje van een jaar of tien zich niets aan van regen en wind. Ze gooit een paar kleurige ballen een voor een in de lucht en vangt ze behendig weer op. De man besluit ten einde raad het meisje aan te spreken. “Luister eens, wij zijn verdwaald en mijn vrouw moet een baby krijgen. Zou jij eens thuis willen vragen of er een plek voor ons is?” Het kind denkt even na en roept dan enthousiast uit: “Ik heb een plan. Daarginds staan huizen leeg. Ze zijn wel dichtgetimmerd, maar ik weet wel hoe je binnen kunt komen”. En terwijl ze in de auto stapt zegt ze: “Het is in de bloemenbuurt, ik wijs de weg wel”.

En inderdaad, even later hebben ze in ieder geval een dak boven hun hoofd. “Ik haal wat dekens thuis”, roept het kind en rent weg. Die nacht wordt in een kaal en leeg huis een kind geboren. Als het meisje de volgende morgen komt kijken, vindt ze twee verkleumde, maar stralende ouders rond iets wat vroeger een gereedschapskist geweest moet zijn. Het kind slaapt de slaap des rechtvaardigen. Het ballenmeisje vindt het prachtig. Ze holt het dorp in om het goede nieuws te vertellen. Maar de mensen hebben het te druk met de kerstversiering. Ze halen hun schouders op of wijzen naar hun voorhoofd.

Uiteindelijk belandt het meisje in de voedselbank. Daar worden juist de pakketten uitgedeeld. “Wat zeg je? Is er een kind geboren dat nauwelijks eten en kleren heeft? Kom op jongens, wij kunnen wel wat missen. Wijs jij ons de weg maar, meisje”.

Zo trekt er door het dorp een wonderlijke stoet. Voorop het kind dat nog steeds haar gekleurde ballen in de lucht gooit. Daarachter de gasten van de voedselbank. Ze lopen naast hun fiets, de tassen met levensmiddelen aan het stuur. Het hondje van een van hen sluit de rij. En zo komen ze aan bij het lege, kale huis, waarbinnen het nieuwe leven is begonnen.

Commentaren zijn gesloten.

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410642 bezoekers sinds 07-06-2010