Hij verkwikt mijn ziel

29-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Psalm 23:3

“De Here is mijn Herder, mij ontbreekt niets;

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden;

Hij voert mij aan rustige wateren;

Hij verkwikt mijn ziel.” (Ps .23:1-3)

“Hij verkwikt mijn ziel”.

Een klein zinnetje, waar geweldig veel in zit. Dat is dan ook wat David ontdekt heeft, wat God verlangt te doen. Er wordt hier dus iets gezegd over de ziel van de mens. De ziel is vaak het probleemgebied. Hier wordt gezegd: God gaat die ziel verkwikken. Een andere vertaling zegt: “Hij herstelt mijn ziel” In sommige Engelse vertalingen staat dan: “Hij restaureert mijn ziel”. Dan ontdek je, waar God eigenlijk mee bezig is: Hij is bezig met een restauratie. Dat betekent dus, dat je het weer helemaal terug gaat brengen in de oorspronkelijke staat. Het moet weer helemaal zo worden als het van het begin af geweest is. Als je het helemaal letterlijk gaat vertalen, staat er: “Hij brengt mijn ziel terug… Hij doet mijn ziel terugkeren” De Bijbel spreekt nogal veel over het aspect van het terugkeren. In de Profeten wordt ook vele malen gezegd: “Keer terug!” Als je nu terugkeert, kom je weer bij het punt waar je begonnen bent. Dan ben je geneigd om te zeggen: dan ben ik dus weer net zo ver als toen ik begon; dan ben ik ook niet erg opgeschoten! Toch is dat een heel positieve zaak. Als je nu terugkeert naar waar je begonnen bent, dan is de volgende vraag: Waar ben ik dan begonnen als mens?

Bij God!

Daarom is het juist zo belangrijk, dat we dat gaan zien. God wil de mens terugbrengen tot zijn oorsprong. Dat heeft dan ook alles te maken met de ziel van de mens. De mens heeft met zijn geest Godsbewustzijn. Met je geest heb je besef van God. Door middel van je geest heb je aansluiting met de geestelijke wereld. Door middel van je lichaam heb je ‘wereldbewustzijn’ . Door middel van je lichaam heb je contact met de wereld om je heen. Via het lichaam, de zintuigen, sta je in verbinding met de buitenwereld. En dan zit de ziel – om het populair te zeggen – tussen de geest en het lichaam in. Met je ziel heb je zelfbewustzijn. En nu gaat God de ziel van de mens terugbrengen. Door je ziel ken je jezelf. En dan zie je hier, dat David dit geheimenis ontdekt heeft. Het geheimenis, dat God je ziel gaat terugbrengen. Dus God gaat mijn zelfbewustzijn herstellen. En als dat zelfbewustzijn is hersteld, kan de mens heel wat doorstaan. Want dan zegt die herstelde mens: “Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij” (Ps  .23:4). In verband met het herstel van dat zelfbewustzijn, gaan we eens wat lezen uit Hand.17. “Want in Hem leven wij , bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht” (Hand .17: 28). Paulus houdt hier een preek in Athene. Een openluchtsamenkomst op de Areopagus. Dit lijkt zo op het eerste gezicht geen preek voor beginners! Geen eenvoudige evangelisatiewoorden. “Wij zijn ook van Gods geslacht”. Maar dat zeg je toch pas na jaren bijbelstudie?! Maar Paulus gaat toch uitgerekend op dat punt beginnen, en dan vraag je je af, waarom hij dat dan doet. Paulus sluit hier aan bij een basisprincipe, namelijk: Welk beeld hadden de Atheners van zichzelf? Wat voor beeld heb je van jezelf? Het is goed om je dat eens te realiseren, tot je bewustzijn te laten doordringen. Paulus was al opgevallen, dat er in Athene nogal wat tempels stonden en evenzo veel afgodsbeelden. Wat zit daar nu achter, achter al die beelden? En dan zie je, dat daar een geweldig stuk beeldvorming aan de gang is. Dat zie je vandaag de dag ook. in het leven van een mens, ook in het leven van een kind van God, er is van alle kanten eigenlijk een stuk beeldvorming gaande. Op allerlei manieren wordt eraan gewerkt, dat de mens een beeld krijgt van wie hij nu eigenlijk is.

Welk beeld heb ik van mezelf?

Van daaruit worden een heleboel reacties van de mens bepaald. Waarom doe je bepaalde dingen, waarom laat je bepaalde dingen? Waarom reageer je op een bepaalde manier? Als je nu weet welk beeld een mens van zichzelf heeft, kun je al veel verklaren. Veel van de reacties en handelingen van die mens komen van daaruit voort, al gebeurt dat meestal onbewust. Hoe kóm je dan aan dat beeld van jezelf? En je ziet dan, dat een mens een bepaald beeld gaat opbouwen vanuit zijn ervaringen. Dat begint vaak al in de kinderjaren. En die ervaringen, die je meemaakt, gaan zich dan opstapelen. Al die opgestapelde ervaringen bij elkaar gaan samen dat beeld vormen van jezelf; het beeld van wie je bent. Als iemand als kind nu niet zoveel durft, niet zo goed durft mee te doen met anderen, niet ontspannen meespeelt met leeftijdgenoten, daar bovenop nog wat pesterijen over zijn bangheid, dan ontstaat er een bepaald beeld, dat zich vastzet, dat vaak ook zijn verdere leven bepaalt. Die mens heeft een beeld gekregen van zichzelf, waar hij heel moeilijk nog van los kan komen. Ik ben een lafaard. En alles wat hij dan nog hoort, ziet of leest over lafheid versterkt dat negatieve beeld en drukt hem dieper terneer. En dan leest hij ook nog: “de lafhartigen – hun  deel is de poel” (Op.21:8). Voor mij is er geen toekomst meer! Zo zie je, hoe het met zo’n mens wat zijn zelfgevoel betreft, bergafwaarts kan gaan. En met dat negatieve beeld gaat die mens het leven in. Dat betekent dan, dat er in feite niets nieuws meer kan gebeuren. Alle volgende reacties worden bepaald door dat beeld, dat hij nu eenmaal van zichzelf heeft, een beeld dat ook steeds meer gefixeerd wordt. Dan zie je, hoe de duisternis er ook een groot belang bij heeft, om zo’n negatief beeld op een mens te leggen. Zo kun je een beeld hebben van jezelf, maar zo kun je ook een beeld hebben van een ander. Soms heeft een mens wel erg snel een beeld van de ander. Vooral in een huwelijk kan dat een grote rol spelen. En als je dan een paar jaar getrouwd bent, denk je dat je de ander wel kent. Ik weet precies hoe mijn partner is. Dan ga je een beeld leggen op die ander; zo is hij of zij. Dan krijg je op een gegeven moment, dat je elkaar niet eens meer laat uitpraten. De ander wil wat uitleggen en dan wordt er gereageerd: stop maar, ik weet al wat je wilt zeggen. En als die ander een bepaalde fout maakt, zeg je: ja, dat had ik wel gedacht, zo doe je altijd. Zo wordt je naaste vastgeprikt op dat beeld, dat jij in je gedachten hebt: zo is ‘t ie. En zou hij een keer willen veranderen, dan krijgt hij daar niet eens de kans voor. Er zijn heel wat mensen, die hun hele leven moeten leven naar het beeld van een ander. Hoeveel mensen zijn er niet, die nooit eraan toekomen om zichzelf te zijn. Ouders kunnen een beeld leggen op hun kinderen. Vooral vroeger had je dat nog wel eens, dat ouders een bepaald ideaalbeeld van hun kind hadden. Zo moet hij worden. Die ouders projecteren dan hun eigen frustraties op dat kind. Alles wat ze in hun eigen leven niet hebben kunnen bereiken, moet dat kind dan bereiken. Het kind wil dolgraag naar de technische school, maar pa en ma zeggen: ju gaat naar een wetenschappelijke kant, kun je later dokter worden. Het kind mocht niet zijn handen gebruiken, nee, elke avond blokken; tot groot verdriet van zichzelf en van de leraren. Dat kind moet dus zijn hele jeugd leven naar het beeld, dat zijn ouders hebben. En wát gebeurt er dan met de ziel: de ziel wordt als het ware in een keurslijf geperst. De ziel móet aan een bepaald ideaal beantwoorden. En dan gaat Paulus met de Atheners spreken over die beeldvorming. Hij zegt: jullie hebben nu allemaal van die beelden gemaakt van goud, van zilver, van steen, maar nu moeten jullie toch eens gaan ontdekken wie je zélf bent. Jullie zijn van goddelijk geslacht! Dat is het eerste wat Paulus aan de Atheners vertelt. Ze moeten gaan ontdekken: welk beeld heeft God van ons. Het is goed om dit eens vast te houden; dit is een kernpunt. Aan de ene kant zie je, dat de duisternis een beeld maakt en dat op je probeert te leggen. Aan de andere kan zie je – en dat is een grondgedachte – God heeft ook een beeld van jou! Het komt er dus op aan, te gaan ontdekken, welk beeld God van mij heeft. En dat is dan de genezing van je ziel. Als je dát gaat ontdekken, namelijk het beeld dat God van jou heeft, is dat de basis van de genezing van je ziel. Bijna niemand kent zichzelf. Dat klinkt op het eerste gehoor wat vreemd. Misschien vinden sommigen dat nog wel meevallen, maar toch kan daar een heel stuk tragiek in liggen. Iemand kan tachtig jaar zijn geworden, en toch in feite niet weten wie hij in diepste wezen is. Dan is het de duisternis gelukt, om dat beeld van die mens helemaal weg te moffelen. Zolang de mens het beeld niet heeft gevonden, dat God van hem heeft, zolang blijft hij ergens altijd op zoek. Dan blijft die mens in feite een balling; dan is de ziel van de mens in ballingschap. Die ziel is al tijd maar op zoek naar: wie ben ik nu eigenlijk. Heel vaak komt de mens niet verder dan bepaalde dingen van de buitenkant. Als je dan aan het eind van iemands leven aan hem vraagt: wie ben je nu geweest, dan is het antwoord: Ik ben bakker geweest, ik ben predikant geweest en dit en dat heb ik allemaal gedaan of niet gedaan. Dan heb je nog alleen maar iets verteld van de buitenkant. En dan zou je eigenlijk dóor moeten vragen: maar, wie ben je nu geweest naar je wézen. Heb je ooit je eigenlijke identiteit ontdekt? Wat gaat God nu doen in dit verband? ”God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen” (Hand.17,30). Je hebt dus ook tijden van onwetendheid. En dat was echt niet alleen maar vroeger, maar die zijn er vandaag de dag nóg. En voor de éen duurt het wat langer dan voor de ander. Wij zijn nu zo stap voor stap bezig, om uit die tijden van onwetendheid vandaan te komen. God is bezig om ons daar uit te leiden.

Voorbijzien .

God is barmhartig; Hij ziet die tijden van onwetendheid voorbij. Een goede vader ziet ook voorbij de tijden van onwetendheid bij zijn kinderen. Hij zegt dan: over een paar jaar zie je het net als ik.

Verkondigen.

Overal moeten alle mensen tot bekering komen. En ‘bekeren’ is in diepste zin weer dat terugkeren. Terugkeren tot je oorsprong. Er kunnen mensen zijn, die al jaren lang ‘zijn bekeerd’, en die toch nog moeten terugkeren tot hun oorsprong. Je zou kunnen zeggen: bekeerde mensen, die moeten terugkeren. Het kan zijn dat iemand zegt: ik heb Jezus aangenomen, maar dat hij nog lang niet is teruggekeerd naar waar hij vandaan kwam. Bekeerd, maar misschien nog helemaal niet wétend waar hij vandaan kwam. Daar zit juist een enorm stuk problematiek. Als je iemand zou vragen: waar kom je nu vandaan, dan kun je nog allerlei antwoorden krijgen. En toch hangt daar enorm veel van af. Want als je niet weet, waar je vandaan komt, hoe zou je dan ooit kunnen uitvinden waar je naar toe moet?

Het geheim van Jezus:

Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ook al getuig Ik van Mijzelf, toch is Mijn getuigenis waar, want Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heenga; maar gij weet het niet, vanwaar Ik kom of waar ik heenga” (Joh. 8:14). Dat was het fundament in het denken van Jezus. Jezus getuigde dus ook wel eens van Zichzelf. Hij had dus een bepaald beeld van zichzelf, waar Hij ook over sprak. En daar werd Hij juist op aangevallen, op het beeld, dat Hij van Zichzelf had. En dat pikten zijn tegenstanders niet. De Farizeeën hadden ook een beeld van Jezus. Zij zeiden: Je hoeft ons niets te vertellen, wij weten wel wie Je bent. Je bent de zoon van die timmerman. We weten ook wel, waar Je vandaan komt, Je komt uit Nazareth. Dat kan dus nooit iets wezen met Je, Je bent het niet. Hij beweert wel, dat Hij de Messias is, maar wij kunnen zo nagaan, dat Hij het niet is. Zij hadden dus een bepaald beeld van Jezus; dat gingen ze op Hem leggen en daarom gooiden ze Hem eruit. Daarom werd Hij uiteindelijk gekruisigd. En dat is met zijn volgelingen ook zo. Je wordt aangevallen op dat beeld, dat God in je gelegd heeft. Dat beeld, dat God in jou heeft gelegd, probeert de duisternis op alle mogelijke manieren de kop in te drukken. Maar God wil dat beeld in jou te voorschijn gaan brengen. Misschien weet je nog niet eens zelf, dat het erin zit. Je weet misschien nog niet de helft van wat erin je zit. En dan zegt Jezus: “toch is mijn getuigenis waar, want Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heenga” (Joh.8;14). Dat was Jezus’ geheim: Hij wist vanwaar Hij gekomen was. En daarom wist Hij ook, waar Hij heen ging. Want Hij zei: IK kom van de Vader en Ik ga tot de Vader. Jezus leefde dus helemaal vanuit zijn oorsprong. En Jezus wist: mijn oorsprong ligt niet in Nazareth, zelfs niet in Bethlehem, maar mijn oorsprong ligt in God. En daarom kon Hij openbaar worden als Mens Gods. Daar zit dus enorm veel aan vast, als de mens gaat ontdekken waar hij bij hoort en waar hij vandaan komt. Als God iets gaat doen, als God iets tot stand gaat brengen, dan werkt Hij altijd vanuit een bepaald beeld. Toen God met de gemeente begon, had Hij al een béeld van de gemeente. Voordat die eerste gemeente er was, wist God al, hoe die gemeente moest gaan worden. Dat was al Gods eeuwig voornemen. Hoe kon Paulus over de gemeente schrijven? God zegt niet tegen Paulus: nu moet je maar al die gemeenten rondgaan en dan maak je daar maar de grootste gemene deler van. En daar ga je dan maar wat brieven over schrijven. Maar dat is niet het beeld van de gemeente. Als Paulus over de gemeente gaat schrijven, dan ontvangt hij dat door openbaring . En dan moet hij het beeld gaan krijgen, dat God van de gemeente heeft. En zo doet God het altijd.

Als Mozes de tabernakel moet bouwen, wist hij hoe dat moest. Waar heeft Mozes dat vandaan gehaald? Mozes had zijn opleiding in Egypte ontvangen. En in Egypte kun je heel wat leren, maar niet hoe je tabernakels moet: bouwen. Misschien kun je daar wel leren piramides te bouwen. Maar dan ben je toch wel bezig met de dood, want die piramides waren bedoeld als graven voor de Farao’s. Dat moest Mozes allemaal dus weer afleren. Dus als Mozes aan het eind van die veertig jaar uit Egypte komt, zit hij nog helemaal in die tijden van onwetendheid. En dan moet Mozes de tabernakel gaan bouwen. God zegt: nu moet je bij Mij op de berg komen en dan moet je alles maken naar het voorbeeld, dat je dan op de berg getoond zal    worden. Dus vóordat de tabernakel er stond, had God er al een voorbeeld van. Voordat die tabernakel stond op aarde, had God al een voorbeeld in de hemel.

Zo gaat het ook met de mens.

God heeft al een beeld van je. Nu gaat het erom, dat je dat voorbeeld, dat oerbeeld gaat ontdekken, dat God in jou gelegd heeft. Dat oerbeeld is vaak op allerlei manieren door de tijd en door de duisternis aangetast en in de vergetelheid geraakt. ”Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt; …want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag” (Jak. l:23,24). In de natuurlijke wereld zul je daar niet zo veel last van hebben, sommige mensen kunnen het lang volhouden voor de spiegel. Maar geestelijk komt dat toch wel vaak voor. En de diepste nood van een mens is, dat hij niet meer weet wie hij is. Hij is zijn identiteit vergeten. Hij is zijn beeld vergeten, dat hij in de spiegel heeft gezien. Hoe verder hij van die spiegel wegloopt, hoe meer hij zijn beeld vergeet. En dan raakt de ziel in ballingschap, die raakt zijn beeld kwijt. Hij weet niet meer wie hij is. De mens kan nooit tot rust komen, kan nooit tot harmonie komen, als hij zijn beeld niet terugvindt. “het gelaat, waarmede hij geboren is”.. Het gelaat, waarmede hij geboren is, is zijn gave gelaat. Dat gelaat was nog onbesmet. Toen hij geboren werd, was dat nog gaaf, toen was er nog niets aan de hand. Er zijn natuurlijk mensen, die rondom de geboorte al veel negatieve dingen weten te vertellen. Het gelaat waarmede de mens geboren is, is zijn oorspronkelijke gezicht. Denk in dit verband maar aan Naäman. Als Naäman genezen wordt, is zijn huid als die van een kleine jongen.Net als bij de geboorte, nog helemaal onbedorven. Dus dat onbedorven gelaat heeft hij in de spiegel bekeken. Maar dat is hij vergeten. Hij is zijn oorspronkelijke identiteit kwijtgeraakt. Wat is nu de spiegel, waarin je moet kijken om je oorspronkelijke gelaat te zien?

Dat is Jezus!

Je kunt ook zeggen: dat is het Woord Gods. Als je naar Jezus kijkt, dan zie je het ware mens-zijn. Dan zie je het beeld van de volmaakte mens. Dat is het geheimenis: kijk in de Spiegel! Je moet in de spiegel kijken om dat beeld terug te vinden. Want dan staat er ook: “Maar wie zich verdiept (letterlijk: wie een diepe blik slaat ) in die volmaakte wet, die der vrijheid ..

De vrijheid.

Dan komt de mens dus vrij van al die beelden, die op hem gelegd zijn. …en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen” (Jak. 1:25). Het punt is dus, dat de mens weer terug moet naar die spiegel, hij moet weer terug naar het beeld van wat hij oorspronkelijk was. Dat zie je ook zo heel duidelijk bij Adam. Wat is eigenlijk het eerste wat er gebeurt, als Adam faalt, als hij dan gaat zondigen? In het Oude Testament zijn er verschillende woorden voor zonde. Eén van die woorden betekent: je doel missen. Adam mist dus zijn doel. Er is nog een ander woord, dat in het Oude Testament voorkomt in verband met zonde en dat wordt in oudere vertalingen weergegeven met inbreuk. Dat is ook een heel diepgaande gebeurtenis. Wat gebeurt er namelijk, als de mens zondigt: er wordt daardoor een inbreuk gemaakt op zijn wezen. Dat is als het ware een aantasting van zijn beeld. Eén van de eerste dingen die Adam doet, als hij gezondigd heeft, is dat hij zichzelf gaat verstoppen; hij kruipt in het struikgewas. Adam verstopt zich, omdat hij zichzelf kwijt is; hij weet niet meer wie hij is. Dat verband kom je steeds weer tegen. Als de mens niet meer weet wie hij is, gaat hij zich verbergen. Je kunt tegen zo’n persoon wel zeggen: kom eens wat meer uit de verf, dóe eens wat in de gemeente, je kunt hem wel allerlei richtlijnen geven, maar dat helpt niet. Zolang iemand niet weet wie hij is, blijft hij zich verbergen. Wat gaat God nu doen? Daar zit ook een geheim in: God gaat door de hof wandelen. God gaat door de hof wandelen, om Adam te vinden.

Dan zegt God: “Adam, waar zijt gij?”

“Adam , waar zijt gij?”

Daar heb je in vier woorden het evangelie.

Dat is genade!

God spreekt Adam aan bij zijn naam. Dat is ook al een stuk barmhartigheid. God zegt niet: zondaar, achter welke struik heb je je verstopt? God spreekt hem aan op zijn oorspronkelijke naam: Adam, mens, dus op zijn identiteit vanuit de schepping. Hij wordt aangesproken op wat hij van huis-uit is, en van huis-uit betekent: van God-uit. David is ook met deze materie bezig geweest. En dan vraag je je af, hoe David het koningschap heeft kunnen volhouden. Saul heeft het ook geprobeerd, maar die is als koning mislukt. David is ook met deze materie bezig geweest. En dan vraag je je af, hoe David het koningschap heeft kunnen volhouden. Saul heeft het ook geprobeerd, maar die is als koning mislukt. Van Saul staat trouwens iets merkwaardigs: Saul was klein in eigen ogen. Saul zal kennelijk ergens met een negatief beeld hebben gezeten. Klein in eigen ogen, terwijl hij een kop boven iedereen uitstak. Van daaruit heeft Saul zijn hele leven geprobeerd nog wat te worden. En dat zie je vaak, dat mensen juist daardoor in een kramp komen; altijd proberen wat te wórden. En als je dan David bekijkt vanuit zijn jeugd, hield dat ook niet zo erg over. Vanuit zijn beginperiode had hij een behoorlijk stuk verwerping meegekregen. Hij was nooit in tel. David was de achtste van de zeven. Als er een koning moet worden gekozen, dan laat Isai zijn zeven zonen opdraven; keus genoeg. Zijn zeven zonen’ laat Isai aan Samuël voorbijgaan; maar hij had er acht! Zeven is het getal van de volheid. Dus David was zijn hele leven boventallig. David had ook een andere kleur haar dan de rest; er staat dat hij rossig was. Hij viel kennelijk toch wel een beetje uit de toon. De stamboom van David was ook nogal discutabel. Pa was niet erg trots op David. Vader zei: blijf jij maar mooi bij de schapen, wij eten wel. Blijkbaar wilde Isai maar liever met David niet voor de dag komen.

David was dus eigenlijk altijd een verworpene.

David was een onecht kind.

Hoe is David daar nu doorheen gekomen? In psalm 139 wordt op een prachtige manier beschreven, hoe David in zijn ziel genezen is. David heeft dus een heel proces van innerlijke genezing doorgemaakt. Dat hoorden we ook al uit die Psalm 23:  “Hij herstelt mijn ziel”.

“Want Gij hebt mijn nieren gevormd , mij  in de schoot van mijn moeder geweven” (Ps. 139:13). David heeft ontdekt: niet het toeval heeft mij gevormd, niet de omstandigheden hebben mij gevormd, niet mijn omgeving. Zelfs niet mijn voorgeslacht! Maar hij zegt: “Gij hebt mij gevormd”. Ik ben gevormd door God , zegt David. David is er dus mee bezig geweest, waar hij vandaan kwam. Wie heeft er vorm gegeven aan mijn bestaan? Daar gebruikt hij dan een prachtig beeld voor: “mij in de schoot van mijn moeder geweven” . De S.V. zegt: “als een borduurwerk” Dan zie je, hoe zorgvuldig en kunstzinnig God omgaat met de mens. Geen confectie, geen lopendebandwerk. God zegt niet: Ik heb er vandaag weer tien klaar gekregen. God is er heel zorgvuldig mee bezig, om de mens gestalte te geven. Daarom kan David ook zeggen: “Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid, wonder baar zijn Uw werken; mijn ziel weet dat zeer wel” (Ps. 139:14). Dan zie je hoe David uit de onwetendheid vandaan komt. Hij zegt: “mijn ziel weet het zeer wel”. Dan zegt hij ook nog iets over zijn gebeente: “mijn gebeente was voor U niet verholen, toen ik in het verborgene gemaakt werd” Ps. 139:15). Zijn ziel komt tot herstel; zijn ziel gaat namelijk weten. Het zelfbewustzijn komt tot ontwikkeling. Hij gaat zijn identiteit vinden.

Het gebeente is in je natuurlijke leven je structuur. Je gebeente is om je gestalte te geven. Zonder gebeente zou je vormloos zijn. Vergelijk het met gebinte (de balken) van een gebouw. Je kunt letterlijk zeggen: met je gebeente staat of valt alles. In de geestelijke wereld betekent je gebeente datgene wat een mens structuur geeft. Dat is je persoonlijkheid, dat is je identiteit. Dat is, dat je op een gegeven moment kunt zeggen: ‘Ik Ben’. Je gebeente is dus je gestalte, dat is de structuur van je wezen. Er staan een aantal unieke teksten over dat gebeente in de Bijbel. ”De ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen” (Ps.34:12). “Hij behoedt al zijn beenderen , niet éen daarvan wordt gebroken” (Ps. 34:21). Dit is dan letterlijk vervuld bij Jezus aan het kruis. Zijn beenderen zijn daar niet gebroken. Bij die twee rovers aan weerskanten is dat wel gebeurd. Dit heeft echter ook nog een diepere dimensie. Ook voor de ‘Mens Gods’ geldt, dat zijn beenderen niet zullen worden gebroken. De diepste identiteit van de rechtvaardige kan niet worden aangetast, de persoonlijkheid blijft intact. Het gebeente van je innerlijk, je innerlijke structuur wordt door God bewaakt. De duisternis probeert altijd weer je gebeente aan te tasten. De duivel probeert je identiteit te kraken. Hij probeert de mens zo ver te krijgen, dat hij op een gegeven moment zegt: Nu weet ik ook niet meer wie ik ben. Dan kan de duisternis je álles wijsmaken. Bij David begint het herstel te komen en hij zegt: weet je nu hoe het bij mij begonnen is: “Mijn gebeente (mijn diepste identiteit) was voor U niet verholen, toen ik in het verborgene gemaakt werd (Ps. 139:15). David zegt: in die verborgen wereld, in de gedachten van God, daar werd ik gemaakt. “Uw ogen zagen mijn vormeloos begin” (v.16). Ook het begin is reeds zeer belangrijk. Uw ogen hebben dat begin gezien; en dat zijn ogen van barmhartigheid. Dat zijn die ogen van ontferming, dat zijn die ogen vol van mededogen. God zegt: Ik heb je gezien; Ik heb je gezien, toen je nog helemaal aan het begin stond. Toen zag mijn oog al op jou neer. De uitdrukking vormeloos begin komt maar éen keer in het hele Oude Testament voor. Letterlijk betekent dat woord: kluwen. Uw ogen hebben mijn ongevormde kluwen gezien. Als je dit nu in verband brengt met dat borduurwerk, zie je het verband. Een borduurwerk of breiwerk wordt ook met een kluwen   begonnen. En in die kluwen zitten reeds al die draden. Zo is het ook met dat begin van de mens. Dat is dat oerbeeld, dat is dat beeld, dat God van hem heeft. Daar zitten al die draden al in. Straks gaat God al die draden te voorschijn brengen en God gaat er een patroon van maken. God gaat gestalte geven aan dat beeld, dat Hij in jou gelegd heeft. En dat gebeurt dan in al die dagen, die geformeerd zouden worden. “in uw boek waren zij alle opgeschreven, de dagen, die geformeerd zouden worden, toen nog geen daarvan bestond” (Ps. 139:16). Dan kan David inderdaad uitroepen: “Hoe kostelijk zijn mij Uw gedachten, o God, hoe overweldigend is haar getal… Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan het zand ; als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U (Ps. 139:17,18). Daar zie je, dat het zo belangrijk is om, te ontwaken. Als je ontwaakt, ga je ontdekken waar je bent: “bij U”, bij God! Als de geest van de mens wakker wordt, gaat hij ontdekken waar hij is. Dan ontdekt hij: ik zit niet ergens in een niemandsland, ik zit niet ergens tussen de wal en het schip, maar ik hoor bij God. Ik ben ook door Hem gekend.

Daar begint David deze Psalm ook mee:

“Here, Gij doorgrondt en KENT mij (Ps. 139:1) .

Deze zin is ook vaak weer negatief geïnterpreteerd. Zo van: God weet alles, hoor, pas op! Het werd zelfs wel gehanteerd bij de opvoeding van kinderen: Pas op, God ziet het wel! Maar David is daar erg blij mee, hij is verheugd dat hij doorgrond en gekend wordt. David vindt dat een zegen. En als God je nu kent, wat kent Hij dan van je? Niet je buitenkant, maar je wézen. Die buitenkant is maar tijdelijk en ziet er over tien jaar weer heel anders uit dan nu. Al die uiterlijke gestalten gaan weer voorbij. Maar als God je kent, kent Hij je identiteit. En waarom is dat nu zo fijn? Stel je eens voor, dat dat niet zo was, stel je voor dat God je niet kende. Dan zou er toch niemand zijn, die je kende. Niemand zou dan weten, wat er in je was. En aan het eind van je leven gekomen, zou er niemand geweest zijn, die dan wist wie je was. Dan zou dat authentieke beeld van je volkomen onder de tafel kunnen verdwijnen, en er zou geen haan naar kraaien. Je zou kunnen sterven en in de vergetelheid kunnen raken, en niemand zou er ooit nog achterkomen, wie je geweest was. Maar omdat God jou kent, zegt God: Nu ga Ik dat beeld, dat Ik in je gelegd heb, te voorschijn roepen. Het gebeente vertegenwoordigt dus de structuur, de persoonlijkheid van de mens.

Enkele teksten in dit verband:

“toen de man met het gebeente van Elisa in aanraking kwam” (2 Kon. 13:21).

 “zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg” (Ps. 32:3). “niets is heel aan mijn gebeente vanwege mijn zonde” (Ps. 38:4).

“uw gebeente zal gedijen als het jonge groen”(Jes. 66: 14) . “been van mijn gebeente” (Gen. 2:23).

“de beenderen voegden zich aaneen” (Ezech. 37:7). God gaat het beeld, dat Hij in de mens gelegd heeft, te voorschijn roepen. Je hebt hier ook heel wat voorbeelden van, die je in de Evangeliën tegenkomt.

Zacheüs

Iedereen had een beeld van Zacheüs. Als je in Jericho gevraagd had: kent u Zacheüs? Dan hadden ze gezegd: U bedoelt die tollenaar? Ja, die kennen we wel; maar we gaan natuurlijk verder niet met hem om. Maar we kennen hem wel; ze hoeven mij niets over Zacheüs te vertellen. We kunnen wel een boekje over hem opendoen. Als Zacheüs niet de boom in gegaan was, hadden ze hem er wel in gekeken! En dan gaat Zacheüs de vijgenboom in. Hier zie je weer hetzelfde principe als bij Adam: de mens gaat zich verstoppen. En dan zie je een geweldig geheimenis: Jezus haalt hem te voorschijn. Hoe krijg je zon man nou de boom uit? Je kunt natuurlijk wel gaan staan schudden, maar het resultaat zal dan zijn, dat die man alleen maar kwaad wordt. Blijf van mijn boom af! Jezus weet precies hoe Hij Zacheüs te voorschijn moet roepen. En dat is een belangrijk geestelijk principe. “Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven” (Luc. 19:5) Jezus begint met een appel op Zacheüs te doen. Hij nodigt Zichzelf bij Zacheüs uit. Hij prikkelt heel praktisch Zacheüs tot actie. Geen veroordeling, geen verwijten, maar op een heel spontane manier gaat Jezus hem te voorschijn lokken: vlug naar beneden komen. Zacheüs wordt uit zijn tent gelokt, uit zijn boom gelokt. “En hij kwam vlug naar beneden en ontving Hem met blijdschap” (Luk. 19:6). Daar zie je al een heel stuk innerlijk herstel. Zacheüs gaat ontdekken wie hij is. “En toen zij het zagen, morden zij allen en zeiden: Hij is bij een zondig man binnengegaan om Zijn intrek te nemen” (Luk. 19:7). Dat was het enige beeld dat ze van Zacheüs konden bedenken: “een zondig man” “Maar Zacheüs ging staan en zeide tot de Here: Zie, de helft van mijn bezit, Here, geef ik de armen, en indien ik iemand iets heb afgeperst, vergoed ik het viervoudig” (Luk. 19:.8). Hoe komt Zacheüs nou op dat idee? Jezus heeft helemaal geen preek gehouden over geld. Jezus heeft niet tussen twee happen door gezegd: Zacheüs, betaal jij je tienden wel? Zacheüs, hoe zit het met jouw financiën? Jezus spreekt helemáal niet over geld, maar Zacheüs begint er spontaan wel over te spreken. Hij gaat geld weggeven! Zacheüs is overgegaan van hebben op zijn. Zolang iemand moeite heeft met het ‘zijn’, moet je niet aan zijn ‘hebben’ komen. Als je een paar dagen eerder tegen Zacheüs had gezegd: moet je niet eens wat geld overmaken, was hij waarschijnlijk kwaad geworden. Maar nu hij ontdekt heeft wie hij is, heeft hij met het hebben geen problemen meer. Als ‘hebben’ het enige is, waar het in iemands leven om draait, dan wordt hij kwaad als je dáar aan komt.

Als Stefanus zegt: God woont helemaal niet in die tempel, dan worden ze woedend. “Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem” (Hand.7:54). De tempel was immers het enige, dat zij hadden. Dat zie je altijd: als je aan iets komt, dat het enige is, dat die persoon heeft, wordt hij kwaad. Als je hem gaat afpakken wat hij heeft, en waar hij zijn hele leven op gebouwd heeft, dan krijgt hij het gevoel: mijn hele fundament wordt ondergraven. Zacheüs had altijd geleefd vanuit het ‘hebben’. Maar nu gaat hij leven vanuit het ‘zijn’. Daarom komt hij spontaan los van zijn geld. Vanuit het vinden van zijn identiteit, komt hij los van het zichtbare. Hij weet nu immers iets anders, hij weet nu wie hij is. En dan zegt Jezus: “Heden is aan dit huis redding geschonken, omdat ook deze een zoon van Abraham is” (Luc. 19:9). Jezus is de eerste, die dat van hem zegt. Dat werd in Jericho nooit van Zacheüs gezegd. Jezus ziet nog iets anders in die man. Hij ziet niet alleen die tollenaar, maar Hij ziet het beeld, dat daarachter verborgen zit. Dat originele beeld, dat altijd verstikt en onderdrukt was geworden. Zo wordt Zacheüs bevestigd: zoon van Abraham. Soms is een mens net als een huis. De ene bewoner komt na de andere. En elke nieuwe bewoner plakt weer een nieuwe laag behang over de oude. En op de duur zitten er misschien wel tien lagen behang over elkaar. Wat zou eronder zitten, vraagt de nieuwe bewoner zich af. Zo is het ook vaak met de mens. Je weet niet meer wat er in jezelf zit. Je ziet alleen maar dat behang, je ziet alleen maar wat er overheen geplakt is. Dan komt Jezus en Hij gaat dat behang eraf halen. Hij zegt: Ik ga dat oorspronkelijke beeld te voorschijn halen. Wat je misschien niet eens wist: Ik zal je eens laten zien, wat voor muur eronder zit. Zacheüs gaat ontdekken wie hij is, hij gaat zijn oerbeeld terugvinden. Hij gaat terugkomen tot zijn oorsprong: Zoon van Abraham. Dan komt de ziel thuis uit de ballingschap. God brengt terug. Ook in het verhaal van de Samaritaanse vrouw zie je, hoe Jezus mensen weer laat zien, wie ze zijn. “En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb (Joh. 4:39). In Psalm 68 zie zo prachtig samengevat, dat God terugbrengt. “De Here heeft gezegd: Uit Basan breng Ik weder, Ik breng weder uit de diepten der zee (Ps. 68:23). God brengt terug! En God brengt je oorspronkelijke mens-zijn terug. De mens naar Gods beeld. God gaat terugbrengen, ook al lijkt het, dat het helemaal spoorloos is. Uit Basan. Dat was ver weg, ergens in het Overjordaanse. En Basan betekende zoiets als slangenberg. Terugbrengen uit de hoogten, maar ook uit de diepten der zee. Zelfs als de identiteit van je ziel als het ware spoorloos verdwenen is, in de diepte van de zee, verdwenen in de religieuze wereld, in de occulte wereld, in die godsdienstige chaos: God brengt weder. God brengt weder uit de duisternis, die op de vloed was. Zelfs als het oerbeeld van je ziel helemaal verdwenen is in de diepten van de zee, in het klimaat van het dodenrijk,

God brengt weder!

Dat is het Evangelie: Ik breng weder. Daar was Jezus mee bezig. Hij zegt: Ik ga die tekst ook vervullen. Jezus zegt: Ik breng weder, Ik kom terug. Ik haal ze terug, al moet Ik ze uit de diepten van de zee halen. Jezus was ook drie dagen in het hart van de aarde, in het dodenrijk. Hij heeft ze ook daaruit weder gebracht en te voorschijn gebracht. “De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn, maar de naam der goddelozen zal wegrotten” (Spr. lO:7). Dit geeft ons wel te denken. Daar wordt iets gezegd over de rechtvaardigen en de goddelozen. Dat zijn op zich al twee kernbegrippen. En dan wordt er ook nog iets gezegd over de gedachtenis, van de rechtvaardigen.

Wat voor gedachtenis hebt u? En wat betekent dat woord eigenlijk?

Dat woord rechtvaardige komt reeds veel voor in het Oude Testament, in feite een uniek woord. Zo wordt bijvoorbeeld van Noach en Abraham gezegd, dat ze rechtvaardig waren.Op het eerste gezicht zou je dan zeggen: een rechtvaardige is iemand, wiens schuld vergeven is. Maar het houdt toch wel meer in. Een rechtvaardige is een mens, die tot zijn bestemming komt. Dat is eigenlijk de beste definitie die je zou kunnen geven vanuit de grondtekst; het is de mens die weer aan zijn bestemming gaat beantwoorden. Dat is een geweldige zaak en dat is dan ook het doel van het Evangelie. Het contrast is dus de goddeloze. Op het eerste gezicht zou je zeggen: dat is een atheïst, iemand die zonder God is. Dan denk je ook aan die bekende tekst: “De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God” (Ps. 14:1). Dat betekent dus, dat hij niet met God rekening houdt. Dat zegt hij dus in zijn hart. Je hart is het centrum van je gedachten. Je hart is ook het centrum van je keuze, van je beslissingen. Maar in dat woord ‘goddeloze’ zit toch ook nog iets anders. Het betekent niet alleen, dat die mens zonder God leeft. Als je het vanuit de grondbetekenis nagaat, dan zit er veel  meer een actieve zin in.

Er zijn tegenwoordig vertalingen, die het woord ‘goddeloze’ dan weergeven met ‘de schurk’, of ‘de schoft’. Je zou het het best kunnen vertalen met: de doemende. Het is dus degene die een doem legt op anderen. Het is degene die een negatieve invloed uitoefent op zijn medemens en op de schepping. Hij is dus niet alleen slecht, hij oefent ook een slechte invloed uit!. Hij is degene die een doem brengt op zichzelf en op de ander. In bovenstaande tekst wordt dus gesproken van de gedachtenis van de rechtvaardige en de naam van de goddeloze. Die gedachtenis zal dus tot zegen zijn en die naam van de goddeloze zal wegrotten. Bij de naam van de goddeloze zie je dus ontbinding. Het is niet blijvend, het houdt geen stand. Die gedachtenis van de rechtvaardige is dus blijvend: “Als de stormwind voorbijgaat, dan is de goddeloze niet meer, maar de rechtvaardige staat als een duurzame grondslag” (Spr. l0:25). Je ziet in deze tekst dus – wat de rechtvaardige betreft – een prachtig beeld van bestendigheid. Dat heeft dus ook te maken met die gedachtenis. Die twee begrippen komen telkens tegenover elkaar naar voren. “Geen mens blijft staande door goddeloosheid, maar de wortel der rechtvaardigen is niet te verwrikken” (Spr. 12:3). Het belangrijkste hier is dus de wortel. Dat is datgene wat je niet kunt zien. Die wortel van de rechtvaardige maakt, dat hij zijn bestemming bereikt. Eén van de diepste problemen van de mens is zijn tijdelijkheid. Door de tijd komen er ontzettend veel problemen. Alleen al het punt van ‘gebrek aan tijd’ Er bestaat een uitdrukking: Toen God de tijd schiep, toen schiep Hij er genoeg van. Wij hebben er meestal tekort van. En dan kun je je afvragen: waar ligt dat dan aan. Dat heeft er ook mee te maken, dat je moet leren je tijd in te delen. Dat is ook een kwestie van geestelijke groei: hoe ga ik mijn tijd besteden. De duivel probeert altijd je tijd te roven. Hoe vaak zie je niet, dat de mens lijdt onder de tijdelijkheid. De tijd glipt hem als het ware door de vingers. Willem Kloos zei al: ik had nog zo graag heel veel willen doen. Dan lijdt de mens onder zijn gemiste kansen. Daarom staat er in Joël ook zo treffend: Ik zal u de jaren vergoeden. “Ik zal u vergoeden de jaren , toen de sprinkhaan ( alles ) opvrat” (JoëI 2:25). God gaat dus jaren vergoeden. De begrippen gedachtenis en gedenken komen in de Bijbel nogal eens voor. Dit zijn fundamentele bijbelse woorden. Het is van groot belang dat we op allerlei punten Bijbels leren denken. Dat woord gedenken kennen we eigenlijk niet zozeer. Althans, het houdt vaak voor ons iets anders in dan het bijbelse begrip gedenken. “Ik zal de daden des Heren gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds” (Ps. 77:12). In deze psalm spreekt Asaf vanuit een geestelijke worsteling. Op dit moment merkt hij bitter weinig van zijn God. Hij zegt ook in:  :5: “Gij houdt mijn ogen open, ik ben onrustig en kan niet spreken” (Ps. 77:5). En in die worsteling zegt Asaf midden in die Psalm ineens: “Ik zal de daden des Heren gedenken” (Ps. 77:12). Vers 12 is als het ware een keerpunt in deze Psalm. En via dat ‘gedenken’, en dat is toch wel opmerkelijk, komt hij eruit. Dat gedenken haalt hem er doorheen. In het voorgaande zag hij het niet meer zitten. Want er stond in :4: “Denk ik aan God, dan kreun ik; peins ik, dan versmacht mijn geest” (Ps. 77:4). Al gedenkend komt Asaf er bovenuit. Dus blijkbaar is dat gedenken wel een belangrijk punt. Maar dan moet je natuurlijk wel weten wat gedenken is. Nu is er een fundamenteel verschil tussen gedenken en herdenken. Boven deze Psalm 77 staat ‘Troost door herdenken’. Maar dat is het nu juist niet. Gedenken is eigenlijk iets wat de wereld niet kent, herdenken wel, al kost dat soms ook al heel wat moeite; soms kan de 5-mei-viering er nog niet eens af. In feite kan alleen de géestelijke mens gedenken. Herdenken houdt een terugblik in. Ik kijk terug naar het verleden. Herdenken is daarom vaak een beetje een weemoedige toestand. De herdenking van de bevrijding op 5 mei 1945 heeft meteen een weemoedige component. Hoe vrij ben je nu inderdaad! Wat hebben we met de vrijheid en met de welvaart gedaan. Dan zit je meteen al op twee gedachten. Herdenken is dus vaak niet zo’n onverdeeld genoegen. Gedenken betekent eigenlijk: je stelt het verleden weer present. Als ik iets ga gedenken, dan stel ik het vóor me.

Wat ik gedenk, stel ik voor mijn aangezicht.

Dan stel ik het tegenwoordig.

Als de Israëlieten de uittocht uit Egypte gingen gedenken, dan gingen ze als het ware die uittocht opnieuw beleven. En inderdaad, in het Jodendom beleeft men elk jaar met het Pascha de uittocht helemaal opnieuw. Als die Paasmaaltijd wordt gebruikt, als de jongste zoon die vragen gaat stellen (waarom is deze nacht zo anders dan alle andere nachten), als dan het Paasverhaal weer wordt verteld, dan beleven ze de uittocht weer helemaal in het heden. Niet: ‘Onze vaderen zijn uit Egypte geleid’, maar ‘Wij zijn uit Egypte geleid’. De uittocht wordt dus present gesteld. Op het moment dat ze het gedenken, beleven ze het in het heden. Als Asaf dus zegt in :12: “ik zal de daden des Heren gedenken”, dan bedoelt hij niet: nu ga ik eens over dat verleden mijmeren, hij gaat niet mediteren, niet: weet je nog wel van vroeger, niet: ja, die goede ouwe tijd. Het is iets anders dan over het verleden praten op de manier waarop oude mensen dat soms kunnen doen.Gedenken betekent dus: die daden van God opnieuw present stellen. Dan beleef je die daden ook opnieuw. En dan zit er nog een element in, want dan staat er in :13: “van al uw werken gewagen en uw daden overdenken” (Ps. 77:l3). Het wordt hier dus met twee werkwoorden nog verder uitgewerkt: gewagen (of: proclameren) en overdenken. (= op je in laten werken). En deze factoren lopen natuurlijk vaak in elkaar over. Iets kan een geestelijk bezit van je worden, door het te overdenken. De moderne mens heeft altijd haast, die héeft geen tijd meer om te overdenken. En in dit gebeuren gaat ook het gewagen een rol spelen. Als je daar je eens in gaat verdiepen, kom je tot de ontdekking, dat heel wat dingen tot stand komen via dat gedenken. Dat is een geestelijk principe. En dan kom je zelfs tot de ontdekking, dat God dat ook doet. Je zou kunnen zeggen: het is een kenmerk, een wezenstrek van God. “Hij heeft GEDACHT aan zijn goedertierenheid en aan zijn trouw jegens het huis Israëls; alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God”  (Ps. 98:3). Dat is dus het gevolg: “alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God”. Dat is dus een fundamenteel punt: God heeft gedacht. Hij heeft gedacht aan Zijn genade. Dus God gedenkt ook. Je zou kunnen zeggen: dat is éen van de diepste aspecten van het karakter van God. God gedenkt. Dat is ook éen van de diepste aspecten van het Evangelie.

Bij God is het niet: uit het oog, uit het hart.

En als God gedenkt, dan gedenkt Hij ten goede.

Als God gedenkt, dan gedenkt Hij ook creatief.

“Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?” (Ps. 8:5). Dat is ook weer een basisprincipe. Wat doet God met de mens: Gedenken! Hierbij moeten we ons realiseren, dat dit dus meer inhoudt dan: Ik zal eens aan je denken. Dat wordt onderling vaak gezegd: ‘k zal aan je denken, hoor! ‘t Is de vraag, of dat veel zin heeft. Maar als God zegt: IK zal aan je denken, dan houdt dat veel meer in. “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt’”. Dat wil dus zeggen, dat God die mens vóor Zich stelt. Dat betekent dus, dat zolang God je gedenkt, je nooit voorbij kunt gaan. Dat is het geheim: Zolang God je gedenkt, blijf je bestaan! Als God op zou houden met aan je te denken, dan zou je op hetzelfde moment ophouden met te bestaan. Jij bestaat, omdat God je gedenkt! Je bestaat, omdat je er bent in Zijn gedachten. Dat betekent ook, dat de duivel je nooit uit Gods gedachten kan halen. Dat is ook iets om eens goed te beseffen: de duivel kan je nooit uit Gods gedachten halen, daar kan hij namelijk niet inkomen. God bewoont immers een ontoegankelijk licht! Dat Licht is namelijk ontoegankelijk voor de duisternis. Dat is dus het meest unieke wat een mens kan ontdekken: Ik ben in Gods gedachten. Ik ben besloten in zijn gedachtenis. Hij heeft gedacht… En omdat God gedenkt, daarom besta je! Daarom kom je ook te voorschijn. Je zou kunnen zeggen: Alles in het Koninkrijk van God gebeurt via dat gedenken. Nu gaan we eens naar de tegenhanger kijken: Psalm 88. Psalm 88 is de somberste Psalm die er is. De meeste Psalmen eindigen nog positief, maar deze niet, deze eindigt met duisternis. “Vriend en metgezel hebt Gij van mij verwijderd; mijn bekenden zijn een en al duisternis” (Ps. 88:19). En dan staat er in vers 13 een heel opmerkelijk punt:“Wordt uw wondermacht in de duisternis bekend, Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?” (:13). In dit laatste vers zien we dus het tegenbeeld van gedenken: Vergeten!. De psalmist spreekt hier over het land van de vergetelheid. Dat is niet best, als je daar moet wonen. Dat wordt hier dan gebruikt als beeld van het dodenrijk. Het typische van het dodenrijk is, dat daar de vergetelheid heerst. Ergens in een andere Psalm  staat ook: “vergeten ben ik uit het hart als een dode” (Ps. 31:13). Ook wordt dat gezegd als de mens wordt vergeleken met een bloem in het veld; de wind gaat daar overheen en er blijft niets van over. ‘Men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer’. Dat is ook altijd de tactiek van de duivel: de mens in de vergetelheid brengen. Dat doet hij op allerlei manieren. Hij zegt: God is jou vergeten. En dan krijg je ook, dat de mens vergeet wie hij is, dat is dan de volgende stap. Hij voelt zich vergeten en zegt: ik weet ook niet meer, wie ik zelf ben. Dan is hij ook vergeten wat zijn bestemming is. Als de mens uit de hof is verbannen, weet hij op een gegeven moment ook niet meer, dat hij daar vandaan is gekomen. Dan is hij zijn oorsprong vergeten. Het is als het ware een spiraal. Het eindpunt is, dat die mens tenslotte niet meer weet waar hij vandaan is gekomen. Hij is zijn oorsprong kwijt. De verloren zoon wist zijn oorsprong nog. Als die mens dus helemaal in het dodenrijk is, dan weet hij niet meer wie hij is. Daarom staat er ook in :11: “Zult Gij aan de doden een wonder doen ; zullen schimmen opstaan en U loven?” (Ps. 88:11). De mens wordt hier dus zelfs vergeleken met een schim, een schaduwbeeld. Een schim is erg moeilijk grijpbaar, daar heb je geen houvast aan; een schim heeft geen gestalte, alleen nog wat vage contouren. “Onder de doden is zijn verblijf , gelijk verslagenen die in het graf liggen, die Gij niet meer GEDENKT , en die aan uw hand ontrukt zijn” (Ps. 88:6). ‘Die Gij niet meer GEDENKT’. Dan houdt de gedachtenis op, dan houdt dus eigenlijk ook het bestaan op. Dan heeft die mens geen werkelijkheid meer; dan kan hij ook niets meer, een persoon zonder kracht. Dat was dus ook het beeld van het dodenrijk in het Oude Verbond; dat was een soort huis van bewaring. Het was de plaats, waar zich niets meer ontwikkelde. Een plaats waar alleen nog maar de ontbinding plaatsvond. God gaat die gedachtenis herstellen. En God gaat de mens zelf weer leren gedenken. God begint daar Zelf mee en gaat dat dan ook op de mens overbrengen. In Exodus 3 lezen we, hoe Mozes naar de Farao wordt gezonden. Mozes zit dan met het probleem van wat hij straks moet gaan zeggen. “Daarop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is Zijn naam – wat moet ik hun dan antwoorden?” (Ex.3:13). Hier gaat het dus om de NAAM. In de Bijbel is iemands naam zijn wezen. Iemands naam is ook zijn toekomst. Een naam is ook vaak profetisch. als bij de geboorte de naam wordt gegeven, is dat vaak al de profetie voor het hele leven. En hier gaat het dus om de naam van God. “Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij gezonden” (Ex. 3:14). God zegt nooit : Ik was, maar al tijd “Ik ben”, altijd tegenwoordige tijd. Dat was juist het probleem voor die mensen in Egypte, Dat God er was, wisten ze wel, dat hadden ze wel van vroeger gehoord. Maar dat God er in het heden ook nog is, dat was juist hun probleem. Ze wisten wel: vroeger bij Abraham was God er, maar waar is Hij nu? God geeft zijn naam dus juist als een antwoord op hun probleem. De Israëlieten zaten ergens met een leegte wat betreft het heden, dan geeft God die naam om de leegte op te vullen. Daarom zegt God IK BEN, want juist het heden was hun probleem. “Voorts zei de God tot Mozes: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De Here, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht” (Ex. 3:15). ‘Dit is mijn NAAM’, zo staat er in :15. Maar er staat een ander woord voor naam dan in :13. In :13 staat het gewone woord voor ‘naam’. In :15 staat een ander woord; de S.V. heeft dat wel goed weergegeven. Er staat eigenlijk: “dit is mijn gedenknaam”. Je zou ook kunnen vertalen: “dit is mijn gedachtenis”. Dit is mijn gedachtenis voor eeuwig.

Gods NAAM is dus zijn GEDACHTENIS.

In het gewone leven komt het voor, dat je iemand doodzwijgt. En je kunt ook door over iemand te spreken, hem waarde toekennen. De grootste pijn die je iemand kunt aandoen is, dat je net doet alsof hij er niet is. Gods gedachtenis zou je een TEKEN in de geestelijke wereld kunnen noemen. Als iemand een naam heeft, dan heeft hij waarde, dan heeft hij invloed, dan heeft hij betekenis. Zo gaat God zijn gedachtenis oprichten. Dit is mijn gedachtenis voor eeuwig. En dan staat er bij: “Zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht”. God zegt: jullie moeten”mijn naam aanroepen. (of: UITROEPEN). Dus éen van de taken van de gemeente, van het volk van God – want er staat: dit is voor eeuwig, van geslacht tot geslacht, dus dat gaat door tot in de eindtijd – is, om de naam van God uit te roepen. De namen van de afgoden gaan verdwijnen. De naam die je gaat uitspreken, gaat tot werkelijkheid worden. Dit is mijn gedenknaam, zegt God; en Mozes moet dat dan aan het volk overbrengen. Mozes moet die naam van God bekendheid geven. Het boek Exodus heet in het Hebreeuws, in de Hebreeuwse Bijbel, ‘NAMEN’. De vijf boeken van Mozes worden genoemd naar het woord waarmee ze beginnen. “Dit nu zijn de NAMEN van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte gekomen zijn” (Ex 1:1). De titel van het boek is dus oorspronkelijk: het boek NAMEN. En in Exodus gaat het ook inderdaad allereerst om de naam van God. En van daaruit dan ook de namen van de zonen van Israël. Dat heeft alles met elkaar te maken. Dat geldt vandaag de dag ook nog steeds. Voor ons gaat het om de naam van God en om de namen van de Zonen; dat zijn onze namen, dat zijn de namen van de zonen Israëls. In het boek Exodus wordt in het begin gesppoken van een Farao, die het volk gaat onderdrukken. En dan wordt de naam van die Farao niet genoemd. Dat is merkwaardig, dat is betekenisvol; de Farao blijft anoniem. De Farao heeft geen naam, die mag geen naam hebben. De naam van die Farao wordt dus doodgezwegen. De vijand moet geen naam hebben, dat is hij niet waard. Maar God krijgt een naam! Dat is het hoogtepunt van het boek Exodus, dat is de openbaring van de naam van God. En de zonen Israëls krijgen ook een naam. Die staan reeds in het eerste vers met naam en toenaam opgesomd. Hoogstens staat die naam van de Farao nog ergens verpakt. In het eerste hoofdstuk wordt gezegd: “voorraadsteden bouwen, Pitom en Raamses” (Ex. 1:11). In de naam van die voorraadsteden zit dus nog de naam van de toenmalige Farao (Ramses). De naam van deze Farao betekent letterlijk: ‘Zoon van de zon’. De Farao werd beschouwd als zoon van de zonnegod, namelijk: Zoon van Ra (of: Re). Het draait in deze hoofdstukken van het boek Exodus dus om de naam van God, de namen van de zonen van Israël en daarnaast ook nog om de naam van Mozes. De naam van Mozes wordt dan in Ex. 2 geopenbaard. Let op de lijn: Ex. l – de namen van de zonen van Israël. Ex.2 – de naam van Mozes en Ex. 3 -de naam van God. En als je dan die drievoudige namen hebt gehad, kan God gaan beginnen. Op die drie schakels wordt het plan van God gebouwd. Daarom wordt dat ook geproclameerd in het boek Exodus, dat moet immers tot een gedachtenis worden! En als God je naam gedenkt, gedenkt Hij je wezen. En als wij Gods naam gedenken, gedenken we Zijn wezen. Dan zie je, hoe belangrijk dat gedenken is.

Lofprijzing is ook een vorm van gedenken .

Zingen is ook een vorm van gedenken.

“En de Here zeide tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en prent het Jozua in, dat Ik de herinnering aan Amalek onder de hemel volledig zal uitwissen” (Ex.17:14). De overwinning, die geestelijke strijd, moet dus ter gedachtenis in een boek worden geschreven. Wat er in de geestelijke wereld is uitgevochten, moet als een gedachtenis worden opgetekend.

In dit verband wordt ook duidelijk, dat Jezus zegt: Verheug je nou niet, dat die geesten zich aan jou onderwerpen, maar verheug je, dat je naam staat opgetekend in de hemel (Luc. 10:20). Dat betekent dus: verheug je erover, dat je een gedachtenis hebt in de hemel. Als je een naam hebt, heb je een gedachtenis. En dat betekent, dat ze je uit de hemel niet wegkrijgen. Daar ligt je betekenis. En als je daar een gedachtenis hebt, dan zal de vijand proberen om je gedachtenis daar uit te wissen. De duivel probeert je uit de hemel weg te krijgen, daarom probeert hij je te verleiden, daarom probeert hij je negatief te maken. Daarom probeert hij je gedachten te beïnvloeden, zodat je naar beneden stort. Dat is de tactiek van de vijand: de gedachtenis van de gemeente moet uit de hemel! En als de gedachtenis van de gemeente in de hemel is uitgewist, heeft de duivel daar het rijk alleen. Daarom probeert hij ook altijd de gemeente te besmetten en aan te klagen. Daarom wordt lij genoemd: “de aanklager van de broeders”). (Op. 12:10). Daarom probeert de duivelook altijd de kinderen Gods tegen elkaar op te zetten, want dan heb je geen gedachtenis meer. En daarom zegt God in :14: IK zal jullie gedenken, maar de herinnering aan Amelek wordt uitgewist. God zegt niet alleen: Ik ga die Amalekieten uitroeien, maar Ik ga ook de herinnering aan die Amalekieten uitroeien. Dat is ook een unieke gedachte. Als er ooit in de verre toekomst, misschien in het Duizendjarig Rijk, iemand de naam Amelek nog zou noemen, dan zou er niemand zijn die dat nog begreep. Er staat ook nog ergens, dat God de herinnering aan de afgoden zal uitwissen. Bepaalde dingen gaan voorgoed voorbij. En dan zegt :14 dat die herinnering vollédig zal worden uitgewist. Dat gaat God ook doen door middel van de gemeente; en dat is ook een zegen op zich. Het is een zegen, dat er in je denken bepaalde dingen worden uitgewist. Dat is ook een stuk genezing van je gedachtewereld. Zij zullen geen gedachtenis hebben. En dan zien we, dat God zijn volk daarbij ook gaat inschakelen. Dat zien we in Numeri 10. Dit is een heel opmerkelijk gedeelte. Hier staat boven ‘De trompetten’. “De Here sprak tot Mozes: (Num. 10:l)…Maak u twee zilveren trompetten” (:2). Die trompetten dienden dan tot het samenroepen van de vergadering en tot het opbreken van de legerplaatsen. Met de trompetten (of ramshoorns, of bazuinen) werd dus een signaal gegeven. En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij in GEDACHTENIS gebracht zult worden voor het aangezicht van de Here, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden” (Num. 10:9). Door dat blazen op de bazuin, werden ze dus in gedachtenis gebracht voor God, dus in de hemelen. Dat bazuinblazen was dus eigenlijk niet iets wat ze deden op aarde, maar iets wat ze deden in de hemel. Nu is het merkwaardig, dat je in het boek Openbaring ook weer zeven bazuinen krijgt. Dat heeft óok weer te maken met die gedachtenis. Door dat signaal wordt als het ware bewerkt, dat God gaat gedenken. Door dat blazen op de bazuin wordt het volk present gesteld voor God. En als God aan je denkt, word je verlost van je tegenstanders. Dat gedenken betekent dus ook, dat God zegt: nu zal Ik met je meestrijden . “Ook op uw vreugdedagen, op uw feesten en op uw nieuwe maansdagen zult gij een stoot op de trompetten geven Mij uw brandoffers en vredeoffers; zij zullen u dienen om u voor het aangezicht van uw God in gedachtenis te brengen; Ik ben de Here, uw God” (Num. 10:10). Die trompetstoten werden dus allemaal op strategische momenten gegeven. Het is opmerkelijk, hoeveel feesten de Israëlieten wel niet vierden. Ze hadden op zijn minst zo’n zeven feesten per jaar. En sommige duurden ook nog eens zeven dagen. Ze hadden nauwelijks tijd gehad om van het ene feest te bekomen, of het volgende stond al weer voor de deur. De tijd van het Oude Testament was beslist geen saaie boel. Het is trouwens ook een opmerkelijke karaktertrek van God, dat Hij al die feesten instelt. God is niet zo saai, als sommige mensen wel denken. Daarin zie je ook, dat God de tijd indeelt op de feesten. De tijd wordt onderbroken en gescandeerd, op maat gebracht naar de feesten. Daar zit dus als het ware een bepaald ritme in; de feesten brengen het ritme in de tijd. Als je spreekt van ‘de tijd doden’, is dat eigenlijk een merkwaardige uitdrukking. Je moet die tijd juist levend maken. God maakt de tijd levend; Hij stopt er een aantal feesten in .’Stop een feest in je tijd’ Dat woord ‘feesttijden’ betekent eigenlijk ‘ontmoetingstijden’. Het zijn de ontmoetingstijden tussen God en mens. Die trompetstoten dienden dus om het volk voor het aangezicht van God in gedachtenis te brengen. Daarom staat er meteen achter in :10 -”Ik ben de Here” ; daar heb je de gedenknaam weer. Het blazen op die trompetten, op die bazuinen, heeft dus zijn uitwerking in de geestelijke wereld. Zo is dat ook met de gemeente. Als de gemeente in de lofprijzing is, is dat ook een gedachtenis voor God. Die lijn loopt ook door tot in het Nieuwe Testament. Denk in dit verband maar aan het Avondmaal. Dan zegt Jezus: “Doe dit tot mijn gedachtenis” (Luc. 22:19). Dat betekent veel meer dan soms verondersteld wordt; daar zit een hele dimensie achter. Dan ga je ook ontdekken wat een unieke zaak het Avondmaal is. “Doe dit tot mijn gedachtenis”. Dat is dus niet: denk nog eens aan Me. Avondmaal is dus ook niet een herdenking.Het is ook niet een terugblik. Avondmaal is niet een weemoedig terugblikken. Het is niet een soort herinneringsmaaltijd. “Doe dit tot mijn gedachtenis”. Dat betekent: als jullie dit doen, stellen jullie Mij tegenwoordig. Dat is de tegenwoordigheid van de Meester. Je kunt zelfs nog een stapje verder gaan. “Doe dit tot Mijn gedachtenis”. Dan stel je als het ware Jezus present voor de Vader. Dan maak je, dat de Vader Hem gaat herdenken. En dit heeft een uitwerking tot gevolg. De uitwerking is dan, dat zijn heerlijkheid, zijn heil gaat komen. Je gaat zijn overwinning, je gaat zijn heerlijkheid, je gaat zijn kracht, je gaat zijn offer, je gaat zijn volbrachte werk present stellen in de hemelen. Dat betekent dus ook, dat de overheden en de machten moeten gedenken. Dus door het Avondmaal ga je ook de kracht van het bloed en de kracht van Jezus’ overwinning present stellen temidden van de geestelijke wereld. Daarom is het Avondmaal ook een getuigenis. Je gaat een getuigenis geven aan de machten.= In het Avondmaal zitten dus heel wat dimensies. Paulus zegt in 1Kor.  11:26: “dan verkondigt gij de dood des Heren”. Als je Avondmaal viert, ga je dus eigenlijk verkondigen. Je gaat verkondigen: aan jezelf, je gaat het verkondigen aan elkaar (daarom doe je het ook in de gemeente). In de derde plaats ga je het verkondigen aan de overheden en de machten. “De dood des Heren” -dat is het einde van het oude. En dat is het begin van een nieuwe schepping. In de vierde plaats ga je het verkondigen aan de engelen. Daar zitten dus heel wat kanten aan. Het Avondmaal maakt ons tot getuigen, tot verkondigers. Dat is dus de diepe betekenis van gedachtenis. Je zou kunnen zeggen: door gedachtenis ga je een monument oprichten in de hemelen, een banier opheffen in de hemelse gewesten. “Voorwaar , Ik zeg u, overal waar het evangelie verkondigd zal worden, over de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft” (Mark. 14:9). Hier gaat het dus over die vrouw die Jezus zalft. “Van wat zij gedaan heeft”. En ze heeft liefdewerk verricht. Dat is een sleutelwoord; zij heeft liefdewerk gedaan voor Jezus. Als zij liefdewerk doet voor Jezus, dan heeft zij een gedachtenis tot het einde toe. Haar gedachtenis gaat nooit meer onder. De mens die liefdewerk doet voor Jezus, die het kostbaarste wat hij heeft uitgiet voor de Meester, die heeft een gedachtenis. Er staat trouwens ook, dat de geur van die mirre het gehele huis vervulde. Die vrouw is een prachtig beeld van de gemeente. Als de gemeente haar liefde uitgiet voor Jezus, dan heeft zij een gedachtenis in de hemel. Dan zijn we eigenlijk weer terug bij het begin: de gedachtenis van de rechtvaardige zal tot zegen zijn: “tot eeuwige gedachtenis zal de rechtvaardige zijn” (Ps. 112:6).

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

1 comment on “Hij verkwikt mijn ziel”


  1. martzen says:

    Ik was op zoek naar informatie over terug keren van de ziel. En kwam zo op uw site terecht. Heel hartelijk dank, zo duidelijk uitgelegt. Ik heb er een warm Hart van gekregen. Ben een beginnend Bijbellezer, maar er staan zoveel verwijzingen in, die ik ook ga lezen.

    Vriendelijke groet,
    Martzen

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

406155 bezoekers sinds 07-06-2010