Het waarachtige gesprek.

18-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Vooral in de Psalmen ga je veel ontdekken over het waar­achtige ge­sprek tus­sen God en mens. In feite zou je kunnen zeggen: heel de Bij­bel is uitbeel­ding van dat gesprek; het gesprek tussen God en mens, maar ook het ge­sprek tussen mens en mens. «Ik roep U aan, omdat Gij, o God, mij antwoordt;  neig uw oor tot mij, hoor naar mijn woord» Ps.17:6. God is de God van het gesprek. Dat zie je ook in deze psalm, waar in vers 6 bijvoorbeeld wordt gesproken van roepen en antwoorden. In een andere vertaling wordt gezegd: «Ik ben het die U riep, ja God, Gij antwoordt mij». Hier lees je dus, hoe David dat gesprek weer gevonden heeft. Dat is veel we­­zenlijker dan doorgaans wordt gedacht. Er zijn in diepste zin twee manieren van leven: je hebt de monologi­sche manier van leven en de dia­lo­gi­sche manier. Bij de mono­logische manier is je leven een al­leenspraak. Bij de dialo­gische manier van leven leef je in het ge­sprek. Als je de Tien Woorden bekijkt, zie je, dat dat er al heel fundamenteel inzit. Ik ben de Here, uw God; daar heb je het Ik; maar daarna hoor je steeds het gij – gij zult… Je zou kunnen zeggen: de hele grondwet van het Koninkrijk der hemelen is gebouwd op dat ik en gij. Ik ben en gij zult. Dat gij zult geen… is niet zozeer een bevel, maar veelmeer een be­lof­te­-gerichte uitspraak. Het is niet zozeer: gij móet, maar gij zúlt. Dit houdt toe­komst­pers­pec­tie­ven en toezeggin­gen in, dat opent mogelijkheden. Het hele spreken van God is dus gericht op die Ik-gij relatie. Dan gaat de mens ook ontdekken dat hij een ik is en dat God een Gij is. Dan ga je dus le­ven in de dialoog. God heeft van meet af aan dat ge­sprek gewild. Nu is de vraag: hoe kom je tot dat gesprek.

Drieërlei dialoog

Je hebt drieërlei dialoog.

1. De puur technische dialoog

Dat is gewoon het zakelijke gesprek, zoals bijvoorbeeld het gesprek werk­gever-werkne­mer.

2. De schijnbare dialoog.

In wezen is dat een monoloog. Ieder spreekt met zichzelf; de ander wordt alleen maar als klankbord ge­bruikt. Je praat tegen iemand, al­leen om jezelf bevestigd te zien. Vaak komt dit voort uit een gevoel van onzekerheid. En dan wil je, dat de ander jouw ideeën en stand­pun­­ten zal bevestigen. Je wilt graag je eigen gevoelens weerspiegeld zien. De ander dient dan alleen maar ter versterking van jouw imago. Zo kun je een gesprek hebben, waarin een ieder geniet van zijn eigen be­leving en van zijn eigen ziel. Dan ben je toch wel bezig met langs el­­kaar heen te praten. Dan wordt het zoals iemand eens zei: “C­ommuniceren is zo dicht mogelijk langs el­kaar heen praten”.

3. De echte dialoog

In de echte dialoog is de ander geen middel, maar de ander is werke­lijk doel. Je bedóelt de ander ook werkelijk. Dan is er sprake van de ech­te wederke­rig­heid. Een echt ge­sprek is voor veel mensen nog een moei­lijke zaak. Juist in onze tijd zie je, dat er enorm veel gepraat is, maar er is toch heel weinig ge­sprek.

De taal is een woning

Toch is de taal, die God ons heeft gegeven, iets wat heel we­zenlijk bij het mens­zijn hoort. De taal is ook een van de ken­merken van het beeld Gods in een mens. Daarom is het gebeuren in Genesis 11, als die talen in verwarring raken, ook zo diep ingrij­pend. Als je elkaars taal niet meer verstaat, wordt het wezen Gods afgebroken, dan wordt het gesprek stilgelegd. Als je el­kaars taal niet meer verstaat, kan er ook niets meer gebouwd worden. Het gevolg is, dat je verstrooid raakt. Verstrooiing is in dat verband een sleutel­woord; de eenheid wordt dan opgeheven. De eenheid brokkelt af tot veel­heid. De taal is het elementaire geheimenis van de schepping. De taal is de wo­ning waarin de mens zijn huis vindt. Als je geen taal meer hebt, ben je dakloos geworden. Een interessante uitspraak luidt: “De taal huist niet in de mens, maar de mens huist in de taal”. Je woont in het spreken, je woont in de taal die God je geeft. Het kan daarom ook voor mensen een enorm probleem zijn, als ze zich niet kunnen uitdrukken, of zich niet kunnen uiten. Het kan heel frus­trerend zijn, als je bepaalde gevoelens en ervaringen niet onder woor­den kunt brengen. En er zijn heel wat mensen die op slot zitten. Misschien heb je ook nooit geleerd om te zeggen wat je voelt. Dat kan ook een dwangmatige achtergrond hebben: be­slist nooit je ge­voelens tonen, niet zeggen wat je denkt. Soms zijn mensen vanaf hun prille jeugd grootge­bracht met de leus: laat je niet kennen. Als je je uit, ben je of be­lachelijk, of je bent overdreven of je valt uit de toon. En voor jongens gold dat natuurlijk helemaal; een jongen mag ook nooit huilen. Je moet alles maar in jezelf ver­werken. En als je het dan niet verwerken kunt, ga je het maar op­kroppen. Maar dan wordt de taal afgebroken, net zoals bij de Toren van Babel. Het gevolg is dan, dat die mens geen huis meer heeft. Dat zie je dan ook inder­daad bij die Toren van Babel, dan hebben ze geen huis meer en worden ze over de gehele aarde verstrooid. Ze lig­gen verstrooid over de hele aarde als een verzameling doodsbeen­de­ren en dan is er geen gesprek meer mogelijk. Daarom is het ook zo veelzeggend, dat bij het Pinksterge­beuren juist de taal weer tot herstel komt. Dan horen de bezoekers de dis­ci­pe­len in hun eigen taal spreken. Dus de taal is de woning, waarin de mens verblijft. Dan heeft hij een dak bo­ven zijn hoofd. De duivel is er steeds op uit om het zo te ma­ken, dat de mens op slot komt te zitten, dat hij zich niet meer kan uiten. Dan wordt de mens op zich­zelf teruggeworpen, dan wordt hij een eenling. De titel van een van de toneelstukken van Sartre is: “Geslo­­ten Deuren”. De mens leeft dan achter gesloten deuren. Dus God gaat de taal weer herstellen, God gaat het gesprek weer op­bou­wen. Juist daarin komt het beeld Gods weer tot uiting. Leven in de monoloog betekent, dat je niet in staat bent om je te ge­ven. Je bent niet in staat om uit te gaan tot de ander. «Hoor, HERE, naar een rechtvaardige zaak,  sla acht op mijn smeking;  leen het oor aan mijn gebed, gesproken met onbedrieglijke lippen»  Ps.17:1. Hier zie je dan een prachtig voorbeeld, hoe David geleerd heeft zich te uiten en het gesprek aan te gaan met God en met zijn naaste. «Hoor, HERE» Dat is een opmerkelijk begin; hij spreekt God hier aan. HERE is de Exo­dus-naam van God: Ik Ben. Dat betekent eigenlijk: Ik ben aan­we­zig, Ik ben erbij, Ik ben bij je. Die Naam drukt telkens iets actueels uit; die Naam heeft altijd te maken met het heden.

Je zou dus kunnen lezen: «Hoor Gij, U die er bent». Zo komt David dus in dat gesprek. Waarachtigheid

Het eerste basispunt van een gesprek is waarachtigheid. Dat komt hier in het eerste vers meteen al naar voren: «Naar een rechtvaardige (letterlijk: waarachtige) zaak». Je kunt dit ook als volgt onder woorden brengen: de toe­wending tot de an­der in waarheid, de toewending tot het wezen van de ander. Alle waar­ach­ti­ge gesprekken komen uit God. Dat vìnd je dan ook juist ìn God: Hij wendt zich tot de mens in waarheid, Hij wendt zich tot het we­zen van de mens. Je kunt het ook formuleren als: de ander be­doe­len als per­soonlijke identiteit.

De ander wezen­lijk be­doelen

Het tweede basispunt voor een gesprek is dus: de ander heel wezen­lijk be­doelen. Dat zie je ook zo treffend bij God. Als God zich gaat rich­ten tot de mens, dan bedóelt Hij die mens. Dan is God het er niet om te doen om iets van die mens te krijgen of iets gedaan te krijgen. Dan zegt God: IK bedoel jóu ! Dat is toch ook wel een van de kernpunten van het Evangelie, dat God jou bedoelt, als persoon; niet als gebruiksvoorwerp, niet als een mid­del tot iets anders. God ziet mensen niet als middelen, maar God ziet de mens als een persoon. Dat is ook het grote verschil met de afgoden en met de dui­vel. De duivel ziet mensen als middelen. De duivel gebruikt mensen. Maar God gaat die mens als persoon aanvaarden.

Gesprekspartners

Dat is dan meteen het derde punt: de ander aanvaarden als partner in het gesprek. In de Psalmen durven de dichters soms toch wel heel stout­moedige dingen te zeggen. Zo zegt David in vers 13 van deze Psalm: «Sta op, Here» Ps.17:13. Dat sta op komt een heel aantal keren in de Psalmen voor. Er staat zelfs in de Psalmen ergens, en ook trouwens in het boek Jesaja: «Ontwaak, Here…». «Toen ontwaakte de Here als een slapende,  als een held, door de wijn overmand» Ps.78:65. Maar er staat ook: «De Bewaarder Israëls sluimert noch slaapt». Maar David spreekt vanuit het partnerschap met God. En in dat ver­band vindt God het juist fijn, als ik God als het ware ga oproepen tot een ant­woord. Iemand die in dat part­nerschap met God staat, kan een heleboel zeg­­gen. Die kan dan dingen zeggen, die beslist niet orthodox klinken. In vers 13 doet David zelfs een viervoudig appèl op God.

Sta op… treed hem tegemoet… doe hem bukken… red…

David kàn dat appèl doen op God, omdat hij weet, dat God daar be­ha­gen in schept. Niet alleen neemt God de mens aan als partner, maar dan komt het er ook op aan, dat de mens Gòd aanneemt als part­ner. De mens dient dan God wel als partner te erkennen. Bij Koning Saul zie je bijvoorbeeld, dat God als partner buitenspel wordt gezet. Als het Saul te lang duurt, gaat hij zèlf maar een offer brengen. Hij laat dan geen ruimte meer voor dat part­nerschap van God. Laat ik nou maar wat gaan doen in mijn kleine wereldje, denkt Saul, in plaats van dat hij God gaat aanspreken als partner. Dat offe­ren van Saul lijkt dan wel heel godsdienstig, maar in feite doet hij daar iets wat beneden zijn maat is. David heeft dat heel duidelijk onderkend: de ander aannemen als deel­­genoot, als tegenover. God en mens staan als ‘een tegenover’ ten opzichte van elkaar. David noemt in deze Psalm 17 ook een aantal sleutelwoorden.

Waarachtigheid.

In vers 1 wordt dan het woord rechtvaardig (waarachtig) ge­noemd, welk woord aan het einde van deze psalm weer terug­komt. «Maar ik zal in gerechtigheid…» Ps.17:15. Hier staat hetzelfde woord in de grondtekst. Deze psalm is als het wa­re om­lijst door dat begrip waarachtigheid.

Het aangezicht

Het tweede kernwoord is het woord aangezicht. We zien in vers 2: «Laat het oordeel over mij van uw aangezicht uitgaan: uw ogen schouwen wat recht is». En dat komt dan weer terug in vers 15: «Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen». Hier is heel bewust sprake van dat staan ‘tegenover elkaar’. God en mens van aangezicht tot aangezicht.

Bewaren

Het derde kernwoord in deze psalm is het woord bewaren. «Heb ik mij gewacht [bewaard]» Ps.17:4. Datzelfde woord komt in vers 8 weer terug: «Bewaar mij als de appel van het oog». David zegt: ik heb mij bewaard, wilt U nu mij bewaren. De oogappel is meestal een aanduiding van Gods volk. «Wie u aanraakt, raakt zijn oogappel aan»  Zach.2:8. Hier, in psalm 17 staat de enkeling dus als vertegenwoordi­ger van het hele volk. Je oogappel is heel kwetsbaar en kostbaar.

Horen

Een vierde kernwoord in deze psalm is dat woord horen. Daar begint vers 1 mee, en het komt in vers 6 weer terug. «Hoor naar mijn woord».

Het hart

Een vijfde woord, dat in deze psalm een belangrijke rol speelt, is het woord hart. «Toets Gij mijn hart» Ps.17:3. «Zij sluiten hun vette hart toe» Ps.17:10.

De mond

 Een zesde woord is het woord mond. «Mijn mond overtreedt niet» Ps.17:3. «Met hun mond spreken zij hovaardig» Ps.17:10. Het woordpaar hart-mond speelt dus in Ps.17:3 een rol en in Ps.17:10. Die twee verzen vormen in dat verband een con­trast. Eerst spreekt David van zijn mond en hart. In vers 10 doet hij dat van de mond en het hart van de goddelozen. Het typerende van de goddelozen uit vers 10 is dus, dat ze hun hart toe­sluiten. ‘In het vet’ staat er dan in een andere vertaling bij. Uit me­disch oog­punt is een vet hart al niet zo gezond, maar in de gees­te­lij­ke wereld is hart­ver­vetting nog wat ernstiger. Het hart wordt dan im­muun, afgesloten voor alle indrukken. Op die manier komt de mens ook in een isolement, dan dringt er niets meer tot hem door. «Het hart van het volk is vet geworden», staat er dan. Dan kun­nen ze niets meer verstaan, ze kunnen niets meer op­ne­men. Een mens sluit zijn hart ook vaak toe na traumatische erva­ringen; hij wil niet opnieuw gekwetst worden. Het is dan nog moeilijk om je ge­­voelens te ui­ten. Het resultaat van het afsluiten van het hart is: «Met hun mond spreken zij hovaardig» Ps.17:10.

De monoloog

Dat betekent dus, dat er geen gesprek meer mogelijk is. Als je ‘ho­vaardig’ spreekt, praat je alleen maar van je af. Dan praat je al­leen nog maar om je­zelf te horen, en de ander moet je daarin dan be­ves­tigen. Dan praat je dus niet om die ander te bereiken. Iemand die hoogmoedig spreekt, heeft al­leen maar zichzelf op het oog; die heeft niet de ànder voor ogen, die ziet de ander niet eens. Als je hoog­moe­dig spreekt, praat je over het hoofd van de ander heen. De an­­der is dan al­leen maar een voorwerp om tegenaan te praten. De an­der wordt dan tot een object, dat gedwee moet toehoren. Er wordt wel gesproken, maar er wordt geen gesprek gevoerd. In Ps.17:10 zien we nu typisch het beeld van een monoloog. De rijke dwaas uit Lucas 12 is ook typisch de man van de monoloog. Hij heeft zijn schuren vol en zegt dan: «En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen liggen, opge­tast voor ve­le jaren, houd rust, eet, drink en wees vrolijk» Luc.12:19. Die man houdt alleen nog maar een gesprek met zijn ziel. Er is dan geen ruim­te meer voor iets of iemand anders. Die ander komt he­le­maal niet meer in beeld. Dat hij met die graanoverschotten ook nog iets anders zou kunnen doen, komt niet bij hem op. Voor hem is er alleen nog maar het pra­ten met zijn ziel: ik en mezelf en m’n ziel. Ze sluiten hun hart toe; daarmee sluiten ze ook het gesprek toe. Wie zijn hart sluit, sluit ook het gesprek. Deze psalm begint in de nacht: «Onderzoekt Gij des nachts» Ps.17:3. De nacht is de tijd van donkerheid, de tijd dat je het allemaal niet meer zo ziet zitten. En dan zegt David: Als U mij onderzoekt, God, dan vindt U niets!

«Beproeft Gij mij, Gij vindt niets». Dat is ook een uitspraak, die werkelijk uit zijn binnenste komt:

«Wat ik ook bedenk, mijn mond overtreedt niet». Davids bedenken is goed; daarom is ook zijn spreken goed. Het waar­ach­tige spreken komt altijd van binnenuit, vanuit het hart. Het ware ge­sprek komt van­uit het hart; God spreekt ook vanuit zijn hart. Psalm 17 begint bij de nacht en eindigt bij het ontwaken. «En bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld» Ps.17:15. Daar zit dus een ontwikkeling in. Als David door die nacht heen­komt, die nacht van beproeving, die nacht van donkerheid, die nacht van eenzaam­heid en Godverlatenheid, komt hij uit­eindelijk tot dat ont­waken. Dat heeft een meerwaarde; dat is meer dan alleen maar  ‘s mor­­gens je ogen opendoen. Dat is ook een geestelijk ontwaken. Bij het ontwaken zal ik mij verzadigen met uw beeld, letterlijk: met uw ge­stal­te. Hij neemt het beeld, de gestalte van God in zich op; dan is daar dat ge­sprek volledig geworden. David sluit zijn geest (zijn hart) niet toe; hij opent juist zijn hart, zo­dat hij die gestalte van God in zich op kan nemen. Gods gestalte is licht, is zuiver, is puur, is waarachtig. Nog een kenmerk van het waarachtige gesprek vinden we in het eer­ste vers: «Gesproken met onbedrieglijke lippen» Ps.17:1. Wat is nu het wezen van bedrog en waaròm kan er bedrog bin­nen­slui­pen? Het wezen van bedrog is dus, dat iemand een bepaalde in­druk wil maken, die niet in overeenstemming is met zijn werkelijke ka­­rakter. De mens maakt zich zorgen over de indruk die hij op an­de­ren maakt. Dan ontstaat er dus een maskerade: het is de tweespalt tus­sen schijn en zijn. Je wilt iets lijken, of je wil iemand lijken, of óp iemand lijken. Je wilt een be­paal­de indruk vestigen; je wilt een bepaalde stand ophouden. Van hieruit zou je twee typen mensen kunnen onderscheiden. Dan heb je in de eerste plaats de mens, die leeft vanuit een bepaald droom­­beeld: zo zou ik willen zijn en zo probeer ik me ook voor te doen. Je kunt ook leven vanuit je werkelijke wezen. Leven vanuit een be­paalde indruk of leven vanuit je wezen. Hoe ga je nu een wezensmens worden? Er zijn heel wat schijn­men­sen. Hoe kan de mens de schijn overwinnen? David geeft hier eigen­lijk al iets van aan:

Oordelen en beoordelen

«Laat het oordeel over mij van uw aangezicht uitgaan: uw ogen schouwen wat recht is» Ps.17:2. David zegt: God, U mag mij wel oordelen; ik laat mij beoorde­len door U.

P­aulus zegt daar ook iets over:

«Nu raakt het mij zeer weinig, of ik al door u of door enig menselijk ge­richt beoor­deeld word. Ja, ook mijzelf beoordeel ik niet. Want ik ben mij van niets bewust, maar daar­door ben ik niet gerechtvaardigd; Hij, die mij beoordeelt is de Here» 1 Kor.4:3,4. Dat is een heel diepgaande uitspraak. David laat zich door God be­oor­delen. Het is heel treffend, als je meer gestalten in de Bijbel be­kijkt, dat ze dan zeg­gen: God, hoe beoordeelt U mij? Paulus zegt: het doet mij in feite niets, hoe de men­sen mij beoor­de­len. «Ook mijzelf beoordeel ik niet», zegt Paulus. Hoe vaak zijn mensen daar nu juist mee bezig. Doe ik het nu wel goed? Wat zul­len de men­sen er van denken? Dat kan een methode zijn van de duivel, om je in een kramp te bren­gen. Dan wordt de mens soms een perfectionist, die het steeds nog be­ter wil doen. Het kan altijd nog beter, denkt die mens dan; ik ben nog lang niet vol­maakt hoor! De vraag is dan wel, of je weet wat vol­maakt­heid dan inhoudt. Over het begrip volmaaktheid bestaat nogal wat misverstand. Dat is net als met het woord onberispelijk. Er wordt zo vaak met negatieve be­grip­pen ge­werkt. Dan wordt er overal on voor gezet. God werkt veel meer met positie­ve begrippen. Dat ‘jezelf beoordelen’ kan dus tot een strik worden. Het kan een tang wor­den, waarin je gevangen zit. Als je jezelf voortdurend zit te be­oor­delen, kun je dat gesprek niet be­reiken. Maar Paulus zegt: ik beoordeel mezelf niet. Dat is toch wel een heel unie­ke uit­spraak. De aanklager maakt juist vaak gebruik van dat je­zelf beoordelen. Door die zelf­beoordeling wordt het spontane leven af­ge­­damd. Paulus zegt dan: ik ben mij van niets bewust. Hij, die mij beoordeelt is de HERE. Daar heb je hetzelfde punt als in die psalm. David zegt ook: God be­oordeelt mij. En dat oordeel gaat van Gods aangezicht uit, zegt Psalm 17:2. Als God je beoordeelt, beoordeelt Hij je naar wat je wezenlijk bent. God beoordeelt de mens niet wettisch; anders zou je nog verder van huis zijn. Dan zou je deze teksten kunnen gebrui­ken als een soort knup­pel: jij ziet maar de helft, maar God ziet nog veel meer ellende in jou dan jij in je­zelf kunt zien. Hier staat voor oordelen het woord anakrino, wat letterlijk betekent: om­hoog oor­delen. Daar zit dat ana in: omhoog. God gaat je niet ta­ta­kri­no, naar be­ne­den oordelen, maar God gaat je juist omhóóg oor­de­len. Hij gaat je juist waar­de­ren, opwaarderen. Vandaar ook, dat we in de Psalmen kunnen lezen: Laat het oordeel van U uit­gaan. Letterlijk kun je ook vertalen: Laat het recht van U uit­­gaan. Dan komt de mens weer tot zijn recht. Hoe ga je nu een ‘wezensmens’ worden? Omdat God je beoordeelt. Want God brengt het verborgene aan het licht. Dat zegt Paulus ook: «Daarom, velt geen oordeel voor de tijd, dat de Here komt, die ook het­geen in de duis­ternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raad­­slagen der harten open­baar maken. En dan zal aan elk zijn lof ge­­worden van God» 1 Kor.4:5. De raadslagen van het hart, het verborgene, moeten aan het licht ko­men. Dan zal aan elk lof geworden van God. Dat is toch ook wel een heel frap­pante conclusie, die Paulus hier maakt. Vol­gens de gang­ba­re gedachtegang is God erg zuinig met die lof. Er wordt dan in de orthodoxe kringen gezegd: de mens is van nature on­be­kwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad; hij is in zonde ont­vangen en geboren. Hoe zou een mens nu ooit lof kunnen krijgen van God?! God gaat in die mens zijn wezen loven; dat heeft Hij gemaakt! God gaat in jou loven datgene, wat Hijzelf in jou gelegd heeft. God wil de mens ook genezen van de gedachtengang omtrent de in­druk die we moeten maken of denken te moeten maken. «Maar nu (die tekst begint dus met een tegenstelling) zo zegt de HERE, uw Schep­­per, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn» Jes.43:1. Jesaja zegt tegen die mens, die misschien geen hoge dunk van zich­zelf heeft: God is je Formeerder; Hij heeft je vorm gegeven; Hij heeft jouw innerlijk ge­formeerd. Hij heeft jouw ziel en jouw geest, jouw we­zen, geformeerd. En wat God ge­formeerd heeft, is altijd goed. Als de For­meerder goed is, dan is het formeersel ook goed. God heeft jou vorm gegeven, Hij heeft je diepste wezen ge­maakt. Daar gaat Jesaja de mens weer op terugvoeren. Daarom staat er dan ook in dat eerste vers: vrees niet. Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u losgekocht. Los­ge­kocht uit die gesloten deuren, uit dat isolement. Verlossen is vaak een heel proces. Het houdt ook in, dat je ziel gene­zen wordt. Want een mens is vaak niet meer in staat tot een gesprek, om­dat hij zo dikwijls zijn hoofd gestoten heeft, omdat hij vaak in­ner­lijk verwond of kapot is.

Ik heb u bij uw naam geroepen

«Ik heb u bij uw naam geroepen». Je naam is je oorspronkelijke identiteit. Als God je bij je naam roept,  roept Hij niet zomaar je gangbare aardse naam, maar dan roept God je wezen. Je wordt dus heel wezenlijk ge­roepen. Je kunt dus ook zeg­gen: Ik heb u bij uw wezen geroe­pen. Een andere vertaling zegt: «Ik heb u met name geroepen». God kijkt dwars door al die indrukken heen. God spreekt die ‘wezensmens’ aan. God gaat die schijn weghalen, waar­­door het echte gesprek mogelijk wordt. Dan kan die mens zich­zelf weer worden.

Ik heb je bij je wezen geroepen! «Gij zijt mijn!»

Ik en gij; daar zie je weer de dialoog. Die mens wordt ge­steld in de dia­loog en daardoor wordt hij genezen. Daarmee wordt hij uitgetild uit de een­zaam­heid. «Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet ver­te­ren en zal de vlam u niet verbranden». Jes.43:2. Het kenmerkende van water is, dat het alles weg kan spoelen. Wan­neer gij door het water trekt; het staat weer in de dia­loogvorm. Gij zijt mijn! Jouw we­zen is van Mij, en wanneer gíj door het water trekt, dan ben Ik met u. Daar is dat Ik met ú. Rivieren zullen u niet weg­spoe­len. Andere vertalingen zeggen: «ze overstromen u niet». Jouw naam, jouw wezen gaat niet onder. Al die invloeden en machten, je wordt er niet door wegge­sleurd. Je zult je­zelf niet kwijtraken. Het vuur zal u niet verteren, want: «Want Ik, de HERE, ben uw God, de Heilige Israëls, uw Verlosser; Ik geef Egypte, Ethi­opië en Seba als losgeld in uw plaats»  Jes.43:3. Ik ben uw Bevrijder, staat er letterlijk. En God bevrijdt jouw naam, jouw we­zen, jouw identiteit. God bevrijdt je ook van de schijn, ook van het leven in die kramp van ie­mand te moeten wòrden. God bevrijdt je tot waar­achtigheid, tot echt­heid. God bevrijdt je uit die tweespalt, de tweespalt van schijn en zijn. Hij roept je bij je naam. God gaat je te voorschijn roepen; God gaat je ook bevestigen. God be­ves­tigt de mens in zijn wezen, in zijn identiteit. Dat komt ook zo prach­tig naar vo­ren in Jesaja 49. Daar zie je hoe die knecht des HEREN met zijn identiteit wor­stelt. Hij heeft het gevoel, dat het ei­genlijk allemaal mislukt is. Want hij zegt dan in Jesaja 49: «Doch ik zeide: Tevergeefs heb ik mij afgemat, voor niets en vruch­te­loos mijn kracht verbruikt. Evenwel, mijn recht is bij de HERE en mijn ver­gelding is bij mijn God» Jes.49:4. Maar hij is dus begonnen met te zeggen in vers 1: «De HERE heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot mij­ner moeder aan heeft Hij mijn NAAM vermeld» Jes.49:1. Letterlijk: Hij heeft mijn NAAM gedacht. God gedenkt je naam, God ge­denkt je identiteit. Ook al zou je je eigen naam, je eigen wezen zijn ver­geten, God is het niet vergeten. IK weet nog wie je bent, zegt God.

«Zo zegt de HERE: Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord, en ten da­ge des heils heb Ik u geholpen» Jes.49:8. Andere vertaling: «Ten tijde des welbehagens heb Ik u geantwoord». «Ik zal u behoeden en u stellen tot een verbond voor het volk om het land weder te her­stellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erf­deel te maken» Jes.49:8. God gaat die mens bevestigen. God zegt: je mag er zijn; Ik wil, dat je er bent. David zegt dat zo mooi in Psalm 40:

«Hij stelde mijn voeten op een rots,mijn schreden maakte Hij vast» P­s.40:3.

De schreden van David worden bevestigd. Dat bevestigen betekent dan ook, dat ik niet meer mijzelf hoef te bevesti­gen. En juist als ik mij­zelf moet beves­ti­gen, komt daar die dwangmatigheid in het spel. Je hoeft jezelf niet te be­ves­tigen, zegt God, Ik maak jouw schreden wel vast. Jij hoeft alleen maar te wandelen voor mijn aangezicht. De we­reld is vol met mensen die zichzelf zo nodig moeten bevestigen. Be­vestigen door een grotere auto, door carrière te maken. Iemand kan ook proberen zichzelf te bevestigen door godsdien­stig te zijn, door ‘een harde werker in het Koninkrijk’ te zijn. Moet je niet doen, zegt God, Ik zal je wel bevestigen. Het wezen van een waarachtig gesprek is, dat de ander door jou be­ves­tigd wordt. Dan weet die ander: ik ben gewild, ik ben bedoeld. Ik laat mij be­ves­ti­gen door God. Ik wil ook niet proberen om iemand an­ders te zijn. Maar ik wil mij laten bevestigen in mijn wezen, zoals God mij gemaakt heeft.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391735 bezoekers sinds 07-06-2010