Het leven in het antwoord

15-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Het Woord van God gaat uit en zal niet ledig tot Hem terug­keren. Dat Woord zal een antwoord met zich meebrengen. Bij de profeet Hosea gaat het er speciaal om, dat God op­nieuw gaat spre­ken. En dan komt het erop aan: gaat de mens nu ook antwoord ge­ven? We kun­nen nog verder gaan en zeggen: Gaat die mens ant­woord worden. Dat is dan le­ven in het ant­woord: dat je antwoord gaat worden voor God. Dat is niet alleen maar wat je zegt, maar dat is vooral wat je bènt. Je hele bestaan gaat dan antwoord tot God wor­den. In Hosea 2 staat dan als hoogtepunt in vers 19: Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de Here kennen. Hos.2:19. Het is opmerkelijk, dat dat hier gegeven wordt als belofte: gij zult ken­nen. Dat is een toekomstperspectief, dat Hosea als profeet hier uit­spreekt. Het ken­nen van God is dan het antwoord, dat ingaat op dat Zich­zelf bekend ma­ken. Daar komt dan ook die wederkerigheid op­nieuw tot uiting. Het is trouwens opmerkelijk, dat dit gezegd wordt tot het uitverkoren volk, maar dan toch in de toekomst. Je zou zeg­gen: dat volk Israél ken­­de God toch allang, maar toch wordt het hier gezegd in een toe­ko­­mende vorm. Daar ben je dus nog naar op weg. Let erop, dat er weer gesproken wordt over een kennen en niet over een be­zit­ten. Als je iemand bezit, dan wordt hij tot een voorwerp. Als je iemand kent, dan blijft hij een tegenover van je.

Drie vormen van kennen

Je kunt drie vormen van kennen onderscheiden.

1. Waarnemen

In dit waarnemen kun je dan allerlei details gaan ontdekken. Je bent dan bezig met analyse. Maar bij ontleding gebeurt het vaak dat je op de duur alleen nog maar losse onderdelen hebt.

Zo kunnen mensen ook met elkaar omgaan, je gaat de ander ont­le­den. Dat is een heel dodelijke manier van iemand ken­nen.

2. Beschouwen

Dan ben je al een stapje verder, dan zie je het geheel. Iemand die beschouwt, maakt zich niet zo druk om de details, die gaat niet ontleden, maar die krijgt een bepaalde visie. Alle grote kun­ste­naars zijn be­schouwers. Een kunstenaar kijkt bijvoorbeeld heel an­­ders naar de natuur dan een man van de wetenschap. Een kun­ste­naar gaat niet ontleden, maar die vangt iets op, die pakt een beeld. Hij wordt door dat beeld gepakt. En dat gaat hij dan op zijn beurt weer uitbeelden. Daar zit ook een stuk crea­ti­vi­teit in. Je ziet dan het bestaan uitgebeeld worden.

3. Eén worden mèt

Hier kom je tot het bijbelse begrip kennen. Als je in de Bijbel iemand gaat ken­nen, dan ga je één worden met die ander. Je laat je aan­spre­ken,  je laat het unieke van die ander tot je komen, dat zègt je iets. Je wordt aangespro­ken door wat je in die ander ontdekt. Op die ma­nier kom je tot een heel an­de­re manier van kennen. Dat is ook wat Hosea hier aanduidt: En gij zult de Here kennen.  Hos.2:19. Het betekent, dat je dat unieke van God in je opneemt en je daarmee één maakt. Dat kennen heeft ook te maken met namen. God heeft vele namen. En toch kun je in diepste zin zeggen: God heeft maar één naam. Al die namen van God zijn uitdrukking van die éne naam. Het zijn allemaal aspecten van het wezen van God; het zijn facetten van die dia­mant. Al die namen bij elkaar vormen dat éne Wezen, die éne identiteit. In het woord identiteit zit het woord idem: dezelfde. Al die namen van God vormen tezamen ‘zijn Zelf’. Als we dit hoofdstuk van Hosea nader gaan bekijken, dan blijkt, dat er wat die namen betreft, een crisis heeft gespeeld. En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des HEREN, dat gij Mij noe­men zult: mijn man, en niet meer: mijn Baäl. Hos.2:15. Het punt is dus: hoe gaat de mens God noemen (roepen staat er ei­gen­lijk). Als we het wezenlijke van een naam willen onderscheiden, ont­dekken we twee kernpunten.

1. De naam als aanroep

De oorspronkelijke betekenis en functie van een naam was de moge­lijk­heid om iemand te kunnen aanroepen. En dit dan in on­derscheid met het aanroe­pen van andere personen.

 2. Een naam is een grondhouding

Als er gesproken wordt van de Naam van God, dan ontdek je iets over de grond­houding van God. Dan kom je op een heel wezenlijk punt van Gods iden­titeit. En dan kom je eveneens op wezenlijke punten van onze identiteit. Gods identiteit en de identiteit van de mens lig­gen altijd tegen elkaar aan. God heeft bepaalde grondhoudingen. Uit Gods grondhoudingen komen al zijn daden voort. Het is Gods bedoe­ling, dat die mens ook een grondhou­ding zal krijgen, van waaruit dan al zíjn daden voortkomen. Als de mens geen grondhouding hééft, wordt hij labiel. Hij zal steeds op verschillende ma­nie­ren op een situ­a­tie reageren. Je weet dan nooit van tevoren wat je aan zo’n persoon hèbt. Er is dan sprake van een ‘verstrooid bestaan’. Dat is nu juist het unieke van God: Hij heeft een grondhou­ding waar al­les uit voortkomt. Vandaar dat God niet onbere­kenbaar is, God is niet grillig of wisselvallig. Al Gods daden komen voort uit één prin­ci­pe. Daarom is het ook zo mooi wat er in Jesaja 14 staat: Want de HERE zal Zich over Jakob ontfermen en nog zal Hij Israël ver­kie­zen en ze op hun eigen bodem doen wonen; dan zal de vreemdeling zich bij hen aansluiten en men zal zich voegen bij het huis van Jakob.  Jes.14:1. Het volk Israël zal weer op zijn eigen bodem komen te wonen. Dan krij­gen ze ook weer één grondhouding, één bodem. Daar tegenover zie je ook, dat de Bijbel spreekt over mensen, die ont­wor­teld zijn. Die mensen hebben dus geen grondhouding. Eventueel kun je zeggen: de grondhouding is hoogstens onze­kerheid, wissel­val­lig­heid. Vaak zie je, dat mensen ‘werken’ aan bepaalde symptomen. Dan word je in we­zen wettisch: wat moet er in mijn leven ver­anderen; ik moet bepaalde din­gen anders gaan dóen. Maar als die grondhouding niet verandert, dan helpt dat niet; dan is het dweilen met de kraan open. Als de grondhouding verandert, komen van daaruit ook andere symp­tomen, van daaruit komen er dan ook andere daden. In dit ver­band kun je refereren aan die boom en aan die vruchten. Het gaat om die boom. Anders ben je alleen maar bezig met het aanleren van be­­paal­de ui­terlijke vormen. Dat is wat Jesaja zegt: een aangeleerd gebod. «En de HERE zeide: Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ont­zag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is» Jes.29:13. Je kunt iemand best iets aanleren, alleen, als het dan weer benauwd wordt, dan vallen die aangeleerde dingen weer weg. Dan gaat iemand toch weer re­a­geren vanuit zijn grondhouding. De namen van God hebben dus betrekking op de grondhouding van God.

Mijn man, en niet meer: mijn Baäl

Dat Gij mijn noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Baäl. H­os.2:15. Man is een woord uit het scheppingsverhaal: man en mannin; Adam en Eva. Man is een oorsprongswoord en ook tegelijk: Mijn tegenover. Adam en Eva waren tegenover elkaar geschapen.

Mijn man is dus die oorspronkelijke relatie. En niet meer: mijn Baäl. Er wordt dus ook een bepaalde naam afgeschaft. Er wordt een be­paal­de grond­houding gegeven en er wordt een andere grond­houding af­gewezen. Baäl is in feite geen eigennaam. Het wordt altijd wel met een hoofdletter ge­schreven, maar het is eigenlijk geen eigen­naam. ‘Baäl’ is een begrip, een titel, net zoals het woord ‘Heer’ of ‘Koning’. Baäl betekent Meester, of bezitter. In oude tijden werd ook aan God wel de titel ‘Baäl’ gegeven. Dat blijkt nog wel uit bepaalde aanduidingen. Toen kwam David te Baäl-Perasim, waar hij hen versloeg. En hij zei­de: De HERE is voor mij uit door mijn vijanden heengebroken, zoals wa­ter doorbreekt. Daarom noem­de men die plaats  Baäl-Perasim.  2 Sam.5:20. Baäl-Perasim was een titel, die David gaf aan God. De naam bete­kent: Mees­ter in de doorbraak. Je zou kunnen zeggen: God is de spe­ci­a­list-doorbreker. De aanduiding Baäl was eertijds dus niet altijd een nega­tieve zaak. David ge­bruikt de naam Baäl hier als eretitel voor God. David deed daar helemaal niet moeilijk over; hij wist ook wel dat de hei­de­nen het over Baäls hadden, maar hij zegt: God is mijn Baäl. G­od is mijn Meester, mijn Doorbreker, mijn Meester­-Doorbreker. Pas later komen dan de misverstanden. Men zei dan: God is net als al die Ba­äls. Maar dan wordt het Godsbeeld vertroe­beld. Het ken­merk van die Ba­als was – althans zo werd er dan geredeneerd – de vrucht­­­baarheid. Die Baäls wa­ren ook altijd gebonden aan een be­paal­de plaats. God zegt dan bij monde van Hosea: Ik wil niet, dat je Mij nog langer Baäl noemt. Daardoor krijg je namelijk een verkeerd Godsbeeld. En God wil juist dat verkeerde Godsbeeld genezen. Ik wil jullie een zui­ver beeld geven van wie Ik ben: gij zult de Here kennen. Jullie moe­ten niet langer gevangen zit­ten in een verward beeld. Want als jullie den­ken aan dat woord Baäl, denk je aan vruchtbaarheid. Je denkt dan: God zorgt wel voor die vrucht­baar­heid; maar dan ga je God voor je kar­retje spannen. Door dat ‘Baäl-begrip’ krijg je een bezitterige houding ten opzichte van God. Je ziet inderdaad vaak, dat mensen God gaan binden aan een be­paal­de plaats, of aan een bepaalde zegen. Zo gauw wordt God voor je karretje ge­spannen; zo deed men het indertijd ook bij die ark. Als je die ark maar in ‘je bezit’ hebt, dan zal God zich ook wel gaan ma­ni­fes­teren. Telkens zie je dan, dat God ergens aan gebonden wordt. We hèbben de ark; als we nu die ark maar in de legerplaats halen, hèbben we ook God in de legerplaats.

God willen bezitten

Dat is steeds weer de verzoeking door de tijden heen. In onze tijd is dat zeer zeker ook nog zo. De mens wil zo graag God ‘bezitten’, God in­lijven in zìjn le­ven, een bepaalde zaak con­tinueren. God heeft zich dan aan een mens ge­o­penbaard en die mens wil dat dan op de een of an­dere manier vasthouden. Maar een openbaring kun je niet vasthouden. Daar kun je al­leen steeds op­nieuw in gaan staan. Dat kun je alleen maar steeds op­nieuw inwachten. Je kunt alleen maar steeds in die verwachting gaan leven, in de verwachting dat God Zich opnieuw openbaart. Je kunt en mag die openbaring nooit op de een of andere manier vast­leg­gen en zeggen: nou hèbben we het. Je kunt niet op de een of an­de­re manier zeggen: Wij hebben God! Dat deden de Is­ra­ëlieten toen ook, maar toen bleek het niet te kloppen. De Israëlieten namen de ark mee in de legerplaats, maar God zei: Ik blijf thuis. Later, in de tijd van Jeremia, zegt men: maar wij hebben de tempel. Nou, zegt God, dan laat Ik die tempel verdwijnen. Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Betert uw han­del en wandel, dan wil Ik u op deze plaats laten wonen .Stelt uw ver­trou­wen niet op bedrieglijke woorden: Des HEREN tempel, des HEREN tem­pel, des HEREN tempel is dit.  J­er.7:3,4. Ook in de dagen van Jezus zeiden ze: Wij hebben de tempel! Maar dan zegt Jezus: Er blijft geen steen van overeind. En Stefanus zegt: God woont niet in een tempel met handen ge­maakt. Telkens probeert de mens God te bezitten. Zo, nu hebben we het vast­­ge­legd. Steeds is dat ook de verzoeking geweest van het uitverkoren volk, dat men dacht: God is de God van ónze groep. Zodra ie­mand gaat den­ken of zeggen: God is de God van onze groep, dan zegt God: dan ben Ik niet meer te spreken. God laat Zich niet inperken in een tempel, in een ark, in een groep. Dan zegt God: dan geef Ik het Koninkrijk aan een ander. Het gevaar van dogma’s is ook altijd geweest, dat men God daarin ging vastleggen. Ook de vraag om een koning ligt op hetzelfde terrein. Men dacht: als we nu een koning hebben, manifesteert God zich ìn die koning. Als we een koning hebben, hebben we God. Maar dan zie je het verschijnsel zich voordoen, dat God Zich juist dáár te­rug­trekt, waar men meent Hem te bezitten. God laat Zich op die manier nooit en te nimmer binden.

Mijn Baäl.

Mijn Baäl is de Baäl die ik aan een bepaalde plaats kan verbinden; die ik aan een be­paal­de groep of dogma kan verbinden. Dus dan zie je, dat God zegt: er moet een totaal andere grondhouding komen. N­iet meer die grond­houding van het be­zitten, maar van het kennen. Hieruit blijkt ook, dat het bijbelse geloof wezenlijk anders is dan alle andere vor­men van geloof. Hoe vaak denkt de mens niet, dat hij God kan bezitten in een bepaalde zegen! Ik heb de zegen en daarin heb ik God. Het is dan toch wel opvallend om te zien, hoe egocentrisch Christenen vaak denken. Ze den­ken van­­uit zichzelf: God geeft mij een bepaal­de ervaring, God geeft mij een bepaalde zegen en daarin heb ik dan als het ware een heel spe­ci­aal voor­recht. Op die manier werkt God echter nooit. God werkt vanuit een totaal ander principe. Dus niet meer mijn Baäl – gebonden aan een bepaalde plaats – maar: Mijn Man. Dat is geen plaats-relatie, maar een per­soonsrelatie. En als God dan ‘mijn man’ is, kun je niet over Hem beschikken. Dan wordt het voornaamste punt: Hem steeds beter te leren kennen. Want zij zeide: ik wil achter mijn minnaars aan gaan, die mij mijn brood en water, mijn wol en vlas, mijn olie en drank gaven. Hos.2:4. Hier lees je steeds van mij en mijn; een heel egocentrisch Godsbeeld. Het he­le Godsbeeld is gebaseerd op mij en mijn, op ikke. Hier is niet een aan­spre­ken, hier is geen sprake van een gesprek, maar hier lees je alleen maar: God wordt een stukje van mijn bezit. En dan is het frap­perend om te zien wat God doet: Daarom, zie, Ik ga uw weg met doornen versperren, Ik ga tegen haar een muur op­richten, zodat zij haar paden niet vinden kan. Hos.2:5. Over zo’n tekst moet je niet te gauw heenlezen. Dit is juist een heel unie­ke ui­ting van de goedheid van God. Hieruit blijkt nu, dat God goed is. Hij gaat de weg van die mens ver­sperren. In een andere vertaling staat: «met doornenhekken omtuinen». Letterlijk staat er: «Ik ga die weg toemuren met een muur».

Het gevolg is dan, dat zij «haar paden niet vinden kan». En haar paden waren de pa­den van het willen hèbben, de paden van het bezit. Ik weet de weg, ik weet hoe dat werkt in Gods Koninkrijk, ik zal dat wel even oplossen; dat bezit ik alle­maal. God zet een muur op de weg die leidt naar dat verkeerde Gods­beeld. God zet er hekken van dorens omheen. God wil dat je die andere weg op­gaat. Hosea 2:5 betekent dus in feite: elke zelfgerichte godsdienst laat God vastlo­pen. Doodlopende weg, eindigend in de dorens. Ook de Farizeeën moesten op die manier vastlopen. Die Fari­zeeër bidt: God, ik dank U dat ik niet ben zoals die tolle­naar, ik geef mijn tien­den en ik doe dit en ik doe dat. Het kenmerkende van het gebed van die Farizeeër is, dat hij nooit tot een gesprek komt. Hij komt nooit tot een Gij, het is alle­maal ik en mij. Maar wie ik zegt zonder gij, is niets! Een mens wordt pas een ik door het Gij. In feite bidt de Fa­ri­zeeër helemaal niet, hij is bezig een opstel te ma­ken. Maar God luis­tert niet naar het gebed van die Farizeeër, daar heb je weer die mu­ren. God zet er een hek voor en zegt: die man kan zijn pad niet meer vinden. En dan komt die tollenaar en zegt: O God, wees mij, zondaar, genadig!  Luc.18:13. De tollenaar komt tot een gesprek. En dan staat er, dat de tollenaar ge­recht­vaardigd wordt, hij wordt geaccepteerd. In Hosea 2 is door de doornen op haar pad het gevolg: «Dan zal zij haar minnaars nalopen, maar hen niet bereiken; hen zoe­ken, maar niet vin­den. Dan zal zij zeggen: ik wil heengaan en terug­ke­ren tot mijn eerste man, want toen had ik het beter dan nu».  Hos.2:6. Mijn eerste man, dan heeft die doodlopende weg een bekering, een te­rug­keer tot gevolg gehad. AV: Toen was het voor mij beter dan nu. Zij gaat terug naar de oorsprongs-relatie. Er moet dus een totaal nieu­­we grondhouding komen. Hoe kun je nu die grondhouding type­ren? De grond­houding van God, die dan tegelijk ook de grond­hou­ding van de mens is? Dat is iets wat altijd samenvalt; de mens wordt im­mers navol­ger van God? Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is. Matt.5:48. Dit vers is de samenvatting van het hele hoofdstuk. Deze tekst vormt de sa­men­vatting van hoofdstuk 5, maar vormt tegelijk de deur naar hoofd­stuk 6 en 7. Het is de scharnier­tekst van de hele Bergrede. Op die tekst gaat heel de Berg­rede open. In hoofdstuk 5 heeft Jezus eerst een heel aantal grondregels ge­geven en dan geeft Hij de samen­vat­ting in v.48 en gaat daarop door in de hoofdstukken 6 en 7. De uitwerking van die grondhouding wordt dan gegeven in de hoofd­stuk­ken 6 en 7.

Gij dan zult volmaakt zijn

«Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is».

Zo wordt de mens dus navolger van God. Gij zult zijn, gelijk uw Vader is. Gij zult zijn… dat is een belofte. Dat is niet een zweepslag: je moet nou eens zorgen, dat je volmaakt wordt. Nee, het is een uitzicht ge­ven óp. Want jouw hemelse Vader is het ook. Het kenmerk van kin­­de­ren, van zonen is dat ze op hun Vader gaan lijken. Ze zijn we­zens­ver­want aan hun Vader. Dat woord volmaakt heeft nogal wat misverstanden opgeroepen. Dat woord is ook weer vaak nogal wettisch opgevat. Maar dan zit je weer in die eer­ste fase van kennen, dan ga je weer waarnemen. Zo doen wij dat vaak dan bij ons zelf ook. En als we dan ons zelf be­schou­wen om onze graad naar de volmaaktheid te meten, dan zijn we in dat op­zicht vaak te­leurgesteld. De gangbare gedachte omtrent het begrip volmaakt­heid is dan, dat de mens tot in de kleinste puntjes geen enkele steek meer laat vallen. Die mens moet dan aan duizend en één kleine ‘eisjes’ voldoen. En als hij dan door dat examen heen­komt, dan is hij volmaakt, ‘eiselijk’ vol­maakt. Dat zijn dan die ontledingen. Zo kun je dan jezelf gaan ont­le­den en je graad van onberispelijkheid gaan meten. Maar dan is er altijd wel weer wat om te berispen. Het begrip volmaakt is echter niet een ‘ontledings-begrip’, het is geen wet­tisch punt, maar het is een grondhouding. Als dan die grond­hou­ding in jou is, dan zullen van daaruit je daden volgen. Die grond­hou­ding is dus het punt waar alles om draait. Vanuit de Hebreeuwse grondtekst betekent het woord volmaakt ei­gen­­lijk vol­ledig, totaal. Je zou kunnen zeggen: Volmaakt wil zeggen: de mens is een geheel; de mens reageert dan in zijn totaliteit. Geen enkel deel van die mens is dan anders dan het geheel.

Kortom: een mens uit één stuk!

Je zou deze tekst ook kunnen lezen als: Gij dan zult mensen uit één stuk zijn, gelijk uw hemelse Vader ie­mand uit één stuk is. Dat is dan juist ook het unieke van God: Hij is een God, die vanuit zijn ge­heelheid komt. Als God tot je komt, komt Hij als één geheel. Hij is niet een God met twee aangezichten. God houdt nooit een ka­rak­tertrek achter de hand. Niet: Ik ben nu nog goedgestemd jegens jou, maar Ik heb ook nog een andere kant. Van God gaat die drei­ging nooit uit. God houdt nooit een slag om de arm. Dat is juist iets wat bij God onmoge­lijk is. God zal nooit aardig ‘doen’. Het woord volmaakt in het Grieks komt van een grondwoord, dat kring bete­kent, cirkel. Dat betekent dus, dat de cirkel rond is, dat de kring helemaal ge­sloten is. Van daaruit kan het dan ook betekenen: doel, of voleinding. Zo­als er in de Psalmen staat: Mijn hart zij onver­deeld. Dan zie je ook, dat Jezus dat met allerlei voorbeelden in Mattheüs 5 gaat uit­beelden. Wat houdt dat mens-uit-één-stuk dan in? B­ijvoorbeeld: Gij zult uw naaste liefhebben Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen.  M­att.5:43,44. Dat heb je gehoord, zegt Jezus. Maar het typische van deze gedach­te­gang is, dat hij in twee stukken uiteenvalt: lief­hebben en haten. S­teeds moet je je afvragen: moet ik nu in dit geval liefhebben, of mag ik haten. Je moet immers eerst uitzoeken of iemand een vijand of een naaste is. En voor de één heb je weer een andere regel dan voor de andere.

«Maar (en) Ik zeg u».

Dan spreekt daar Jezus als de volmaakte mens, de mens uit één stuk. Daar brengt Jezus iedere reactie terug op één grondhouding. En als je die grond­hou­ding realiseert, ben je een kind van je Vader die in de hemelen is. Jezus zegt: Mijn Vader maakt ook geen onder­scheid. Want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het rege­nen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.  Matt.5:45. God heeft in die zin geen voorkeur, geen lievelingetjes. Dat is juist soms ook een gevaar, wanneer iemand denkt dat hij uitverkoren is en daardoor bij God een streepje voor heeft. Maar je bent altijd uitverkoren met het oog op de anderen. Je bent nooit uit­verkoren, omdat God van jou een beetje meer houdt dan van de wereld. Het is merkwaardig wat je soms hoort, wanneer Chris­te­nen over de wereld pra­ten. Dan praten ze erover, of ze er mijlen bo­ven verheven zijn. Praat me niet van die wereld. Soms hoor je dat ook in de liederen. “De wereld gaat straks onder en de mensheid wordt steeds meer in vrees en angst gehuld”. “Dank U Heer, dat U ons ver­lost heeft uit deze boze wereld”. Als mensen in die gedachtegang zit­ten, zegt God: Ik ben veel meer bewogen met die wereld en daar gaat mijn hart naar uit. En in die oude tijd ging God misschien veel meer naar de hei­denen dan naar de tempel. God is niet zo’n tempelganger. De mensen draaf­den maar naar de tempel, maar God zei: Ik ga liever naar de hei­de­nen. Het grootste pro­bleem bij Jona was, dat hij ook zo’n typisch ex­clu­sieve houding had. Daar­om had hij geen zin om naar Nineve te gaan. Soms zijn er over dat ver­haal van Jona ook vreemde ge­dach­ten, zo van: Jona moest naar Nineve gaan, om­dat God boos op Nine­ve was. Maar Jona moest juist naar Ni­neve om­dat Hij de stad wilde redden. Jona was wèl boos op Nineve. Jona had het liefst gezien dat die mensen ten onder waren gegaan. Die stad moest zijn verdiende straf krijgen. En inderdaad, de Assy­ri­ers, waar­onder dus ook Nineve, ston­den bekend om hun meedo­gen­lo­ze wreed­heid. Als ik nu tegen ze ga prediken, dacht Jona, hebben ze nog een kans om hun straf te ontlopen. Later zegt hij ook: ik wist wel dat U barmhartig en genadig bent. Ik had het al gedacht, ik wás er al bang voor. Ik wás al bang, dat het goed voor Nineve zou aflopen. Jona was typisch een mens, die hele­maal in zijn clubje zat op­ge­slo­ten en zei: God is voor ons. Dank U, dat ik niet bij die wereld hoor en daar­om wil ik er ook niet heen. Jona sluit zich op in zijn gelijk en dan heeft God enorm veel moei­te om Jona weer bij die heidenen te krijgen. Dat heeft ook weer te maken met die grondhouding. God was een God uit één stuk en daar kon Jona niet tegen. Jona had alles keurig in tweeën gedeeld: ik hoor bij Israël en dat moet gered worden. Nineve hoort bij het heidendom, en dat moet ver­lo­ren gaan. Het probleem van veel Christenen is, dat ze vergeten zijn, dat ze vroeger ook een stukje van die wereld waren. En dan zegt Jezus: Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij? Doen ook de to­ll­enaars niet hetzelfde? En indien gij alleen uw broeders groet, waarin doet gij meer dan het gewone? Doen ook de heidenen niet hetzelfde?.  Matt.5:46,47. De heidenen doen ook hetzelfde. Die delen ook in vakjes in. Maar jul­lie moe­ten nu juist niet in vakjes indelen, jullie moeten mensen zijn uit één stuk. Dat hele gedeelte begint zo mooi in vers 17: Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbin­den; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Matt.5:17. Dit gedeelte begint dus met vervullen en eindigt met vol­maakt zijn; dat is ook een vervulling. Wat houdt dat in: de Wet en de Profeten ver­vul­len? Dit ver­vul­len betekent: de Wet en de Profeten te­rug­bren­gen naar de oorspron­ke­lij­ke opzet. De oer-volheid van de Wet en de Pro­feten oproepen en dat dan rea­liseren. Daar was het Jezus om te doen: om die oer­volheid van de Torah en de Profeten aan het licht te bren­­gen. Hij wilde die oorspronkelijke, volle, diepe betekenis daarvan res­taureren. Dus wat Jezus in wezen deed, was een restauratie, een restauratie van het oorspronkelijke bestek van God, van de oer-gedachte van God. Ik ben geko­men om te vervullen, om dat vol te maken. Dat kon ook niet eerder gerealiseerd worden. Er moest eerst een vol­maakt mens opstaan, om die volmaakte betekenis van de Wet te her­stel­len. Het pro­bleem was, dat er alleen maar mensen rondliepen, die niet uit één stuk waren. Die waren daarom ook steeds bezig met stukjes van die wet. Vandaar dat die Farizeeërs ook steeds spitsvondiger werden, die waren altijd be­zig met stukjes.

Wee u, schriftgeleerden

Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tien­den van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw.  Matt.23:23. Wee u wordt ook vaak verkeerd uitgelegd. Wee u is in de Bijbel nooit een drei­gement. Wee u betekent, dat je uiting geeft aan een angstig voor­­gevoel. Als Jezus zegt: Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, be­tekent dat: J­on­gens, Ik houd mijn hart vast voor jullie. Als jullie zo doorgaan, ziet het er voor jullie niet best uit. Jullie zitten op een doodlopende weg. Dat is ‘oi, oi, oi’ in het Jiddisch.

In het boek Openbaring lezen we. En ik zag en hoorde een arend vliegen in het midden des hemels, die met luider stem zeide: Wee, wee, wee hun, die op de aarde wonen.  O­p.8:13. De arend (beeld van God) roept ook: ‘wee, wee…’. Wanneer je de roep van een adelaar beluistert, merk je dat er klank­ver­want­schap bestaat met de kreet van rouw of ont­steltenis, die ook bij­voorbeeld door klaag­vrouwen geuit wordt. Gij huichelaars. Het wezen van een huichelaar is, dat hij niet uit één stuk is. Vanuit het Grieks betekent het woord huichelaar oorspronke­lijk: toneel-spe­ler. Dat is een hypocriet, iemand met een mas­ker; dat is iemand die een rol speelt. Een huichelaar is niet een schurkachtig persoon, die zegt: ik ga eens lekker an­ders doen dan ik ben. Een huichelaar is iemand, die gevan­gen zit in een be­paalde rol; de duivel laat zo’n per­soon een rol spelen. Wie is er nou vrij­wil­lig huichelaar! Dat is nou juist wat God nooit doet, God speelt nooit een rol.

Tienden van de munt, de dille en de komijn

Dat waren heel kleine plantjes. Ze brachten bij wijze van spreken van een grassprietje nog het tiende deel naar de tempel. Daar zie je weer de analyse, de details, het op­splitsen. Gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barm­har­tigheid en de trouw. Het gewichtigste (zwaarste) werd verwaarloosd. Jezus legt niet de nadruk op het uitziften van die plantjes, maar op die grond­hou­ding. Er worden hier drie begrippen genoemd, die een grond­hou­ding aanduiden. Jezus zegt tegen die Farizeeën: jullie hebben de Torah ont­bonden, namelijk in een eindeloos aantal factoren. Ik ben niet gekomen om te ont­binden, maar om te vervullen. Jullie missen die grondhouding, dat is jullie pro­bleem. En juist daardoor, door die ontbinding, door dat versnipperen van de Torah, raak je ook vanbinnen steeds meer ver­snipperd. Door al die de­tails dreigden de mensen juist innerlijk ka­pot te worden gemaakt. De barmhartigheid was er niet meer, en de scheiding, het oordeel tussen wat nu echt en onecht was. En ook de trouw was er niet meer, ze lieten elkaar val­len om kleinigheden. Ze zeiden: vervloekt is het volk, dat de wet niet kent. Ze deelden maar links en rechts ver­vloe­kingen uit, onder het motto: wij hèbben het. Dit moest men doen en het andere niet nalaten. Gij blinde wegwijzers, die de mug uitzift, maar de kameel doorzwelgt.  Matt.23:24. Als je bij het drinken van een glas water een mugje door zou slikken, werd je onrein. Als je in aanraking kwam met een dood dier, werd je ver­ont­rei­nigd. Aan de andere kant slikten ze zaken zo groot als een ka­meel gewoon door. De Farizeeën kenden dus totaal de grondhouding niet meer. En dan wijst Jezus hen op dat principe van het vervullen, van het volmaakt worden. Die grondhouding van God is het fundament van ons geloof. Dat is de bo­dem, waarin je leven verankerd is. Daarom kan Johannes ook zeggen: God is liefde; dat is de grondhouding van God. Daarom staat er zelfs in Jeremia: God is de waarheid. In die grondhouding mag je jezelf terugvinden.

Plicht en schuld

Waar die grondhouding verdwijnt, krijg je altijd een paar vervan­gings-hou­din­gen, die gekenmerkt worden door plicht en schuld.

De mens gaat dan leven vanuit plicht- en schuldgevoelens. Het kenmerk van overdreven plichtsbetrachting en het kenmerk van schuldge­­voelens is, dat je een vreemde bent. Dan kom je in een verhouding te staan van vreem­den tegenover elkaar. Als je in een bepaalde relatie dingen gaat doen, omdat dat nu eenmaal je plicht is, is er in de relatie al iets niet in orde. Bidden uit plicht ziet er toch wel troosteloos uit. Als je in een hu­we­lijk gaat leven vanuit plicht en schuld, zit je eigenlijk al aan de ne­ga­tie­ve kant. Dan sta je in feite al als vreemden tegenover elkaar. De mens, die voor Gods aangezicht treedt, is aan de plicht en aan de schuld ontstegen. Die mens komt in een vertrou­wensrelatie te staan. Dat is de trouw, waarover Jezus spreekt. Dat is de ver­trouwensband met God. Trouw is één van de aspecten van de grondhouding van God. Dat is ook waar­over Hosea sprak: Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw. De grondhouding van God is trouw, betrouwbaarheid. De grond­hou­ding van God is volmaaktheid, Hij is een God uit één stuk. Vanuit die grond­houding komen Gods daden voort. Vanuit die grond-houding spreekt God grondwoorden. Zo gaat God ons ook leren om grondwoorden te spreken. Zo’n grond­woord is bijvoorbeeld Gij. Ik en Gij: dan zeg je: God, hier ben ik; Gij zijt mijn God. Daar eindigt dat Hosea 2 ook mee: Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land, en Mij ont­fermen over Lo-Ru­chama, en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal zeggen: MIJN GOD. H­os.2:22. Dan komen die grondwoorden te voorschijn. En die worden dan ge­spro­ken met het weten. Dat wil niet zeggen, dat die mens dan over God gaat be­schik­ken, maar dan komt hij tot dat waar­achtige ant­woord.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410335 bezoekers sinds 07-06-2010