Het kwaad

15-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Het kwaad komt in geen geval van God; het kwaad is die lege ruimte tussen God en mens. Juist omdat daar het element is van de vrijheid. God is niet de Auteur van het kwaad; anders zou je aan Hem iets toeschrijven wat Hem volkomen vreemd is. God is niet de Auteur van het kwaad; Hij is ook niet Degene, die het kwaad bedacht heeft. Mensen die dat zeggen, hebben waarschijnlijk nooit de diepten van het kwaad gepeild. Die mensen praten over iets, wat eerst al heel vriendelijk is gemaakt en getemd is. Van die grote bullebak is dan een schattig schoothondje gemaakt. En over dat aardige hondje wordt dan ook in termen van onschuldigheid gesproken. Het doet niets hoor, het wil alleen maar spelen, en aan dat keffen moet je geen aandacht schenken, dat is alleen maar angst. Je kunt dat hondje dan op schoot nemen en zeggen: kijk mensen, dit is nu een roofdier, dit is een gevaarlijk beest, alleen zal niemand dan erg onder de indruk raken. In handboeken voor dieren, zoals Brehms, wordt nogal eens uit de doeken gedaan hoe schadelijk sommige dieren wel niet zijn voor de mens. Veiligheidshalve wordt er dan meestal niet bij gezegd hoe schadelijk mensen wel niet voor de dieren zijn. Daar zou je ook boeken over kunnen schrijven. Je kunt op dezelfde manier als over dat schattige hondje praten over het kwaad. Je kunt dan prachtige theorieën over het kwaad ontwikkelen en zeggen: God heeft het kwaad gemaakt, want alles is immers uit God! Dan heb je het echter niet over de diepte van het kwaad; dan ben je alleen maar bezig met bespiegelingen, misschien vanuit je gemakkelijke stoel, vanuit je comfortabele positie. Je zou haast met een variant op die middeleeuwse theoloog Anselmus kunnen zeggen – hoewel ik verder nogal bezwaren tegen deze figuur heb – ‘gij hebt nog niet overwogen, wat het gewicht is van de zonde’. Dat zou je ook kunnen zeggen tegen heel veel van die systeembouwers: ‘je hebt nog niet gepeild wat het gewicht van het kwaad is’. Als je werkelijk zou hebben gepeild hoe kwaad het kwaad is, zou je niet meer zeggen: dat heeft God bedacht. Het kwaad is ook nergens goed voor. Het kwaad is er ook niet opdat God daardoor weer troost zou kunnen verstrekken. God heeft ook niet de zonde bedacht, opdat er genade en verlossing zou kunnen plaatsvinden. Zoiets noem je in de psychologie sadisme. God maakt de mens ook niet ellendig, opdat Hij ze in zijn armen zou kunnen sluiten om te troosten. Dat is toch wel een huiveringwekkend Godsbeeld. Als je dat consequent doordenkt, kom je op de meest absurde stellingen. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken. Dat betekent, dat je de naam van God niet mag plakken op iets wat niet bij Hem hoort. Letterlijk: je zult die naam niet met waan verbinden. Je zult de naam van de Eeuwige daar niet mee ontwijden. Je zult God op geen enkele manier met het kwaad verbinden. Stel je voor, dat een moeder een steen neerlegt, opdat haar kind daarover zal vallen, waardoor ze hem weer kan troosten. Ja, ik heb toch zoveel troost in me, dat moet ik toch ook kwijt. In de Middeleeuwen maakte de mens ook wel het een en ander mee in verband met het kwaad; denk alleen maar eens aan de pestepidemieën. Maar zeker na Auschwitz kun je niet meer zeggen: God heeft het kwaad bedacht.

die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerk en het onheil schep; Ik, de Here, doe dit alles … (Jesaja 45:7)

Uit deze tekst zou je op het eerste gezicht de conclusie trekken: zie je wel, God heeft toch het kwaad bedacht. Deze tekst is in feite een studie op zichzelf, je moet hem ook in het hele verband van dit hoofdstuk lezen. Het basisprincipe van alle bijbeluitleg is: lees de tekst in zijn verband!

In een bepaald opzicht zou je kunnen zeggen: Jezus is het onheil voor de afbreker, voor het kwaad. Dat is ook wat de kerkvaders in de eerste eeuwen hebben gezegd: Hij heeft door zijn dood de dood gedood. Als je Jesaja 45:7 in zijn verband leest, moet je wel bedenken, dat het hier gaat over Babel en wel over het einde van Babel. En het einde van Babel was natuurlijk het onheil voor Babel. In deze tekst staan ook geen lidwoorden. Er staat dus letterlijk: die licht formeer en duisternis schep, die sjaloom maak en kwaad schep. Ik, de Eeuwige, doe al deze dingen. Er staat dus niet alles, zo van: alles in het algemeen doe Ik, maar juist de genoemde dingen. God schept kwaad, maar Hij schept niet HET kwaad. Hij schept kwaad, namelijk wat kwaad is voor Babel, waardoor het einde van Babel komt. Want als het einde van Babel is gekomen, kunnen de ballingen weer terugkeren naar eigen bodem. God schept dus kwaad voor Babel; dat is het gericht over dat antigoddelijke rijk. In die context staat dus deze tekst. Het wordt gezegd in verband met Kores, die dan het koninkrijk van Babel mag beëindigen. In dit tekstverband wil de profeet dus zeggen: als dat koninkrijk van Babel ten einde komt, weet je wel wie daar dan achter zit: dat doet Hij, dat doet Adonai, dat doet de God van Israël. Want dan staat er ook in dat verband:

Ter wille van mijn knecht Jakob en van Israël mijn uitverkorene, riep Ik u bij uw naam … (Jesaja 45:4)

Ter wille van Israël maakt God een einde aan dat koninkrijk van Babylon, zodat – want dat is de wijdere context van Jesaja 45 – zodat er een exodus komt, zodat Israël uit Babel kan trekken. Bij de uittocht uit Egypte, bij die negende slag, kwam er duisternis over Egypte, maar het bleef licht in de huizen van de kinderen Israëls. Het gaat hier dus niet over het algemene kwaad; het gaat hier ook niet over het metafysische kwaad. Het gaat in dit hoofdstuk niet om een algemene beschouwing over: Waar komt het kwaad vandaan. Het is trouwens de vraag, of het Hebreeuwse denken daar überhaupt op die manier zo speculatief, zo theoretisch en beschouwend mee bezig geweest is. Dat hebben ze niet zozeer hier als vraag opgeworpen, nee, het gaat hier om dat concrete handelen, dat hier een einde, een grens wordt gesteld aan de macht van dat grote Babylon. Wanneer je dan zo’n tekst gaat lospellen uit zijn context, en je gaat die tekst hanteren als een getuige voor een al gemene beschouwing, dan krijg je toch wel een heel griezelige verschuiving. Je gaat die tekst dan in feite gebruiken voor heel iets anders dan waarvoor hij bedoeld was.

Want voor een boom blijft er nog hoop; wordt die omgehouwen, hij loopt weer uit, en zijn nieuwe scheuten blijven niet achterwege … (Job 14:7)

Deze tekst moet je in gedachten houden, niet alleen als je het hebt over een persoon, maar ook als je het hebt over Israël. ‘Weer uitlopen’: dat is hetzelfde Hebreeuwse woord als wat je ook te horen krijgt aan het slot van Jesaja 40. maar wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat … (Jesaja 40:31)

Je kunt hier ook vertalen: zij zullen de kracht vernieuwen of zij zullen de kracht inwisselen. Zij zullen de oude kracht inwisselen voor de nieuwe. Hier staat dus van die boom, dat hij wordt afgesneden, maar die dan toch weer inwisselt. Die boom wordt weer nieuw. Die boom komt na die periode van herfst en winter en omhakken toch weer tot het vormen van nieuwe loten. ‘De bomen dorren in het laat seizoen en wachten roerloos de nabije winter’, zei Willem Kloos al. Maar die bomen krijgen weer nieuw leven, ze zullen de kracht weer inwisselen.

en zijn nieuwe scheuten blijven niet achterwege … (Job 14:7)

Zijn uitspruiten houdt niet op. Wanneer zijn wortel in de aarde veroudert en zijn tronk in de grond afsterft, Letterlijk: zijn afgesneden tronk in het stof… In het stof van de dood; dan nog, zegt vers 9: dan bot hij weer uit, zodra hij water ruikt, en schiet twijgen als een jonge plant … (Job 14:9)

Letterlijk: vanwege de geur van het water. Voor het verband van deze teksten uit Job 14 moeten we er nog twee teksten bij lezen: Is daarin nog een tiende deel, dan zal dit weer verwoest worden. Evenals van een terebint en een eik na het vellen een tronk overblijft, zo zal zijn tronk een heilig zaad zijn … (Jesaja 6:13)

Elke keer wordt er weer iets afgehakt, afgesneden; het lijkt wel een soort proces van afbraak. Hierbij dienen we te bedenken, dat het boek Jesaja eigenlijk begint bij hoofdstuk 6. In Jesaja 6 wordt de profeet namelijk geroepen. Hij krijgt een visioen in de tempel – daar begint Jesaja 6 mee – en hij krijgt zijn opdracht. Dat moet je eens even op je in laten werken: wat is het heerlijk om zo door de Heer te worden geroepen. Je wordt geroepen en denkt: nu mag ik de Heer gaan dienen. Heer, wat mag ik voor U doen? Heel mijn leven wil ik wijden; Heer, hier ben ik, geef mij maar een woord, geef me maar een taak. Spreek Heer, want uw knecht hoort. En wat krijg je dan te horen: het loopt af! Anders nog iets? Ja, het loopt nog verder af. In vers 13 wordt dan beschreven, dat het verlaten gebied groot is, maar als er dan nog een tiende deel is, dan wordt dat ook weer verwoest. Het lijkt wel een aftelversje. In het ene liedje is sprake van tien kleine negertjes en later werden het tien kleine christenen. En één vond de strijd te zwaar, toen waren er nog negen. Eén wou niet meer meedoen, toen waren er nog acht. Jesaja kende dat ook al. En op het laatst bleef er nog één tiende over en daarvan zegt hij dan: ook dat zal weer worden tot verwoesting, tot verbranding. Je kunt je voorstellen, dat Jesaja het gevoel heeft: ik geloof dat ik mijn roeping maar teruggeef. Dit is één keer gepreekt en voorgoed gezwegen. Daar sta ik nou met een preek, waar de honden geen brood van lusten. Je zou bij je eigen boodschap gaan zitten huilen. Maar dan zegt God tegen Jesaja: Evenals van een terebint en een eik na het vellen een tronk overblijft, zo zal haar tronk een heilig zaad zijn … (Jesaja 6:13)

‘Zaad der heiliging’, zet dat nu maar aan het eind van je preek, Jesaja. Zoals dat kind zei: maar het laatste woord is barmhartigheid. Jesaja blijft zitten bij dat stompje van die boom, want er komt een dag, dat dat tronkje weer zaad voort zal brengen, zaad van heiliging. Daar begint de heiliging van de hele wereld. Een klein tronkje in de aarde, afgekapt en afgeschreven, maar vanuit dat kleine tronkje gaat het toch gebeuren! Jesaja overwintert bij dat tronkje. Dan heeft Jesaja zijn roeping binnen. En als hij aan het eind van hoofdstuk 6 is, gaat er even het gevoel door hem heen: wie doet me wat! Heer, ik dank U voor de laatste zin. En als Jesaja dan zijn avondgebed uitsprak, zei hij: Here, houdt ook deze nacht over mij getrouw de wacht en ook over dat tronkje! En ik dank U voor de laatste zin, Amen! En dan ging Jesaja lekker slapen; en de volgende morgen zat Jesaja weer bij zijn tronkje, terwijl de mensen zeiden: die is gek! Maar Jesaja zei: ik weet wat ik doe, ik ben wel goed, maar niet gek. Want ik zie het al voor me: uit die tronk komt een boom van heiliging. Dat is nu de roeping van Jesaja; mensen worden soms toch wel wonderlijk geroepen. Je weet soms niet waar je aan begint, en helemaal niet waar je dan eindigt. Maar soms moet je wel even wachten totdat God zijn laatste zin heeft gezegd. Je moet God wel even laten uitpraten. Ook in de ‘afgehouwen tronk van Isaï’ zien we een beeld, dat hiermee verwant is. Wanneer gij lange tijd een stad belegert, daartegen strijdende om haar in te nemen, dan moogt gij het geboomte daaromheen niet vernietigen door de bijl erin te slaan, maar gij moogt daarvan wel eten, doch het niet vellen; want zijn de bomen in het veld mensen, dat zij door u bij het beleg betrokken zouden worden? Alleen het geboomte, waarvan gij weet, dat het geen geboomte met eetbare vruchten is, dat moogt gij vernietigen en vellen om een belegeringswal te bouwen tegen de stad die met u strijd voert, totdat zij valt … (Deuteronomium 20:19,20)

Zijn de bomen in het veld mensen? Want de mens is een boom in het veld. De rabbijnen zeggen: hier staat geen vraagteken, dus lees het maar als een stelling: De mens is een boom van het veld. Het beeld van een mens, voorgesteld als een boom, kom je in de Schrift ook herhaaldelijk tegen.

Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen … (Psalm 1:3)

Jij bent een boom. En dan komt het moment, dat je zacht wordt, dat je stam en takken zacht beginnen te worden. Je ziel, je geest, je innerlijke mens, wordt zacht.

Als een mens niet meer bewogen wordt, wat dan …

Als een mens niet meer huilen kan, wat dan …

Als dat niet meer kan, dan sterft bij God een oud verhaal. Als een mens hard wordt en zakelijk, als je gevoel wordt op gesloten, als je een gesloten deur bent geworden, wat dan? Deuteronomium – het boek van de thuiskomst – zegt: maar een mens is een boom van het veld. ‘s Winters kun je daar staan en je voelt niets. De storm gaat over je heen en je blijft overeind. Mensen zeggen wel: ik moest wel hard worden om te overleven, anders had ik het niet volgehouden. Soms moet je wel, kun je je gevoel niet laten spreken. Soms moet je wel flink zijn, kiezen op elkaar, blik op oneindig en doorgaan. Zo hebben mensen overleefd, met hun gevoelens achter gesloten deuren. Ze hebben het volgehouden, want ze konden niet anders. Maartje van Tijn zegt: ik voel me net als Rachel, ik weiger me te laten troosten. In één van de boeken van Elie Wiesel zegt een man: ik houd niet van Joodse verhalen, want dan moet je huilen. Nee, zegt de ander, ik zal je een verhaal vertellen, waar je woedend van wordt. O, zegt de ander, nou dat wil ik wel horen. Want huilen wil ik niet, maar ik wil wel boos worden. De deuren gaan dicht. De boom staat daar in de winter en trotseert het seizoen. Die boom staat daar onbewogen, als een roerloze boom in het late seizoen.

Elie Wiesel vertelt zijn levensverhaal. Hij vertelt wat hij heeft meegemaakt als jongen van veertien jaar. Als hij dan aan het eind van zijn verhaal is, zegt hij: ik moet denken aan al die mensen, die mij zijn voorgegaan. Mijn grootvader en de liederen, die hij zong. Grootmoeder Nissel en haar zwarte zakdoek. Mijn moeder en haar ogen; mijn vader en zijn stem. Ik moet denken aan mijn kleine zusje, dat er niet meer is. Wees niet boos, dat we je hebben laten vertrekken in de nacht. In mijn dromen zie ik je; ik zie je, wanneer ik in slaap val. Ik vermoed jou, als ik wakker wordt. Ik kijk naar je en ik huil. Ik huil als ik eraan denk. En daarna houd ik op met huilen, zonder te weten waarom. Wanneer zal ik het weten? De tijd dringt, de dagen worden korter. ‘Open voor ons een poort’, zegt een gebed vlak voor het einde van Jom Kippur, de Grote Verzoendag. Open voor ons een poort. De rabbijnen zeggen: de poorten van het gebed zijn soms open, soms ook gesloten. De poorten van de terugkeer zijn altijd open. Open voor ons een poort, waar alle poorten zich sluiten, want de schemering gaat vallen. In mijn dromen zie ik ze: grootvader, grootmoeder Nissel en mijn moeder, mijn kleine zusje met haar gouden haren en de onschuldige glimlach, alle ooms en alle tantes, alle neven en alle nichten en alle vrienden. En wanneer ik verenigd ben met jullie, dan zullen jullie eindelijk tot mij spreken. Voor het moment kan ik nog maar één ding doen: luisteren. Alles is gezegd en alles moet nog gezegd worden. Alles is gezegd, en toch: alles blijft nog te zeggen. En terwijl ik deze woorden schrijf, zie ik de foto van mijn huis voor me, waar ik als kind woonde. Die foto staat nog altijd op mijn bureau. Eén ding wil ik niet: ik wil niet vergeten, vergeten, nee, niet vergeten. Ik wil niet vergeten de zachte stem van mijn moeder; ik wil niet vergeten de blik van mijn vader, de liederen van mijn grootvader en de vroomheid van mijn grootmoeder Nissel. Daar eindigt de Grote Verzoendag mee: Open voor ons een poort, open een deur als alle deuren zich sluiten en als de schemering van de nacht gaat vallen. Is dat in wezen niet het verhaal van het hele Evangelie, het verhaal van vandaag en morgen. Is dat ook niet het verhaal van Jezus, toen de schemering van de nacht ging vallen? Toen de schemering van de nacht ging vallen, heeft Hij een deur geopend. En dan heb je die hele lange Jom Kippur gehad, de dag van de bedekkingen, de dag van de verzoening, vierentwintig uur lang. Een dag van gebeden, een dag van geloften en ontheffing van geloften. Zoveel woorden, zoveel gebeden.

Franz Rosenzweig zei op die Grote Verzoendag in 1913: nu ben ik weer thuis, ik ben terug bij mijn Joodse wortels. Nooit gedacht, dat ik nog eens zo terug zou komen. Vierentwintig uur in Berlijn waren voor hem genoeg om thuis te komen. En dan, aan het einde van die Grote Verzoendag klinkt er nog één gebed: Open voor ons een poort. Bidden, dat er een deur opengaat, de deur van je ziel, de deur van je gevoelens, de deur van je hart. Bidden, dat het oude verhaal dat stierf, weer op mag staan. En dan kijkt het je weer aan; en het lijkt of je het voor het eerst hoort, je hebt het nog nooit zo beluisterd. Het is alsof die oude melodie weer zacht begint te zingen. Eindelijk begin je te beseffen: God is groter dan je hart. Dan gaat de deur open. Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen … (Mattheüs 24:36)

Er is een dag en een uur bewaard bij God, bewaard in het hart van de Eeuwige. En dan wordt er een beeld genomen uit de oertijd: Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in die dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging … (vers 37,38)

Die ark is ook tegelijk het woord. Het woord tebah (hbt) betekent zowel ark als woord. Noach gaat het woord in, in dat woord wordt hij bewaard. en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn … (vers 39)

De tijden gaan voorbij en niemand heeft het in de gaten. Het zal zijn als in de dagen van Noach. In de paralleltekst in Lucas 17:28-30 wordt gezegd: Op dezelfde wijze als het geschiedde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Maar op de dag, waarop Lot uit Sodom ging, regende vuur en zwavel van de hemel en verdelgde hen allen. Op dezelfde wijze zal het gaan op de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt …

Noach en Lot worden als model gekozen om te benadrukken: kijk, zo is het toen ook geweest. ‘Ze bemerkten het niet’, letterlijk: zij bekenden niet. En dan dat wonderlijke beeld in vers 40-42: Dan zullen er twee in het veld zijn, één zal aangenomen worden en één achtergelaten worden; twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, één zal aangenomen worden, en één achtergelaten worden. Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt.

Als je het geweten had, had je wel maatregelen genomen. Als er een dief komt, een inbreker, dan zou je je daarop geprepareerd hebben en dan had je niet laten inbreken. En dan eindigt het, dat is dan het laatste beeld in vers 45: de getrouwe en verstandige knecht, die op tijd het voedsel geeft … En dan nog een zaligspreking in vers 46: Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden … De goede knecht is bezig met het uitdelen van voedsel ter rechter tijd. Dat zijn de laatste woorden. Wat zeg je aan het eind van je verhaal en van heel de beschrijving van die geschiedenis? Zoveel tekenen zijn beschreven, zoveel momenten uit het wereldgebeuren zijn verteld, maar wat vertel je dan als laatste gedachte? We zien dan, dat ook Mozes eindigt met een zaligspreking. Als Mozes komt aan het eind van het boek Deuteronomium, dan vertelt hij ook over wat er in de toekomst zal gebeuren. En dan is het heel ontroerend om te lezen wat Mozes nog te zeggen heeft aan het slot van Deuteronomium. Mozes heeft dan nog twee dingen:

Hij heeft nog een lied in Deuteronomium 32.

En hij geeft de zegen in Deuteronomium 33.

Een lied en een zegen; het lijkt wel een samenkomst. Hij eindigt met een slotlied en dan spreekt hij de zegen uit. Zo doet Jezus het in feite ook. Hij eindigt met een zaligspreking en dan, aan het einde van zijn levensverhaal wordt er gezegd: na de lofzang gezongen te hebben, vertrokken ze naar de Olijfberg … (Mattheüs 26:30). Een zaligspreking en een lofzang. Mozes eindigt met een zegen. Mozes eindigt ook met een zaligspreking, want aan het eind van Deuteronomium 33 zegt hij: Welzalig zijt gij, Israël wie is aan u gelijk? … (Deuteronomium 33:29)

Ook daar een spreuk, waarin van Israël wordt gezegd, dat het een zalig volk is. Mozes en Jezus eindigen hun verhaal op dezelfde manier. Het laatste woord is aan het lied en aan de zegen. Dat is wat er overblijft.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

391322 bezoekers sinds 07-06-2010