Het Evangelie van de genade

15-06-2010 door Dr. K.D. Goverts

Als we gaan spreken van het ‘Evangelie van de Genade’, moeten we dat niet als een tegenstelling zien van het ‘Evangelie van het Koninkrijk’. Integendeel, ze horen bij elkaar, het zijn twee kanten van dezelfde zaak. We kunnen deze onderwerpen ook niet in een systeem onder brengen. We kunnen niet als bij een legpuzzel trachten deze gegevens in elkaar te passen. Het zal dan blijken, dat de laatste stukjes maar niet op hun plaats willen vallen. We kunnen niet zeggen: ziezo, de puzzel is af, we kunnen het tafereel nu als een schitterend geheel aan de muur hangen. Zo zijn er ook niet betrekking tot bovengenoemde onderwerpen systemen gecreëerd, die men dan al of niet in elkaar tracht te passen. Men is dan geneigd zijn eigen systeem te vuur en te zwaard te verdedigen. Sommigen zijn dan zo overtuigd van hun gelijk, dat ze elke opmerking, die niet in hun systeem past, als een persoonlijke aanval beschouwen. Zo was de vroegere hoogleraar in Leiden, professor Eerdmans, een Oudtestamenticus, er volkomen van overtuigd, dat er in het paradijs niet twee bomen stonden, maar één. Op een keer kwam er een student uit de Gereformeerde Bond richting bij hem op tentamen, die zei: professor, er stonden echt twee bomen in het paradijs. Hierop antwoordde de hoogleraar: wilt u deze kamer verlaten! Komt u over een jaar maar terug! De student droop af, vervolgens werd het raam open gedaan van de woning van de hoogleraar en werd er nog geroepen: wilt u wel het hekje even goed dichtdoen, anders loopt de hond weg. Zo kan een mens overtuigd zijn van zijn gelijk. En af en toe kan dat dan tragische consequenties hebben. Wat doe je dan met dat gelijk dat je hebt, of meent te hebben. Geeft dat gelijk je dan voldoening, word je daardoor dan meer mens? In het Joodse denken gaat het vanouds niet om de orthodoxie, om de zuiverheid van leer, maar om de orthopraxie, het recht zijn in de daad. Wat doe je met je gelijk in de praktijk. En je kunt dan toch wel zeggen: één daad van barmhartigheid is meer waard dan honderd theorieën.

Evangelie van de genade.

Soms wordt er dan gezegd: de genade begint met de brieven van Paulus. Toch is het dan goed rabbijns om altijd even te kijken wat de eerste tekst is, waarin dat woord in de Bijbel voorkomt. De eerste keer dat het woord genade in de Bijbel wordt gebruikt, is in Genesis 6:8: Maar Noach vond genade in de ogen des Heren…

Dat opent dan meteen toch wel een prachtig perspectief. In het Hebreeuws zijn er twee sleutelwoorden in verband met Genade. Dat zijn de woorden chen (Nx) (= genade) en chèsed (dox) (= verbondstrouw). Het werkwoord, dat hierbij hoort is: chanan (Nnx) (= genadig zijn). Het woord chen (en chanan) komt heel wat keren voor in de Hebreeuwse Bijbel. Met andere woorden: toen was God ook al genadig. God is niet pas genadig geworden in de tijd van het optreden van Paulus, maar Hij is van oudsher genadig geweest. Het ligt in zijn wezen om genadig te zijn. Genade hoort altijd bij het wezen en optreden van God. Het is geen bijkomstige eigenschap van God, geen extra, geen toegevoegd element, maar een oorsprongseigenschap. Van den beginne was God genadig; God is niet later genadig geworden. Heel wat keren wordt er van God gezegd in de Torah, en ook in de Psalmen: Hij is genadig en barmhartig. Het is dus niet een aspect, dat er na de zondeval bij God bij is gekomen, maar het is een oereigenschap van God. Noach vond dus genade in de ogen van de Eeuwige. Nu is er iets merkwaardigs aan de hand met die naam ‘Noach’. Als je de medeklinkers van het woord chen (Nx) omzet, krijg je dus de naam Noach wat medeklinkers betreft: CH-N wordt N-CH. Als je de genade dus achterstevoren leest, krijg je de naam Noach. Die woorden hebben dan ook dezelfde getalswaarde, namelijk 58. En 58 is in de Joodse traditie het getal van het einde, het getal van de finale. Dus met de genade kom je aan het einde. De genade is ook helemaal het einde. Daarna komt er niets meer. Na Noach komt er in feite ook niets meer. Maar tegelijk blijkt dan: Noach is het nieuwe begin. De genade is ook het nieuwe begin. Het is het einde, dat het begin wordt. Hier eindigen alle wegen en hier beginnen alle wegen. Misschien is dat ook genade, dat als je aan het eind bent van al je mogelijkheden, dat daar toch weer een nieuw begin mag zijn. Aan het einde van al je proberen is daar een nieuwe weg. Zoals iemand eens zei: probeer nu maar eens om het niet te proberen. Aan het einde van al je strevingen, van al je pogingen, van al je puzzels mag je vragen: doe mij veilig landen, dan kom je eindelijk aan.

Noach vond genade in de ogen van de Eeuwige…

We zitten dan bij het verhaal van de vloed. En uitgerekend in dat vloedverhaal, waar je het gevoel hebt: nu gaat alles mis, nu is het een aflopende zaak, uitgerekend daar staat als scharnier, als een schakel, de poort tussen oud en nieuw, de deur tussen: ‘het kan niet meer’ en ‘het gaat op nieuw beginnen’.

Die vloed is eigenlijk het beeld, dat de aarde wordt gewassen, het is eigenlijk een beeld van de doop. Het betekent in wezen een schoonspoelen, een afwissen. En Noach staat voor de mensheid, de mensheid die door het water heen gered wordt. Zo wordt het ook gezegd in 1Petrus 3:21: Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop … Noach gaat met zijn acht zielen door het water heen: in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden … (1Petrus 3:20). En acht is het getal van de nieuwe schepping. Zeven is het getal van de schepping en acht is het getal van de herschepping. Bij Noach lees je dus al van genade. Dan zie je, dat de genade er dus al veel eerder was dan toen Paulus in de gevangenis zat. Hij schreef daar zijn gevangenisbrieven; daar werd hem dat mysterie geopenbaard. Maar dat mysterie was al in God aanwezig. Het tweede woord, dat je eigenlijk ook met ‘genade’ zou kunnen vertalen, het woord chèsed (dox), komt voor het eerst voor in Genesis 19:19: Zie toch, uw knecht heeft genade gevonden in uw ogen, en gij hebt mij een grote weldaad bewezen door mij in het leven te behouden… In dit hoofdstuk bevinden we ons juist – je zou zeggen, het kan niet slechter – in het verhaal van de verwoesting van Sodom en Gomorra; het verhaal ook van de uittocht van Lot. ‘Uw knecht heeft genade gevonden’; daar hebben we het woord chen (Nx). Maar dan komt er nog een tweede begrip bij: een grote ‘weldaad’ bewezen. De grondtekst zegt hier: Gij hebt groot gemaakt uw chèsed (dox). Gij hebt groot gemaakt uw verbondstrouw, die Gij gemaakt hebt met mij, om te doen leven mijn ziel. We zouden ook boven dit hoofdstuk kunnen zetten: de uit tocht van Lot. Lot staat daar als symbool van de volkeren. Boven Genesis 19 zou je dus als koortje kunnen zetten: niet ‘Gods volk wordt uitgeleid’, maar: ‘de volkeren worden uitgeleid’. Lot zegt hier dus, als hij op die uitleiding terugkijkt: ik heb twee dingen ervaren: ik heb chen ervaren en ik heb chèsed ervaren; en die chèsed heeft God groot gemaakt. God heeft die chèsed maar niet met mate gegeven, maar God heeft die chèsed groot gemaakt. De Statenvertaling heeft hier: Gij hebt uw weldadigheid groot gemaakt. De Statenvertaling vertaalt het woord ‘chèsed’ heel vaak met weldadigheid en ook wel met goedertierenheid.

Chèsed (dox) ligt in wezen dus heel dicht bij genade, bij het woord chen (Nx). Een Joodse auteur zegt hierover: de genade van God is het licht, dat Hij over ons uitspreidt. Chèsed is gevende liefde. Chèsed is genade en het is ‘goed willen doen’. In het hart van de Eeuwige is het verlangen om zijn licht te laten schijnen, om zijn liefde te geven, om goed te doen.

 Licht is de grondslag van de hele schepping. Als definitie van genade zou ik willen zeggen: genade is de ruimte, die God ons geeft om tot ontplooiing te komen.

Je kunt ook zeggen: genade is de ruimte die je krijgt, om je bestemming te vinden.

 Meestal wordt genade omschreven als gunst, in de regel wordt er dan nog bij gezegd: onverdiende gunst. Dan zou ik het iets anders willen nuanceren: gunst, die je niet hoeft te verdienen. Anders sluipt er zo gauw weer een negatief mensbeeld binnen. Genade is de gunst, die je niet hoeft te verdienen; het zit niet in de sfeer van prestatie, in de sfeer van verdienen, niet: loon naar werken. Nee, het gaat daar bovenuit. Het begint eerder en het eindigt later. Je wordt ontheven aan de loondienst. Je wordt onttrokken aan die hele wereld van de beursberichten en de koersen, die altijd weer te laag blijken te staan. Je wordt onttrokken aan dat eeuwige nood lot: O, heb ik wel mijn best gedaan, heb ik wel genoeg gedaan. Je hoeft je prestaties niet meer te wegen of te meten, meestal blijk je dan toch weer onder de maat te zijn.

Noach vond genade in de ogen des Heren.

Dat lazen we in het verhaal over de vloed. Dat is eigenlijk merkwaardig. Je zou denken: Noach was nou juist de tsaddiq (qydu), de rechtvaardige (dat staat er immers ook), heeft Noach dan genade nodig? Je zou zeggen: juist al die andere mensen, die daar in de tijd van Noach rondliepen, hadden genade nodig! Het lijkt dus op het eerste gezicht wat vreemd, dat de enige, die nou juist géén genade nodig heeft, het dan juist krijgt. Hoe zit het dan met al die andere stumpers, al die ‘afbrekers’? Noach vond genade; en uitgerekend van Noach staat: hij wandelde met God, net als er van Henoch staat. Laatst zei iemand:’je uitsloven om volmaakt te worden staat lijnrecht tegenover de genade’. In die uitspraak zit toch wel veel waars. In bepaalde kringen is dat ‘jagen naar de volmaaktheid’ toch wel tot een probleem geworden of gemaakt. Het is bijna een syndroom geworden, een soort spookbeeld. Je kunt daar enorm van in een kramp komen: de kramp van het moeten bereiken, van het jagen. En je moet het dan in dit leven voor elkaar zien te krijgen. Anders word je nooit openbaar als zoon, of als dochter van God. Zo kan dat op mensen een enorme last leggen, zo wordt zo’n heerlijke belofte juist tot een juk. Genade is in wezen helemaal het tegenovergestelde, genade wil het juk van de mensen afnemen. Genade neemt juist de tirannie van de prestatiedwang weg. De dwang van: ik moet het maken, ik moet het einddoel bereiken. Dat geeft dan toch ook vaak een wat gespannen sfeer in de gemeente. Dan is de vreugde weg en dan is ook de ontspannenheid weg. Het wordt anders zo loodzwaar. En als je niet oppast gaan mensen elkaar er ook nog op aankijken: jij bent nog niet zo ver, daarom komt ook de gemeente niet verder. Jij bent eigenlijk het blok aan het been van de gemeente. Mensen krijgen dan te horen: de boodschap werkt bij jou nog niet. Dat kan dan enorm veel pijn en frustraties geven. Dan wordt die volmaaktheid als een nachtmerrie, als een lood zwaar juk. Vanuit het Hebreeuwse denken ligt er een totaal ander accent. Daar is volmaaktheid veel meer iets wat je gaandeweg gewoon ‘overkomt’, het komt over je. Buber zegt dat ook: je bent als mens op weg en al gaande kom je in die volmaaktheid binnen. Het grondwoord voor volmaakt is tamiem (Mymt). En dat woord tamiem zou je beter kunnen vertalen met gaaf; mensen uit één stuk. Als je het woord ‘gaaf’ gebruikt, klinkt daar toch een wat andere gevoelswaarde in door dan in het woord ‘volmaakt’. Alles begint met genade. Genade is Gods eerste woord en het is ook zijn laatste woord. Het zal ook niet toevallig zijn, dat de laatste tekst van het boek Openbaring (22:21) zegt: De genade van de Here Jezus zij met allen … Genade heeft het laatste woord. Die genade is alomvattend: van Genesis tot en met de laatste tekst van het boek Openbaring. Het laatste woord is aan de ‘amazing grace’, de verwondering wekkende genade. De genade omvat ook de rechtvaardigheid, omvat ook de tsaddiq (qydu); de genade is als een mantel om je heen. ‘Zo vriendelijk en veilig als het licht, zoals een mantel om mij heen geslagen’. De genade omvat ook het gericht. Gericht en genade vormen ook geen tegenstelling. God gaat juist uit genade richten, de dingen recht zetten, ‘gericht houden’. Zo staat daar aan het begin van heel de verhalencyclus van God de figuur van Noach in Genesis 6 en Lot in Genesis 19. Merkwaardig, dat uitgerekend Noach en Lot de twee primaire, allereerste ontvangers zijn van de genade.

Noach is beeld van de mensheid. Lot is beeld van de volkeren.

Daar staan ze dan als twee kroongetuigen; je zou haast zeggen: als twee getuigen aan het begin. Hierbij krijg je dan ook de neiging om te zeggen: jullie? Moeten we het met u doen? Niet allereerst Abraham of andere illustere figuren. Noach en Lot zijn toch wel een beetje de figuren in de schaduw, het zijn toch niet direct de winnaars. Noach is toch ook wel wat omgeven met een zekere ‘dubbelheid’. Noach was rechtvaardig ‘te midden van zijn tijdgenoten’. De rabbijnen zeggen dan: in die tijd was Noach wèl rechtvaardig. Als hij in een andere tijd geleefd had, had hij het er niet zo goed afgebracht. Het ligt een beetje in de sfeer van: in het land van de blinden is éénoog koning. Omdat iedereen er zo’n puinhoop van maakte, was Noach tenminste nog een lampje. Omdat het zo donker was, kon je het kleine kaarsje van Noach nog wel zien. In een tijd van helder daglicht had je het kaarsje van Noach waarschijnlijk niet gevonden. Maar omdat Noach in een donkere tijd leefde, kon hij vol overtuiging zingen: laat mij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht. Dat was het lijflied van Noach. Ook van Lot wordt gezegd, dat hij een rechtvaardige was: maar de rechtvaardige Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel dier zedelozen, heeft behouden … (2Petrus 2:7). In Sodom val je al gauw op, al ben je maar ‘een beetje rechtvaardig’. Juist deze twee figuren, Noach en Lot, met hun symboolgestalte worden behouden. Zij vertegenwoordigen de mensheid en de volkeren. Noach vertegenwoordigt dus de mensheid en Lot de volkeren. Een mens is altijd meer dan hij is. Zo zeggen de rabbijnen het ook: ‘elke zoon van Israël vertegenwoordigt heel Israël’. Eén zo’n mens vertegenwoordigt de hele mensheid. Want als Noach door het water heen gered wordt, wordt daarmee de hele mensheid door het water heen gered. Als Lot uitgeleid wordt uit Sodom, worden daarmee de volkeren uitgeleid. De mensheid betekent: het complete mensdom. De volkeren betekent: de mensheid zonder Israël. In de tijd van Lot had je namelijk Abraham al, en Abraham was Israël. Maar in de tijd van Noach was er nog geen Israël. Noach wordt door het water heen gered. Lot wordt door het vuur heen gered. Deze twee bevrijdingen staan dus symbool voor alle uitreddingen, die er zijn. In 2Petrus 3:6,7 wordt dat ook weer aangehaald: waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water. Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen … Er wordt dus vaak een onderscheid gemaakt tussen het Evangelie van de genade en het Evangelie van het Koninkrijk. En dan is het van belang in dit verband om je te realiseren wat nu eigenlijk het begrip Koningschap inhoudt. We zullen daartoe een tekst uit het boek Job gaan bekijken. In het verhaal van Job, in de gesprekken met zijn vrienden, komt er een moment, dat Job eens even gaat vertellen, hoe het vroeger was. Job zegt dan in hoofdstuk 29:11-16 weet je wat ik allemaal gedaan heb in mijn leven? wanneer een oor mij hoorde, prees het mij gelukkig, en wanneer een oog mij zag, gaf het goede getuigenis van mij. Want ik redde de ellendige die om hulp riep, de wees en hem die geen helper had; de zegenwens van wie dreigde onder te gaan, kwam op mij, en het hart der weduwe deed ik jubelen; met gerechtigheid bekleedde ik mij, en mijn recht bekleedde mij als mantel en hoofddoek; tot ogen was ik voor de blinde, en tot voeten voor de kreupele; een vader was ik voor de armen, en het rechtsgeding van mij onbekenden, onderzocht ik; en verder in de verzen 17,19 en 25: ik verbrijzelde het gebit van de verkeerde en rukte de prooi uit zijn tanden … Mijn wortel was voor het water toegankelijk, en de dauw overnachtte op mijn takken … Verkoos ik hen te bezoeken, dan zat ik op de eerste plaats, ik troonde bij de schare als een koning, als een, die treurenden troost …

Maartje van Tijn, die unieke Joodse vrouw, zegt dan in haar commentaar: Dit lezen we dan in Job, met dank aan Frans Breukelman, die mij op deze tekst heeft gewezen. Ik woonde als een koning onder de menigten, als één die treurenden vertroost. Juist ja, het is maar een weet. Wie is gelijk een koning in Israël: hij, die treurenden vertroost. Dat is het doen van gerechtigheid, dat is dus wat een koning doet. Een koning is een trooster. Dat is nu het unieke van deze teksten, waar leer je dat, dat hoor je in wezen nergens. Als je aan de mensen vraagt: wat is nu een koning, dan zullen ze ongetwijfeld met heel wat definities komen. Een koning is iemand die op een troon zit; een koning is iemand die regeert; een koning is iemand, die de baas is; een koning deelt de lakens uit; een koning is in hoogheid gezeten, vooral hoog en vooral droog. Koningen zijn figuren, die ergens boven het gepeupel zitten, boven al die gewone stervelingen daar beneden. Maar Job zegt: bij ons is een koning iets anders. Waar herken je de koning in Israël aan: een koning is een trooster, één die de treurenden vertroost. Deze laatste zin zou je zo boven de vier Evangeliën kunnen zetten. Als je Jezus ziet, zie je de Koning bij uitstek, Eén die treurenden troost. Jezus zat niet hoog en droog met een scepter te zwaaien of macht te hebben. Hij kon inderdaad met Luther zingen: geen aardse macht begeren wij, die gaat alras verloren. Hij was alleen maar bezig om te troosten, om de treurenden van Sion de erbarming te geven. Zo wordt dat verteld in al die verzen van Job 29. Zo was hij een vader voor de armen (vers 16). Zo was hij iemand, die het twistgeding, dat hij niet kende, onderzocht (vers 16). Zo staat er ook van hem in vers 13, en dat is toch ook wel heel bijzonder: de zegenwens van wie dreigde onder te gaan, kwam op mij, en het hart der weduwe deed ik jubelen … Letterlijk: de zegen van wie verloren ging. Dat is ook een tekst om eindeloos over door te denken. Jezus geeft ook in dit verband instructies aan zijn discipelen: als je een zegen legt op het huis, dan mag die zegen daar komen. En als ze die zegen ontvangen, dan zal dat huis gezegend zijn. Als die zegen niet wordt ontvangen, keert die zegen terug tot de zender. Welk huis gij ook binnentreedt, zegt eerst: Vrede zij dezen huize. En indien daar een zoon des vredes is, dan zal uw vrede op hem rusten, maar zo niet, dan zal hij tot u terugkeren … (Lucas 10:5,6)

De zegen van wie verloren ging, kwam op mij.

Je zou zeggen: wat heeft iemand die verloren dreigt te gaan nou nog voor zegen te bieden! Maar laat deze tekst maar in zijn volle kracht spreken. Er waren mensen, die verloren dreigden te gaan en tegen Job zeiden: je bent gezegend, en misschien kun je nog wat voor mij doen. En Job wilde voor hen zijn tot een helper, tot een bevrijder. Zo is het met Jezus helemaal. De zegen van al die mensen, die dreigden verloren te gaan, kwam op Hem. Zo worden in dit hoofdstuk de basisprincipes van het koningschap uit de doeken gedaan. Jezus zegt ook: Ik zal u een andere Trooster geven, dus Hij was ook Zelf al de Trooster. Hiermee komen we dan op het punt, dat genade en koningschap zo met elkaar verweven zijn, dat het in wezen hetzelfde is. Je kunt dit in feite nooit opsplitsen.

Waar God komt, komt zijn Koningschap, daar komt zijn Genade. In het wezen van God is die genade en daarin is tegelijk ook dat Koningschap. Misschien kun je daar soms bepaalde tijden in onderscheiden. Er kan ook nog een troost in liggen, dat bepaalde tijdperken worden afgesloten. Dat gebeurde bij Noach tenslotte ook. Op een gegeven moment ging de ark dicht. En God Zelf sloot de deur toe. Daar zit ook iets genadigs in, dat God op een gegeven moment een tijdperk afsluit. Dat ligt ook in de naam van God besloten, in die naam El Sjaddaï, die betekent: het is genoeg. Het is genade, dat tijden op een bepaald moment ook begrensd worden. Onbegrensde tijd is ook geen zegen. Stel je voor, dat je altijd maar door zou moeten, daar zou je ook moe van worden. Het kwaad wordt ook begrensd. Stel je voor dat je eeuwen zou moeten leven. Dat doet me denken aan die dichtregels van Leeman:

Het zwarte schaap staat in de sneeuw,

het staat er langer dan een eeuw.

Als je dan een zwart schaap bent, word je daar ook niet vrolijk van. Je valt dan zo op, vooral als je in de sneeuw staat. En die sneeuw wil maar niet smelten, en dat schaap wil maar niet wit worden. Wat een ellende: je staat daar in de sneeuw en je staat daar langer dan een eeuw, vreselijk! Dan zeg je ook: kan er niet eens wat gebeuren. Laat iemand de klok eens vooruit zetten of de sneeuw laten smelten.

Er is hierover ook een oud chassidisch verhaal. God kijkt op een gegeven moment naar zijn mensen. Hij denkt: het duurt toch zo lang voor ze, ze moeten zo volharden. Ze hebben het zwaar en ze houden het haast niet meer. En dan zegt God: Ik zal mijn klok wat vooruit zetten, want anders bezwijken ze. De dagen worden ingekort. En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort … (Mattheüs 24:22). Het is genade, dat er een keer een einde komt aan een tijdperk, zeker als het een tijdperk van verdrukking is. Dat zegt ook dat prachtige lied van Theophil Brodersen, die wonderlijke Scandinavische zanger, die van die prachtige liederen gemaakt heeft. En dan te bedenken, dat hij ze zelf niet kon horen, want toen hij zeven jaar was, werd hij doof. Anderen konden het horen, maar hijzelf niet:

Toch overwint eens de genade,

en maakt een einde aan de nacht.

Dan onderwerpt de Heer het kwade,

dan is de strijd des doods volbracht.

De wereld treedt in ‘s Vaders licht,

verheerlijkt voor zijn aangezicht.

De tijd wordt begrensd, getermineerd. Brodersen heeft dat gezien, al kon hij het niet horen. Onze voorouders wisten dat, en die hebben op een gegeven moment de winkelsluitingswet ingevoerd. Onze generatie maakt dat dan weer ongedaan en zegt: die winkels moeten de hele dag open zijn, het liefst ook nog op zondag. Dat is de 24-uurs economie, dan weet je niet meer van ophouden. Maar de Eeuwige heeft van meet af aan ingesteld: er komt een moment, dat je stoppen moet, je moet sjabbath houden en dat betekent gewoon: je moet ophouden. In het moderne Hebreeuws betekent sjabbath: staken. Zes dagen zult gij arbeiden en de zevende dag zult gij staken. Die begrenzing is toch ook een kenmerk van dat geheimenis. Het gaat maar niet eindeloos door. God is de Oneindige, wordt er in de mystiek gezegd; maar wij hoeven niet oneindig te zijn. Zo komen we dan ook weer bij Mattheüs 24 terecht, waar we in vers 29 lezen, hoe genade en Koninkrijk in elkaar grijpen. Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen … Jezus spreekt in dit gedeelte zijn ‘Rede over de laatste dingen’ uit; zijn vijfde rede. Bij Mattheüs komt het onderricht in vijf blokken; hier zitten we dan in blok 5. Zo heb je ook de Torah in vijf blokken. Mattheüs 24 en 25 is dan het vijfde blok. Je zou dan ook parallel hiermee kunnen zeggen: we zitten hier in het vijfde boek van de Torah, het boek Deuteronomium. Hier, in dat laatste blok, gaat het om de laatste principes. Dan heb je de verdrukking gehad (de tsarah (hru)). Het volk van God heeft altijd weer in die benauwenis gezeten; daar spreken de Psalmen ook heel wat over. Jeremia spreekt daar ook over:

Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden … (30:7). Elke keer weer is die benauwdheid, waarbij je je afvraagt: komen ze er nog doorheen, komen ze er nog uit? En dan wordt hier gesproken van een verduistering van zon, maan en sterren. De krachten van de hemel zullen geschud worden. En dan: En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid … (Mattheüs 24:30). Letterlijk: in de hemel. Als je dit zo hoort, zeg je aan de ene kant: dit is te groots om uit te leggen. Hier stokken alle woorden. Je voelt je in wezen te klein om hier iets van te zeggen. Je krijgt dan de beroemde vraag: is dit letterlijk of is dit geestelijk. Maar er zijn dan uitleggers die zeggen: de tegenstelling is niet letterlijk of geestelijk, maar de tegenstelling is: letterlijk of figuurlijk. Moet je denken aan een natuurcatastrofe, moet je het in verband brengen met het heelal, speelt de ozonlaag misschien een rol? Moet je de ene uitleg uitspelen tegen de andere? En dan, in het ergste geval, moet je elkaar daarom verketteren? Misschien is het beste in dit verband, om de weg terug in te slaan. Je moet dan eerst bezien, waar die woorden uit Mattheüs 24 vandaan komen. Het blijk dan een citaat te zijn, of beter gezegd: een collage van citaten uit de profeet Jesaja. Twee teksten uit Jesaja worden hier samengevoegd, namelijk die uit Jesaja 13:10 en Jesaja 34:4. Want de sterren en de sterrenbeelden des hemels doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen … (Jesaja 13:10). We ontdekken dan in de eerste plaats, dat het in ieder geval heeft te maken met licht en donker. Licht heeft ook altijd een meerwaarde. Licht is ook altijd weer genade. Jan Wit heeft dat ook zo mooi gezegd in een van de liederen die hij berijmd heeft: Het licht, dat in uw ogen brandt… En dan te bedenken, dat Jan Wit zelf blind was. Hij is de blinde predikant – dichter, die schitterende liederen heeft gemaakt. En als hij spreekt over ‘het licht, dat in uw ogen brandt’, had hij het wel over het innerlijke licht. Hij sprak dan over het licht van binnen. Jarenlang heeft hij dit toch ook gezongen. En als je bedenkt, dat hij dan in de Waalse Kerk in Nijmegen het Evangelie stond te verkondigen in het Frans, dan zeg je toch: een blinde ziener! Hij heeft met zijn innerlijk oog toch meer gezien dan anderen. In Jesaja 13 gaat het over het gericht, dat voltrokken wordt aan Babel. En Babel staat symbool voor dat grote wereldsysteem van de verwarring en de onderdrukking. Babel komt in het boek Openbaring weer terug, waar ook gesproken wordt van de val van Babel. Babel was later ook wel één van de symbolen voor Rome. Als de apostelen dus schreven over Babylon, dan bedoelden ze vaak Rome. Ze zeiden dan: dat Romeinse Rijk is vandaag de grote wirwar. En de Romeinse keizer is het opperhoofd van de grote verwarring. En dat geheimenis woekert overal voort, maar, werd er dan gezegd: gelukkig, de dagen van Babylon zijn geteld. De keizer kan nog een poosje doen alsof hij de hele wereld bezit, maar het gaat voorbij. Straks doet de laatste keizer het licht uit en dan is ook dat wereldrijk voorbij. En uit dat denkbeeld werd troost geput. Het was voor hen in de tijd van de apostelen een vertroosting, dat ze wisten: op een keer wordt het licht van Babel uitgedraaid. Het licht van dat grote keizerrijk met al zijn pracht en praal en met al zijn geweld, zal een keer worden gedoofd. Er komt een einde aan het kwaad, zoals Brodensen zong: dan overwint de Heer het kwade en maakt een einde aan de nacht. Je zou dus ook kunnen zeggen: Hij maakt een einde aan Babel.

Zo wordt het hier in Jesaja 13 dan ook gezegd: de sterren en de sterrenbeelden zullen hun licht niet meer laten stralen. De zon zal verduisterd worden, als zij uittrekt om de dageraad te beginnen. Het gaat hier dus over Babel. Daar zie je dan dus één beeld, waar het blijkbaar mee heeft te maken. Zo is Jesaja 13 de ene peiler waar Mattheüs 24 op gebouwd is, althans dat gedeelte vanaf vers 29. Dat gedeelte staat dus op twee pilaren: de ene pilaar is Jesaja 13 en de andere zuil is Jesaja 34. Dat is waar al die mensen als ballingen naar hebben uitgezien in de dagen van Jesaja 13 en in de dagen van Jesaja 34. Maar ook in het jaar 70, toen Jeruzalem werd verwoest, had den ze het gevoel dat het licht werd gedoofd. Het licht valt uit; we hebben geen zon meer en geen maan. Vroeger werd dat ook wel gezongen: al schijnt geen zon, al licht geen maan… Als er geen zon is en geen maan, wat houd je dan over; wat houd je over als alle lichten uit vallen? Daarmee kom je op het meest wezenlijke punt: Genade is licht en licht is genade! Maar ook in het donker is Hij nabij, zoals er ook staat in Psalm 74:16: Uwer is de dag, uwer ook de nacht; Gij zijt het, die hemellicht en zon hebt gesteld … Ook de nacht is nooit zonder U! Je bent nooit zonder Hém. De tweede tekst uit Jesaja, die te maken heeft met de zon, de maan en de sterren vinden we dan in Jesaja 34:4: Al het heer des hemels vergaat en als een boekrol worden de hemelen samengerold; al hun heer valt af, zoals het loof van de wijnstok en zoals het blad van de vijgenboom afvalt … ‘Al het heer’; al het leger. We lezen dat ook in Genesis 2:1: Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer … En dan staat er in Jesaja 34, dat de hemelen worden opgerold als een boekrol, zoals je na de Schriftlezing je boek oprolde. Zo gebeurde dat in de synagoge van oudsher: de boekrol werd weer opgerold en teruggelegd in de kast. Zo worden ook de hemelen opgerold, want ze hebben hun taak vervuld. Het boek is uit; de lezer heeft gelezen en de zanger heeft gezongen; het laatste couplet heeft geklonken. En als dan de ballade klaar is, wordt de boekrol weer opgeborgen. In dit vers uit Jesaja 34 hebben we dus weer dezelfde beelden. En hier gaat het dan over Edom. In Jesaja 13 ging het over Babel en in Jesaja 34 over Edom. En volgens de rabbijnen is Edom dan Rome. De rabbijnen gingen zo’n tekst dan actualiseren. Edom was maar geen naam uit een ver verleden, niet alleen een aardig stukje geschiedenis, maar Edom, daar zitten we middenin. Edom is het Romeinse Rijk. En van Rome met al zijn macht wordt dan gezegd: dat hele Romeinse leger vergaat. En de sterren – want dat is het heer des hemels – verdwijnen. En die boekrol wordt helemaal opgerold, het verhaal is voorbij. Dan wordt die boekrol bijgezet in het archief van een bibliotheek. Wie het dan later nog eens een keer wil lezen, kan die boekrol eventueel nog een keer raadplegen. Misschien zal iemand er ooit nog eens een proefschrift over schrijven onder de titel ‘Ook dit was Edom’. Dit was dan de geschiedenis van Edom. Maar die boekrol wordt opgerold, de bladeren vallen van de wijnstok en van de vijgenboom. De sterren vallen van de hemel en de zon en de maan trekken hun glans in. Ook in Joël kun je dat lezen: Voor hun aangezicht siddert de aarde, beeft de hemel; de zon en de maan worden zwart en de sterren trekken haar glans in … (Joël 2:10). De zon en de maan worden zwart en de sterren trekken haar glans in … (Joël 3:15). De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt … (Joël 2:31). Dat heeft dus alles te maken met duisternis en licht. Duisternis is de kracht, die de schepping zou willen tegen houden. Het eerste wat God sprak, is: …er zij licht Dat was zijn allereerste woord. Je zou zeggen: iedereen hield zijn adem in, want als de Eeuwige gaat spreken, als God zijn eerste woorden over de schepping gaat uitspreken, wat zal Hij dan gaan zeggen? Gods eerste preek; waar zal Hij het over gaan hebben? Al die engelen hebben hun adem ingehouden: onze Meester gaat spreken! Je begrijpt, dat het geen preek van een beginneling werd. Een jong kandidaatje heeft het dan wel even moeilijker, als hij voor het eerst met knikkende knieën de katheder moet bestijgen. Ik sta hier dan, maar hoe kom ik straks weer levend omlaag. Of die dominee van de Gereformeerde Gemeente die als jong mannetje werd gevraagd om hier en daar een stichtelijk woord te spreken, waarbij dan een van de ouderlingen de opmerking maakte: jij denkt zeker dat je het wel kunt, nou God zal je de benen wel breken. Mocht je nog een beetje moed hebben, dan verdwijnt dat wel met zo’n bemoediging! Maar de Eeuwige gaat zijn eerste woord spreken. Jan Wit heeft het bezongen in dat prachtige lied:

God heeft het eerste woord.

Hij heeft in den beginne

het licht doen overwinnen,

Hij spreekt nog altijd voort. (Liedboek nummer 1)

En al die engelen zitten vol spanning te wachten, en dan komt dat eerste woord: er geschiede licht. Duisternis is de kracht, die de voortgang van de schepping wil tegenhouden. Licht is de grondslag van heel de schepping. Licht is eigenlijk: Hijzelf.

In de Joodse mystiek wordt God altijd de Oneindige genoemd. God is de ‘één sof (Pwo Nya)’, de Oneindige. Het woord voor licht is ‘or’ (rwa). Als je nu de letters optelt van ‘één sof’ en ‘or’, kom je in beide gevallen uit bij het getal 207. Dat betekent dan: de Oneindige is Licht. Dat is ook wat Johannes zegt in 1Johannes 1:5: En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Johannes dacht ook oer-Hebreeuws; hij had ook in zijn brieven kunnen zetten: Geliefde broeders en zusters: 207! Geliefden, 207 is het kengetal van de Allerhoogste. Dus alles wat in de taal licht heet, heeft zijn wortels in de Oneindige. Dat is dus ook de achtergrond van Jesaja 13 en 34. Dat is dus ook, wat je als achtergrond mag horen, als je Mattheüs 24 leest. Licht is genade.

Een volk, dat voor tirannen zwicht,

zal meer dan lijf en goed verliezen.

Dan dooft het licht.  (H.M.van Randwijk)

Het licht is goed. Want als het licht is, kunnen we wat zien. Dat is ook wat er staat in Genesis 1. Het was de allereerste keer, dat God iets zei. En God zeide: er geschiede licht. En wat geschiedt er dan: precies dàt, dat er licht gaat geschieden. En wat staat er dan onmiddellijk achter: en God zag. Dat is, waarom het zo nodig licht moest wezen. Niet in de eerste plaats, omdat het in het donker zo’n foute boel is, – hoe zou dat kunnen met de Geest van God daarin; als de Geest van God boven de wateren zweeft, kan het nooit verkeerd wezen – maar omdat we in het donker niet kunnen zien; God niet en wij niet. Maar nu is dan het licht geschiedt en God zag. En wat is het eerste wat Hem opviel toen Hij zag: dat het niet langer donker was, maar licht en dat was goed. Dus als het licht is, kunnen we zien wat we doen: gerechtigheid bijvoorbeeld. Niet omdat duisternis slecht zou zijn, nee, verre van dat. Wie bang is in het donker, heeft evenveel reden om bang te zijn in het licht, aldus Maartje van Tijn. Het woord licht (or (rwa)) komt in het boek Genesis alleen maar voor in Genesis 1. En in dat hoofdstuk 1 komt het vijfmaal voor. En vijf is het getal van de vijf boeken van de Torah. En de vijf boeken van de Torah zijn de vijf boeken van de genade.

Dat licht, geschapen op het spreken van de Eeuwige, de Eeuwige heeft gesproken en dan wordt het geschapen, dat licht wordt geschapen op het werkwoord van onze God, dit licht waar zonder wij niet kunnen zien, waar zonder wij niet kunnen onderkennen wat goed en kwaad is, wat terecht is en wat onterecht is, dit licht staat symbool voor de vijf boeken van de Torah. En Torah kun je ook weergeven met terecht-wijzing. Je wordt te-recht gewezen. De Torah wijst ons, hoe wij recht moeten gaan. Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad … (Psalm 119:105). Terechtwijzen heeft dus niets te maken met berispen, maar iemand op de rechte weg wijzen. Als je ergens bent, en je weet met geen mogelijkheid meer de juiste weg te vinden, dan is het heerlijk als iemand jou terechtwijst. Het is dan natuurlijk nog fijner, als zo’n persoon voor je uit gaat rijden. Dan wordt het je voorganger in de letterlijke zin des woords. Dan komen we in Genesis ook nog het woord ma’or (rwam of ram) tegen. Dat woord betekent: lichtdrager of lichtgever. En dat wordt dan gezegd van zon, maan en sterren. Dat zijn de verlichters. Dat komt van hetzelfde woord, van dezelfde stam. Ook dat woord komt in Genesis vijfmaal voor, en ook alleen in Genesis 1. Ook weer symbool voor de vijf boeken van de Torah. Een lamp is een lichtgever, dat is niet de bron van het licht, de zon en de maan en de sterren zijn niet de bron van het licht, maar ze geven het licht door. De melkboer is niet de bron van de melk, maar hij geeft de melk door. Een profeet is ook niet de bron van het woord, maar die geeft het woord door. Nou kun je redeneren: de zon is wèl de bron van het licht en de maan geeft het licht door, maar dan ga je te veel denken in natuurwetenschappelijke termen. De mens is meer dan ‘alleen maar’ een kanaal voor de woorden van God. In die zin gaat het beeld maar ten dele op. De mens is meer dan een kanaal, een mens wordt zelf ook een bron. Dat zegt Jezus ook tegen de Samaritaanse vrouw: het zal in jou worden tot een fontein, een bron van leven, stromen van levend water zullen uit jouw binnenste vloeien. Gerrit Achterberg zegt in dit verband: de dichter is een koe. Zoals een koe melk geeft, zo geeft de dichter zichzelf. In die zin kun je dus zeggen: een mens heeft een bron van binnen, en daardoor wordt hij ook een bron. De mens wordt een bron, die zijn bronwater ontleent aan de Bron die God is. Het licht komt rechtstreeks van God, zoals ook de Torah rechtstreeks vanuit Hem gekomen is. De Torah is als het licht en bovendien geeft ze het licht door. In Genesis heb je dus 5 maal het woord licht, je hebt 5 maal het woord lichtdrager en dan heb je nog 2 keer het woord verlichten of doen lichten. Ook dat laatste komt dan weer voor in Genesis 1. Als je dat dus optelt, 5+5+2, kom je bij het getal 12. Zo wordt er in Genesis in het totaal dus twaalf maal gesproken over het licht. En twaalf is het symbool van de stammen van Israël. De twaalf stammen van Israël, die samen met de Heer in het verbond staan als hart van de mensheid. En zij vertegenwoordigen daarmee alle volkeren.

Licht is genade.

Licht is het genadige licht; het is ook het genezende licht. Het is het licht waarin de mens kan leven. Dat vind je dan in Genesis 1, dat vind je ook weer terug bij Johannes in het eerste hoofdstuk. Het is het licht, dat ‘qol adam’ (Mda lq) verlicht, dat elk mens licht geeft.

De duisternis kan dus als symbool fungeren. Je hebt de puur natuurlijke duisternis en daar is niets mis mee, die is zelfs noodzakelijk voor het leven op aarde. De natuurlijke duisternis is gewoon het gevolg van de draaiing van de aarde en de stand van de aardas. Dat staat ook in Genesis: het werd avond en het werd weer morgen: één dag. Duisternis kan een symboliek in zich hebben. Je kunt het dan zien als symbool van het kwaad. In duisternis wandelen kan dan betekenen: je bent zonder God. Je hebt dan innerlijk geen licht. Dan is er dus meer aan de hand. Dan denken we ook weer aan dat vers van de dichter van Randwijk: een volk, dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht. Als een volk gaat luisteren naar de verkeerde raadgevers, of als een mens dat gaat doen, dan dooft het licht. Zo staat er ook in het boek Openbaring, dat als een gemeente ontrouw wordt, het licht van de kandelaar wordt weggenomen. Dan zit die gemeente dus in het donker. Dan gebeurt er dus iets van binnen. Er is dus een innerlijk licht, waar je zuinig op moet zijn. Gustav Jung had een keer de volgende droom. Hij zag zichzelf lopen door het donker. Het was stormachtig weer, maar Jung had een klein lantaarntje bij zich. Hij moest onderweg zorgen dat dat kleine licht niet werd uitgeblazen door de storm. Jung zegt: dat was dat licht vanbinnen, dat was mijn innerlijke licht, dat was die bron vanbinnen. Daar zit een heel treffend beeld in.

Dezelfde H.M. van Randwijk schreef een gedicht in 1943.

Celdroom

Des daags scheen zonlicht in de cel

twee decimeter op de muur.

Dan stond te middag voor één tel

een zin gekrast in laaiend vuur.

Wie had de woorden ingekerfd,

merkteken van ons diepst begeren?

Eén heeft ze met zijn bloed geverfd:

Gerechtigheid zal wederkeren.

Dat gedicht verscheen in 1943. Van Randwijk was journalist, uitgever en schrijver. Hij was tot 1942 onderwijzer te Amsterdam. Hij heeft in het verzet belangrijk werk verricht, werd enkele malen gearresteerd, maar weer vrijgelaten. Hij was medeoprichter van het toen illegale blad ‘Vrij Nederland’, dat hij ook na de oorlog tot 1950 bleef leiden. Hij stierf in 1966 op 56-jarige leeftijd. Voor de verzetsstrijder van Randwijk werd in 1970 te Amsterdam aan het Weteringcircuit een gedenkteken onthuld, waarop die woorden staan: ‘Een volk, dat voor tirannen zwicht’

Zonlicht in de cel…

Gerechtigheid zal wederkeren…

Een paar woorden, ingekerfd op de muur van de gevangenis. Eén heeft ze met zijn bloed geverfd. Eén heeft die woorden geschreven met zijn eigen leven, met zijn eigen bloed. De gerechtigheid komt terug! Toch licht!

De duisternis wordt begrensd. Het licht werd geschapen om mee te beginnen. Rabbi Jehudah zegt: als God gaat scheppen, begint Hij met licht. Het licht werd geschapen om mee te beginnen en daarna de wereld. Zo is ook de gelijkenis van die koning, die een paleis wilde bouwen op een donkere plaats. Het eerste wat die koning toen deed, was het aansteken van lampen en lantaarns. Zo alleen kon hij zien, hoe de fundamenten gelegd moesten worden. En op een rabbijnse vraag over de oorsprong van het licht wordt dan als antwoord gegeven: de Heilige, gezegend is zijn naam, wikkelde zich in een witte gebedsmantel. En de glans van zijn heerlijkheid straalde van het ene einde van de wereld tot het andere einde. God wikkelt zich in zijn gebedsmantel om voor de wereld te bidden; dat is pas genade. Alles begint met genade. God zegt: voordat Ik de wereld ga scheppen, zal Ik eerst voor de wereld bidden. God zegt niet: vooruit, We zullen die wereld wel eens even maken, gezegend zij de greep. Maar de Eeuwige zegt: Ik ga die hemel en die aarde formeren, structuur daarin aanbrengen, van alles daarin laten leven en daarin laten opbloeien, maar eerst ga Ik voor ze bidden.

Dat is nou genade. God zegt: We gaan eerst bidden en dan gaan we werken. Boven Genesis 1 staat: Ora et Labora, bid en werk. Dat doet God ook. God gaat eerst bidden en dan gaat Hij werken. God bidt uit innerlijke bewogenheid. Hij legt zijn innerlijke bewogenheid, zijn hart over de schepping. God sluit de schepping in zijn hart. Bidden is ook: de ander in je hart sluiten, dan zeg je: ik sta voor je in. God zegt: Ik ga eerst voor ze instaan, opdat ze niet bezwijken. God houdt zijn schepping in stand; Hij is er intensief mee bezig. Aan het begin van alles staat de Eeuwige; en je herkent Hem aan zijn witte mantel, zijn gebedsmantel. God als Hogepriester, God met een priesterlijk hart. Ik zal voor ze bidden, dat ze niet bezwijken in de druk van de tijden; Ik zal voor ze bidden, opdat zij niet ten onder gaan. Maartje van Tijn zegt: ik heb zitten kijken naar een foto uit de Tweede Wereldoorlog. Een kiekje, genomen door een nazi officier, als herinnering om er later nog eens naar te kijken. Om dan nog eens in herinnering terug te brengen ‘hoe geweldig het allemaal was’. Op die foto staat een oudere man, een Jood. Hij heeft zijn gebedsriemen om, zijn gebedsmantel aan. Hij zit daar op zijn knieën voor zijn open graf. Hij weet, dat ze hem zullen vermoorden. Ernstig en aandachtig bereidt hij zich voor op zijn sterven. Achter hem staan de Duitse soldaten, die hem over enkele ogenblikken dood zullen schieten. Het zijn jonge mannen, gezond en blozend, even in de twintig, goed zittende uniformen, handen aan de koppel. Ze lachen, ze lachen onbekommerd en onaangeraakt. Maar de glans van zijn gebedsmantel straalt van het ene eind van de wereld tot het andere. Dat is Genesis 1. De glans van de gebedsmantel, de glans van Gods gebedsmantel. Het licht, dat toch overwint. Wat is het dan kostbaar, dat je dat licht als een bron van binnen in je mag dragen.

De volledige studie is in boekvorm te verkrijgen bij:

J. Bies

Schaperstraat 104

3317  LR Dordrecht

Tel:078-6510685

Giro 1292693

E-mail jan.bies@kpnplanet.nl

– Prijzen zijn excl. Verzendkosten

– Van elk boek wordt € 2.25 afgedragen aan het Afrika-fonds 

Laat een commentaar achter

Zoeken

Column

Machteloze opofferende liefde

Het is Goede Vrijdag, Jezus sterft aan een kruis. Maar waarom? Verhalenverteller en missionair Matthijs Vlaardingerbroek wist precies hoe het zat, totdat een Schotse vreemdeling hem aansprak in een museum. Het is een winterse dag in Glasgow, de stad waar mijn dochter studeert, als ik eindelijk de kans krijgt om het wereldberoemde schilderij “De Christus […]

410335 bezoekers sinds 07-06-2010